VIERDE HOOFDSTUK.

Hoe het den volgenden morgen met den molenaar was; en waarom

Frederik aan de molenaarsvrouw als de slang van het Paradijs

voorkwam en waarom Fieken van meening is, dat de zoon van

Jochem Voss door den hemel wordt gezonden.

Den volgenden morgen was 't den molenaar Voss alsof hij een half dozijn

musschen in zijn hoofd had, die daar naar bromvliegen hapten. En

zoo was het hem niet alleen tengevolge van het vele drinken van den

vorigen avond, neen! hoofdzakelijk van wege den Franschman. "Moeder,"

zei hij, en hij wiegde zijn hoofd zoo heen en weêr en keek strak in

zijne laars: "roode wijn is 's avonds een kostelijk ding, maar 's

morgens komt hij mij ook al niet beter voor, dan brandewijn of bruin

bier. Ondertusschen, kom ik over den hond, dan kom ik over den staart;

't gekste is maar, met den Fransoos!--achter in den wagen heeft hij

gelegen, en Frederik moest weten waar hij gebleven is."--"Welnu vader,"

zegt zijne vrouw, "Frederik moet aanstonds komen, want het is tijd voor

't ontbijt." De molenaar gaat naar binnen in zijne kamer, zet zich

achter de tafel, waar de schotel met meelpap op staat, en hij tast met

zijn lepel het eerst in de pap; daarop tast de moeder toe en Fieken,

en 't laatst de beide dienstmeiden, want zóó was het toen gebruik,

en koffie drinken was nog bij geen molenaar bekend.

De molenaar eet en legt vervolgens zijn lepel neder en zegt: "Waar

blijft Frederik toch?" Hij eet weder, en gaat naar 't venster en roept

den hof over: "Frederik!"--Frederik komt niet.--De schotel is eindelijk

ledig; de dienstmeisjes ruimen alles weg, en de molenaar zegt: "Als

'k een knecht gehuurd heb, wil 'k geen heer in mijn huis hebben!" En

hij wil juist de kamer uitgaan, om den knecht eens terecht te zetten,

toen Frederik de deur inkomt en iets onder den arm draagt. "Waar

blijft ge, schelm?" vraagt de molenaar.--"Baas," zegt Frederik,

terwijl hij zijn knipmes uit den zak haalt en dat onder de deurklink

inklemt, "wen u zulke uitdrukkingen af, dat past niet voor u, en

niet voor mij.--Als er wilde ganzen in de lucht zijn, is 't slecht

erwten zaaien, en als er babbelachtige deerns in de kamer zijn, is

't slecht geschiedenissen vertellen. Daarom heb ik zoo lang gewacht,

totdat de deerns er uit waren. En hier," zegt hij, en hij gooit wat

op de tafel, zoodat het van binnen rammelt en klinkt, "en hier,

molenaar Voss, is wel is waar niet de vos zelf en ook niet zijne

huid, maar zijn valies!" "Wat moet dat?" vraagt de molenaar, en hij

valt in allerijl op den mantelzak aan en gespt de riemen los.--"Wat

dat moet?" zegt Frederik, "dat moogt gij zeggen, dat is mijne zaak

niet. Mijn deel heb ik er uitgenomen."

De molenaar schudt den mantelzak over de tafel leêg, en er vallen

zilveren lepels uit, en groot zilvergeld, en mooi, rond, geel geld; en

er kwam eene kleine doos te voorschijn, en toen de molenaarsvrouw die

opendeed, lag daar ring bij ring in, en de gouden kettingen kronkelden

daartusschen, als slangen onder bonte bloemen. "Heere! bewaar

ons!" schreeuwde zij uit, en liet de doos vallen.

Fieken had er bijgestaan en alles mede aangezien, en zij vouwde hare

handen over hare borst, en hare oogen werden al grooter en grooter, en

zoo bleek als de dood wierp zij zich over de tafel en over de gouden

en zilveren schatten, en dekte er hare armen over heen, uitroepende:

"Dat behoort den Franschman toe! Dat behoort den Franschman toe! Dat

is het onze niet!"--Zij hief het hoofd op en zag haren vader aan; zij

zag er uit, alsof iemand haar een mes in de borst had gestooten, en

de doodsangst lag op haar aangezicht en zij riep: "Vader, vader!"--En

de oude molenaar zat daar en schoof zijne slaapmuts op het hoofd heen

en weêr, en zag zijn kind aan in haren angst en dan weder het blanke

geld, en op ééns sprong hij overeind, zoodat hij bijna de tafel had

omgestooten en riep uit: "Heer in den hemel! ik weet nergens van, ik

weet niet waar hij gebleven is; hij lag achter in mijn wagen, dat weet

ik!" En heel flauw liet hij er op volgen: "Frederik moet het overige

weten."--Fieken liet het geld liggen, en vloog naar Frederik heen,

en schreeuwde hem toe: "Waar is de Franschman gebleven?"--Frederik

bleef bedaard staan en zag haar met zijn oud, strak aangezicht

aan en zeide: "Heere, bewaar ons; dat wordt hier zoo waar een echte

gerechtsdag!--Fieken! Fieken! Wat? Zie ik er dan uit als een roover en

moordenaar?--Den Fransoos heb ik met mijn eigen handen in 't Stemhager

bosch, onder een' beuk, gelegd, en als de nacht hem niet te koel

geworden is, dan ligt hij daar nog als een rot, want hij was sekuur

dronken." "Dat was hij," zegt de molenaar, en Fieken kijkt Frederik

aan en haar ouden vader, die ook naar Frederik's woorden geluisterd

heeft, en zegt: "Frederik! Frederik! Wat kan ik het helpen? Je hebt

altijd al zoo geredeneerd van ombrengen, en Fransozen doodslaan!" En

zij hield haar boezelaar voor de oogen, viel op de bank achter de

kachel neêr en begon bitter te schreien.--"Dumouriez!" zegt Frederik,

"dat heb ik! En als ik dat vervloekte patriotten-gespuis met mijne

hand den nek kon omdraaien, dan deed ik het,--maar, een mensch, die

zich niet verweren kan, en dan nog wel om geld en goed!" Hij bromde

nog zoo wat in zijn' baard, en ging naar de deur, trok zijn knipmes

onder de klink uit, en sprak: "Baas, de lucht is nu zuiver, want de

beide deerns gaan aan 't mest-strooien. Ik heb u nu den boel gegeven;

overleg de zaak goed. Wilt gij 't behouden,--goed! Wat mij betreft,

ik heb er niets tegen; want, naar mijn dom verstand hebt gij er het

recht toe. De Fransozen hebben u veel meer afgenomen, dan dit is,

en wilt ge niet, dat daarover gepraat wordt, ik, voor mijn part, kan

zwijgen. Maar, wilt ge 't eerst aan den baljuw afleveren, en moet ge

't bezweren, dat er niets van verloren geraakt is, zeg dan maar,

dat ik er mijn deel afgenomen heb."--"Frederik, Frederik," zegt de

molenaarsvrouw, "breng je zelven toch niet in ongelegenheid en ons

ook niet; want je komt me op dit oogenblik voor, als de slang uit

het paradijs." "Vrouw," zegt Frederik, "iedereen moet weten, wat hij

te doen heeft. Voor twee jaar reed ik voor den raadsheer Krüger te

Malchin met zout langs de Klaukowsche kroeg, en toen ik daar mijne

vertering wou betalen, en een achtgroschen-stuk op de tafel legde,

sprong zoo'n infame gauwdief, zoo'n chasseur, er op toe en pakte

't weg; en toen ik mij daartegen verzette, kwamen zij zelfs met hun

drieën op mij af, en sloegen mij de huid zoo murw, dat ik meende aan

't behoud van mijn leven te moeten wanhopen. Die acht groschen heb

ik teruggenomen; maar de slagen hebben ze nog te goed. En, al heeft

deze kerel dat ook niet gedaan dan heeft mogelijk zijn broeder het

gedaan, of zijn kameraad, en 't blijft dan toch in de familie. De

acht groschen behoud ik." En daarop ging hij de deur uit.

De oude molenaar was intusschen in de kamer op en neêr gegaan,

en had zijn hoofd gewreven en zijne haren gekruld. Nu en dan bleef

hij weêr eens stilstaan, om het geld aan te zien, en toen Frederik

weggegaan was, ging hij naar zijne kast, haalde daar den almanak

van den erven Adlers, in Rostock, uit en keek, waar hij al honderd

maal naar gekeken had, terwijl hij zuchtende, bij zich zelven zeide:

"Ja, morgen is het de dag."--Zijne vrouw stond met den rug tegen de

huisklok aan, sloeg gedurig hare handen in elkander en verwonderde

zich in stilte.--"Ja," zegt de molenaar, "als we 't houden, dan

zij wij gered." "Ach God, vader!" zegt de vrouw, en zij ziet zoo

angstig tot hem op.--"En gestolen heeft de kerel," zegt hij verder;

"op de zilveren lepels staat een groot wapen, en al zou 't ook wel

uit te vinden zijn, aan wien die behoord hebben, het geld is van

verschillende soort, en ieder stuk zal wel bezwaarlijk in den rechten

zak terugkomen."--"Vader!" zegt zijne vrouw, "gij waagt er uw hals aan,

als de kerel het aanklaagt, dat gij 't hem afgenomen hebt."--"Die zal

zijn mond wel houden, want als hij vertellen moet, hoe hij aan dat geld

gekomen is, dan zullen ze hem juist ook niet levenslang met rozijnen

en amandelen vetmesten.--En hebben wij 't hem dan ook afgenomen?--Het

paard hebben ze ons, op het slot, achter aan den wagen gebonden; het

paard heeft gisteren den mantelzak bij Frederik in den stal gebracht;

wie kan dan nu zeggen, dat ik het genomen heb." En dit zeggende begon

hij de geldstukken uit te zoeken, en hij telde ze in rijen af.--"Ja,

maar 't hoort ons toch niet toe," zegt zijne vrouw.--"Wien hoort

het dan?" vraagt de molenaar. "Den Fransoos hoort het ook niet,

en als wij 't hem weder geven willen waar is hij?"--"Frederik zegt

immers, in 't bosch." "Zoo?" vraagt de oude man. "Denkt ge, dat die

bij dit weêr, van 's avonds klokke acht, tot 's morgens klokke negen,

daar zal blijven liggen? Die zal al lang zijns weegs gegaan zijn; en

wie kan mij bevelen, dat ik hem achterna zal karren om hem zijn geld

terugtebrengen?" Daarop telt hij verder, en de vrouw gaat zitten en

legt de handen in den schoot, terwijl zij voor zich ziet en zuchtende

zegt: "Gij moet het weten."--En Fieken zit nog op de bank te schreien.

De molenaar telt al het geld af en kijkt nu en dan zoo twijfelachtig

naar Fieken, en dan is 't altijd alsof hij zich vertellen

moest. Eindelijk is hij er meê gereed en leunt met beide handen op

de tafel; hij overziet het geld nogmaals en zegt: "Als ik de halve

florijnen en het goud naar pruisisch courant reken, dan bedraagt het

meer dan zeven honderd daalders. Nu zijn we geheel uit den nood."--Toen

staat Fieken op; zij droogt hare tranen af, en haar aangezicht is

bleek en kalm, en zij zegt zachtkens: "Neen! nu begint onze nood

eerst." "Fieken, spreek zóó niet," zegt haar vader. "Van nu af," zegt

ze, "eten we ongezegend brood en slapen een ongezegenden slaap, en

gij kunt het geld begraven, maar begraaft dan tegelijk uwen eerlijken

naam."--"Van begraven is geen sprake," zegt de molenaar. "Neen, ik

betaal daarmeê eerlijk mijne schulden."--"Eerlijk, vader? En al was 't

ook alles zoo, als 't niet is, zal de oude baljuw niet vragen, met welk

geld gij den jood betaald hebt, en zullen de Fransozen niet vragen,

hoe gij aan dat paard komt, en wie staat er voor in, dat Frederik

zwijgen zal?" De oude man zette een gezicht, half verbaasd en half

verdrietig, en wilde losbulderen, zoo als de mensch doet, wanneer een

ander hem op eene domheid of eene oneerlijkheid betrapt. Hij wil dan de

inwendige stem van zijn geweten wegredeneeren, gelijk de kinderen in de

duisternis zingen en fluiten om zich het spook van 't lijf te houden.

Maar Fieken liet het niet zoo ver komen; zij wierp zich haastig aan

de borst van haren vader, sloeg hare armen om hem heen, zag hem vast

in de oogen en riep: "Vader, vader! breng dat geld op het slot,

geef het aan den ouden baljuw; hij heeft gezegd, dat hij in dank

aan u zou gedenken; hij zal hieraan ook gedenken.--Hoe dikwijls

hebt gij mij verteld van uw' ouden vader, hoe dikwijls hebt gij

mij gesproken van uwe moeder, hoe zij er zich met spinnen eerlijk

doorgeholpen heeft tot aan haren dood; hoe dikwijls hebt gij mij

verteld, hoe gij, toen ge op uw handwerksreis waart, dien anderen

handwerksgezel zijne geldbeurs hebt teruggegeven, die gij gevonden

hadt; hoe die man zich verblijd heeft, en hoe wel het u daarbij te

moede was."--"Ja, maar dat was heel wat anders," zegt de molenaar,

"'k wist immers, wien dat geld behoorde, en hier weet ik 't niet, en

'k heb het ook niet gestolen. 'k Heb een goed geweten."

Eensklaps springt de molenaarsvrouw van haren stoel op en roept uit:

"De hemel beware ons! daar gaat een vreemde man het venster voorbij en

komt naar de deur toe!"--"Houdt de deur dicht!" roept de molenaar en

loopt ijlings naar het geld, maar stoot aan de tafel, zoodat eenige

stapels omvallen, en het geld door de kamer rolt.--"Is dat uw goed

geweten?" vraagt Fieken en zij ziet haren vader en hare moeder aan

en zegt: "Moeder, laat de deur open! Dien mensch zendt ons onze lieve

Heer; die brengt ons zegen in huis."--De molenaarsvrouw laat de deur

open en ziet zwijgend voor zich; doch de molenaar wordt door en door

rood en keert zich schielijk om en kijkt uit het venster.

Er wordt aangeklopt. "Binnen!" roept Fieken. En binnen komt een

jonge, slanke kerel, van zoo'n jaar of twintig en nog een paar; hij

kijkt een beetje nieuwsgierig rond, zoo als iemand pleegt te doen,

die al lang gaarne eens had willen weten, hoe het er wel bij deze en

gene lieden uitzag, en hij maakt eene fatsoenlijke buiging en zegt:

"Goeden morgen!"--"Ik dank je wel!" zegt Fieken;--de molenaar verroert

zich niet, en de vrouw bukt en raapt de daalders op, die door de kamer

gerold zijn. Toen de beide oude lieden zijn groet niet beantwoordden,

en hij het geld op de tafel gewaar werd, zei de jonge man: "Neem 't

mij niet kwalijk! Ik kom u, geloof ik hier niet heel gelegen."--"O,

ja wel," zegt Fieken, een' stoel bij de kachel zettende; "ga zitten;

vader is dadelijk met zijn zaken klaar." "Ja, dadelijk!" zegt nu de

molenaar, en hij rukt het venster open en roept: "Frederik span de

paarden voor den kleinen wagen en bind het paard van den Franschman

achteraan; wij rijden naar het slot." Hij maakt het venster dicht,

keert zich om, en zegt tot moeder en Fieken: "Zoo! met die zaak is 't

in orde. Pakt nu die voddenkraam bij elkaâr in den mantelzak, en dan

kan Frederik hem op den wagen gooien." Hij gaat nu naar den vreemdeling

toe, reikt hem de hand en zegt: "'k Heet u welkom!"--"Molenaar

Voss," zegt de jonge man, terwijl hij hem de hand geeft en opstaat:

"laat ik u niet hinderen in uwe bezigheden; mijne zaak heeft tijd,

en hoewel ik ook om een bijzondere aangelegenheid gekomen ben,

zoo heeft die toch geen haast, en de hoofdzaak is, dat ik mijne

familie eens woû komen opzoeken."--"Familie?" vraagt de molenaar,

en ziet hem twijfelend aan.--"Ja," zegt de ander, "want ik ben de

zoon van Jochem Voss, en uw achterneef." En daar nu de oude man

niets antwoordt en zijne hand terug trekt, voegt hij er nog bij,

"en voor veertien dagen hebben ze mij meerderjarig verklaard, en

toen dacht ik zoo bij mij zelven: zusters of broeders heb ik niet,

en ook geene familie hier in den omtrek; 'k wil eens naar 't Stemhager

gebied rijden en daar eens kijken, of ze er nog wel wat van den zoon

van Jochem Voss willen weten." En met die woorden gaat hij naar de

molenaarsvrouw toe en geeft haar de hand en Fieken ook, en daar de

molenaar nog steeds zoo weifelend blijft staan en er uitziet alsof de

muizen hem de boter van 't brood hadden gestolen, zegt de bezoeker:

"Neef, gij denkt aan ons proces; laat dat maar rusten; wij kunnen

daarom toch goede vrienden wezen." "Zóó?" zegt de molenaar, "en ge

hebt toch voor de menschen gepocht, dat ge mij van 't Borchertsche

goed af zoudt gooien?"--"Wat voor menschen?" vraagt Hendrik Voss. "De

menschen praten. Wat kan ik 't helpen? Mijn vader heeft den strijd

begonnen en meende ook dat hij gelijk had, en mijn voogd heeft verder

gevochten en ik heb toegekeken. Maar, dat wil ik eerlijk bekennen,

een mooi stuk geld heeft het mij al gekost en als wij tot eene

schikking kunnen komen, zal 't aan mij niet liggen."--"Gij wilt

het hazenpad kiezen; dat heeft zeker uw avekaat u aangeraden."--"Ik

raad mij zelven, neef," antwoordt de jonge man, zijn hoed opnemende,

"want, als ik nog lang naar den raad der avekaten hooren wilde, zou

't water kunnen opraken, en mijn molen zou moeten stilstaan. Bij u is

dat echter wat anders. Wie zijn ransel zoo vet kan maken, die kan nog

lang braden, eer hij aanbrandt." En hij wees op den mantelzak, dien

moeder en Fieken juist ingepakt hadden.--"Daar heb je niet over te

schimpen!" roept de molenaar driftig uit, en hij keert zich schielijk

om, geheel bruin in 't aangezicht. "Dat geld... dat geld, dat hoort mij

niet toe!" Fieken nadert nu tot haren vader en liefkoost hem en zegt:

"Vader, het was immers niet boos gemeend." "Neen," zegt Hendrik, "ik

ben uit vriendschap gekomen, en 'k wil ook in vriendschap weggaan. Mijn

wagen staat buiten vóór de hofsteê vastgebonden, en 'k heb maar een

paar stappen te doen, om daar te komen." "Houd op!" zegt Fieken,

"neef Hendrik, niet zoo driftig! Vader heeft van morgen zijn hoofd

vol van eene zaak, die in orde gemaakt moet worden., 't Zou hem erg

spijten, als gij in onmin van hem woudt weggaan."--"Fieken," zegt de

molenaar, en hij keert zich om en kust zijne dochter op 't voorhoofd,

"je hebt van morgen al tweemaal gelijk gehad, en ik twee maal ongelijk;

ge zijt mijn lief kind." En hij reikt den jongen man de hand toe. "En,

Hendrik! niemand zal van mij zeggen, dat ik den zoon van Jochem Voss

met harde woorden uit mijn huis heb verdreven.--Zoudt ge hier willen

heengaan, zonder nat of droog? Neen, mijn zoon; gij blijft hier bij

mij tot ik terugkom, want ik moet naar mijnheer den baljuw, om eene

dringende zaak.--Kijk, Frederik staat daar al. Nu, adjuus, mijn zoon,

en als ge 't met eene schikking eerlijk meent, dan kan daar wel wat

van komen.--Adjuus moeder, adjuus Fieken!" Daarop gaat hij de deur

uit en klimt op den wagen.

Twee vroolijke geschiedenissen · 第 7 / 26 题