ZEVENDE HOOFDSTUK.

Wat mijn oom Herse zeide, en wat mijn oom Herse was; en waarom

Frits Sahlmann fluiten moest.

Toen de horlogemaker van het slot getransporteerd werd, was Frits

Sahlmann natuurlijk medegegaan, alléén maar om te zien, hoe den

arrestant de zaak wel zou aanstaan, en of hij ook soms op den loop

ging; doch dat laatste geschiedde niet. De stoet ging langzaam naar

beneden, naar 't raadhuis, want men had moeite zich door allerlei

paarden en voertuigen te dringen, die tot het vervoeren van bagage

en maraudeurs en tot voorspan van kanonnen uit de dorpen en steden

gekommandeerd waren; en die thans op het slotplein en op den weg naar

het slot bijééngedreven en door Franschen ingesloten waren, opdat

zij niet weder zouden ontvluchten, want daarvan hadden de boeren nu

al drommelsch goed slag gekregen.--De horlogemaker ging, zoo geduldig

als een lam, met zijne beide bewakers door de menigte heen; hij was in

't eerst wel erg verschrikt geweest, en de geheele zaak kwam hem dien

nacht ook geducht onaangenaam en bedenkelijk voor, doch gedurende

het verhoor, dat de adjudant hem had doen ondergaan, was hij in eene

stemming geraakt die het best aldus kon uitgedrukt worden: "Praat

jij maar! Je kunt veel praten, eer mij één woord daarvan behaagt!" En

zijne antwoorden waren bijzonder sober geweest. En hoewel hij juist

niet zoo'n onbesuisde courage bezat, die dadelijk overal op los gaat,

zoo was hij toch al lang in de wereld geweest en had al zoo dikwijls

in den knoei gezeten, dat hij niet licht den moed verloor. Hij liet

de zaak haren gang gaan. "Hoe zou dat hier wel afloopen?" zeide hij

tot zich zelven, toen hij de deur van het raadhuis ingeduwd werd.

"Frits Sahlmann," zegt de raadsheer Herse;--toen de jongen den weg

naar het slot weder wilde opgaan; "wat beteekent dat?"--Frits vertelt

nu met de grootste deftigheid de geschiedenis van gisteren, en hoe

mijnheer Droi in de kamer van mamsel Westphalen geslapen en alles

kort en klein geslagen had; en hoe hij zelf de pijpen van mijnheer

de baljuw stuk had gesmeten,--maar, dat kon hij niet helpen, daar

had Fieken schuld aan,--en hoe de overste mijnheer den baljuw had

willen doodsteken, en hoe mamsel Westphalen in de keuken zat, als een

toonbeeld van ellende en smart;--doch van den ijsklomp zeide hij niets.

Nu was echter mijn oom, de raadsheer Herse, een ontzaglijke patriot,

ofschoon in 't geheim. En dat was niet zonder reden. Want, gelijk hij

mij jaren daarna, toen Bonaparte al dood was, eens toefluisterde,

hij behoorde in dien tijd tot het deugdverbond. En 'k geloof dat

wel, want als hij in gezelschap was, speelde hij altijd met een

langen horlogeketting van zeer licht haar,--en tante Herse's haar

was zwart,--en hij liet dikwijls een vervaarlijk grooten ijzeren

vingerring zien, waarmede hij eens den vagebond, den smidsknecht

Höpner, bijna had doodgeslagen, toen die zich in de gerechtszaal

zeer onbehoorlijk gedragen had.--"Frits," zeide hij later tot mij,

"dat lichte haar is van eene heldhaftige jonkvrouw, die zich, anno

dertien, het hoofd heeft laten kaal scheren voor 't vaderland, en

de ijzeren ring heeft mij mijn gouden ring gekost. Maar, praat er

niet van, ik heb dat liever niet." Hij was dus met recht, ten tijde

toen deze geschiedenis speelde, zeer voor heimelijkheden. En het

is ook mogelijk, dat zijne wijze van doen, om alles in het geheel,

van een uitgebreid gezichtspunt te beschouwen, met zijne heimelijke

verbroedering in verband stond. Terwijl toch mijn vader zich met de

nietigste plagerijen en knevelarijen dag en nacht kwellen moest, opdat

de schrale stadszaken nog tamelijk goed bij elkaâr bleven en niet alles

in de war kwam, liet de raadsheer Herse Kutusof rechts marcheeren

en Czernitschef links, en hij prees York en schold op Bülow;--die

verstond zijne zaak niet; want hij hij had zich niet naar Berlijn,

hij had zich rechts, tot naar Stavenhagen toe, moeten terugtrekken,

en had Bonaparte in de flank moeten aanvallen. Kortom, hij was er

zoo juist de man naar, om van eene vloo een' olifant te maken, in

elken onschuldigen Franschen korporaal zag hij den korsikaanschen

dwingeland, en toen eens de politiedienaar Luth bij eene kloppartij

een paar slagen had meêgekregen, stelde hij zich aan, alsof de hertog

van Mekklenburg in persoon op oorvegen getrakteerd was.

"Hou je snater, jongen!" fluisterde de raadsheer Herse zeer ernstig,

"wilt ge hier je doodvonnis op de openbare markt uitschreeuwen?--Voor

't leven van den horlogemaker geef ik geen groschen, want dit is

zeker, dat de molenaar en zijn Frederik den chasseur doodgeslagen

hebben...."--"De molenaar niet," valt Frits hem in de rede, "de

molenaar bestond gisteren louter uit brandewijn en barmhartigheid."

"Nu, dan zijn Frederik, dat is een Pruis. Weet je, wat een Pruis

is? Weet je wat een Pruis te beteekenen heeft? Weet je...? Domme

jongen, wat kijk je me aan?--Denk je, dat ik je mijne aangelegenheden

aan den neus zal hangen? Maar, wat ik zeggen woû,--den ouden

baljuw zullen ze naar Bayonne, in Frankrijk, zenden, daar ze den

schimmelhengst Herodotus van den graaf van Ivenack ook heengestuurd

hebben; en mamsel Westphalen,--zooveel ik van de Fransche krijgswetten

weet,--zal wel eenvoudig opgehangen worden; en jij, mijn jongen, voor

de boodschap, die je gedaan hebt, zult ge wel een geducht pak slaag

krijgen."--Frits Sahlmann zag dus eene droevige toekomst te gemoet en

zette er ook een gezicht naar.--"Mijnheer Herse, toch niet openlijk op

de markt?" vroeg hij.--"Waar je maar gaat en staat, daarom heet het

immers standrecht. Maar, als de zaak nog behoorlijk wordt aangevat,

kan alles nog best terecht komen.--Kunt ge zwijgen?"--Frits Sahlmann

zei, dat hij onbeschaamd goed zwijgen kon.--"Nu, kom dan eens hier,

steek je beide handen in je broekzakken en fluit eens.--Zoo! dat gaat

al goed!--En zet nu eens zoo'n onnoozel gezicht, alsof je alles niets

aanging,--zooals je 's zomers wel eens doet als je in den slottuin

appels van de boomen gooit, en mamsel Westphalen daarop afkomt.--Mooi

zóó!--En let nu goed op ieder woord, wat ik je zeg: nu ga je, met

dit gezicht, en met dien mooien schijn van kinderlijke onschuld,

tusschen de Fransozen en de boeren door, naar het slot, in de keuken,

en roept daar mamsel Westphalen alléén in den hoek en je zegt dan

maar deze beide woorden: "Redding nadert!" Mocht zij daarmede niet

tevreden wezen, dan kunt ge haar, in alle bedaardheid vertellen, wat

ik van 't ophangen gezegd heb, en zoo ze soms daarbij eerst een beetje

verschrikt, zeg haar dan, dat ze nog lang den moed niet moet verliezen;

want dat ik, de raadsheer Herse, de zaak in handen heb genomen. Maar

zij moet in de allereerste plaats, de keukendeur afsluiten en de

achterdeur aan den tuinkant; en de beide meiden en jij moeten elk het

een of ander ding in de hand nemen en geen Franschman binnen laten en

jelui moet je weren, tot op den laatsten man, totdat ik kom. Ik zal

echter dadelijk door den slottuin naar de achterdeur gaan,--'k wil

maar eerst even een mantel hebben, want het regent infaam,--en mijn

parool zal wezen: "Wel, wel!" en mijn veldgeschreeuw: "York!" Neen;

dat gaat niet, dat begrijpt ze niet.--Nu, wat dan? 't Is alles

egaal,--'t is alles egaal.--Nu, mijn veldgeschreeuw is... is... "Zuur

varkensvleesch!" Dat begrijpt zij.--Als er nu iemand komt, die dit

woord roept, dan moet zij de achterdeur opendoen.--Hebt ge alles

onthouden?" "Ja, mijnheer Herse."--"Nu, ga dan maar heen. En geen

mensch, ook mijnheer de baljuw zelfs niet,--mag er een woord van

vernemen!" Frits ging heen, en mijnheer de raadsheer ook.

Mijn oom Herse had zich natuurlijk terstond, nadat hij raadsheer

was geworden, de blauwe raadsheers-uniform met den rooden, met goud

belegden kraag laten maken, en daar hij een groot, gezet en deftig man

was, trok hij die zeer gaarne aan, zoodra er maar eenige aanleiding

toe bestond; bij voorbeeld, als de brandspuiten geprobeerd werden,

of als op een meidag de koeien in de stadsweide gebracht werden, of

als er inkwartiering kwam. Wanneer dan mijn vader in zijn grijs jasje

achter de gerechtstafel zat, en schreef, dat hem de vingers kraakten,

ging de raadsheer Herse vóór de gerechtstafel op en neêr en zorgde voor

de staatsie en de deftigheid, waarbij het hem dan bijzonder streelde,

wanneer zoo'n Franschman hem als "monsieur le maire" aansprak. Mijn

vader had daar ook niet tegen, want meestal viel er, bij deze zaak,

ook wat in te brokken, en dat liet hij dan met de deftigheid, ook aan

den raadsheer over, en hij nam de werkzaamheden op zich. Zóó hadden

zij het gelijkelijk verdeeld, en wanneer de raadsheer Susemihl zijne

zwaarwichtige taak, als wethouder op een gerechtsdag, behoorlijk

vervulde, en de politiedienaar Luth het loopende werk op de straat

verrichtte, en de stads-omroeper Dolmstrich niet dikker werd, dan hij

werkelijk was, zoodat hij nog af en aan door veld en bosch ging, en op

een zachten slootrand zijn middagslaapje waarnam, en de wijkdienaren

van tijd tot tijd de brandspuiten probeerden en de aangelegenheid van

den stadsstier bezorgden, en de veldwachter Hirsch de jongens uit de

erwtenvelden joeg,--dan zou 'k wel eens willen zien, wáár eene stad

en een rechtsgebied te vinden was, waar 't zoo in orde en geregeld

toeging, als in mijne vaderstad Stavenhagen. En dat kwam alles daar

vandaan, dat de raadsheer Herse gaarne zijne uniform droeg.

Toen dus mijn oom Herse naar huis ging,--want het regende steeds,

dat het goot,--zocht hij in zijne kleerkast naar zijn grijzen

mantel, en daarbij kreeg hij zijne uniform in de hand en hij dacht:

"Zie! vandaag is 't er een goede gelegenheid toe, en wie weet, of ze

mij in mijn voornemen niet van dienst kan zijn."--Hij trekt ze dus aan,

en zet ook zijn mooien driekanten hoed op, dien wij jongens naderhand

steeds als schuit in den vijver van den ouden Nahmaker hebben laten

drijven. Nu, destijds was hij nog in den besten staat, en toen de

raadsheer Herse zijne huisdeur uitging, sloeg hij er den kraag van zijn

mantel over heen, opdat de hoed niet nat werd, en mijn oom Herse zag er

op klaarlichten dag uit, zooals een Fransch generaal bij nacht, wanneer

hij de vijandelijke posten observeert. "Zoo!" sprak hij, "nu kent mij

ook geen mensch!" Hij ging de markt over en maakte een' kleinen omweg

over eene hoeve, waar de pachter Nahmaker uit het hoekvenster zijne

paarden nakeek, die de Franschen uit zijn stal hadden gehaald. "Goeden

morgen, mijnheer Herse!" zeide de pachter; "lieve Hemel, wat is 't een

nare tijd!"--"Stil!" zeide oom Herse, en hij ging verder. Achter de

schuur op de hoeve ontmoet hem de draaier Zwaardveger. "Goeden morgen,

mijnheer de raadsheer!"--"Houd uw mond!" zegt mijn oom knorrig en hij

gaat achter den slottuin om.--"Goeden morgen, mijnheer Herse!" zegt de

jongen van den ouden muzikant Hartlaff.--Klets! daar krijgt hij er een,

met de platte hand, om zijn ooren. "Domme jongen! zie je niet, dat ik

niet bekend wil wezen?"--Met die woorden gaat hij den slottuin in,

en hij is knorrig en zegt: "De drommel mag het weten! Eene openbare

betrekking drukt waarachtig als een vloek op een' mensch!"

Twee vroolijke geschiedenissen · 第 10 / 26 题