ZESDE HOOFDSTUK.

Welk een aanblik van haar bed mamsel Westphalen kreeg, en

waarom zij zich door Caroline een paar klappen in den nek liet

geven. Waarom Frits Sahlmann de pijpen van den baljuw breekt,

en de Fransche overste bijna den degen had getrokken.

Als iemand eene geschiedenis behoorlijk wil vertellen, moet hij

't juist zóó aanleggen als de eggers en de ploegers, wanneer zij een

akker beploegen; hij moet altijd rechtuit ploegen, alles raken en niets

overslaan. Maar, al volgt hij dezen regel, zoo blijft er toch hier en

daar wel eens een eind liggen, waarheen hij weêr terug moet keeren, om

er de voren nog eens over te halen. Zoo gaat het mij nu ook: ik moet

eene poos teruggaan en den afloop der zaak van mijnheer Droi en van

mamsel Westphalen vermelden, om weêr in ééns door te kunnen ploegen.

Denzelfden morgen, toen de molenaar met zijne zware hoofdpijn in zijne

laars keek, kleedde mamsel Westphalen zich geheel naar behooren aan,

want zij was zeer ordelijk, en toen zij hare muts wilde opzetten scheen

die haar niet meer in 't rechte fatsoen te zijn, want zij was zeer

zindelijk; zij ging dus naar hare kamer om eene schoone muts te halen,

maar zij klopte eerst aan, en vroeg: "Mijnheer Droi, zijt gij reeds

in uw volstandig kostuum?"--"Oui!" zeide de horlogemaker.--Zij maakt

de kamerdeur open. Groote hemel!--wat zag het er dáár uit! zóó iets

had zij van haar leven nog niet gezien; want 's nachts was zij maar

tot op de gang gekomen en had geen oog in hare kamer geslagen. Het

geheele bedverhemelte was afgebroken, en dwars vóór de kamerdeur

lag een der Franschen in de witte, wolkachtige gordijnen, en rookte

uit eene steenen pijp, met de mooie rood en witgestreepte peluw

onder zijn hoofd; de andere zat in haar leuningstoel en had zijnen

beenen met haar nieuw gingang morgenjasje toegedekt. Mijnheer Droi

zat op het voeteneinde van het bed, en onder zijne beeremuts keek

een gezicht uit, waarop niets anders te lezen stond dan jammer en

ellende.--Wat zag het er in haar lief kamertje uit!--'t Was altijd

haar trots geweest; haar porseleinkastje;--hier had zij steeds op

hare eigene hand geregeerd; hier had zij steeds in keurige orde en

zindelijkheid zich verlustigd, alles had zij eigenhandig afgeveegd

en afgestoft. Niemand mocht hier iets van haar aanvatten of 't

onderste boven keeren, zelfs de weversvrouw niet.--"Neen," zeide

zij; "de weversvrouw is heel goed; maar, sedert zij mij eens mijne

barnsteenkralen op den grond heeft laten vallen, sedert dien tijd

vertrouw ik haar niet."--En nu!--Alles was omvergehaald en van zijne

plaats, de kamer was blauw van tabakswalm; hare kleederen waren van

den kapstok afgerukt en lagen bij het geweer van mijnheer Droi en

den paardestaart van den Franschman, en haar bed, haar mooi bed,

stond midden in de kamer.--Dat bed was haar eigendom. Haar peetoom,

de schrijnwerker Reuss,--de oude Reuss, niet de jonge,--had haar

ledekant uit hetzelfde stuk hout gemaakt, waaruit hij hare doodkist

voor haar had moeten maken; zij had het garen voor het bekleedsel zelve

besponnen; meester Stohl had het geweven, "tamelijk goed," zei ze,

"maar elke baan twee vingerbreed te smal, en dat is eene domheid,

want ik ben een min of meer volkomen vrouwspersoon, en dat moest

hij weten." De veeren had de vrouw van den baljuw haar ten geschenke

willen geven, doch zij had die niet aangenomen en had ze haar betaald,

want zeide ze, "juffrouw Stahl, mijn tijdelijke en mijne eeuwige rust

wil ik zelve verdiend hebben, want daar ben ik trotsch op." En toen

nu het ledikant zoo ver gereed was, kocht zij twee stellen sneeuwwitte

gordijnen van den dooven Hirsch en maakte ze aan het verhemelte vast;

daarop ging zij in de kamer drie schreden er van af staan en zeide:

"Juffrouw Stahl, het einde kroont het werk!"--Nu lagen de stukken

van het bed in wanorde in 't rond en de kroon lag op den vloer.

In 't eerste oogenblik staat zij als aan den grond genageld en zij

kijkt door den tabakswalm heen, als de volle maan door de avonddauw;

daarop gaat zij een paar schreden dichter naar den heer Droi toe,

haar aangezicht wordt zoo rood als de bodem van den grooten koperen

waschketel in hare keuken; hare nachtmuts beeft haar op het hoofd

van ergernis; maar zij zegt niets verder dan: "Wat is dit?"--Mijnheer

Droi stamelt zoo wat bij elkaar van dit en van dat, maar zij ziet hem

scherp in 't aangezicht en zegt: "Leugens, mijnheer Droi! Gij hebt van

nacht gelogen, gij liegt dezen morgen ook. Ik heb u uit barmhartigheid

mijne slaapsteê, mijn eigen bed ingeruimd, en dit is mijn dank!"--Dit

zeggende gaat zij naar hare commode, haalt eene schoone ochtendmuts uit

de lade en wil nu de kamer uitgaan, zonder mijnheer Droi aan te zien;

nu ziet zij echter haar kostbaar onderbed uit het ledekant hangen,

half op den grond; dat gaat haar nu toch al te zeer aan 't harte, en

zij wil het opbeuren; doch vat het ongelukkig juist aan op de natte

plek, waar het water ingeloopen was; zij werpt het mijnheer Droi naar

't hoofd, zeggende: "Foei! Ook dat nog!" En zij zeilde de deur uit en

zag er van achteren zoo eerwaardig en standvastig uit als de onschuld,

als ze naar de gerechtsplaats geleid wordt.

De beide Franschen lachen en snateren, maar zij stoort zich daar

niet aan, en toen zij de gang afgaat, treedt de Fransche overste met

zijn adjudant in volle uniform uit de blauwe kamer en maakt eene

beleefde buiging voor haar. Zij is, wel is waar, volstrekt niet

voor beleefdheden gestemd; doch, zoo als iemand vraagt, moet hij

toch ook antwoord hebben; en zooals de man is, moet de worst toch

ook voor hem gebraden worden; zij duikt dus weder met eene nijging

naar beneden en zegt: "Goeden morgen, mijnheer de overste Von Toll,"

en wil voorbijgaan.--De overste houdt haar echter tegen en zegt;

"Mag ik u vragen, waar ik mijnheer den baljuw zou kunnen vinden; ik

moet hem spreken?"--Mamsel Westphalen denkt, dat zij van eene beroerte

getroffen zal worden. "Wat wilt gij?" vraagt zij, geheel onthutst.--De

Franschman geeft zijn verlangen nogmaals te kennen.--"Hoe zou dat

mogelijk zijn!" zegt mamsel Westphalen. "Onzen mijnheer den baljuw

wilt gij 's morgens om half acht spreken?" En daar de Franschman er bij

blijft, zegt zij: "Mijnheer de overste Von Toll; in mijne kamer is van

nacht alles 't onderste boven gekeerd,--ik moet mij dat helaas! laten

welgevallen,--maar niemand zal van mij zeggen, dat ik de hand geleend

heb, om de orde van het heelal te helpen omkeeren. En al is 't ook

geen christelijk slapen met den ouden heer, zoo is hij toch heer

en kan slapen als een heer en doen wat hem behaagt. Geen koning en

geen keizer, en al kwam onze hertog Frederik Frans zelf, zullen er

mij toe bewegen, mij met eene rebellie tegen het huiselijk gebruik

in te laten."--De overste antwoordde, dat hij het dan zelf doen zou;

hij schoof mamsel Westphalen beleefd op zijde, en ging de trap op naar

boven. "De hemel zal mij bewaren!" zeide de goede dame, en liet hare

handen langs het lichaam zakken: "ik geloof waarlijk dat die kerel

het doet!" En toen zij den Franschman de kamer van den ouden heer

hoorde binnengaan, riep zij uit: "Hij doet het!" En toen de adjudant

naar hare kamer, bij mijnheer Droi, ging, sprak zij: "Scheefbeenige,

misselijke kerel, gij mankeert er nog aan." Nu gaat zij naar de keuken

en zegt tot de beide dienstmeisjes: "Fieken en Carolien, de dag begint

van daag slecht, en als dat zóó blijft voortgaan, dan mag de hemel

weten, waarmeê het zal eindigen.--Morgen moeten we aan 't wasschen;

daar heb ik mijne redenen voor; vandaag gaat ieder van ons aan zijn

werk, en doet alsof er niets gebeurd was." En met die woorden nam zij

den koffiemolen en draaide, en draaide, en de koffiemolen ratelde

en ratelde, en toen zij het laadje van onderen wilde uitschudden,

was er niets in, want zij had er geene koffieboonen boven in gedaan.

Boven bij den ouden heer begon 't nu zeer levendig te worden en er

werd zeer luid gesproken, en Frits Sahlmann, die onverstandige bengel,

die juist bezig was de steenen pijpen voor den baljuw te stoppen,

wilde nu toch vertellen, hoe 't boven toeging, en stoof, met het

gansche pijpen-huishouden in de hand naar de keukendeur, waar Fieken

juist heel aandachtig haar oor tegen aangelegd had, om er ook een

beetje van te profiteeren, en--bons!--vliegt hij tegen Fieken aan,

en--klets!--liggen al de pijpen op den grond, en 't rammelt door de

keuken rond. Mamsel Westphalen raakt hem echter niet aan; hare handen

liggen in haren schoot en zij zegt heel zachtmoedig: "'t Is geheel in

de orde!--Als alles moet ondergaan en breken, breekt zoo'n pijp wel

het eerste, en, als de hemel invalt, vallen alle musschen dood.--'t

Zou mij volstrekt niet verwonderen, wanneer er nu iemand inkwam,

die al ons porcelein door de vensterruiten gooide."

De strijd boven werd luider; de woordenwisseling klonk over het

portaal heen, en mijnheer de baljuw kwam met den overste de trappen

af naar de gang. De oude heer zeide met barsche, korte woorden, dat

de ander maar doen moest, wat hij niet laten kon, want hij had toch

de macht. De overste zeide, dat hij dit wist. Eer hij echter van die

macht gebruik maakte, wilde hij vooraf onderzoeken, hoe 't met de zaak

gesteld was, want het kon niet anders zijn: hier hadden dingen plaats

gehad, die naar 't scheen, verduisterd zouden worden.--Hij had niets te

verduisteren; zeide de baljuw. Indien hier iets te verduisteren was,

dan hadden de Franschen wat te verduisteren; of, zou wellicht zoo'n

schurk, als de "chasseur" geweest was, bij hen in eer en achting

staan? Wat hem betrof, hij wist verder niets, dan dat die kerel als

een roover bij hem gekomen was, en zich als een zwijn had gedragen,

en dat zijne lieden en de horlogemaker Droi hem gezegd hadden, dat de

Gielowsche molenaar hem op zijn wagen meêgenomen had; want gezien had

hij hem niet.--De overste vroeg nu, hoe toch de horlogemaker Droi in

Fransche uniform kwam.--Daar bekommerde hij zich niet over, zeide de

oude heer, en hij behoefde daarvoor niet aansprakelijk te zijn; hij had

slechts gehoord, dat die man menigmaal voor zijn genoegen de uniform

aantrok.--"Dat zijn uitvluchten," zeide de overste. Maar toen vloog

de oude heer driftig op en hij richtte zich in zijne gansche lengte

overeind en zag den Franschman met een voornamen blik aan en zeide:

"Uitvluchten zijn na verwant met leugens. Gij vergeet mijne jaren en

mijnen stand!"--De overste wordt nog driftiger en zegt: "Kort en goed,

die zaak komt mij onwaarschijnlijk voor." "Zóó?" vraagt de oude heer,

en onder zijne grijze wenkbrauwen fonkelt een blik vol haat en wrok,

gelijk als wanneer uit eene grauwe donderwolk een bliksemstraal over

een bekoorlijk landschap heenschiet. "Komt dat u onwaarschijnlijk

voor?" En hij keert zich half om en ziet den overste zoo over den

schouder aan. "Waarom mag een Franschman niet voor zijn genoegen eene

Fransche uniform aantrekken, wanneer daarin zooveel Duitschers voor

hun genoegen rond loopen?"

De overste werd bloedrood in het aangezicht,--één oogenblik

slechts,--en, zoo bleek als de dood trad hij toen een paar schreden

achteruit, greep naar zijn degen, en 't was alsof eene vreeselijke

daad van geweld als een spook achter hem stond en zijne hand wilde

besturen,--ook maar één oogenblik;--haastig keert hij zich om en gaat

met groote schreden de gang af; en Fieken, die in de keuken, door

eene reet in de deur alles had aangezien, zeide naderhand altijd,

dat ze zóó iets van haar leven niet gezien had; "hij was immers een

knap man en had een vriendelijk gezicht," voegde zij er bij; "maar,

toen hij zoo de gang afkwam, toen weet ik niet, hoe 't mij op eens

zoo inviel, dat ik eens, toen ik nog ganzen hoedde, midden in den

zomer, bij helderen zonneschijn een dwarrelwind heb beleefd, die,

eer 'k mijne hand omdraaien kon, van den mooien eikeboom achter den

pastorietuin al de takken afbrak, zoodat alles door malkaar vloog;

en zóó vloog 't ook over zijn gezicht."

De overste keerde zich weder om, ging naar mijnheer den baljuw toe, en

zeide op koelen en bedaarden toon, dat zij elkander over dat punt wel

eens nader zouden spreken; zijn plicht eischte van hem, de zaak grondig

te onderzoeken.--"Waarom heeft de horlogemaker van nacht op het slot

geslapen?" vroeg hij verder.--"Hij heeft hier niet geslapen!" hernam

de oude heer. "Ja wel," zeide de overste, "hij heeft hier geslapen,

in die kamer heeft hij geslapen,"--en hij wijst op de kamer van mamsel

Westphalen.--"Onmogelijk!" riep de oude heer, zijne stem verheffende,

als wilde hij voor de geheele wereld als verdediger der onschuld

optreden;--"dat is mamsel Westphalen's kamer. Dat goede meisje is meer

dan twintig jaar in mijn huis en zij zou 's nachts manspersonen bij

zich herbergen?"--"Carolien," zeide mamsel Westphalen in de keuken,

"sla me eens driemaal flink in den nek, want ik krijg eene flauwte,

en alles draait met me in 't rond!"

Intusschen rukt de overste de deur open, en daar ziet dan mijnheer

de baljuw den horlogemaker vóór zich staan, wien de adjudant

juist gedurende dien tijd onder handen had genomen, en die al het

mogelijke verteld had,--slechts niet de waarheid, dat mijn vader hem

als vogelverschrikker tegen de Franschen had gebruikt,--en die ook

bij kris en kras had gezworen dat de Gielowsche molenaar den jager

meêgenomen had.--De oude baljuw verschrikt niet weinig, als hij den

horlogemaker daar ziet. "Dat is mij onverklaarbaar!" roept hij uit. De

overste lacht schamper in zich zelven en zegt dat het, naar hij hoopt,

niet lang onverklaarbaar zal blijven; hij spreekt daarop een paar

woorden heimelijk met den adjudant en verlangt den sleutel van de

slot-gevangenis.--"Dien geef ik niet af voor den gevangene," zegt

mijnheer de baljuw,--"want voor dien man is de slot-gevangenis niet,

hij is een burger en hij behoort in de burgergevangenis."--De overste

zeide, dat zulks best was, en zóó had hij 't zelfs nog liever, want hij

wist dan, dat er niet zoo gemakkelijk knoeierijen konden plaats hebben.

Mijnheer Droi werd dus tusschen een paar soldaten in genomen, want het

wemelde en krioelde middelerwijl al van allerlei Fransch volk op het

slotplein,--en werd naar het raadhuis getransporteerd. De overste ging

ook weg; doch toen hij aan de deur was, keerde hij zich om en zeide:

zoo hij streng naar zijn plicht te werk ging moest hij den baljuw

ook laten arresteeren; maar, omdat hij een oud man was, en vooral,

omdat hij hem in persoon hier zulk een gruwelijk bitter woord had

gezegd, wilde hij hem in vrede laten, want hij wilde in deze zaak

niet den allerminsten schijn op zich laden, alsof hij zich over dat

woord wilde wreken. Dat moest hij hem evenwel zeggen, indien zijne

tegenwoordigheid, of die van mamsel Westphalen, bij het onderzoek

noodig werd, dan kon hij hem daarvan niet ontslaan, en mijnheer de

baljuw moest voor zich zelven en mamsel Westphalen instaan. Dit

beloofde de oude heer op bedaarden en koelen toon, en de overste

vertrok, maar kommandeerde terstond een paar gendarmes om naar den

Gielowschen molen te gaan, waarbij hij den ouden heer scherp aanzag.

De oude heer ging eerst op de keuken aan, en Fieken ging al uit den weg

van de reet in de deur, daar zij dacht dat mijnheer zou binnenkomen;

doch hij bleef eensklaps stilstaan en keerde zich om, bij zich zelven

zeggende: "Wat zeide die kerel van knoeierij en van den schijn op

zich te laden?--Wat zoo'n Fransche overste slechts zeggen kan, dat

kan mijnheer de baljuw Weber doen; ik wil ook den schijn niet op mij

laden, alsof ik voornemens was, mij met knoeierijen op te houden." En

hij ging naar zijne kamer.

Twee vroolijke geschiedenissen · 第 9 / 26 题