Wat mijn oom Herse zeide, en wat mijn oom Herse was; en waarom
Frits Sahlmann fluiten moest.
Toen de horlogemaker van het slot getransporteerd werd, was Frits
Sahlmann natuurlijk medegegaan, alléén maar om te zien, hoe den
arrestant de zaak wel zou aanstaan, en of hij ook soms op den loop
ging; doch dat laatste geschiedde niet. De stoet ging langzaam naar
beneden, naar 't raadhuis, want men had moeite zich door allerlei
paarden en voertuigen te dringen, die tot het vervoeren van bagage
en maraudeurs en tot voorspan van kanonnen uit de dorpen en steden
gekommandeerd waren; en die thans op het slotplein en op den weg naar
het slot bijééngedreven en door Franschen ingesloten waren, opdat
zij niet weder zouden ontvluchten, want daarvan hadden de boeren nu
al drommelsch goed slag gekregen.--De horlogemaker ging, zoo geduldig
als een lam, met zijne beide bewakers door de menigte heen; hij was in
't eerst wel erg verschrikt geweest, en de geheele zaak kwam hem dien
nacht ook geducht onaangenaam en bedenkelijk voor, doch gedurende
het verhoor, dat de adjudant hem had doen ondergaan, was hij in eene
stemming geraakt die het best aldus kon uitgedrukt worden: "Praat
jij maar! Je kunt veel praten, eer mij één woord daarvan behaagt!" En
zijne antwoorden waren bijzonder sober geweest. En hoewel hij juist
niet zoo'n onbesuisde courage bezat, die dadelijk overal op los gaat,
zoo was hij toch al lang in de wereld geweest en had al zoo dikwijls
in den knoei gezeten, dat hij niet licht den moed verloor. Hij liet
de zaak haren gang gaan. "Hoe zou dat hier wel afloopen?" zeide hij
tot zich zelven, toen hij de deur van het raadhuis ingeduwd werd.
"Frits Sahlmann," zegt de raadsheer Herse;--toen de jongen den weg
naar het slot weder wilde opgaan; "wat beteekent dat?"--Frits vertelt
nu met de grootste deftigheid de geschiedenis van gisteren, en hoe
mijnheer Droi in de kamer van mamsel Westphalen geslapen en alles
kort en klein geslagen had; en hoe hij zelf de pijpen van mijnheer
de baljuw stuk had gesmeten,--maar, dat kon hij niet helpen, daar
had Fieken schuld aan,--en hoe de overste mijnheer den baljuw had
willen doodsteken, en hoe mamsel Westphalen in de keuken zat, als een
toonbeeld van ellende en smart;--doch van den ijsklomp zeide hij niets.
Nu was echter mijn oom, de raadsheer Herse, een ontzaglijke patriot,
ofschoon in 't geheim. En dat was niet zonder reden. Want, gelijk hij
mij jaren daarna, toen Bonaparte al dood was, eens toefluisterde,
hij behoorde in dien tijd tot het deugdverbond. En 'k geloof dat
wel, want als hij in gezelschap was, speelde hij altijd met een
langen horlogeketting van zeer licht haar,--en tante Herse's haar
was zwart,--en hij liet dikwijls een vervaarlijk grooten ijzeren
vingerring zien, waarmede hij eens den vagebond, den smidsknecht
Höpner, bijna had doodgeslagen, toen die zich in de gerechtszaal
zeer onbehoorlijk gedragen had.--"Frits," zeide hij later tot mij,
"dat lichte haar is van eene heldhaftige jonkvrouw, die zich, anno
dertien, het hoofd heeft laten kaal scheren voor 't vaderland, en
de ijzeren ring heeft mij mijn gouden ring gekost. Maar, praat er
niet van, ik heb dat liever niet." Hij was dus met recht, ten tijde
toen deze geschiedenis speelde, zeer voor heimelijkheden. En het
is ook mogelijk, dat zijne wijze van doen, om alles in het geheel,
van een uitgebreid gezichtspunt te beschouwen, met zijne heimelijke
verbroedering in verband stond. Terwijl toch mijn vader zich met de
nietigste plagerijen en knevelarijen dag en nacht kwellen moest, opdat
de schrale stadszaken nog tamelijk goed bij elkaâr bleven en niet alles
in de war kwam, liet de raadsheer Herse Kutusof rechts marcheeren
en Czernitschef links, en hij prees York en schold op Bülow;--die
verstond zijne zaak niet; want hij hij had zich niet naar Berlijn,
hij had zich rechts, tot naar Stavenhagen toe, moeten terugtrekken,
en had Bonaparte in de flank moeten aanvallen. Kortom, hij was er
zoo juist de man naar, om van eene vloo een' olifant te maken, in
elken onschuldigen Franschen korporaal zag hij den korsikaanschen
dwingeland, en toen eens de politiedienaar Luth bij eene kloppartij
een paar slagen had meêgekregen, stelde hij zich aan, alsof de hertog
van Mekklenburg in persoon op oorvegen getrakteerd was.
"Hou je snater, jongen!" fluisterde de raadsheer Herse zeer ernstig,
"wilt ge hier je doodvonnis op de openbare markt uitschreeuwen?--Voor
't leven van den horlogemaker geef ik geen groschen, want dit is
zeker, dat de molenaar en zijn Frederik den chasseur doodgeslagen
hebben...."--"De molenaar niet," valt Frits hem in de rede, "de
molenaar bestond gisteren louter uit brandewijn en barmhartigheid."
"Nu, dan zijn Frederik, dat is een Pruis. Weet je, wat een Pruis
is? Weet je wat een Pruis te beteekenen heeft? Weet je...? Domme
jongen, wat kijk je me aan?--Denk je, dat ik je mijne aangelegenheden
aan den neus zal hangen? Maar, wat ik zeggen woû,--den ouden
baljuw zullen ze naar Bayonne, in Frankrijk, zenden, daar ze den
schimmelhengst Herodotus van den graaf van Ivenack ook heengestuurd
hebben; en mamsel Westphalen,--zooveel ik van de Fransche krijgswetten
weet,--zal wel eenvoudig opgehangen worden; en jij, mijn jongen, voor
de boodschap, die je gedaan hebt, zult ge wel een geducht pak slaag
krijgen."--Frits Sahlmann zag dus eene droevige toekomst te gemoet en
zette er ook een gezicht naar.--"Mijnheer Herse, toch niet openlijk op
de markt?" vroeg hij.--"Waar je maar gaat en staat, daarom heet het
immers standrecht. Maar, als de zaak nog behoorlijk wordt aangevat,
kan alles nog best terecht komen.--Kunt ge zwijgen?"--Frits Sahlmann
zei, dat hij onbeschaamd goed zwijgen kon.--"Nu, kom dan eens hier,
steek je beide handen in je broekzakken en fluit eens.--Zoo! dat gaat
al goed!--En zet nu eens zoo'n onnoozel gezicht, alsof je alles niets
aanging,--zooals je 's zomers wel eens doet als je in den slottuin
appels van de boomen gooit, en mamsel Westphalen daarop afkomt.--Mooi
zóó!--En let nu goed op ieder woord, wat ik je zeg: nu ga je, met
dit gezicht, en met dien mooien schijn van kinderlijke onschuld,
tusschen de Fransozen en de boeren door, naar het slot, in de keuken,
en roept daar mamsel Westphalen alléén in den hoek en je zegt dan
maar deze beide woorden: "Redding nadert!" Mocht zij daarmede niet
tevreden wezen, dan kunt ge haar, in alle bedaardheid vertellen, wat
ik van 't ophangen gezegd heb, en zoo ze soms daarbij eerst een beetje
verschrikt, zeg haar dan, dat ze nog lang den moed niet moet verliezen;
want dat ik, de raadsheer Herse, de zaak in handen heb genomen. Maar
zij moet in de allereerste plaats, de keukendeur afsluiten en de
achterdeur aan den tuinkant; en de beide meiden en jij moeten elk het
een of ander ding in de hand nemen en geen Franschman binnen laten en
jelui moet je weren, tot op den laatsten man, totdat ik kom. Ik zal
echter dadelijk door den slottuin naar de achterdeur gaan,--'k wil
maar eerst even een mantel hebben, want het regent infaam,--en mijn
parool zal wezen: "Wel, wel!" en mijn veldgeschreeuw: "York!" Neen;
dat gaat niet, dat begrijpt ze niet.--Nu, wat dan? 't Is alles
egaal,--'t is alles egaal.--Nu, mijn veldgeschreeuw is... is... "Zuur
varkensvleesch!" Dat begrijpt zij.--Als er nu iemand komt, die dit
woord roept, dan moet zij de achterdeur opendoen.--Hebt ge alles
onthouden?" "Ja, mijnheer Herse."--"Nu, ga dan maar heen. En geen
mensch, ook mijnheer de baljuw zelfs niet,--mag er een woord van
vernemen!" Frits ging heen, en mijnheer de raadsheer ook.
Mijn oom Herse had zich natuurlijk terstond, nadat hij raadsheer
was geworden, de blauwe raadsheers-uniform met den rooden, met goud
belegden kraag laten maken, en daar hij een groot, gezet en deftig man
was, trok hij die zeer gaarne aan, zoodra er maar eenige aanleiding
toe bestond; bij voorbeeld, als de brandspuiten geprobeerd werden,
of als op een meidag de koeien in de stadsweide gebracht werden, of
als er inkwartiering kwam. Wanneer dan mijn vader in zijn grijs jasje
achter de gerechtstafel zat, en schreef, dat hem de vingers kraakten,
ging de raadsheer Herse vóór de gerechtstafel op en neêr en zorgde voor
de staatsie en de deftigheid, waarbij het hem dan bijzonder streelde,
wanneer zoo'n Franschman hem als "monsieur le maire" aansprak. Mijn
vader had daar ook niet tegen, want meestal viel er, bij deze zaak,
ook wat in te brokken, en dat liet hij dan met de deftigheid, ook aan
den raadsheer over, en hij nam de werkzaamheden op zich. Zóó hadden
zij het gelijkelijk verdeeld, en wanneer de raadsheer Susemihl zijne
zwaarwichtige taak, als wethouder op een gerechtsdag, behoorlijk
vervulde, en de politiedienaar Luth het loopende werk op de straat
verrichtte, en de stads-omroeper Dolmstrich niet dikker werd, dan hij
werkelijk was, zoodat hij nog af en aan door veld en bosch ging, en op
een zachten slootrand zijn middagslaapje waarnam, en de wijkdienaren
van tijd tot tijd de brandspuiten probeerden en de aangelegenheid van
den stadsstier bezorgden, en de veldwachter Hirsch de jongens uit de
erwtenvelden joeg,--dan zou 'k wel eens willen zien, wáár eene stad
en een rechtsgebied te vinden was, waar 't zoo in orde en geregeld
toeging, als in mijne vaderstad Stavenhagen. En dat kwam alles daar
vandaan, dat de raadsheer Herse gaarne zijne uniform droeg.
Toen dus mijn oom Herse naar huis ging,--want het regende steeds,
dat het goot,--zocht hij in zijne kleerkast naar zijn grijzen
mantel, en daarbij kreeg hij zijne uniform in de hand en hij dacht:
"Zie! vandaag is 't er een goede gelegenheid toe, en wie weet, of ze
mij in mijn voornemen niet van dienst kan zijn."--Hij trekt ze dus aan,
en zet ook zijn mooien driekanten hoed op, dien wij jongens naderhand
steeds als schuit in den vijver van den ouden Nahmaker hebben laten
drijven. Nu, destijds was hij nog in den besten staat, en toen de
raadsheer Herse zijne huisdeur uitging, sloeg hij er den kraag van zijn
mantel over heen, opdat de hoed niet nat werd, en mijn oom Herse zag er
op klaarlichten dag uit, zooals een Fransch generaal bij nacht, wanneer
hij de vijandelijke posten observeert. "Zoo!" sprak hij, "nu kent mij
ook geen mensch!" Hij ging de markt over en maakte een' kleinen omweg
over eene hoeve, waar de pachter Nahmaker uit het hoekvenster zijne
paarden nakeek, die de Franschen uit zijn stal hadden gehaald. "Goeden
morgen, mijnheer Herse!" zeide de pachter; "lieve Hemel, wat is 't een
nare tijd!"--"Stil!" zeide oom Herse, en hij ging verder. Achter de
schuur op de hoeve ontmoet hem de draaier Zwaardveger. "Goeden morgen,
mijnheer de raadsheer!"--"Houd uw mond!" zegt mijn oom knorrig en hij
gaat achter den slottuin om.--"Goeden morgen, mijnheer Herse!" zegt de
jongen van den ouden muzikant Hartlaff.--Klets! daar krijgt hij er een,
met de platte hand, om zijn ooren. "Domme jongen! zie je niet, dat ik
niet bekend wil wezen?"--Met die woorden gaat hij den slottuin in,
en hij is knorrig en zegt: "De drommel mag het weten! Eene openbare
betrekking drukt waarachtig als een vloek op een' mensch!"