Waarin Frederik voor den molenaar de pruisische zinspreuk
"suum cuique" vertaalt, en achter den "chasseur" op de
ganzenjacht gaat; en waarin 't den molenaar duidelijk wordt,
dat hij zich midden in een bijenzwerm heeft neergezet.
"Baas!" zei Frederik, toen zij de hofsteê af waren, en op den lagen
weg kwamen, "hebt gij wel eens eene oude vrouw gezien, als zij een'
pot aan stuk heeft gegooid, en dan de stukken aan malkaâr past en
zegt: Zóó heeft het gezeten?"--"Waarom vraagt ge dat?" zegt de oude
Voss.--"Och, dat zeg ik zoo maar," antwoordt Frederik; en hij speelt
zoo zachtjes met de zweep over de paarden, alsof 't in den vliegentijd
was. De molenaar zit in gedachten.--Na eene poos vraagt Frederik
weder: "Baas, hebt gij wel eens een jongen gezien, wien een musch
uit de hand is gevlogen, en die dan in zijn leege hand kijkt en zegt:
"O!"--"Wat meent ge daarmeê?" vraagt de molenaar, en Frederik zegt:
"Och, dat zeg ik zoo maar!" De molenaar zit weder stil. Er ging hem van
alles door de gedachten: hij zette juist eene mooie som met den regel
van drieën in zijn hoofd op: "wat hem tegen paschen het schepel rogge
zou kosten, als hij morgen den jood het geld niet gaf," en daarbij
kwam hij erg in de breuken.--Zij reden steeds voort. Eindelijk keert
Frederik zich zoo half op den zak om en vraagt: "Baas! kent gij het
spreekwoord wel: "Gaat geen vuil water uit, eer gij weêr schoon water
hebt?"--Dat begon nu den molenaar te hinderen, en toen hij zich eenigen
tijd bedacht had, wat de vragen van Frederik eigenlijk wel beduiden
moesten, trok hij de onderlip omhoog en zeide: "Hoe is 't? Moeten
dit steken onder water zijn?"--"Steken onder water?" vroeg Frederik,
"bewaar ons!--Dat zeg ik zoo maar,--Maar, ik weet nog een ander
spreekwoord, dat luidt: wat een mensch heeft, dat heeft hij; en wij
Pruisen hebben eenen arend in ons wapen, en daar staat een latijnsch
vers onder, dat klinkt haast zóó, alsof iemand een varken in zijn'
staart knijpt; en, die onze sergeant bij de kompagnie was, was een
weggeloopen student, en die verstond het vers en vertaalde het zóó:
"houdt vast, wat je hebt, en neem, wat je krijgen kunt." Die spreuk is
op alle plaatsen te gebruiken, vooral in oorlogstijden.--Zie, molenaar
Voss, vervloekt moge iedere schelling zijn, dien ik in mijn leven van
mijne kameraads genomen of gestolen heb, en vervloekt moge het koren,
de haver of de rogge wezen, die ik ooit mijn meester heb ontvreemd;
maar, in den oorlog is dat anders; de Turk en de Fransoos is de
rijksvijand, en een rijksvijand is geen haar beter dan de aartsvijand,
en onze lieve Heer lacht er om, als iemand den duivel eens behoorlijk
op zijne likdoorns trapt. Hoe zeî de oude kapitein Van Restorp? Den
vijand moet op alle mogelijke wijzen afbreuk gedaan worden.--Baas
Voss,"--en hij wees hem op den mantelzak,--"dit zou nu wel zoo'n
afbreuk wezen."--"Laat dat!" zegt de molenaar kortaf,--"die zaak is
afgedaan; ik wil niets met die historie te maken hebben; ik breng het
geld op het slot en ik woû, dat ik er den Fransoos meê heenbrengen kon;
Fieken meent ook, dat het een erg ding kon worden." "'k Heb er niets
tegen," zegt Frederik.--"Ju!" en hij klapt met de zweep;--"sommigen
luisteren naar manluî, en sommigen naar vrouwluî; ik ben niet erg
voor den raad van vrouwluî."--"Ik anders ook niet," zegt de molenaar.
Zij reden nu zachtjes verder en Frederik vroeg na eenigen tijd:
"Baas! wat was dat voor een knappe kerel die van morgen den molen
inging?" Dat was de zoon van Jochem Voss, met wien ik 't prinses
heb.--Bevalt hij je?"--Ik heb hem maar van achteren gezien. Maar
hij is goed voor grenadier."--"Hij zegt, dat hij eene schikking met
mij wil maken."--"Dan bevalt hij me al een portie beter. Een mager
vergelijk is beter dan een vet proces."--"Hij wil op mij wachten, tot
ik terugkom."--"Zóó?" vraagt Frederik en keert zich weêr zoo half om
en zegt: "Baas, weet gij wat? hij moest liever eene schikking met onze
Fieken maken: dat zou 't beste wezen."--"Hoe meent ge dat?" vraagt de
molenaar. "Dat zeg ik zoo maar," zegt Frederik. En toen hij zich weder
omgekeerd had, boog hij zich voorover en zag scherp den weg langs;
hij geeft den molenaar de teugels in de hand, springt van den wagen,
maakt het paard van den Franschen jager van achteren van den wagen los;
en eer de molenaar nog recht weet, wat hij losgemaakt heeft, is hij
met het paard in de groote Kölpiner grenssloot, slaat den hoek om en
bindt dat kreatuur aan een' doornstruik, die op den slootrand staat,
vast, zoodat de molenaar niets van hem zien kon.--"Wat heb je?" vraagt
de molenaar, toen hij wederkomt.--"Wat ik heb?--Ik heb niets goeds
gezien. Daar ginder op de Stemhager stadsweide komen er twee aanrijden;
en ze glinsteren zoo; dat zijn zeker Fransozen; en als die hier het
paard van een Franschen jager met zadel en toom hadden aangetroffen,
zouden ze niet vriendelijk met ons gepraat hebben."--"Gij hebt gelijk,"
zegt de molenaar.
Zoo naderden zij het Stavenhager bosch, en Frederik wees met de zweep
naar een' beuk, waar nog stroo onder lag, en sprak: "Dáár heb 'k hem
neergelegd."--"Och of hij er nog maar lag," zegt de molenaar Voss.--"Is
niet te verwachten, baas! Want het heeft van nacht baksteenen geregend
en in dit jaargetijde houdt zoo'n beuk niet veel tegen."--En terwijl
zij nog daarover aan 't redeneeren zijn, komen er twee Franschen
aanrijden en vragen op hun manier naar den Gielowschen molen, want
hier was een kruisweg. En nog eer de molenaar antwoorden kon, wees
Frederik hen rechts af, naar 't Cummrosische bosch toe, en toen zij
vroegen: "Hoe ver nog?" zeide hij: "Eene kleine lieu," en de Franschen
reden verder.
"Hoe? Plaagt je de booze?" vraagt de molenaar, het hoofd schuddende;
als die zóó ver rijden, dan kunnen zij hun leven lang den Gielowschen
molen met den staart aankijken.--Maar, waartoe dat?"--"Baas," zegt
Frederik, "die soort brengt een' mensch niets in 't huis, en ik heb
geen lust om alle morgens bij 't eerste ontbijt gehakte opgewarmde
kool te eten."--"Hoe meen je dat?" "Och, dat zeg ik zoo maar.--Zie,
baas Voss! wie weet, of die twee, als ze naar den molen waren gekomen,
niet verliefd waren geworden op onze Stina. En 't kon dan immers ook
mogelijk zijn, dat zij haar in den koestal nageloopen waren, en dat
het hun in den stal een beetje te vol was voorgekomen en zij onze
beide laatste melkkoeien er uit geleid hadden; en, als zij die dan
buiten hadden gehad, zouden zij ze misschien in gedachten voor zich
uitgedreven hebben, en dan was 't met de melkpap 's morgens gedaan
geweest, en de groene kool had weêr eene beurt gekregen, en ik lust
geen' kool."--"Mogelijk zou 't wezen," zeide de molenaar.--"'t Is ook
mogelijk, dat het niet om de koeien te doen is, zegt Frederik. "Dit
zijn een paar van hun arméegendarmes; die zoeken zeker wat anders,
en ik geloof, dat het een geluk van onzen lieven Heer is, dat wij
den molen uit zijn, want, molenaar, molenaar! pas op--zij zoeken den
Fransoos of misschien wel u. Wie weet wat er in Stemhagen voorgevallen
is! Daar kan wat ruchtbaar geworden zijn, en wie weet, of Fieken geen
gelijk heeft gehad. Nu woû 'k zelf dat wij den Fransoos hadden."--"Dat
zeg ik!" roept de molenaar. "Dat zeg ik!"--"Hm," zegt Frederik;
"gelegen heeft hij hier, en opgestaan is hij, en hier is hij naar
beneden gegaan; dit zijn zijne sporen in de diepe klei; en kijk
eens! hij heeft het stroo nog een eind meêgesleept, en naar Gulzow
is hij heengegaan. Nu wil ik u het paard halen, en gij rijdt naar het
slot en levert paard en mantelzak af, en ik ga den Fransoos achterna,
of ik hem nog kan krijgen."
Zóó gezegd, zóó gedaan. Het paard werd vastgebonden, en Frederik
ging door het bosch den weg op naar Gulzow en zei bij zich zelven:
"Dumouriez! Ik heb den ouden molenaar wat moois op den hals gehaald,
en onze Fieken is toch een verduiveld slimme deern; maar als de
Franschman nog tusschen hier en Greifswald te vinden is, voor den
dag komen zal hij!"
De molenaar zat op den wagen en reed op Stavenhagen aan, en hij
krabde zijn hoofd en prakkezeerde, en er waren allerlei dingen, die
't hem benauwd maakten. "Heer in den hemel," zeide hij, "als mijn
kleine Fieken er niet geweest was, zat ik misschien al in ketenen en
banden, en er uit ben ik nog lang niet, want de drommel speelt er nu
eerst recht meê, en 't regent nu ook al, en dat geen klein beetje."
Zóó komt hij tusschen de Stavenhager schuren, en de eerste, die hem
ontmoet, is de bakker Witt; die staat met een stroowagen voor zijne
schuur en zegt: "Goeden morgen, vrind. Wat donder! Hoe komt ge aan
een Fransozenpaard?"--"Ja, dat moogt ge wel zeggen," antwoordt de
molenaar Voss en vertelt hem de zaak kortweg.--"Dat is een erg geval,"
zegt de bakker Witt; "want de heele stad ligt vol Fransozen, en dat
paard kunt ge niet binnenbrengen, zonder dat ze 't merken; ik raad u,
zet het hier in dat leêge zijvak van mijne schuur."
Nu, dit geschiedt en de oude bakker Witt trekt zijn' krommen, koperen
haarkam van voren naar achteren door het grijze haar, schudt het
hoofd en zegt: "Vadertje, ge hebt u daar met eene zaak ingelaten,
waar ge veel last van hebben kunt; en op het slot schijnt mij alles
ook niet zoo recht pluis te wezen, want mijnheer de baljuw heeft van
morgen zijn fijn brood voor 't ontbijt al klokke acht laten halen,
in plaats van, zoo als anders, klokke elf, en Frits Sahlmann zegt,
dat mamsel Westphalen op den loop gegaan is, en dat geen mensch
weet, waar zij gestoven of gevlogen is; en dat de horlogemaker in
de burgergevangenis gebracht is, heb ik zelf gezien, en de menschen
praten al van standrecht en van doodschieten."
"God zal me bewaren!" roept de oude molenaar uit. "'t Is een
bijenzwerm, waarin ik mij neêrgezet heb! Maar dat helpt niet, den
mantelzak moet ik den ouden heer op 't slot brengen. En, vader! ik zal
om de stad heenrijden, tot dicht bij de groene poort van den slottuin,
en daar zal ik mijne paarden vastbinden; kom mij achterna en breng
den wagen in veiligheid; en mochten ze mij in de prison brengen,
rijd dan naar buiten, naar den molen, en deel dat mijne vrouw en
Fieken voorzichtig meê, en zeg aan den jongen man, dien ge daar zult
aantreffen, dat hij zijn neef het genoegen moest doen van op den molen
en op het goed te passen en de vrouwen niet te verlaten."--Bakker
Witt belooft hem dat, en hij rijdt om den slottuin henen, bindt den
wagen vast en wil den mantelzak naar het slot dragen. Toen jaagt
de koetsier van den ouden pachter Roggenboom, Johan Brummer, door
de poort, en klapt achter de vier lichte bruinen, dat ze achteruit
schoppen en hem het slijk in de oogen smijten, en hij roept: "Beter
mij wat in 't gezicht, dan jelui striemen op het vel!"--Daar achter
komt de oude Zanner uit Gulzow met zijne beide geeltjes en zegt:
"Nu dat mankeerde er nog aan!--Rooversgespuis!" En hij jaagt in
galop over het slotplein. "Ja," zegt de oude landbouwer Adler uit
Stavenhagen;--hij heeft een' zak over zijne schouders gehangen, want
dat waren de toenmalige regenjassen,--en hij stoot zijn oud zwart
rijpaard in de ribben.--"Kanonnenrijden? Niet waar, oudje, dat zou
een werkje voor ons wezen?--Neen, 'k breng je in 't Stemhager bosch,
en bind je in den zandkuil vast. 't Is alles egaal; te vreten heb
je t'huis ook niks, maar regenen doet het vervloekt erg."--En toen
de molenaar in den tuin komt, trekken en hokken ze daar allen met
de paarden achter de struiken rond en achter den muur, en ieder wil
de zijnen in veiligheid brengen.--"Molenaar Voss," zegt de zoon van
den schout Besserdich uit Gulzow, "breng uwe paarden uit den weg! Wie
maar eenigszins bij de hand is, maakt zich den mooien regen ten nutte,
want de Fransozen hebben gezorgd, dat ze onder dak kwamen."
De oude molenaar gaat echter bedaard verder en brengt den mantelzak
op het slot.