Waarom mijnheer de baljuw in Marcus Aurelius lezen moest en
zijn aangezicht niet mocht wasschen, en waarom Fieken van
den molenaar Voss hem niet meer te teemachtig voorkwam.
De oude baljuw liep in zijne kamer op en neêr en was knorrig, want
al was hij ook niet zeer driftig van aard, zoo was hij toch een oud
man, die gewoon was te bevelen en die zijne eigene manier had, en
nu moest hij zich laten kommandeeren, en had 's morgens klokke acht
moeten opstaan,--wat tegen zijne natuur was,--en koffie had hij ook
niet gekregen, en toen hij tot zijne opvroolijking een pijp wilde
aansteken, waren er geene pijpen te zien. Hij schelde éénmaal: Frits
Sahlmann kwam niet; hij schelde tweemaal: Fieken kwam ook niet. Hij
haalt zijne snuifdoos uit den zak en neemt een snuifje, met zulk
een veelbeteekenend neusophalen, als iemand doet, die zich op alle
mogelijke onaangenaamheden wil voorbereiden, krijgt zijn lorgnet te
voorschijn en kijkt naar 't weder. Het regende buiten dat het goot,
en in de hooge, kale toppen der olmboomen zaten de kraaien zoo stil
en ineengedoken, alsof hunne vleugels waren vastgekleefd, en zij
dropen, als de oude boer Kugler, toen hij eens op een avond tot aan
den rand van zijn hoed in de dorpssloot had gezeten. "Die hebben ook
al geen pleizier!" zeide de oude heer. "Maar, waar is tegenwoordig
pleizier in de Duitsche landen? 't Is toch eene wonderlijke zaak
met het wereldbestuur! Onze lieve Heer laat maar toe, dat één
zoo'n hondsvot de gansche wereld ongelukkig maakt. Dat is voor een
christenmensch moeilijk te begrijpen. De grootachtbare hertogelijke
kamer maakt ook menigmaal bepalingen, die geen christenmensch en geen
ambtenaar begrijpen kan; maar het hoogachtbare domeinbestuur is toch
ook maar zoo'n arme zondaar, wien al van het begin af bij alle hooge
eigenschappen, de domheid in de ééne slip meê ingeknoopt is, en dat
weten wij, en wij schikken er ons in, dat wil zeggen, niet zonder
eenige ergernis en verdriet. Maar hier, bij het christelijk geloof aan
een wijs wereldbestuur, het nut van den schavuit Bonaparte in te zien,
dat is--dat is!"--en hij nam zijne slaapmuts af en hield die een duim
of drie boven zijn hoofd, "God moge mij de zonde vergeven! Ik heb tegen
geen mensch ooit haat gekoesterd, tegen geen mensch vijandschap, ook
niet tegen de grootachtbare kamer met haar sakkermentsche monitoriën,
maar nu heb ik een' haat!" en hij smeet zijne slaapmuts op den vloer
en zette er zijne voeten op; "nu heb ik er een! en ik wil hem ook
behouden!"
Dit laatste had hij misschien wat luid geroepen, want zijne lieve vrouw
kwam geheel ontsteld de deur in.--"Weber, Weber! Wat scheelt u? Heeft
Frits Sahlmann of Fieken...?"--"Neen, Netje," viel hij haar in de rede
en raapte de slaapmuts op, "die niet, Bonaparte maar." "Goede hemel,"
riep zij uit, "al weder! Waarom wilt ge u toch op hem boos maken?" En
zij ging naar de boekenkast van mijnheer den baljuw en kreeg er een
boek uit, zeggende: "Daar, Weber, lees in je boek!" Dat was nu het
boek van Marcus Aurelius. Daaruit las de baljuw een kapittel, als hij
zich boos gemaakt had, en zoo 't heel erg geweest was, twee. Hij nam
dus nu ook het boek en las, en zijne lieve vrouw deed hem den witten
purgeermantel om en maakte het mooie, grijze haar glad en draaide
het kleine deftige staartje en strooide hem zacht en voorzichtig het
stuivende poeder over 't hoofd; Marcus Aurelius deed ook het zijne,
en al de knorrige rimpels waren weg van zijn ernstig voorhoofd, toen
de vrouw van mijnheer den baljuw met het kleine zilveren mesje het
poeder van 't aangezicht afschrapte.--"Want dat moet zij er altijd
afschrappen," zeide Fieken, wanneer zij hierover begon te praten,
"en wasschen kan hij zich dan niet, anders zou het tarwemeel hem de
oogen dichtplakken."
"Netje," sprak de baljuw, toen hij, wat zijn hoofd betrof, in orde
gemaakt was, "kijk toch, als ge kunt, eens beneden in 't huishouden
rond. 't Is toch eene zonderlinge zaak! Fieken komt niet, Frits
Sahlmann niet: die verd... 'k wou zeggen--dat goddelooze Fransozentuig
heeft alles hier in huis in de war gemaakt.--Wat moet dat?"
De vrouw van mijnheer den baljuw was een kleine goedaardige vrouw,
een weinig zwak van persoon, doch daarbij niet gemelijk en steeds
bereid, om in vriendelijkheid de wonderlijke invallen van den ouden
heer te verdragen. Zij hadden één zoon, hun Jochem, die sinds lang
buiten 's lands was, en zoo waren de beide ouden in dat groote slot
alleen met elkander, en zij droegen in trouw en eerbaarheid lief en
leed te zamen: en wanneer de verveling bij hen wilde binnensluipen,
dan trof het gelukkig altijd, dat mijnheer de baljuw juist ter goeder
ure een nieuwen, wonderlijken inval kreeg, en uit het geeuwen kwam
dan een recht gezond niezen, dat de liefde weêr opfrischte, want het
gaat met de liefde als met een' boom: hoe meer de wind in de kruin
en in de bladeren speelt, des te vaster worden zijne wortels.
Nu, wat mijnheer de baljuw heden morgen van zijne lieve vrouw
verlangde, dat zij namelijk eens in 't huishouden zou omzien, was nu
juist geen zonderlinge inval en daarom niesde zijne vrouw ook niet,
ofschoon zulks, in onzen tegenwoordigen tijd, menige wel opgevoede
vrouw wel gedaan zou hebben.--Zij was juist heengegaan, toen de
oude molenaar Voss met het valies de deur inkwam. "Goeden morgen,
mijnheer de baljuw!" zeide de molenaar en maakte een buiging, "met uw
verlof!" En hij legde het valies op de tafel, "hier is 't!" "Wat is
't?" vroeg de oude heer.--"Mijnheer, wat weet ik 't? Ik weet wat,
ik weet veel, ik weet in 't geheel niks, maar, zooveel weet ik,
een gauwdievenkraam is 't." "Molenaar Voss, hoe komt gij aan een
gauwdievenkraam?"--"Hoe komt de hond in den halsband, mijnheer de
baljuw? Hoe kwam het meisje aan 't kind?--Ik weet maar, dat dit de
mantelzak van den Fransoos is, en dat de duivel mij den Fransoos
gisteren avond op mijn wagen heeft gegooid, en mijn Frederik hem er
weêr afgesmeten heeft." En nu vertelde de molenaar het geheele geval.
De oude heer liep ondertusschen in de kamer heen en weder en bromde zoo
wat in zijn baard, van "leelijke zaak!" en dan weder stond hij voor
den molenaar stil en zag hem strak in de oogen, en toen het verhaal
van den molenaar uit was, zeide hij: "Wel, vriend Voss, 't is immers
toch wel zeker, dat de Franschman nog leeft?"--"Mijnheer de baljuw,
wat weet ik 't?--Zie eens; ik maak mijne berekening zóó: koud was
't van nacht voor den tijd van 't jaar juist niet; maar geregend
heeft het den heelen nacht; en, als wij beiden, mijnheer de baljuw,
gij of ik, van nacht daar gelegen hadden, dan waren we mogelijk
verkleumd. Maar, ik reken ook zóó: zulk volk is 't liggen in de lucht
beter gewend, dan wij, en heeft het hem in Rusland geen kwaad gedaan,
dan zal 't hem hier ook wel niet benadeeld hebben. En weggegaan is
hij, en Frederik is hem achterna, en als hem dan naderhand nog wat
overkomen is, kunnen wij dat niet helpen."--"Vrind Voss, vrind Voss,"
sprak de oude heer, het hoofd schuddende, "dat is een erg ding! Als
jou Frederik den Franschman niet weêr krijgt, kan 't je den hals
kosten."--"God beware mij!" riep de molenaar, "met welke dwaasheden
heb ik me, op mijn ouden dag, ingelaten! Mijnheer de baljuw, 'k ben
immers onschuldig, en 'k heb immers het valies ook niet gehouden,
en het paard staat in de schuur van den bakker Witt." "Dat is ook je
geluk, molenaar, dat is ook een groot geluk voor je, want dat kan ik
getuigen. En louter goud en zilver, zegt gij, is in dat valies?" "Ja,
louter goud en zilver," antwoordde de molenaar. En dit zeggende,
gespte hij het valies los en liet mijnheer den baljuw den inhoud zien.
Mijnheer de baljuw zette groote oogen op. "Heere! bewaar ons!" riep
hij uit, "dit is waarlijk een schat."--"Ja, dat zegt ge wèl, mijnheer
de baljuw! Mijne vrouw zegt anders niet veel, maar toen ze dit zag,
sloeg zij hare handen samen en sprak geen woord."--"Gestolen is
't alles, Voss. Hier, op het zilverwerk is het Urtzensche wapen;
dat ken ik. De lepels heeft die gauwdief zeker hier in de buurt
gestolen. Maar daardoor wordt jou zaak niet beter."
De oude molenaar stond daar als geheel verpletterd. Mijnheer de
baljuw liep de kamer door en wreef zijn hoofd; eindelijk ging hij
naar den molenaar toe, legde hem de hand op den schouder en zeide:
"Molenaar Voss, 'k heb je altijd voor een eerlijk man gehouden;
maar zoo'n eerlijkheid, in zulke omstandigheden! Je kunt niet van
den éénen dag tot den anderen leven, en je geeft uit eigene beweging
zoo'n portie geld terug, waarvan eigenlijk niemand weet, waar het
t'huis hoort!"--De oude molenaar werd zoo rood als vuur en keek naar
de punten van zijne laarzen. "Ja, Voss," sprak de oude baljuw verder,
"'t is eene zeldzame handelwijze van je, want je hebt niets kunnen
weten van wat er hier is voorgevallen, maar dank er God voor, want
het is mogelijk, dat dit gedrag je het leven redt."
Het gevaar, waarin hij meenen moest te verkeeren, de onverdiende
lof, die hem juist zoo aangenaam voorkwam, als wanneer iemand op een
leuningstoel gaat zitten, waar zijne lieve vrouw een speldekussen op
nedergelegd heeft, het vooruitzicht, dat hij met Gods hulp uit deze
gevaarlijke zaak nog door eene kleine opening zou kunnen kruipen,
en dat hij dat alles niet verdiend had, deden den ouden molenaar
vreeselijk aan. Hij stond met neêrgeslagen oogen en wrong zich heen
en weder, en draaide zijn hoed hoe langer zoo erger; eindelijk sloeg
hij hem met beide handen inéén, zoodat hij geheel uit zijn fatsoen
geraakte, en riep: "De drommel hale de heele Fransozenhistorie en
mij daarbij, mijnheer de baljuw! Als de hemel jegens mij genade voor
recht wil laten gelden en mij uit dezen nood redt, dan wil ik ook niet
met ongerechtigheden omgaan. Neen, wat waarheid is, is waarheid! En
als mijne kleine Fieken er niet geweest was, dan lag dat entfaamte
Fransozengeld in mijne kast en ik hing van avond aan de galg." En nu
vertelde hij de zaak.
"Vrind Voss," zeide de baljuw, toen alle omstandigheden verteld
waren, "ik ben niet voor meisjes; jongens zijn beter; meisjes zijn
me te teemachtig; maar met jou Fieken is het dan toch eene andere
zaak.--Vrind Voss, het strekt jou en je vrouw tot eer, dat je zoo'n
kind hebt.--Hoor eens, als je weêr bij mij komt, breng dan je Fieken
eens meê; ik....--dat is te zeggen mijne vrouw, zal er zich over
verheugen. En neem nu het valies en breng het naar 't raadhuis en
meld je daar aan; want de Franschen zullen daar wel zoo'n soort van
gerechtsdag houden,--'t zal er ook naar wezen!--en vraag eerst naar den
burgemeester; dat is een welwillend man, en hij spreekt ook Fransch,
en spoedig zal ik daar ook zijn, en wat maar eenigszins mogelijk is,
zal ik voor je doen."--"Best, mijnheer de baljuw! Ik ben al veel
lichter om 't hart.--En met de andere zaak; met het bankroet meent
gij...?"--"Dat je een dwaas zoudt wezen, om je op je ouden dag nog
met zulke dingen in te laten!"--"Best, mijnheer de baljuw! Nu, adjuus
dan!" Daarop ging de molenaar heen.