Waarom mijn oom Herse met parool en veldgeschreeuw komt,
waarom mamsel Westphalen niet in den veengrond zitten wil;
en waarom mijnheer de raadsheer op den wagen van den molenaar
en ook weder er afkomt.
Ondertusschen was Frits Sahlmann met het voorgeschreven gelaat, met
de handen in de zakken, en al fluitende, naar het slot gegaan; doch,
toen hij de keuken inkwam, vergat hij alle voorschriften en zette een
gezicht, dat in de lengte en in de breedte er uitzag als Bileam's
gezicht, toen zijn ezel begon te spreken, en hij fluistert mamsel
Westphalen toe: "Redding nadert!" "Jongen! Frits Sahlmann!" zegt mamsel
Westphalen, "wat is dat, wat moet dat, en wat beduidt dat?" Frits
zeide dus nu, wat zij doen moesten, dat zij zich in de keuken tot
op den laatsten man verweren moesten en geen Franschman binnenlaten,
en dat de raadsheer Herse met parool en veldgeschreeuw zou komen en
het kommando op zich nemen zou. "Goede hemel!" zegt mamsel Westphalen,
"wat moet ik doen? Den baljuw kan ik onder zulke omstandigheden niet
onder de oogen komen, want de schande is te erg voor mij. Ik wil
mij dus getroost in de armen van den raadsheer Herse werpen en zijn
raad volgen, en die zal wel de rechte zijn: waarvoor zou hij anders
raadsheer wezen?--Fieken en Carolien, jelui neemt samen de achterdeur;
Frits Sahlmann en ik nemen de keukendeur; en past nu goed op, dat jelui
het veldgeschreeuw niet vergeet."--De deuren werden gesloten, Fieken
nam een' bezem, Carolien een kolenschop, Frits Sahlmann een' potlepel
en mamsel Westphalen grijpt al naar een' stamper, maar zij laat hem
liggen, terwijl zij zegt: "De hemel beware mij, dat ik door moord en
doodslag mijne schuld vergrooten zou! Neen, ik weet een beter middel,"
en zij haalt een aschpot en zet dien voor zich op de keukentafel,
van waaruit zij de achterdeur en keukendeur kon overzien, en zeide:
"Zóó! Laat ze nu maar komen!--Maar, wie van mijne soort van zalf wat in
't gezicht krijgt, die mag zijne oogen wel eens goed uitwasschen!"
Het duurde ook niet zeer lang, of er riep iemand voor de achterdeur:
"Wel, wel!" En na eene korte poos riep dezelfde stem half overluid
door het sleutelgat: "Zuur varkensvleesch!"--"Dat is de rechte," zegt
mamsel Westphalen,--"Carolien, maak de deur op mansbreedte open, en als
hij binnen is, sla ze dan dadelijk weêr dicht." Carolien doet dus nu de
deur een eindje open, en mijnheer de raadsheer wil er zich doordringen;
toen schuift de kraag van zijn mantel terug, en zijne driekante hoed
en de roode uniformkraag komt te voorschijn. "Hu!" gilt Carolien uit,
en klemt den raadsheer half in de deur vast; "een Fransozenkerel, een
Fransozenkerel!"--"Zuur varkensvleesch!" roept de raadsheer Herse,
"hoort gij niet? Zuur varkensvleesch!" Maar 't kwam te laat; Fieken
had hem al met haren stompen bezem zijn hoed van het hoofd en zijn
vel van 't gezicht gestooten, en mamsel Westphalen had hem al twee
handen vol asch in de oogen gestrooid.
Daar stond mijn oom Herse en blies en proestte en snoof en grabbelde
met de handen voor zich uit, alsof hij blindemannetje speelde: 't was
nacht voor zijne oogen en woede in zijn hart. Zijn geheele voornemen
was mislukt; want wat wil toch eene heimelijkheid zeggen, waaruit
een keukenspektakel wordt? Wat kan een deftig gelaat uitrichten,
als 't met een harden bezem bewerkt is en waar blijft alle glans,
wanneer de turfasch er over ligt, gelijk de honigdauw op eene bloem?
De eerste, die weer bij hare zinnen kwam en gewaar werd, wien dit
alles eigenlijk was overkomen, was Fieken; met één sprong was zij de
achterdeur uit, in den regen. Carolien volgde haar na, uitroepende:
"Beter een nat jaar van onzen lieven Heer, dan van onze mamsel!" Frits
Sahlmann riep: "Heere jeminé! dat is de raadsheer Herse." Mamsel
Westphalen stond daar als Loth's huisvrouw, en zij zag den raadsheer
aan, als ware hij Sodom en Gomorrha, en zij riep met een zwakke stem
uit: "Barmhartige hemel, wij wandelen allen in duisternis rond!"--"Gij
kunt nog kijken, maar ik kan mijne oogen niet open krijgen.--Water,
hier!" Nu ging het er op los met wasschen en afvegen en beklagen en
verbazen en schelden en bedaren; maar oom Herse was te boos geworden,
en hij zeide wat hem betrof, konden alle huishoudsters opgehangen
worden, hij zou er wel oppassen, zich met vrouwlui in eene heimelijke
samenzwering in te laten.--Mamsel Westphalen hield haar boezelaar voor
hare oogen en begon te schreien en zeide: "Mijnheer de raadsheer,
geef gij mij raad; vader of moeder heb ik niet meer; mijnheer den
baljuw kan ik in zulke omstandigheden niet onder de oogen komen;
gij zijt mijn eenige troost."
Mijn oom Herse had een goed hart; mijn oom Herse had een teergevoelig
gemoed; en toen de asch hem niet meer in de oogen zat, en mamsel
Westphalen de schrammen in zijn aangezicht met zoeten room had
ingesmeerd, zoodat zijn lief rood gelaat er uitzag als een paddestoel,
waarmeê de vliegen doodgemaakt worden, zeide hij vriendelijk:
"Houd nu met dat schreien maar op; ik help u terecht; gij moet
vluchten."--"Vluchten!" riep zij en keek heel verbaasd hare figuur
van boven tot onderen aan. "Mijnheer Herse; ik vluchten!" En zij
dacht daarbij aan de duiven, die zij boven op de duiventil had,
en indien hare omstandigheden niet zoo droevig geweest waren,
zou zij bijna gelachen hebben.--"Ja," zegt mijn oom, "kunt gij bij
dezen weg en in dit weder, wel zoo'n mijl of drie vier, in ééns door
marcheeren? Want een rijtuig is niet te krijgen, en 't is ook niet
heimelijk genoeg." "Mijnheer Herse," zegt Mamsel Westphalen, en het
lachen verging haar geheel en al; "zie mijne persoonlijkheid aan;
ik ben wat zwaar gebouwd, en het trappenklimmen wordt mij soms al
heel moeilijk."--"Kunt gij dan rijden?"--"Wat zegt gij?"--"Ik meen,
of gij kunt paardrijden?" Mamsel Westphalen stond nu op en zette de
handen in de zijden, zeggende: "Met schande wil ik niet leven. Welk
vrouwspersoon rijdt te paard? Ik heb er maar één gekend in mijn
leven, en dat was eene freule, maar die was er ook naar."--Nu stond
de raadsheer Herse op, en liep een paar maal in gedachten, in de
keuken, op en neder; eindelijk vroeg hij: "Acht gij u zelve in staat,
om u bij dit weder, vier en twintig uren in onzen stads-veengrond in
het riet te verstoppen?"--"Mijnheer Herse," zegt mamsel Westphalen
en zij grijpt weêr naar haar boezelaar en droogt hare oogen af,
"zie, 'k ben nu al in de vijftig en 'k heb verleden najaar die
zware ziekte gehad..." "Dan gaat dat ook niet," valt de raadsheer
Herse haar in de rede, "dan zijn er nog maar twee wegen; een naar
boven en een naar beneden. Vluchten moet gij, 't zij op den zolder,
of in den kelder."--"Mijnheer de raadsheer!" roept Frits Sahlmann
uit, en kruipt van achter den keukenhaard te voorschijn, "ik weet
het."--"Jongen," zegt mijn oom, "zijt gij hier?"--"Ja;" zegt Frits,
heel benauwd.--"Dan is 't met de heele heimelijkheid niets waard: want
wat drie weten, weet de heele wereld."--"Mijnheer Herse," zegt Frits,
"ik zeg waarachtig niks er van! En, mamselletje, ik weet een plekje
voor u. Op den rookzolder is de ééne plank los; die kan er afgedaan
worden, en als gij u dan een beetje dun maakt, dan kunt gij u daar
tusschen dringen, en daarachter is, bij de vliering, een klein hoekje,
daar vindt u geen duivel." "Entfaamte lummel!" zegt mamsel Westphalen,
en zij vergeet al haren angst en nood; "dan ben jij 't geweest, die
altijd de metworst van den rookzolder gestolen hebt en, mijnheer Herse,
ik heb altijd de onschuldige ratten verdacht." Mijn oom houdt nu Frits
Sahlmann vrij van een duchtig pak slaag en zegt, dat het nu hoog tijd
was, en dat zij vluchten moest, en dat dàt de juiste plek was.
Zij spoedden zich nu alle drie naar boven, naar het rookzoldertje,
en nadat Frits Sahlmann de losse plank en de gelegenheid daar achter
had aangewezen, sprak mijn oom Herse: "Zóó, mamselletje! ga hier nu
op den rookzolder zitten, want zitten moet gij nu; ik zal achter u
toesluiten, en wanneer gij hoort, dat hier iemand aan de deur komt,
dan kruipt gij zachtjes door de plank in het kleine hoekje, maar pas
vooral op, dat gij niet hoest of niest." "Dat is gemakkelijk zeggen,
mijnheer de raadsheer; maar in zoo'n rook!" antwoordt zij.--"Dat zullen
wij verhelpen!" zegt hij en stoot het luik open. Zij willen nu weggaan,
maar zij roept: "Frits Sahlmann, mijn zoon, verlaat mij niet, en breng
mij bericht, hoe 't met de zaak staat."--"Hij mag, wat er ook gebeurt,
niet naar den zolder gaan," zegt de raadsheer Herse, "dat zou de een
of ander kunnen zien, en dan is alles verraden."--"Wees maar gerust,
mamselletje," zegt Frits, "ik zal 't wel gedaan krijgen," en hij
knipoogt haar listig toe.--Zij gaan heen, en mamsel Westphalen zit
vol treurigheid onder hare zijden spek en hammen en worsten en zegt:
"Wat helpt al die schoone zegen van God als iemand van mijne jaren
moet vluchten."
Zoodra oom Herse wist dat mamsel Westphalen in veiligheid was, ging
hij weder naar de keuken en prentte Frits Sahlmann nog eens ter
deeg, met een' kleinen handgreep aan de ooren, het zwijgen in. In
de keuken trok hij den kraag van zijn' grijzen mantel weder over den
geborduurden uniformkraag en den driekanten hoed, en sloop heimelijk,
gelijk de kat van den duiventil, de achterdeur uit.
Doch nauwelijks had hij zijn bovenlijf uit de deur gestoken, of er
werd geschreeuwd en gegild, en Fieken en Carolien, die gemeend hadden,
dat nu alles weêr in orde was, en dus de keuken in wilden, stoven
uit elkaar als een paar bonte duiven, wanneer de havik tusschen haar
invliegt.--"Houdt uw' mond!" riep oom Herse, "ik zal u geen kwaad
doen!"--Doch, wat hielp dat? De boeren, die nog met hunne paarden
in den tuin gebleven waren, keken bij dat geschreeuw om, en toen zij
achter zich den gewaanden Franschen officier zagen, maar die eigenlijk
mijn oom Herse was,--toen gingen zij op den loop, allen op de groene
poort af; en het duurde niet lang, of er was geen hoef en geen juk
van kanonnen-voorspan te zien. De raadsheer sloeg nu zijdelings af,
tusschen het struikgewas, en toen hij zoo'n klein, half verborgen
pad langs ging, wie kwam daar aan?--De oude molenaar Voss met zijn'
mantelzak onder den arm. "Goeden morgen, raadsheer!"--"Daar speelt
de drommel meê!" zegt de raadsheer Herse.--"Molenaar Voss, ziet gij
't niet? Ik wil immers niet bekend wezen."--"Wel, dat begeer ik ook
niet," zegt de molenaar. "Maar, mijnheer Herse, gij kunt mij een
genoegen doen: aan de groene poort heb ik mijn wagen vastgebonden:
breng die voor mij in veiligheid! Ik doe u gaarne weder eens een
genoegen; zoodra de baars in den molenvijver aanbijt, laat ik het u
weten."--"'k Zal er voor zorgen," zegt de raadsheer, en hij gaat naar
de groene poort en toen hij daar het voertuig van den molenaar vond,
maakte hij het los, klom op den wagen, en wilde juist afrijden, toen
hem een troep Fransozen in den weg kwam; vooraan de overste zelf,
op wiens bevel al dat voorspan was geordonneerd, en die nu zag,
dat de meerderheid zich uit de voeten gemaakt had.
Mijn oom Herse werd dan ook dadelijk gearresteerd en van den wagen
gerukt, en toen de overste zijne uniform zag en hij voortdurend riep,
dat hij conseiller d'état was,--want hij wist in dat oogenblik geen
beteren naam voor een Stavenhager raadsheer te vinden, toen dachten de
Franschen, dat zij eene mooie vangst gedaan hadden en zij hielden hem
voor den opperste van de geheele zaak. De overste vloekte en zwoer op
de onchristelijkste Fransche manier, dat hij aan hem een exempel zou
statueeren; vier man moesten hem in het midden nemen. En zóó werd
mijn oom Herse, die met de uiterste geheimzinnigheid gekomen was,
om een goed werk ten uitvoer te brengen, tot een openlijk schouwspel
in de stad terug geleid, en moest de laagste behandeling ondervinden.
Terwijl dit geschiedde, stond de oude bakker Witt daar dicht bij,
achter een' grooten kastanjeboom; want hij was ook gekomen om den wagen
van den molenaar in veiligheid te brengen. "Kwaad kan 't den raadsheer
niet," zeide hij bij zich zelven; "hij koopt zijn wittebrood bij Guhl,
waarom niet bij mij? Nu, hij moet zelf maar raad weten en dat kan hij
ook, want hij is heel wijs; maar dat onnoozele, onverstandige vee kan
't niet, daarvoor moeten wij zorgen." En dit zeggende, klom hij op
den wagen en reed zachtjes achter de Franschen, naar zijne schuur,
en trok de paarden er in.