Waarom Frits Sahlmann een' oorveeg krijgt, en de horlogemaker
den ganschen nacht met mamsel Westphalen's ledekant in de
kamer rondscharrelt, en waarom de Fransche overste in een
roode deken bij den horlogemaker te visite komt.
Toen de molenaar den weg naar het slot was afgereden, ging mijnheer de
baljuw naar zijne kamer, maar hij keerde weder om, ging naar den heer
Droz toe en vroeg: "Wat ben ik u schuldig, mijn lieve Droz?"--Nu, die
zeide, zoo goed het hem mogelijk was, dat hij het met genoegen gedaan
had, want de "Allemange was nu zijne patrie, en hij was tout pour la
patrie."--"Dat meen ik niet," zeide de oude heer, "ik meen voor mijn
horloge, dat gij in orde gemaakt hebt?"--De heer Droz antwoordde, dat
dit alles betaald was; "de kleine garçon, Frits Sahlmann had alles
bezorgd."--"Ja, dat weet ik wel," sprak de oude heer, "maar, mijn
lieve Droz, een horlogemaker moet men niet enkel daarvoor betalen,
dat hij aan een horloge wat gemaakt heeft, maar ook daarvoor, dat
hij er niets aan gemaakt heeft, en omdat dit hier het geval is,
daarom, mijn lieve Droz, neem dit van mij aan." En hij drukte hem
twee daalders in de hand en ging het huis in.
"Welnu," zeide mamsel Westphalen, "laat hem begaan! Hij is een
wonderlijke oude man, maar hij meent het goed. Maar, Mijnheer
Droi, kom nu binnen, en ontdooi een beetje in mijne kamer, want
bij dit nare, griezelige weêr kan een mensch het hart in zijn lijf
bevriezen." Mijnheer Droi ging dan ook mede, en toen zij nauwelijks
gezeten waren, kwam Frits Sahlmann binnen. Hij had den paardestaart
van den Franschman op zijn hoofd en de blanke sabel in de hand en had
zich in aller ijl een snorbaard van kaarsesnuitsel gemaakt. Klets! daar
kreeg hij er een, van die soort, die mamsel Westphalen gewoon was uit
te deelen, om de ooren. "Jou uilenspiegel!" riep zij en zij rukte hem
den helm van het hoofd en de sabel uit de hand, en zette die achter
haar bed. "Uilenspiegel! Op zoo'n avond, als wij allen in angst en
nood zitten, wil jij jou hansworstestreken uitvoeren?--Ga liever eens
naar de lieve vrouw van mijnheer Droi, en doe 't komplement van mij,
dat zij niet ongerust moet wezen; en dat mijnheer Droi bij mij in
mijne kamer is, en dat hier in 't geheel geen gevaar is."
Frits Sahlmann gaat, en nu zitten zij daar en vertellen elkaâr van
den ouden en van den nieuwen tijd. Intusschen, wat mijnheer Droi
vertelt, dat verstaat mamsel Westphalen maar heel slecht, en wat
mamsel Westphalen vertelt, daar verstaat mijnheer Droi bijzonder
weinig van. "Hij zijn bon!" zegt Droi en rammelt met de beide
daalders in zijne hand. "Ja wel," zegt mamsel Westphalen, "zeker
zijn ze goed. Meent gij, dat mijnheer de baljuw u valsch geld zou
geven?"--"Ah! 't niks valsch geld! Ik meenen hem lui-même," zegt
mijnheer Droi en wijst met zijn vinger naar boven.--"O, zoo! gij
meent mijnheer den baljuw! Ja, wel is hij bon, maar, hoe ouder
hij wordt, des te wonderlijker wordt hij, want hij maakt den nacht
tot den dag, mijnheer Droi. Zie! daar moet ik nu zitten en ik moet
bakken en braden tot in den nacht; want hij eet zijn avondeten eerst
's nachts, klokke elf, en 't wordt soms wel twaalf ook, en als 't
lieve eten uitgedroogd of te hard gebraden is, dan gaat hij aan
't knorren en onze mevrouw is zeer weekhartig en dan begint zij
te schreien. Dan zeg ik: Och mevrouw! waarom huilt gij? Kunnen
wij 't helpen, dat hij leeft als een onchristen? Laat dat huilen:
wij hebben een goed geweten! Maar, mijnheer Droi, 't is een zwaar
stuk voor mij, om hier te zitten als eene eenzame persoon en aan te
hooren, hoe de stormwind om het slot heenloeit, de regen tegen de
vensters aanslaat, de uilen schreeuwen en de tochtwind door de gang
huilt, alsof de geesten losgelaten waren. Hoor nu maar eens, wat is
't weer boos weder!--Mijnheer Droi, gij zijt zeker in 't geheel niet
bang!" "Eh, non!" zegt mijnheer Droi, maar hij zit stil en luistert
naar het weder en zegt eindelijk: "Attendez, du tonnerre!" "Wat meent
gij?"--vraagt mamsel Westphalen.--"Ik meenen," antwoordde hij,--en hij
zwaait met zijn vinger rechts en links door de lucht, "ik meenen de
lichte zig-zag met rompel, pompel, retteteta,"--"Dan hebt gij gelijk,
mijnheer Droi," zegt mamsel Westphalen, "want daar buiten gaat het
werkelijk zoo: rompel, pompel, ratteteta!"--"Ah!" zegt mijnheer Droi,
"dat zijn de tamboers, dat zijn mijne kameraden de grenadiers."--Hij
sprong op en marcheerde op en neder, met de beeremuts op het hoofd,
want hier was het daartoe hoog genoeg en dan stond hij weêr stil
en riep: "Luister! Zij marcheer op de marché, op de markt!" en:
"Luister!" Dat zijn de "grand canons, de zware geschut!" En mamsel
Westphalen zit daar met de handen in haren schoot en zij kijkt hem aan
en schudt het hoofd, zeggende: "Waar dat toch eenmaal inzit! Hij is
anders een fatsoenlijk mensch; waarom stelt hij zich dan nu zoo wild
aan? 't Is als met de oude voerlui; als ze niet meer kunnen rijden,
klappen ze toch nog altijd graag met de zweep!"
En niet lang daarna kwam de vrouw van den wever Stahl de deur
in. Dat was de dagelijksche aanbrengster voor mamsel Westphalen; zij
kwam haar het nieuws uit de stad vertellen, en voor iederen mondvol
nieuwstijdingen, die zij het slot inbracht, droeg zij een pot vol eten
er uit.--Zij had haren rok over 't hoofd geslagen en droop als een
dakgoot, schudde zich eerst een paar maal af en zeide toen: "Br.... wat
is 't een weêr!" "Dat is 't wel, juffrouw Stahl," zeide de mamsel,--zij
noemt haar altijd juffrouw Stahl,"--"niet om harentwil," zeide zij,
"neen, om mijnentwil, want, wat zouden de menschen er wel van zeggen,
als ik mij met eene vrouw uit het volk inliet?--neen! ik heb ook
mijn trots!" "Mamselletje," zeide de weversvrouw, "ik kwam hier heen;
op de markt wemelt het van Franschen, en ze hebben een grooten hoop
kanonnen meêgebracht, en de burgemeester heeft om mijn man gestuurd;
die moet in dit weêr en in den stikdonker op de dorpen rondloopen en
de boeren en de hofjongens met wagens bestellen tegen morgen middag,
en, pas maar eens op, gij krijgt ook inkwartiering."--"Dat weet de
goede hemel!" zegt mamsel Westphalen, en zij gaat naar de deur en roept
Caroline en Fieken, dat zij vuur zouden aanleggen in de blauwe kamer,
naast de hare, en twee bedden gereed maken, want de duivel zou spoedig
zoo'n pochhans van een Franschen overste en zoo'n misselijken krates
van een adjudant den berg naar het slot opkarren."--Daarna keert zij
zich om naar het gezelschap, en zegt: "Dáár kunnen zij liggen, en als
het spook in de blauwe kamer een christelijk spook is, dan zullen zij
juist niet veel rust vinden in dezen nacht, en dat gun ik hun, want,
mijnheer Droi," gaat zij voort, "hiernaast in de kamer spookt het;
gelooft gij ook aan spoken?"--Mijnheer Droi zegt: "Neen!" en inmiddels
komt er buiten beweging, en toen mamsel Westphalen eens uitkeek, kwam
werkelijk een Fransch overste met zijn adjudant de huisdeur uit, en een
paar ordonnansen volgden hen. Zij werden in de blauwe kamer gebracht,
waar zij droge kleeren aantrokken, en gingen vervolgens naar boven,
naar mijnheer den baljuw om aldaar te soupeeren.
De heer Droi zit ondertusschen diep in gedachten en zegt om den
anderen: "Diable!" en "Diantre!" En toen hem naar de reden gevraagd
werd, kwam hij er eindelijk voor uit, dat hij in groote verlegenheid
was, en 't kon zijn ongeluk wezen, want, als hij in zijne monteering
en met de beeremuts, en met geweer en sabel de kamer uit en door
de straten ging, kon de ordonnans hem zien, of een van de Fransche
wachtposten, of zoo'n strooper van een Fransoos, en ze konden hem
vragen: "Van waar? en waarom? En als hij dan niet wist wat hij
zeggen moest, dan kon de drommel er meê spelen en de geschiedenis
van dezen middag kon uitkomen, en wat dan?"--"Mijnheer Droi," zegt
mamsel Westphalen, "dat is een erg geval! De kleêren van dien lummel,
van Frits Sahlmann, kunt gij niet aantrekken, want al moogt ge er ook
uw lief middelstuk in persen, waar bleeft gij met de einden?--Dan de
kleêren van mijnheer den baljuw? Neen, mijnheer Droi, verlang zulk
eene slechte daad niet van mij, want, dat was immers juist, alsof ik
met eigene hand het slot in brand steken woû. En andere manspersonen
hebben we, Goddank, hier niet.--Maar, mijnheer Droi, gij hebt ons van
middag uit grooten nood gered, en daarom wil ik u weder redden. Uwe
vrouw weet dat gij hier onder christenmenschen zijt; gij zult van
nacht in mijn ledekant slapen, ik zal er schoone lakens opleggen, en
dan slaap ik bij het kamermeisje, juffrouw Stahl, kom!"--Dit zeggende
gaat zij de kamer uit, en niet lang daarna komt zij weder binnen
en legt schoone lakens op het bed en vraagt weder: "Mijnheer Droi,
zijt gij ook bang?"--Mijnheer Droi zegt weder: "neen!" en zij zegt:
"Dat is best! want het gaat hier naast menigmaal wonderlijk toe en dan
hoort men: "trap! trap! trap! maar 't komt hier niet binnen; ik heb
een hoefijzer op mijne deur laten spijkeren.--Hoor nu toch eens! Hoor
nu toch eens! Nu gaan de Fransozen hier naast ook naar bed. Hoor nu
toch dat gesnater eens aan! Mijnheer Droi," vraagt zij zachtjes, "kunt
gij dat alles verstaan?"--"Oui," zegt mijnheer Droi.--"Ik geloof het,"
zegt zij, "want de muur is heel dun. Dit was eerst ééne groote kamer,
maar nu zijn er twee van gemaakt. Nu, mijnheer Droi, goeden nacht! Kom,
juffrouw Stahl!"--Mijnheer Droi wenschte ook goeden nacht, in 't
Fransch, maar hij zag er uit, alsof hij nog iets op het hart had, dat
hij niet zeggen kon, of niet durfde zeggen, en mamsel Westphalen zeide
zachtjes tot de weversvrouw: "Juffrouw Stahl, gij zijt eene getrouwde
vrouw: voor mij past dat niet, help gij den man terecht." En zij gaat
heen. Nu gaat de horlogemaker met de weversvrouw ook de kamer uit.
Zoodra zij er allen uit zijn, sluipt iemand over de gang, waar de
nachtlamp brandt, de kamer van mamsel Westphalen binnen; 't is de
goddelooze jongen, Frits Sahlmann, en hij heeft een klomp ijs onder
den arm, zoo groot als de bol van een hoed. Als een kat springt hij op
de planken van het groote ledekant met gordijnen van mamsel Westphalen
en legt den ijsklomp boven op het bedverhemelte, terwijl hij bij zich
zelven zegt: "Wacht jou oude plaaggeest! Dit is voor de oorvegen,
die ik gekregen heb; nu zal de opstijgende hitte wel bekoelen." En
daarop sluipt hij de deur weder uit.
Mijnheer Droi komt nu weder binnen; kleedt zich uit, legt "la grande
nation" vóór het bed, op den stoel, snuit het licht uit en legt zich
neder; hij rekt zich in dat schoone zachte bed lang uit, en zegt:
"Ah! c'est bon!"--Nu luistert hij naar den storm daar buiten en
naar den regen, hoe die nederstroomt, en naar 't redeneeren van
de beide Franschen in de kamer naast hem, doch eindelijk houdt het
gesnater op, en Mijnheer Droi is juist zoo tusschen slapen en waken,
toen begint het: trap--trap--trap. "Ha, ha!" denkt mijnheer Droi
in 't Fransch, "dat is het spook, hier naast!" En hij luistert nu
wat zijne landslieden daar wel van zeggen zullen. Die liggen heel
stil; maar trap--trap--trap gaat het bedaard voort, en nu komt het
mijnheer Droi voor, dat het in zijne kamer is. Ja, in zijne kamer is
't en als 't in zijne kamer is, dan is het door de deur ingekomen;
hoe zou 't anders binnengekomen zijn? Hij grijpt dus eene van zijne
schoenen op en gooit dien naar de deur toe; bons! vliegt de schoen
tegen de deur aan, en 't is een geraas op de gang, alsof het onweder
was ingeslagen. De Franschen in de andere kamer beginnen zich te
bewegen en praten met elkaar. Doch weldra is het daar weder stil;
maar trap--trap--trap gaat het weer, dicht bij het bed van mijnheer
Droi. Mijnheer Droi gaat overeind zitten en buigt zich voorover om
beter te kunnen hooren,--klets! daar valt hem een droppel op zijn kaal
hoofd--en, klets!--nog een op zijn krommen neus, en terwijl hij vóór
zich uit tast, voelt hij, dat zijn dekbed zoo zachtjes aan begint te
doorweeken. "Diable!" zegt hij, "het dak is niet dicht en dat lekt
door den zolder. Wat nu?" Hij komt natuurlijk nu op den verstandigsten
inval, dien een mensch in zulke omstandigheden hebben kan; hij wil
met zijn bed verhuizen; hij staat alzoo op en begint met het oude,
zware ledekant, aan het hoofdeneinde voort te schuiven; maar hij denkt
niet aan den helm en den sabel van den Franschman, die in den hoek
staan, en,--al zijn leven!--dat glijdt langs den muur naar beneden,
en rammelt en klettert op den grond neder. Mijnheer Droi is niet
weinig ontsteld; hij blijft staan en luistert: ja, waarlijk!--de
beide Franschen zijn door het spektakel wakker geworden en schelden
en razen. Hij denkt echter: wie weet, of dat niet geholpen heeft,
en kruipt in het bed. Maar nu was de ijsklomp al aardig ontdooid,
en het droop natuurlijk het bed in; hij wordt zoo koud, het water
dringt overal door, en hij denkt--natuurlijk in 't Fransch:--"Nu
slapen ze zeker wel. Als ik nu het voeteneinde loskrijgen kon, dan zou
'k misschien van het lek bevrijd wezen."--Hij staat op, en rukt het
voeteneinde los--paf!--daar valt zijn geweer langs den muur op den
vloer, en zoo dat eerst niet geknald heeft, zoo knalt het nu.
Daar stond nu de arme horlogemaker; hij beet zich op de lippen en
hield met geweld zijn' adem in, alsof door dat inhouden van zijne
ademhaling de Franschen weêr zouden gaan slapen, die naast hem al
luidkeels raasden en scholden en "silence!" riepen, en tegen den muur
sloegen. "Que faire?" zegt hij tot zichzelven. "De eerste nood moet
afgewend worden, zooals de oude vrouw zei; en ze sloeg den baktrog
stuk en stookte daarvan vuur onder 't water." Toen kroop hij weêr in
't bed en zeide: "Goddank! nu ben ik van het lekken bevrijd."--Hij
was echter uit den regen in den drop gekomen, want, als een straal
liep het van den zolder naar beneden, als een straal liep het in
't bed. Hij werd door en door koud en zoo nat als een kikvorsch
in 't voorjaar.--'t Hielp alles niet, hij moest er weder uit en
weder verhuizen; maar hij zou 't zachtjes doen, dat hij niets omver
stootte. Hij trok het bed in den eenen hoek: daar was het toch te
voren droog geweest; hij trok het in den anderen hoek: daar was het
toch ook droog geweest, en zoo scharrelde hij den ganschen langen
nacht met het ledekant door de kamer rond, zachtjes, heel zachtjes;
maar, waar hij heenkwam, daar lekte het ook.
Zoo stond hij dan in zijn hemd midden in de kamer en peinsde
en peinsde, hoe dit toch was, en hoe dat toch was, en sloeg zich
eindelijk met de hand voor 't hoofd, en zeide: "Ik domkop!" Want er
was hem een licht opgegaan. Dat wil zeggen in zijn hoofd, want in de
kamer was het duister; en licht moest hij toch hebben. Hij sloop dus
zachtjes naar buiten op de gang en,--ja, waarlijk!--daar brandde ook
de lamp nog. Hij stak zijne kaars aan, ging terug, hield het licht
in de hoogte, en zag iets boven op het ledekant liggen, en riep:
"Ah, canaille!" Hij klom tegen het ledekant op, maar kon er toch
niet bijkomen. Hij rekte zich zooveel mogelijk uit en grabbelde
naar den ijsklomp rond, maar die was te glibberig en liet zich niet
vatten, Parbleu! Een halve duim langer! Hij spant met geweld al zijne
krachten in,--krak!--zegt de hemel,--en hemel, en ijsklomp, en Droi,
't valt alles tegen den muur van de Franschen aan; en daar ligt
mijnheer Droi onder de onschuldige witte gordijnen en zwaait met
zijne bloote beenen in de lucht rond alsof die vertellen moesten,
wat hun heer was weêrvaren.
Eensklaps wordt de deur geopend, en binnen komt--de Fransche
overste. Hij heeft, om geen koude te vatten, een roode wollen deken
over 't beddelaken omgeslagen, en houdt een pistool met dubbelen
loop voor zich uit; en achter hem staat met den blooten degen,
en met bloote beenen, zijn adjudant.--Mijnheer Droi haspelt onder
de gordijnen van het ledekant uit, zegt de beeremuts op het hoofd,
gaat rechtop staan, slaat zijne hand aan de muts en zegt: "Bonsoir,
mon colonel!" De overste kijkt hem aan; de adjudant kijkt den overste
aan; zij hooren, dat zij met een Franschman te doen hebben; zij zien
de zwarte slobkousen en de geheele "grande nation" vóór het bed liggen,
zij zien geweer en sabel; en--wat erger is dan erg,--zij zien de sabel
en den paardestaart van den chasseur. Wat beteekent dat en wat moet
dat?--Mijnheer Droi stamelt op zijne manier wat bij elkaar; mijnheer
Droi begint te liegen, en mijnheer Droi liegt verwonderlijk mooi;
jammer maar, dat zij hem niet willen gelooven.
In de kamer en op de gang begint nu een vreeselijk spektakel. De
overste scheldt mijnheer Droi voor deserteur en maraudeur; de adjudant
roept de ordonnansen; de ordonnansen komen van de ééne zijde van
de gang haastig en half gekleed aanloopen, alsof iemand in 't water
gevallen was, en zij hem wilden naspringen zonder hun pantalon nat te
maken;--van den anderen kant rukt mamsel Westphalen met het kamermeisje
en de keukenmeid aan; zij heeft eene groote stallantaarn in de hand,
maar is zeer karig van kleeren voorzien. Zij houdt de hand voor hare
oogen, alsof ze door de stallantaarn geheel verblind wordt, en over
haar schouder heen kijkt het kamermeisje en zegt tot de keukenmeid:
"Wel, heere jeminé! kijk eens Karlien!..." "Schaam je toch!" zegt
mamsel Westphalen, "wat heeft zij te kijken? Wat hebt gij te kijken? En
wat is hier te kijken? Wij zijn hier wegens het onchristelijke leven,
dat hier gehouden wordt terwijl het tijd is van slapen, en omdat de
angstkreten van mijnheer Droi tot ons zijn doorgedrongen. En draait je
nu om!" De beide dienstmeisjes en mamsel Westphalen keeren zich nu om,
en laten de Franschen haren rug zien, en de mamsel zegt: "Mijnheer de
Fransche overste, wat moet dat, wat is dat, en wat beduidt dat? Waarom
laat gij mijnheer Droi niet rustig in mijne kamer slapen? 't Is hier
een christelijk huis en een stil huis, en zoo'n beweging zijn we hier
niet gewend." En zij voegt er half overluid, in zich zelve, bij: "Eén
van dat kanaljepak zal mij toch wel verstaan."--De Fransche overste
beziet zich zelven, zooals hij daar staat, in zijn roode deken, en
mijnheer Droi met de beeremuts op het hoofd, en zijn' spillebeenigen
adjudant, die in zijn ijver al maar rondtrippelt en mamsel Westphalen,
met hare breede achterzijde; en het geheel komt hem zoo kluchtig voor,
dat hij luidkeels begint te lachen, en hij zegt in goed hoogduitsch,
dat zij maar verder zou spreken: hij kon haar goed verstaan, want hij
was een Duitscher, hij was een Westphaler.--"Zoo heet ik ook!" zegt
mamsel Westphalen.--De overste lacht en zegt dat hij niet Westphalen
heet, maar uit Westphalen is; hij heette "Von Toll."--Mamsel Westphalen
maakt eene diepe nijging van achteren en vraagt: "Neem 't mij niet
kwalijk, zijt gij dan soms familie van mijnheer den postmeester en
kastelein Toll, hier in de stad?" "Dat niet!" antwoordde de overste,
doch hij begon koud te worden; hij zeide dus, dat de ordonnansen
bij mijnheer Droi moesten blijven; hij zou zeker een deserteur zijn,
en zij moesten ook onderzoeken waar de Fransche jager gebleven was,
wien de sabel en de helm toebehoorde. Mijnheer Droi begon nu weder te
liegen en mamsel Westphalen schaamde zich in hare ziel over hem. Zij
keerde zich in drift om en zeide: "Foei, mijnheer Droi; die zich op
zijn' ouden dag met slechtigheden inlaat, om gemakkelijk te rusten,
die krijgt een hard kussen onder 't geweten. En, schaam u, mijnheer
Droi! Welk fatsoenlijk manspersoon zet eerst zijne muts op en bekleedt
dan pas zijne beenen!"--Zij keert zich om, en toen zij gewaar werd,
dat het dienstmeisje zich ook had omgekeerd, gaf zij haar een kleinen
stomp in de korte ribben en sprak: "domme deern!"--Daarop maakt zij
nogmaals eene diepe nijging, van achteren, en zegt: "Uwe dienaresse,
mijnheer de overste von Toll!" En zij gaat heen, met de beide
dienstmeisjes.--De anderen gingen ook weg, en weldra werd toen alles
stil, en mijnheer de baljuw vermoedde volstrekt niet, wat er in zijn
huis was voorgevallen, want hij sliep den slaap des rechtvaardigen.