ACHTSTE HOOFDSTUK.

Waarom mijn oom Herse met parool en veldgeschreeuw komt,

waarom mamsel Westphalen niet in den veengrond zitten wil;

en waarom mijnheer de raadsheer op den wagen van den molenaar

en ook weder er afkomt.

Ondertusschen was Frits Sahlmann met het voorgeschreven gelaat, met

de handen in de zakken, en al fluitende, naar het slot gegaan; doch,

toen hij de keuken inkwam, vergat hij alle voorschriften en zette een

gezicht, dat in de lengte en in de breedte er uitzag als Bileam's

gezicht, toen zijn ezel begon te spreken, en hij fluistert mamsel

Westphalen toe: "Redding nadert!" "Jongen! Frits Sahlmann!" zegt mamsel

Westphalen, "wat is dat, wat moet dat, en wat beduidt dat?" Frits

zeide dus nu, wat zij doen moesten, dat zij zich in de keuken tot

op den laatsten man verweren moesten en geen Franschman binnenlaten,

en dat de raadsheer Herse met parool en veldgeschreeuw zou komen en

het kommando op zich nemen zou. "Goede hemel!" zegt mamsel Westphalen,

"wat moet ik doen? Den baljuw kan ik onder zulke omstandigheden niet

onder de oogen komen, want de schande is te erg voor mij. Ik wil

mij dus getroost in de armen van den raadsheer Herse werpen en zijn

raad volgen, en die zal wel de rechte zijn: waarvoor zou hij anders

raadsheer wezen?--Fieken en Carolien, jelui neemt samen de achterdeur;

Frits Sahlmann en ik nemen de keukendeur; en past nu goed op, dat jelui

het veldgeschreeuw niet vergeet."--De deuren werden gesloten, Fieken

nam een' bezem, Carolien een kolenschop, Frits Sahlmann een' potlepel

en mamsel Westphalen grijpt al naar een' stamper, maar zij laat hem

liggen, terwijl zij zegt: "De hemel beware mij, dat ik door moord en

doodslag mijne schuld vergrooten zou! Neen, ik weet een beter middel,"

en zij haalt een aschpot en zet dien voor zich op de keukentafel,

van waaruit zij de achterdeur en keukendeur kon overzien, en zeide:

"Zóó! Laat ze nu maar komen!--Maar, wie van mijne soort van zalf wat in

't gezicht krijgt, die mag zijne oogen wel eens goed uitwasschen!"

Het duurde ook niet zeer lang, of er riep iemand voor de achterdeur:

"Wel, wel!" En na eene korte poos riep dezelfde stem half overluid

door het sleutelgat: "Zuur varkensvleesch!"--"Dat is de rechte," zegt

mamsel Westphalen,--"Carolien, maak de deur op mansbreedte open, en als

hij binnen is, sla ze dan dadelijk weêr dicht." Carolien doet dus nu de

deur een eindje open, en mijnheer de raadsheer wil er zich doordringen;

toen schuift de kraag van zijn mantel terug, en zijne driekante hoed

en de roode uniformkraag komt te voorschijn. "Hu!" gilt Carolien uit,

en klemt den raadsheer half in de deur vast; "een Fransozenkerel, een

Fransozenkerel!"--"Zuur varkensvleesch!" roept de raadsheer Herse,

"hoort gij niet? Zuur varkensvleesch!" Maar 't kwam te laat; Fieken

had hem al met haren stompen bezem zijn hoed van het hoofd en zijn

vel van 't gezicht gestooten, en mamsel Westphalen had hem al twee

handen vol asch in de oogen gestrooid.

Daar stond mijn oom Herse en blies en proestte en snoof en grabbelde

met de handen voor zich uit, alsof hij blindemannetje speelde: 't was

nacht voor zijne oogen en woede in zijn hart. Zijn geheele voornemen

was mislukt; want wat wil toch eene heimelijkheid zeggen, waaruit

een keukenspektakel wordt? Wat kan een deftig gelaat uitrichten,

als 't met een harden bezem bewerkt is en waar blijft alle glans,

wanneer de turfasch er over ligt, gelijk de honigdauw op eene bloem?

De eerste, die weer bij hare zinnen kwam en gewaar werd, wien dit

alles eigenlijk was overkomen, was Fieken; met één sprong was zij de

achterdeur uit, in den regen. Carolien volgde haar na, uitroepende:

"Beter een nat jaar van onzen lieven Heer, dan van onze mamsel!" Frits

Sahlmann riep: "Heere jeminé! dat is de raadsheer Herse." Mamsel

Westphalen stond daar als Loth's huisvrouw, en zij zag den raadsheer

aan, als ware hij Sodom en Gomorrha, en zij riep met een zwakke stem

uit: "Barmhartige hemel, wij wandelen allen in duisternis rond!"--"Gij

kunt nog kijken, maar ik kan mijne oogen niet open krijgen.--Water,

hier!" Nu ging het er op los met wasschen en afvegen en beklagen en

verbazen en schelden en bedaren; maar oom Herse was te boos geworden,

en hij zeide wat hem betrof, konden alle huishoudsters opgehangen

worden, hij zou er wel oppassen, zich met vrouwlui in eene heimelijke

samenzwering in te laten.--Mamsel Westphalen hield haar boezelaar voor

hare oogen en begon te schreien en zeide: "Mijnheer de raadsheer,

geef gij mij raad; vader of moeder heb ik niet meer; mijnheer den

baljuw kan ik in zulke omstandigheden niet onder de oogen komen;

gij zijt mijn eenige troost."

Mijn oom Herse had een goed hart; mijn oom Herse had een teergevoelig

gemoed; en toen de asch hem niet meer in de oogen zat, en mamsel

Westphalen de schrammen in zijn aangezicht met zoeten room had

ingesmeerd, zoodat zijn lief rood gelaat er uitzag als een paddestoel,

waarmeê de vliegen doodgemaakt worden, zeide hij vriendelijk:

"Houd nu met dat schreien maar op; ik help u terecht; gij moet

vluchten."--"Vluchten!" riep zij en keek heel verbaasd hare figuur

van boven tot onderen aan. "Mijnheer Herse; ik vluchten!" En zij

dacht daarbij aan de duiven, die zij boven op de duiventil had,

en indien hare omstandigheden niet zoo droevig geweest waren,

zou zij bijna gelachen hebben.--"Ja," zegt mijn oom, "kunt gij bij

dezen weg en in dit weder, wel zoo'n mijl of drie vier, in ééns door

marcheeren? Want een rijtuig is niet te krijgen, en 't is ook niet

heimelijk genoeg." "Mijnheer Herse," zegt Mamsel Westphalen, en het

lachen verging haar geheel en al; "zie mijne persoonlijkheid aan;

ik ben wat zwaar gebouwd, en het trappenklimmen wordt mij soms al

heel moeilijk."--"Kunt gij dan rijden?"--"Wat zegt gij?"--"Ik meen,

of gij kunt paardrijden?" Mamsel Westphalen stond nu op en zette de

handen in de zijden, zeggende: "Met schande wil ik niet leven. Welk

vrouwspersoon rijdt te paard? Ik heb er maar één gekend in mijn

leven, en dat was eene freule, maar die was er ook naar."--Nu stond

de raadsheer Herse op, en liep een paar maal in gedachten, in de

keuken, op en neder; eindelijk vroeg hij: "Acht gij u zelve in staat,

om u bij dit weder, vier en twintig uren in onzen stads-veengrond in

het riet te verstoppen?"--"Mijnheer Herse," zegt mamsel Westphalen

en zij grijpt weêr naar haar boezelaar en droogt hare oogen af,

"zie, 'k ben nu al in de vijftig en 'k heb verleden najaar die

zware ziekte gehad..." "Dan gaat dat ook niet," valt de raadsheer

Herse haar in de rede, "dan zijn er nog maar twee wegen; een naar

boven en een naar beneden. Vluchten moet gij, 't zij op den zolder,

of in den kelder."--"Mijnheer de raadsheer!" roept Frits Sahlmann

uit, en kruipt van achter den keukenhaard te voorschijn, "ik weet

het."--"Jongen," zegt mijn oom, "zijt gij hier?"--"Ja;" zegt Frits,

heel benauwd.--"Dan is 't met de heele heimelijkheid niets waard: want

wat drie weten, weet de heele wereld."--"Mijnheer Herse," zegt Frits,

"ik zeg waarachtig niks er van! En, mamselletje, ik weet een plekje

voor u. Op den rookzolder is de ééne plank los; die kan er afgedaan

worden, en als gij u dan een beetje dun maakt, dan kunt gij u daar

tusschen dringen, en daarachter is, bij de vliering, een klein hoekje,

daar vindt u geen duivel." "Entfaamte lummel!" zegt mamsel Westphalen,

en zij vergeet al haren angst en nood; "dan ben jij 't geweest, die

altijd de metworst van den rookzolder gestolen hebt en, mijnheer Herse,

ik heb altijd de onschuldige ratten verdacht." Mijn oom houdt nu Frits

Sahlmann vrij van een duchtig pak slaag en zegt, dat het nu hoog tijd

was, en dat zij vluchten moest, en dat dàt de juiste plek was.

Zij spoedden zich nu alle drie naar boven, naar het rookzoldertje,

en nadat Frits Sahlmann de losse plank en de gelegenheid daar achter

had aangewezen, sprak mijn oom Herse: "Zóó, mamselletje! ga hier nu

op den rookzolder zitten, want zitten moet gij nu; ik zal achter u

toesluiten, en wanneer gij hoort, dat hier iemand aan de deur komt,

dan kruipt gij zachtjes door de plank in het kleine hoekje, maar pas

vooral op, dat gij niet hoest of niest." "Dat is gemakkelijk zeggen,

mijnheer de raadsheer; maar in zoo'n rook!" antwoordt zij.--"Dat zullen

wij verhelpen!" zegt hij en stoot het luik open. Zij willen nu weggaan,

maar zij roept: "Frits Sahlmann, mijn zoon, verlaat mij niet, en breng

mij bericht, hoe 't met de zaak staat."--"Hij mag, wat er ook gebeurt,

niet naar den zolder gaan," zegt de raadsheer Herse, "dat zou de een

of ander kunnen zien, en dan is alles verraden."--"Wees maar gerust,

mamselletje," zegt Frits, "ik zal 't wel gedaan krijgen," en hij

knipoogt haar listig toe.--Zij gaan heen, en mamsel Westphalen zit

vol treurigheid onder hare zijden spek en hammen en worsten en zegt:

"Wat helpt al die schoone zegen van God als iemand van mijne jaren

moet vluchten."

Zoodra oom Herse wist dat mamsel Westphalen in veiligheid was, ging

hij weder naar de keuken en prentte Frits Sahlmann nog eens ter

deeg, met een' kleinen handgreep aan de ooren, het zwijgen in. In

de keuken trok hij den kraag van zijn' grijzen mantel weder over den

geborduurden uniformkraag en den driekanten hoed, en sloop heimelijk,

gelijk de kat van den duiventil, de achterdeur uit.

Doch nauwelijks had hij zijn bovenlijf uit de deur gestoken, of er

werd geschreeuwd en gegild, en Fieken en Carolien, die gemeend hadden,

dat nu alles weêr in orde was, en dus de keuken in wilden, stoven

uit elkaar als een paar bonte duiven, wanneer de havik tusschen haar

invliegt.--"Houdt uw' mond!" riep oom Herse, "ik zal u geen kwaad

doen!"--Doch, wat hielp dat? De boeren, die nog met hunne paarden

in den tuin gebleven waren, keken bij dat geschreeuw om, en toen zij

achter zich den gewaanden Franschen officier zagen, maar die eigenlijk

mijn oom Herse was,--toen gingen zij op den loop, allen op de groene

poort af; en het duurde niet lang, of er was geen hoef en geen juk

van kanonnen-voorspan te zien. De raadsheer sloeg nu zijdelings af,

tusschen het struikgewas, en toen hij zoo'n klein, half verborgen

pad langs ging, wie kwam daar aan?--De oude molenaar Voss met zijn'

mantelzak onder den arm. "Goeden morgen, raadsheer!"--"Daar speelt

de drommel meê!" zegt de raadsheer Herse.--"Molenaar Voss, ziet gij

't niet? Ik wil immers niet bekend wezen."--"Wel, dat begeer ik ook

niet," zegt de molenaar. "Maar, mijnheer Herse, gij kunt mij een

genoegen doen: aan de groene poort heb ik mijn wagen vastgebonden:

breng die voor mij in veiligheid! Ik doe u gaarne weder eens een

genoegen; zoodra de baars in den molenvijver aanbijt, laat ik het u

weten."--"'k Zal er voor zorgen," zegt de raadsheer, en hij gaat naar

de groene poort en toen hij daar het voertuig van den molenaar vond,

maakte hij het los, klom op den wagen, en wilde juist afrijden, toen

hem een troep Fransozen in den weg kwam; vooraan de overste zelf,

op wiens bevel al dat voorspan was geordonneerd, en die nu zag,

dat de meerderheid zich uit de voeten gemaakt had.

Mijn oom Herse werd dan ook dadelijk gearresteerd en van den wagen

gerukt, en toen de overste zijne uniform zag en hij voortdurend riep,

dat hij conseiller d'état was,--want hij wist in dat oogenblik geen

beteren naam voor een Stavenhager raadsheer te vinden, toen dachten de

Franschen, dat zij eene mooie vangst gedaan hadden en zij hielden hem

voor den opperste van de geheele zaak. De overste vloekte en zwoer op

de onchristelijkste Fransche manier, dat hij aan hem een exempel zou

statueeren; vier man moesten hem in het midden nemen. En zóó werd

mijn oom Herse, die met de uiterste geheimzinnigheid gekomen was,

om een goed werk ten uitvoer te brengen, tot een openlijk schouwspel

in de stad terug geleid, en moest de laagste behandeling ondervinden.

Terwijl dit geschiedde, stond de oude bakker Witt daar dicht bij,

achter een' grooten kastanjeboom; want hij was ook gekomen om den wagen

van den molenaar in veiligheid te brengen. "Kwaad kan 't den raadsheer

niet," zeide hij bij zich zelven; "hij koopt zijn wittebrood bij Guhl,

waarom niet bij mij? Nu, hij moet zelf maar raad weten en dat kan hij

ook, want hij is heel wijs; maar dat onnoozele, onverstandige vee kan

't niet, daarvoor moeten wij zorgen." En dit zeggende, klom hij op

den wagen en reed zachtjes achter de Franschen, naar zijne schuur,

en trok de paarden er in.

Twee vroolijke geschiedenissen · 第 11 / 26 题