NEGENDE HOOFDSTUK.

Waarom mijnheer de baljuw in Marcus Aurelius lezen moest en

zijn aangezicht niet mocht wasschen, en waarom Fieken van

den molenaar Voss hem niet meer te teemachtig voorkwam.

De oude baljuw liep in zijne kamer op en neêr en was knorrig, want

al was hij ook niet zeer driftig van aard, zoo was hij toch een oud

man, die gewoon was te bevelen en die zijne eigene manier had, en

nu moest hij zich laten kommandeeren, en had 's morgens klokke acht

moeten opstaan,--wat tegen zijne natuur was,--en koffie had hij ook

niet gekregen, en toen hij tot zijne opvroolijking een pijp wilde

aansteken, waren er geene pijpen te zien. Hij schelde éénmaal: Frits

Sahlmann kwam niet; hij schelde tweemaal: Fieken kwam ook niet. Hij

haalt zijne snuifdoos uit den zak en neemt een snuifje, met zulk

een veelbeteekenend neusophalen, als iemand doet, die zich op alle

mogelijke onaangenaamheden wil voorbereiden, krijgt zijn lorgnet te

voorschijn en kijkt naar 't weder. Het regende buiten dat het goot,

en in de hooge, kale toppen der olmboomen zaten de kraaien zoo stil

en ineengedoken, alsof hunne vleugels waren vastgekleefd, en zij

dropen, als de oude boer Kugler, toen hij eens op een avond tot aan

den rand van zijn hoed in de dorpssloot had gezeten. "Die hebben ook

al geen pleizier!" zeide de oude heer. "Maar, waar is tegenwoordig

pleizier in de Duitsche landen? 't Is toch eene wonderlijke zaak

met het wereldbestuur! Onze lieve Heer laat maar toe, dat één

zoo'n hondsvot de gansche wereld ongelukkig maakt. Dat is voor een

christenmensch moeilijk te begrijpen. De grootachtbare hertogelijke

kamer maakt ook menigmaal bepalingen, die geen christenmensch en geen

ambtenaar begrijpen kan; maar het hoogachtbare domeinbestuur is toch

ook maar zoo'n arme zondaar, wien al van het begin af bij alle hooge

eigenschappen, de domheid in de ééne slip meê ingeknoopt is, en dat

weten wij, en wij schikken er ons in, dat wil zeggen, niet zonder

eenige ergernis en verdriet. Maar hier, bij het christelijk geloof aan

een wijs wereldbestuur, het nut van den schavuit Bonaparte in te zien,

dat is--dat is!"--en hij nam zijne slaapmuts af en hield die een duim

of drie boven zijn hoofd, "God moge mij de zonde vergeven! Ik heb tegen

geen mensch ooit haat gekoesterd, tegen geen mensch vijandschap, ook

niet tegen de grootachtbare kamer met haar sakkermentsche monitoriën,

maar nu heb ik een' haat!" en hij smeet zijne slaapmuts op den vloer

en zette er zijne voeten op; "nu heb ik er een! en ik wil hem ook

behouden!"

Dit laatste had hij misschien wat luid geroepen, want zijne lieve vrouw

kwam geheel ontsteld de deur in.--"Weber, Weber! Wat scheelt u? Heeft

Frits Sahlmann of Fieken...?"--"Neen, Netje," viel hij haar in de rede

en raapte de slaapmuts op, "die niet, Bonaparte maar." "Goede hemel,"

riep zij uit, "al weder! Waarom wilt ge u toch op hem boos maken?" En

zij ging naar de boekenkast van mijnheer den baljuw en kreeg er een

boek uit, zeggende: "Daar, Weber, lees in je boek!" Dat was nu het

boek van Marcus Aurelius. Daaruit las de baljuw een kapittel, als hij

zich boos gemaakt had, en zoo 't heel erg geweest was, twee. Hij nam

dus nu ook het boek en las, en zijne lieve vrouw deed hem den witten

purgeermantel om en maakte het mooie, grijze haar glad en draaide

het kleine deftige staartje en strooide hem zacht en voorzichtig het

stuivende poeder over 't hoofd; Marcus Aurelius deed ook het zijne,

en al de knorrige rimpels waren weg van zijn ernstig voorhoofd, toen

de vrouw van mijnheer den baljuw met het kleine zilveren mesje het

poeder van 't aangezicht afschrapte.--"Want dat moet zij er altijd

afschrappen," zeide Fieken, wanneer zij hierover begon te praten,

"en wasschen kan hij zich dan niet, anders zou het tarwemeel hem de

oogen dichtplakken."

"Netje," sprak de baljuw, toen hij, wat zijn hoofd betrof, in orde

gemaakt was, "kijk toch, als ge kunt, eens beneden in 't huishouden

rond. 't Is toch eene zonderlinge zaak! Fieken komt niet, Frits

Sahlmann niet: die verd... 'k wou zeggen--dat goddelooze Fransozentuig

heeft alles hier in huis in de war gemaakt.--Wat moet dat?"

De vrouw van mijnheer den baljuw was een kleine goedaardige vrouw,

een weinig zwak van persoon, doch daarbij niet gemelijk en steeds

bereid, om in vriendelijkheid de wonderlijke invallen van den ouden

heer te verdragen. Zij hadden één zoon, hun Jochem, die sinds lang

buiten 's lands was, en zoo waren de beide ouden in dat groote slot

alleen met elkander, en zij droegen in trouw en eerbaarheid lief en

leed te zamen: en wanneer de verveling bij hen wilde binnensluipen,

dan trof het gelukkig altijd, dat mijnheer de baljuw juist ter goeder

ure een nieuwen, wonderlijken inval kreeg, en uit het geeuwen kwam

dan een recht gezond niezen, dat de liefde weêr opfrischte, want het

gaat met de liefde als met een' boom: hoe meer de wind in de kruin

en in de bladeren speelt, des te vaster worden zijne wortels.

Nu, wat mijnheer de baljuw heden morgen van zijne lieve vrouw

verlangde, dat zij namelijk eens in 't huishouden zou omzien, was nu

juist geen zonderlinge inval en daarom niesde zijne vrouw ook niet,

ofschoon zulks, in onzen tegenwoordigen tijd, menige wel opgevoede

vrouw wel gedaan zou hebben.--Zij was juist heengegaan, toen de

oude molenaar Voss met het valies de deur inkwam. "Goeden morgen,

mijnheer de baljuw!" zeide de molenaar en maakte een buiging, "met uw

verlof!" En hij legde het valies op de tafel, "hier is 't!" "Wat is

't?" vroeg de oude heer.--"Mijnheer, wat weet ik 't? Ik weet wat,

ik weet veel, ik weet in 't geheel niks, maar, zooveel weet ik,

een gauwdievenkraam is 't." "Molenaar Voss, hoe komt gij aan een

gauwdievenkraam?"--"Hoe komt de hond in den halsband, mijnheer de

baljuw? Hoe kwam het meisje aan 't kind?--Ik weet maar, dat dit de

mantelzak van den Fransoos is, en dat de duivel mij den Fransoos

gisteren avond op mijn wagen heeft gegooid, en mijn Frederik hem er

weêr afgesmeten heeft." En nu vertelde de molenaar het geheele geval.

De oude heer liep ondertusschen in de kamer heen en weder en bromde zoo

wat in zijn baard, van "leelijke zaak!" en dan weder stond hij voor

den molenaar stil en zag hem strak in de oogen, en toen het verhaal

van den molenaar uit was, zeide hij: "Wel, vriend Voss, 't is immers

toch wel zeker, dat de Franschman nog leeft?"--"Mijnheer de baljuw,

wat weet ik 't?--Zie eens; ik maak mijne berekening zóó: koud was

't van nacht voor den tijd van 't jaar juist niet; maar geregend

heeft het den heelen nacht; en, als wij beiden, mijnheer de baljuw,

gij of ik, van nacht daar gelegen hadden, dan waren we mogelijk

verkleumd. Maar, ik reken ook zóó: zulk volk is 't liggen in de lucht

beter gewend, dan wij, en heeft het hem in Rusland geen kwaad gedaan,

dan zal 't hem hier ook wel niet benadeeld hebben. En weggegaan is

hij, en Frederik is hem achterna, en als hem dan naderhand nog wat

overkomen is, kunnen wij dat niet helpen."--"Vrind Voss, vrind Voss,"

sprak de oude heer, het hoofd schuddende, "dat is een erg ding! Als

jou Frederik den Franschman niet weêr krijgt, kan 't je den hals

kosten."--"God beware mij!" riep de molenaar, "met welke dwaasheden

heb ik me, op mijn ouden dag, ingelaten! Mijnheer de baljuw, 'k ben

immers onschuldig, en 'k heb immers het valies ook niet gehouden,

en het paard staat in de schuur van den bakker Witt." "Dat is ook je

geluk, molenaar, dat is ook een groot geluk voor je, want dat kan ik

getuigen. En louter goud en zilver, zegt gij, is in dat valies?" "Ja,

louter goud en zilver," antwoordde de molenaar. En dit zeggende,

gespte hij het valies los en liet mijnheer den baljuw den inhoud zien.

Mijnheer de baljuw zette groote oogen op. "Heere! bewaar ons!" riep

hij uit, "dit is waarlijk een schat."--"Ja, dat zegt ge wèl, mijnheer

de baljuw! Mijne vrouw zegt anders niet veel, maar toen ze dit zag,

sloeg zij hare handen samen en sprak geen woord."--"Gestolen is

't alles, Voss. Hier, op het zilverwerk is het Urtzensche wapen;

dat ken ik. De lepels heeft die gauwdief zeker hier in de buurt

gestolen. Maar daardoor wordt jou zaak niet beter."

De oude molenaar stond daar als geheel verpletterd. Mijnheer de

baljuw liep de kamer door en wreef zijn hoofd; eindelijk ging hij

naar den molenaar toe, legde hem de hand op den schouder en zeide:

"Molenaar Voss, 'k heb je altijd voor een eerlijk man gehouden;

maar zoo'n eerlijkheid, in zulke omstandigheden! Je kunt niet van

den éénen dag tot den anderen leven, en je geeft uit eigene beweging

zoo'n portie geld terug, waarvan eigenlijk niemand weet, waar het

t'huis hoort!"--De oude molenaar werd zoo rood als vuur en keek naar

de punten van zijne laarzen. "Ja, Voss," sprak de oude baljuw verder,

"'t is eene zeldzame handelwijze van je, want je hebt niets kunnen

weten van wat er hier is voorgevallen, maar dank er God voor, want

het is mogelijk, dat dit gedrag je het leven redt."

Het gevaar, waarin hij meenen moest te verkeeren, de onverdiende

lof, die hem juist zoo aangenaam voorkwam, als wanneer iemand op een

leuningstoel gaat zitten, waar zijne lieve vrouw een speldekussen op

nedergelegd heeft, het vooruitzicht, dat hij met Gods hulp uit deze

gevaarlijke zaak nog door eene kleine opening zou kunnen kruipen,

en dat hij dat alles niet verdiend had, deden den ouden molenaar

vreeselijk aan. Hij stond met neêrgeslagen oogen en wrong zich heen

en weder, en draaide zijn hoed hoe langer zoo erger; eindelijk sloeg

hij hem met beide handen inéén, zoodat hij geheel uit zijn fatsoen

geraakte, en riep: "De drommel hale de heele Fransozenhistorie en

mij daarbij, mijnheer de baljuw! Als de hemel jegens mij genade voor

recht wil laten gelden en mij uit dezen nood redt, dan wil ik ook niet

met ongerechtigheden omgaan. Neen, wat waarheid is, is waarheid! En

als mijne kleine Fieken er niet geweest was, dan lag dat entfaamte

Fransozengeld in mijne kast en ik hing van avond aan de galg." En nu

vertelde hij de zaak.

"Vrind Voss," zeide de baljuw, toen alle omstandigheden verteld

waren, "ik ben niet voor meisjes; jongens zijn beter; meisjes zijn

me te teemachtig; maar met jou Fieken is het dan toch eene andere

zaak.--Vrind Voss, het strekt jou en je vrouw tot eer, dat je zoo'n

kind hebt.--Hoor eens, als je weêr bij mij komt, breng dan je Fieken

eens meê; ik....--dat is te zeggen mijne vrouw, zal er zich over

verheugen. En neem nu het valies en breng het naar 't raadhuis en

meld je daar aan; want de Franschen zullen daar wel zoo'n soort van

gerechtsdag houden,--'t zal er ook naar wezen!--en vraag eerst naar den

burgemeester; dat is een welwillend man, en hij spreekt ook Fransch,

en spoedig zal ik daar ook zijn, en wat maar eenigszins mogelijk is,

zal ik voor je doen."--"Best, mijnheer de baljuw! Ik ben al veel

lichter om 't hart.--En met de andere zaak; met het bankroet meent

gij...?"--"Dat je een dwaas zoudt wezen, om je op je ouden dag nog

met zulke dingen in te laten!"--"Best, mijnheer de baljuw! Nu, adjuus

dan!" Daarop ging de molenaar heen.

Twee vroolijke geschiedenissen · 第 12 / 26 题