Wat mamsel Westphalen en de horlogemaker te zamen spreken,
en waarom Frederik den Franschman de knoopen van zijn broek
wil snijden en hem naderhand in het Stavenhager bosch te
bed brengt, en waarom Fieken den Koopman van Malchin niet
genomen heeft.
Toen het slotplein ledig was, stapte de horlogemaker met geweer en
sabel in de provisiekamer van mamsel Westphalen, en mamsel Westphalen
droogde hare oogen af, en sprak: "Mijnheer Droi, gij zijt een reddende
engel!"--Zij noemt hem namelijk altijd Droi in plaats van Droz,
daar zij meent, dat Droi zuiverder Fransch is en dat de menschen
het juiste accent niet aan den naam geven.--De reddende engel zet nu
zijn geweer tegen de zeeptobbe, hangt zijn sabel aan den vleeschhaak,
legt zijne beeremuts als deksel op het botervat en gaat zelf op de
aanrechtbank zitten. Hij haalt een geruiten zakdoek uit den zak,
vouwt dien netjes op zijn knie glad en veegt daarmede tweemaal heel
zachtmoedig onder zijn' krommen neus; daarop brengt hij zijne groote
ronde snuifdoos te voorschijn en reikt ze mamsel Westphalen toe,
terwijl hij vraagt: "Plait-il?"--"Ja wel," zeide mamsel Westphalen,
"zeer gaarne, want, mijnheer Droi, ik heb zeer slechte oogen, en
zij zijn sedert verleden najaar nog zwakker geworden; ik had toen de
zenuwkoorts, en de dokters geven er een hoogdravenden naam aan, maar
mijnheer Droi, ik zeg dat het de gewone, miserabele najaarskoorts was,
en daar blijf ik bij." Zoo sprak zij en zette den heer Droi een mooie,
gebraden eend en eene flesch wijn voor, maar van de beste soort van
mijnheer den baljuw, en zij maakte eene dienaresse, als van iemand die
in 't water onderduikt, en zeide ook: "Plait-il?" Nu, den horlogemaker
"plait-il-de" dit zeer en hij werd te moede, alsof hij een werkelijke
engel was en de provisiekamer van mamsel Westphalen, in vergelijking
tegen zijne aardappeltjes met spek er bij, een paradijs; en toen
hij aan de tweede flesch wijn was, redeneerde hij veel van "vin dit
en vin dat" en van "de skoone Suisse."--Middelerwijl was het donker
geworden en Frits Sahlmann komt de provisiekamer in, en zegt: "Nu,
't is eene mooie historie; mijnheer de baljuw loopt blootshoofds in
't stikdonker door den tuin, en redeneert in zich zelven; Frederik,
van den molenaar Voss, staat nu al een uur lang voor de poort en
schelt op de vervloekte patriotten en op den gauwdief Dumouriez, en
de molenaar duwt den Fransoos zijne vuist tegen den mond, en vraagt
waar zijne vier paarden en zijne zes ossen gebleven zijn, die de
Fransozen hem afgenomen hebben, en de Fransoos zit daar en verroert
of beweegt zich niet en zijne oogen rollen door zijn hoofd."--"Frits
Sahlmann," vraagt mamsel Westphalen "verroert hij zich niet?"--"Neen
mammesel."--"Frits Sahlmann, ik weet, dat je somwijlen een wauwelaar
bent; en je menigmaal met onwaarheden ophoudt; ik vraag het je, op
je geweten af: verroert hij zich volstrekt niet?" "Neen, mammesel,
volstrekt niet, in 't geheel niet."--"Nu, mijnheer Droi, ga dan mede,
dan willen wij naar boven gaan en zien wat daar aan de hand is; maar,
neem wat van uw gereedschap om te hakken en te steken mee, en als
gij ziet dat hij mij wil aanvallen, sta mij dan bij. En jij, Frits
Sahlmann, loop naar Frederik van den molenaar, en zeg hem, dat hij de
paarden moet afspannen en binnenkomen, want beter is beter, en wat één
mensch wel tot stand kan brengen, is voor twee nog minder moeilijk."
Frederik komt dan ook binnen en krijgt een stevigen borrel en schudt
zich eens, zooals dat, na een goeden slok, mode is, en de stoet gaat
nu voorwaarts naar de kamer van mijnheer den baljuw; Frederik voorop,
dan mamsel Westphalen, die den horlogemaker onder den arm genomen
heeft, en het laatste, Frits Sahlmann, in de achterhoede.
Als zij de kamer binnenkomen, zit de molenaar aan de tafel en heeft
twee volle glazen vóór zich staan, en hij klinkt met het ééne tegen
't andere, en met het andere tegen 't ééne, en drinkt beurtelings
voor twee, en een glimlach ligt over geheel zijn breed aangezicht
verspreid. Zijne jas heeft hij uitgetrokken, daar hij bij het werk warm
geworden is, en op het hoofd heeft hij den helm van den Franschman
met den langen paardestaart, en over zijn' dikken buik had hij, zoo
goed als 't gaan wilde, de sabel van den Franschman vastgegespt. De
laatstgenoemde ligt, zoo lang hij is, in een hoek der canapé en heeft
de witte, katoenen slaapmuts van mijnheer den baljuw op en diens
chambrecloak, met de roode bloemen, aan, en de ondeugende molenaar
heeft men in plaats van de sabel eene groote penneveer in de hand
gegeven, waarmede hij stilzwijgend in 't rond zwaait, want spreken
kan hij geen woord.
Toen mamsel Westphalen de deur inkwam en den toestand overzag,
zette zij hare beide armen in de zijden, gelijk elke rechtschapene,
oude juffrouw in zulke omstandigheden doet, en vroeg: "Molenaar Voss,
wat moet dit? Wat beduidt dit? En wat beteekent dit?" De molenaar wil
antwoorden, maar hij krijgt het op zijne lachspieren en brengt slechts
met moeite er uit: "Komedie!"--"Wat?" vraagt mamsel Westphalen,--"is
dat een antwoord van een' man, met vrouw en kinderen? Is dat het
respect voor uw opperhoofd, om zoo'n uilenspiegelstreek in zijne;
studeerkamer uit te voeren? Mijnheer Droi, kom mede!" Dit zeggende,
gaat zij op den Franschman af, rukt hem de slaapmuts van het hoofd
en slaat er hem tweemaal meê om de ooren, waarbij zij, tweemaal
de twee woorden uitspreekt: "Jou varken!" Vervolgens keert zij
zich om en roept: "En gij, Frederik! kom eens hier, en help mij
om dien kerel de kamerjapon van den ouden heer uit te trekken! En
gij, mijnheer Droi! want gij zult daar wel verstand van hebben,
neem dien dwazen molenaar die soepterrine van zijn hoofd, en gesp
die sabel los."--Nadat dit alles geschied was, zeide zij: "En jij,
Frits Sahlmann, jou oude babbelaar, jou deugniet!--Jij zult het
hart niet hebben, om aan mijnheer den baljuw te vertellen wat er
met zijne commoditeiten hier gepasseerd is, want hij laat ze anders
verbranden; en wat kan zijne kamerjapon of zijne slaapmuts het helpen,
dat de menschen zich als kwajongens aanstellen."--Daarbij ziet zij den
ouden, grijnzenden molenaar scherp aan, doet de kurk op de wijnflesch,
zet hare armen weder in de zijden en vraagt: "Wat nu?"--
"Ik weet het," zegt Frederik; hij haalt zijn zakmes voor den dag,
doet het open, gaat naar den Franschman toe, rukt zijne uniform los
en begint daar op eene zeer zonderlinge manier in rond te scharrelen.
"Heer in den hemel, Frederik!" roept mamsel Westphalen uit, en
springt er tusschen in; "zijt gij bezeten? Ge zult hier toch geen
moord begaan?"--"Diable," zegt mijnheer Droi, en trekt den arm van
Frederik terug, en Frits Sahlmann, de onverstandige bengel, rukt
het venster open en schreeuwt: "Mijnheer de baljuw, mijnheer de
baljuw! Nu gaat het er op los!"--Klets! krijgt hij een klap op zijn
mond, die hem heel bekend voorkwam, daar hij dagelijks van die soort
van mamsel Westphalen wel een stuk of drie ontving; dat wil zeggen,
zoo bij benadering berekend, want geteld werden ze niet.
Frederik bleef echter heel bedaard staan en vroeg: "Hoe zóó dan? Wat
meent gij? Ik wil hem eenvoudig de knoopen van zijne broek afsnijden;
dat hebben wij altijd zoo gedaan, als wij er een stuk of wat gevangen
hadden, toen ik nog tegen de vervloekte patriotten in Holland diende;
en tegen den gauwdief "Dumouriez", onder den hertog van Brunswijk,
na anno 90." En hij richt het woord tot mamsel Westphalen, zeggende:
"Want, mamselletje, dan kunnen ze niet wegloopen, dan zakt hun de
broek op hun knieën."
"Schaam je wat, Frederik, om mij zoo iets te zeggen! Wat heb ik met de
broek en de knieën van den Franschman te maken? En van zoo'n aanblik
wil ik hier niets weten, en geen mensch zal zeggen, dat hier in de
studeerkamer van Mijnheer den baljuw zoo iets onfatsoenlijks te zien
is geweest. Neen, we willen liever overleggen, waar wij met den kerel
zullen blijven."
Toen dringt de molenaar Voss naar voren en wil zich op de borst slaan,
maar hij slaat meer naar beneden op de maag en zegt: "Blijven? Wat
blijven? Waar ik blijf, blijft hij ook; wij hebben samen broederschap
gedronken, en hij is een echte Franschman, en ik ben een echte
Mekklenburger, en wie daarvan wat weten wil, die kome maar hier!" En
hij kijkt hen allen beurtelings aan, en toen niemand iets daarop
antwoordde, klopte hij den Franschman op den schouder, zeggende;
"Broeder, ik neem je meê."--"Dat is ook het beste," zegt mamsel
Westphalen, "dan zijn wij hem kwijt. Mijnheer Droi, vat eens aan!"--En
de één van de "grande nation" pakte den ander van de "grande nation"
aan de beenen, en Frederik vatte hem boven aan het hoofd;--Frits
Sahlmann droeg het licht, mamsel Westphalen kommandeerde het geheel,
en de molenaar kwam, een' kleinen boog beschrijvende, achteraan.
"Zie zoo," zegt Frederik, "nu maar achterin, in den wagen!--Zoo,
lig daar nu maar stil!--Frits Sahlmann, span jij de paarden eens
in! En gij, mijnheer Droi, help mij, om er den molenaar op te krijgen;
maar pas goed op, dat hij de balans niet verliest, want ik ken hem,
dan tuimelt hij omver."
Zoodra nu de molenaar, zit, vraagt Frederik: "Wel, is alles aan
boord?"--"Alles aan boord!" zegt mamsel Westphalen.--"Nu, dan
maar ju!" zegt Frederik. Doch, nauwelijks is hij een paar schreden
voortgereden, of de horlogemaker roept: "Alt! alt, Frederik!--Gij
hebt vergisteren dat kameraad zijn cheval; dat staan in de logis
voor de kleine poules!"--"Ja," zegt Frits Sahlmann, "'t staat in
't kippenhok." "Nu, haal het dan," antwoordt Frederik, "en bind het
van achteren maar aan den wagen."
Dit gebeurt dan ook, en terwijl zij nog daarmede bezig zijn, komt
de oude baljuw van zijne wandeling in den tuin terug en vraagt, wat
hier te doen is. "Niemendal," zegt mamsel Westphalen. "De molenaar
Voss heeft den Franschman maar uitgenoodigd, om meê te rijden en van
nacht op den molen te Gielow te blijven."--"Dat is eene andere zaak,"
zegt de oude heer.--"Adjuus, vrind Voss! Ik zal 't niet vergeten." De
molenaar bromt zoo wat in zijn baard van heel mooi, vruchtbaar weder,
en mamsel Westphalen fluistert Frits Sahlmann toe, dat hij vooruit
moest loopen, en de sabel en den paardestaart van den Franschman uit de
kamer van zijn meester gaan halen, dat hij die niet in 't oog kreeg:
"Breng alles maar naar mijne kamer," zeide zij, "en leg 't achter
mijn bed."
Frederik klapt nu met de zweep over de paarden en draaft den berg
van het slot af, de Malchiner straat in, en hij zegt bij zich zelven:
"Dit is het proefstuk: als de molenaar bij dezen weg en met zulk hard
rijden op den zak blijft zitten, dan komt hij van avond ook alleen
van den wagen af." Maar toen hij een eindje verder was en omkeek,
lag de molenaar tusschen den voorsten en den achtersten zak in,
en Frederik zeide: "Zonder hulp komt die niet weêr beneden." En hij
haalde een paar zakken voor den dag en dekte hem die over 't lijf,
opdat hij geen kou zou vatten.
Nu reed hij voort, en de paarden gleden stapvoets door den diepen
weg, en in den duisteren avond, en allerlei gedachten kwamen bij
Frederik op. Vooreerst viel hem in, wat de molenaarsvrouw vroeger
eens gezegd had, toen de molenaar alleen zóó was aangekomen, en wat
ze nu wel zeggen zou, als hij met nog een er bij, zoo thuis kwam;
en wat molenaar's Fieken er wel van zeggen zou; en hij schudde met
het hoofd en zeide: "Goed loopt het zeker niet af."--En ten tweede
viel hem in, dat het ook om dezen tijd van het jaar geweest was en in
zoo'n duisternis, toen hij voor zeven en een half jaar van de Pruisen
uit Prenzlau gedeserteerd was, en dat hij ook toenmaals, totdat hij in
't Stavenhager rechtsgebied was doorgedrongen, onder den blooten hemel
had gelegen en zich met doornstruiken had toegedekt.--En, ten derde,
viel hem in,--en toen dat hem inviel, knarste hij op de tanden,--hoe
hij met den hertog van Brunswijk in Frankrijk geweest was; niets aan
het lijf, niets in het lijf, als den rooden loop, en hoe de Franschen
hem gejaagd en gesard hadden, en hoe zoo velen zijner kameraden op den
landweg waren blijven liggen, en ook zijn besten vriend, Christiaan
Kräuger, en dat het volk geen medelijden had. "En de beide mooie
bruinen," sprak hij bij zich zelven, "hebben ze mij ook afgenomen,
en ik moet nu rijden met twee oude half kreupele knollen; en die
moeten zich hier nog in dien diepen weg, met zoo'n karnalje vogel
van een maraudeur aftobben, die niet eens een fatsoenlijk militair
is?--Vervloekte patriotten!--Gauwdief.--Dumouriez!"--Dat waren zijne
eenige vloeken als hij boos was.--"Ho! ho!" riep hij en sprong van
den wagen af, en ging achterom en maakte den klinkhaak los van 't
achterdeel van den wagen;--daarop pakte hij den Franschman bij de
beenen; trok hem halverwege uit den wagen, bukte er met zijn schouder
onder en droeg hem over een sloot naar het Stavenhager bosch waar hij
hem onder een beuk nederlegde.--"Ja" zegt hij, toen de Franschman zich
daar een weinig begon te bewegen, "dat is je zeker een beetje vochtig,
maar je bent van binnen vochtig, waarom dan ook niet van buiten?" En
hij zag naar boven, naar de lucht, en sprak: "Voor in 't laatst van
Februari is 't een mooie, warme nacht, en als ook de koekoek juist
niet zingt, zoo heb ik hem toch verleden zomer in dezen beuk hooren
zingen, en,--zoo God wil, zingt hij hier van 't jaar weder."--En toen
de Franschman min of meer rilde, alsof hij het koud had, sprak hij:
"Niet waar, broertje! 't is een beetje koel en 'k zou je hier nu mooi
kunnen toedekken met een geducht pak slagen en daar zou geen haan naar
kraaien; maar ik wil je toonen, dat ik een christelijk hart heb." Dit
zeggende, gaat hij naar den wagen, haalt een paar armen vol stroo en
werpt dat over hem heen, met de woorden: "Nu, adjuus! Meênemen doe
'k je niet; waarom zouden de molenaarsvrouw en Fieken zich over je
ergeren?" Hij klimt nu weêr op den wagen en rijdt zachtkens naar huis.
Niet ver van den molen maakt hij den molenaar wakker, spreekt hem
moed in en zegt: "Molenaar! ga rechtop op den zak zitten, ik help er
u straks af." De molenaar richt zich op en zegt: "Ik bedank u wel,
mijnheer de baljuw!" En hij keek verwilderd rond, waar hij was, en
vroeg, wat dat voor een paard was, dat achter den wagen hing, en toen
hij een weinig tot bezinning gekomen was, voelde hij naar beneden,
achter in den wagen en vroeg: "Frederik, waar is de Fransoos?"--"Ja,
waar is die!" zeide Frederik en hij hield voor de huisdeur stil en
sprong van den wagen en hielp er den molenaar af, eer de vrouwen
met licht kwamen. Zijn meester kwam met moeite de deel op en de
molenaarsvrouw liep hem te gemoet en vroeg: "Wel, vader, hoe is 't
afgeloopen?"--De molenaar sukkelt over den drempel van de deur de
kamer binnen, legt zijn hoed en handschoenen op de tafel en gaat een
paar keeren in de kamer op en neêr: waarbij hij de reet zeer strak in
't oog houdt, en zegt: "Dat is een zware gang!"--"Dat zie ik," zegt
de molenaarsvrouw.--Fieken zat aan de tafel en naaide linnengoed.--En
de molenaar ging weder trotsch heen en weer en vroeg: "Ziet gij niets
aan mij?"--"Genoeg," antwoordde zijne vrouw. "Ge hebt weêr bij den
bakker Witt gezeten en hebt je zorgelijke omstandigheden vergeten en
je vrouw en kinderen, en zijt aan 't drinken geweest."--"Zoo? Denkt
ge dat? Laat mij je dan zeggen, dat de verstandigste mensch zich kan
vergissen. Neen! ik heb met mijnheer den baljuw en den burgemeester
en een Franschen generaal, of zoo iets, broederschap gedronken,
en de baljuw heeft mij gezegd, dat hij er met dank aan zou denken,
want dit was voor 't vaderland. En, Fieken, jou zeg ik, gooi je niet
weg! Dat heb je niet noodig!--De koopman van Malchin had je voor mijn
part kunnen trouwen; maar dat wou je immers niet!"
Fieken keek, zoo wat half van haar werk op en zeide: "Vader laat dat
toch rusten, ten minste van avond!"--"Best, lief dochtertje! Je hebt
gelijk, kindlief! Zie gij zijt immers mijn eenig kind, want, waar is
Karel en waar is Jochem? Ach, goede God!--Maar, dat zeg ik je: gooi
je niet weg! en verder zeg ik niets.--En onze geldzaak, moeder?--Wat
zegt de oude baljuw?--Vrind Voss, zegt hij, ik zal er in dank aan
gedenken.--En dan de Fransoos! Moeder, de Fransoos!--Waar, duivel, is
de Fransoos! Hij lag toch achter in den wagen; dat moet Frederik toch
weten." Hij rukt het venster open en roept: "Frederik! Frederik! hoort
ge dan niet?"
Frederik hoorde hem heel goed, maar hij pinkte eens met het oog
en zeide: "Ja, schreeuw maar! Wat zal ik daar veel van zeggen? de
molenaarsvrouw kan er zelve genoeg van zien; ik zal mijne handen niet
branden." Daarop bond hij het paard van den Franschman aan de ruif en
nam er den zadel af, en toen hij er den mantelzak afnam, zeide hij:
"Verduiveld was is die zwaar!" en legde hem in zijne haverkist, schudde
het laatste voeder voor zijne paarden uit, en ging naar bed en sliep,
alsof er niets bijzonders was voorgevallen.
Toen de molenaar nu wilde beginnen te schelden, omdat Frederik
niet kwam, zeide zijne lieve vrouw, "Vader, laat hem maar blijven;
ge zijt moê, ge hebt den heelen dag op den wagen rondgesukkeld, en
zwaar gewerkt;--ga naar bed; Fieken zal je een beetje bier warm maken,
dat de nachtlucht je geen kwaad doet."--"Moedertje," antwoordde hij,
"ge hebt altijd gelijk, ik heb mij vreeselijk afgetobd, want geldzaken
grijpen een mensch steeds zeer aan. Nu, de mijnen zijn in orde,
zoo goed als in orde, want mijnheer de baljuw zeide: Vrind Voss,
ik zal er in dank aan denken. En morgen bij tijds moet ik weêr naar
Stemhagen." Daarop ging hij in het slaapvertrek, legde zich neder,
en dadelijk sliep hij in.
De moeder en Fieken zaten nog een tijd lang op; Fieken was in gedachten
verdiept en naaide onophoudelijk door.--"Ja," zegt de moeder eindelijk:
"Fieken, gij zijt vlijtig, en ik leg mijne handen ook niet in den
schoot, en je vader heeft zijn leven lang gewerkt en gedaan, wat hij
kon; maar wat helpt dat alles? De slechte tijden brengen er ons onder,
en wat de Franschen ons hebben laten houden, dat nemen de avekaten en
de joden ons af; overmorgen moeten we vijfhonderd daalders aan Itzig
betalen, en wij hebben geen schelling." "Vader doet toch net alsof
alles in orde is."--"Stoor je van avond aan hem niet; avondpraat
en morgenpraat kunnen verschillen; maar in ééne zaak heeft hij
van avond gelijk gehad; hadt je den koopman van Malchin toch maar
genomen."--"Moedertje," zegt Fieken, terwijl zij hare hand zachtkens
op die harer moeder legde, en haar kalm in de oogen zag: "Moedertje,
dat was de rechte niet."--"Mijn dochtertje, zoo geheel naar hare volle
keus trouwen tegenwoordig weinigen op de wereld; daar mankeert al
licht zoo wat aan. Kijk! de koopman krijgt eene goede broodwinning,
en als je vader en ik wisten, dat jij goed geborgen waart, dat zou
ons een pak van 't hart wezen."
"Moeder, moeder, spreek zóó niet! Ik zou u verlaten, als gij
en vader in nood waart? En dat dan nog wel op eene oneerlijke
wijze?"--"Oneerlijk, Fieken?"--"Ja, oneerlijk, moederlief!" zeide
Fieken en 't was haar aan te zien, dat het haar hinderde, "want toen
de koopman om mijne hand vroeg, dacht hij, dat er bij ons veel te halen
was, en daarom woû hij mij hebben; maar ik woû hem niet bedriegen; want
al hebt gij en vader het mij, uit goedheid, niet gezegd, hoe 't met ons
gesteld is, en dat wij arme menschen zijn geworden, zoo heb ik dat toch
al lang gemerkt. Nu weten de menschen 't al zoo tamelijk, en als er nu
een komt, die mij hebben wil, dan wil hij mij hebben en niet het geld,
en dan is 't immers mogelijk, dat hij de rechte is." Dit zeggende stond
zij op, pakte haar naaiwerk bij elkaâr en kuste hare moeder. "Goeden
nacht moederlief!" sprak zij, en zij ging naar hare slaapkamer.--De
molenaarsvrouw zat nog een poos in gedachten verzonken en zuchtte:
"Gelijk heeft ze, en de goede God moge alles nog ten goede besturen!"
Zij ging ook te bed, en alles lag in diepe rust; slechts de molen
draaide zonder rust of duur voort en klapperde en joeg, en de wieken
grepen links en rechts in wilde haast, gelijk een mensch die in grooten
nood verkeert en die zich inspant en zwoegt, om bevrijd te worden uit
het stof van het dagelijksche bedrijf; en van het molenrad druppelde
het water af, alsof het bittere zweetdroppelen waren,--en diep onder in
den grond, daar ruischte de beek met dezelfde taal en met denzelfden
zang: "het helpt u niet, het helpt u niet; ik ben uw hart; zoo lang
ik vliet, met golf op golf, met wensch op wensch, zoo lang hebt gij
geen rust; maar, als de oogsttijd komt, en het koren rijpt, dan zal
mijn stroom zachter vlieten, dan maakt de molenaar de valdeur toe,
dan staat alles stil, en dan is 't zondag."