EERSTE HOOFDSTUK.

Waarom de molenaar Voss geen bankroet kan maken, en hoe hij

mijnheer den baljuw in grooten nood bijstaat.

Gedoopt ben ik, en ik heb ook peetooms gehad, vier stuks. En als

mijne vier peetooms nog leefden en met mij over de straat gingen,

dan zouden de menschen stil blijven staan en zeggen: "Kijk, wat

zijn dat stevige kerels! Naar zoo'n soort kan men tegenwoordig lang

zoeken; dat zijn nog degelijke peetooms!" En één was er onder hen,

die was een hoofd langer dan de anderen en stak boven hen uit,

zooals Saul boven zijne broeders; dat was de oude baljuw Weber. Hij

had een netten blauwen rok aan, en eene geelachtige broek en hooge

glimmend gepoetste laarzen. En al was zijn aangezicht ook van de pokken

geschonden, zoodat hij er uitzag, alsof hij met zijn gezicht op een'

manden stoel had gezeten,--op zijn hoog voorhoofd stond geschreven,

en ook uit zijne blauwe oogen kon men 't lezen: "Geen menschenvrees,

maar wel vrees voor God!" En hij was een kerel van stavast.

's Morgens tegen elf uren zat hij midden in de kamer op een stoel, en

zijne lieve vrouw bond hem dan een' witten, ouden mantel om den hals,

wat ze toen een purgeermantel noemden, en bepoederde hem en bond zijn

haar van achteren bij elkander en draaide er een net staartje van.

Dat was nu juist niets bijzonders, en onze vrouwen draaien ons achter

onzen rug ook nog dikwijls een aardig staartje;--maar zóó een,

als de vrouw van den baljuw draaide, dat krijgt het tegenwoordige

geslacht niet meer gedaan. Want, als de oude heer 's middags, onder

de kastanjeboomen, in de schaduw ging wandelen, dan keek het aardige

kleine ondeugende staartje zoo fideel en kittig boven den kraag

van den blauwen rok uit en 't zeide tot elk, die het hooren wilde:

"Ja, kijk maar goed! Wat denkt ge wel? Ik ben maar 't uiterste puntje

van zijn hoofd en ik wip al zoo vroolijk de wereld in, nu kunt ge u

voorstellen, hoe vroolijk 't er van binnen uitziet."

Wanneer ik soms eene boodschap van mijn' vader te bezorgen had, en

het er goed had uitgekregen, dan tikte hij mij op het hoofd en zeide:

"Fiks, jongen! als een geweerslot! Dat moet niet lang haken en knarsen

en kraken; als je 't afdrukt, moeten er de vonken ook uitspringen.--Ga

nu naar mamsel Westphalen en laat die je een appel geven." Tot mijn

vader zeide hij dan: "Kindlief! gij zijt zeker ook blij, dat ge een'

jongen hebt. Jongens zijn beter dan meisjes; meisjes zijn mij te

teemachtig. Goddank, ik heb ook een' jongen; ik meen mijn' Jochem."

Mijn vader zeide tot mijne moeder: "Weet ge, wat de oude baljuw

zegt? Jongens zijn beter dan meisjes." Ik stond in de kamer en hoorde

dat, en zeide natuurlijk: "Ja wel," zeide ik, "mijn peetoom heeft

altijd gelijk; jongens zijn beter dan meisjes, en alles moet gaan naar

verdienste en waardigheid." En ik nam het grootste stuk ketelkoek en

gaf mijne zuster het kleinste, en ik had niet weinig verbeelding van

mij zelven, want ik wist nu immers, dat ik een groot stuk van een'

kleinen appel was.--Maar dat zou niet zoo blijven; de zaak nam eene

andere wending.

Op zekeren dag,--'t was in den tijd, toen dat gemeene gespuis,

die Franschen, uit Rusland terug gekomen waren, en toen er bij ons

al wat beweging begon te komen,--klopte iemand aan de kamer van

mijnheer den Baljuw. "Binnen!" riep de oude heer en binnen kwam de

oude molenaar Voss uit Gielow, met den verkeerden kant het eerst,

en hij maakte eene buiging, die drommelsch scheef uitviel, alsof

hij den baljuw, vóór alle dingen, eerst moest laten zien, van welke

soort van goed het kruis van zijne broek gemaakt was. "Goeden dag,

mijnheer de baljuw!" zeide hij. "Goeden morgen, molenaar!" zeide de

oude heer.--Nu, al gebruikten zij ook verschillende tijden van den dag

bij hun groeten, ze hadden toch beiden, ieder op zijne manier, gelijk:

want de molenaar stond 's morgens klokke vier op, en bij hem was 't

na den middag, en bij den baljuw was 't vroeg in den morgen, want hij

stond te elf uren op. "Wat wil je, molenaar?"--Want de molenaars werden

toen nog jij en jou genoemd.--"Wel, mijnheer de baljuw, ik kom tot u

wegens eene zaak van belang.--Ik woû u maar kennis geven, dat ik nu

ook bankroet wou gaan."--"Wat wou je, vriendlief?"--"Bankroet gaan,

heer baljuw."--"Hm, hm!" bromde de oude heer, "dat is immers eene

desperate zaak." En hij krabt zijn hoofd en gaat in de kamer op en

neder. "Hoe lang woon je al in 't Stemhager [4] rechtsgebied?"--"Dat

wordt met toekomenden Sint-Jan drie en dertig jaar."--"Hm, hm,"

bromt de baljuw verder, "en hoe oud ben je, molenaar?"--"Met den

erwtenoogst word ik vijf en zestig jaar; 't kan ook mogelijk wezen,

dat het zes en zestig is; want onze oude domeneer Hammersmid,

die was niet zeer voor de kerkboeken en de domeneersjuffrouw, die

't schrijfwerk overnam, liet dat altijd een jaar of drie oploopen,

omdat dan de schrijverij eerst de moeite waard was, en dan ging zij

eens op een namiddag door het dorp en schreef de kinderen op:--maar

dat ging dan altijd meer naar de lengte en naar de dikte, dan naar

den ouderdom, en mijne moeder zei altijd, dat zij mij een jaar te

kort gedaan had, omdat ik een achterlijk kind was. Maar, van vijf

en zestig behoef ik mij niets te laten afnemen, daar ben ik wis en

zeker van."--De oude baljuw heeft ondertusschen op en neêr loopende

met een half oor geluisterd en staat nu voor den molenaar stil, kijkt

hem scherp in de oogen en zegt barsch: "Molenaar Voss, dan ben je

veel te oud voor je plan."--"Hoezoo dat?" vraagt de molenaar geheel

ontsteld."--"Bankroet maken is eene moeielijke zaak; dat krijg jij

op jou jaren niet meer gedaan."--"Denkt gij dat, heer baljuw?"--"Ja,

dat denk ik. Wij zijn daarvoor beiden te oud, dat moeten we aan

jongelieden overlaten.--Denk eens na, wat zouden de menschen zeggen,

als ik bankroet woû maken? Ze zouden zeggen: de oude baljuw op het

slot is gek geworden," en hij legde hem vertrouwelijk de hand op zijn

schouder, "en zij zouden gelijk hebben, vrind Voss! Nu, wat dan?"--De

molenaar kijkt naar de punten zijner laarzen en krabt achter zijne

ooren: "De waarheid is 't, mijnheer!"--"Wel," vraagt de oude heer,

en hij schudt den molenaar zoo'n beetje aan de schouders: "Waar drukt

de schoen je dan? Wat kwelt je dan voornamelijk?"--"Kwellen? zegt gij,

mijnheer de baljuw!" riep de molenaar uit, en 't was, als had hem eene

bij achter 't oor gestoken, zóó krabde hij: "Villen, mijnheer, moet

gij zeggen, villen!--De jood! de vervloekte jood! En dan de prinses,

mijnheer de baljuw! de vervloekte prinses!"--"Zie je wel, molenaar? dat

is ook een hansworstestreek van je, dat je, op jou jaren, je met een

proces ophoudt."--"Och, mijnheer, toen ik dat begon, was ik nog in de

goede jaren, en ik dacht ook, dat ik 't nog bij mijn leven zou klaar

krijgen; maar ik merk wel, dat zoo'n prinses één langeren adem heeft,

dan een eerlijke molenaarslong kan uithouden."--"'t Loopt nu toch,

als ik het wel heb, haast ten einde."--"Ja, mijnheer de baljuw! maar

dan loopt het mij dood, want mijne zaak zal wel slecht staan, en de

avekaten hebben ze verbroddeld, en de zoon van mijn vaders broeder,

den ouden Jochem Voss, de jongen, die nu alles erven zal, dat moet

een listige knaap zijn, en de menschen zeggen immers, dat hij er op

gezworen heeft, mij van het goed van Borchert te Malchin af te zullen

smijten.--En, mijnheer de baljuw! ik heb toch eene rechtvaardige

zaak voor, en hoe ik aan een prinses gekomen ben, dat weet ik op

't oogenblik nog niet, want de oude vrouw Borchert, toen zij nog

leefde, was de tante van de dochter van de zuster van mijne moeder,

en Jochem Voss, die mijn neef was..."--"Ik weet het geval," sprak

mijnheer de baljuw, "en, als ik je een raad mag geven, tracht dan tot

eene schikking te komen."--"Dat kan ik niet, mijnheer! Onder de helft

doet Jochem's lummel het niet, en als ik die betalen moet, dan ben

ik een bedelaar.--Neen, mijnheer de baljuw, 't mag gaan zoo 't wil,

toegeven doe ik niet, dan zoek ik het tot bij den hertog.--Zoo'n

lummel, zoo'n kwast, die met zijn vaders geld in den zak kan gaan

en trekken, waarheen hij wil, en den toestand niet begrijpt van een

mensch, die een huisgezin moet onderhouden in deze slechte tijden;

hij, wien de verdoemde schurken, de Fransozen, zijn vee niet hebben

afgenomen en zijne paarden niet uit den stal gehaald en zijn huis niet

geplunderd hebben, die wil zich op mij wreken?--Mijnheer de baljuw,

gij vergunt mij wel, dat ik niet buig voor zoo'n bengel, en neem 't

mij niet kwalijk, als ik onbescheiden ben."--"Molenaar Voss," zegt de

oude heer, "wees bedaard, molenaar Voss! Het proces komt immers ook

eens ten einde! want het is in vollen gang."--"In gang, mijnheer de

baljuw? Neen, 't is in den zwaai, zooals de duivel zei, toen hij den

bijbel aan de zweep gebonden had en om zijn kop rondslingerde."--"'t

Is waar, vrind Voss, 't is waar! Maar dit kan u intusschen op 't

oogenblik toch niet zoo drukken."--"Drukken?--Zeg liever klemmen,

mijnheer!--klemmen, dat een mensch het bloed onder de nagels

uitkomt.--Die jood, mijnheer de baljuw, die driemaal overgehaalde

jood!"--"Welke jood is dat?" vraagt de baljuw. En de molenaar draait

zijn' hoed in zijne hand rond, en hij ziet zoo halverwege om, of hem

ook iemand hoort en gaat zóó met slependen tred dichter naar den ouden

heer toe, legt de hand aan zijn' mond en fluistert half overluid:

"'t Is Itzig, mijnheer de baljuw." "Foei!" zegt de oude heer,

"hoe komt gij aan dien kerel?"--"Mijnheer de baljuw, hoe komt de

ezel aan zijne lange ooren? Sommigen gaan om aardbeien te plukken en

bezeeren zich aan een' brandnetel, en de koster van Gagelow meende,

dat hij zijn kruiwagen vol heilige engelen had, en toen hij boven

op den berg kwam, en dacht, dat ze nu zouden gaan vliegen, toen

zat er het grootje van den duivel in, en grijnsde hem aan, en zei:

"Vader, wij spreken elkaâr wel nader!"--In mijn grootsten nood, toen

de vijand mij alles afgenomen had, heb ik twee honderd daalders

van hem geleend, en nu heb ik sinds twee jaar van termijn tot

termijn altijd moeten onderteekenen, en de schuld is opgeloopen tot

vijfhonderd daalders, en overmorgen moet ik ze betalen.--"Molenaar,

heb je dat onderteekend?"--"Ja, mijnheer de baljuw."--"Dan moet je

't ook betalen. Wat geschreven is, is geschreven." "Wel, mijnheer

de baljuw, ik dacht...."--"'t Helpt je niets: wat geschreven is,

is geschreven."--"Maar, de jood...."--"Molenaar, wat geschreven is,

is geschreven."--"Ja maar, mijnheer de baljuw, wat moet ik dan daaraan

doen."--De oude heer ging in de kamer rond en wreef zich het hoofd en

zag den molenaar dan weder zoo recht ernstig aan, en de molenaar keek

hem weder evenzoo aan, en eindelijk zeide hij: "Molenaar, jongelieden

kunnen zich uit zulke ongelegenheden beter helpen dan oude; stuur één

van je jongens eens bij mij."--De oude molenaar keek weder naar de

punten van zijne laarzen en keerde zich zoo wat half om. Toen zeide

hij met een stem, die den ouden baljuw door merg en been ging: "Och,

mijnheer, wien zal ik sturen? Mijn Jochem heeft zich dood gemalen,

en Karel hebben de Franschen verleden jaar meêgenomen naar Rusland,

en hij is niet teruggekomen."--"Molenaar," zegt de oude baljuw, en

hij strijkt den ouden molenaar hierbij langs zijn rug: "Heb je dan

in 't geheel geen kinderen?"--"Ja, mijnheer de baljuw," zegt hij,

terwijl hij zijne oogen afwischt, "nog zoo'n klein deerntje."--"Ja,"

antwoordt de oude heer, "vrind Voss, ik heb het niet erg op de meisjes;

meisjes zijn mij te teemachtig."--"Dat zijn ze, mijnheer! ze zijn

teemachtig!" "En in zulke omstandigheden kunnen zij je niets helpen,

molenaar!"--"Wat zal er dan van mijne zaak worden?"--"Executie, oude

vriend; de jood zal alles wat je hebt, laten wegdragen."--"Nu, mijnheer

de baljuw, dat heeft de Fransoos al tweemaal gedaan, dan kan de jood

't nou ook eens probeeren. De molensteenen zal hij wel laten liggen. En

om bankroet te maken, denkt gij, dat ik te oud ben?"--"Ja, mijn goede

vrind."--"Nu adjuus dan, mijnheer de baljuw." Daarop ging hij heen.

De oude heer blijft nog eene poos staan en ziet den molenaar na,

terwijl hij het slotplein overgaat, en hij zegt bij zich zelven:

"'t Is eene harde zaak voor den éénen ouden man, om den anderen

zoo van lieverlede door de slechte tijden en door de nog slechtere

menschen te gronde te zien gaan. Maar wie kan hem helpen? Het eenige

is, hem tijd te laten winnen.--Vijfhonderd daalders!--Wie heeft

tegenwoordig vijfhonderd daalders? Ik geloof, als ik den ouden

Roggeboom, te Scharpzow, niet medereken, dat ik dan het gansche

Stemhager rechtsgebied wel 't onderste boven zou kunnen keeren en

de stad er bij, en dan kwamen er nog geen vijfhonderd daalders uit;

en Roggeboom doet het niet. Met paschen zou 't mogelijk gaan, maar

zoo lang zal de jood niet wachten. Ja, ja! Voor oude lieden is 't

een slechte tijd!"

Terwijl hij nog zoo uit het venster ziet, wordt het buiten, op

het plein, zeer levendig, en Fransche jagers rijden de poort in,

en de een stijgt van zijn paard en bindt het aan de klink van mamsel

Westphalen's kippenhok en gaat terstond daarop naar binnen, naar de

kamer van den ouden heer, en begint hem daar wat voor te sakkerbleuen

en met de armen te zwaaien, terwijl de oude heer heel bedaard blijft

staan en hem aankijkt.--Toen dit echter erger werd en de Franschman de

blanke sabel uithaalde, ging de baljuw naar de schel en riep om Frits

Sahlmann, die zijn calefactor was en de loopende zaken moest bezorgen,

en zeide: "Frits, loop eens naar den burgemeester en vraag, of hij niet

eens gauw bij mij zou willen komen, want dat ik weêr uitgepraat ben."

Frits Sahlmann komt nu bij mijn' vader en zegt: "Mijnheer de

burgemeester, kom toch eens gauw meê naar 't slot; 't loopt anders

van mijn leven niet goed af!"--"Wat is er dan te doen?" vraagt mijn

oude.--"Op het slotplein houden zes entfaamte Fransche gauwdieven

stil, en die de overste van hen is, die is binnen bij den ouden

heer en heeft alle respect vergeten en de blanke sabel getrokken

en zwaait hem daarmeê voor de oogen en de oude heer staat vóór hem,

recht overeind en hij verroert of beweegt zich niet, want hij verstaat

net zooveel van 't Fransch, als een koe van den zondag."--

"Wel duivels!" zegt mijn vader en hij springt op, want hij was een

stevig, flink man; en vrees had hij niet zoo veel, als het zwarte

onder den nagel,--en hij liep naar het slot.

Toen mijn vader binnenkwam bij mijnheer den baljuw, maakte de

Franschman daar een spektakel, als een wild gedierte, en uit zijn

mondwerk bruiste het alsof de tap uit een vat gehaald was. De oude heer

staat echter heel bedaard en heeft zijn "dictionnaire de poche" in de

hand: en als hij een woord van den Franschman half en half verstaat,

dan slaat hij eens na, wat de dictionnaire er van zegt. En toen nu

mijn vader naderkwam, vroeg hij hem: "Zeg, kindlief, wat wil die

kerel?--Vraag dien kerel toch eens, wat hij wil."--"Mijn vader begint

dus met den Fransoos te spreken, maar die stelt zich zoo onbeschoft

aan, en scheldt en tiert zoo geweldig, dat de oude baljuw wederom

vraagt: "Kindlief! waarom gaat die kerel toch zóó te werk?"--Nu,

eindelijk krijgt mijn oude den Franschman toch zoo ver, dat hij met

zijne zaak voor den dag komt. En toen hij nu den ouden heer mededeelde,

dat de Franschman vijftien vette ossen, een last tarwe en zeven honderd

el groen laken, en honderd louis d'or verlangde, en verder voor zich

en zijne manschappen nog veel "du vin,"--toen zeide de oude baljuw:

"Kindlief, zeg eens aan dien kerel, dat wij hem braaf......"--"Houd

op!" roept mijn vader uit.--"Mijnheer de baljuw! Spreek dat woord

niet uit; dat zal hij in den laatsten tijd al op menige plek gehoord

hebben, en hij zou 't mogelijk kunnen verstaan. Neen, ik zou u

raden, hem "du vin" te geven; dan zal hij 't andere denkelijk wel

vergeten."--En de baljuw geeft hem gelijk en roept Frits Sahlmann,

dat hij aan mamsel Westphalen glazen en wijn zou gaan vragen, maar

niet van den besten wijn.

De wijn komt nu, en mijn vader schenkt den Franschman in, en de

Franschman schenkt mijn vader in, en 't gaat steeds beurt om beurt,

en mijn oude heer zegt: "Mijnheer de baljuw, gij moet er ook aan

gelooven en mij helpen, want dit schijnt een vent, die geen bodem in

't lijf heeft."--"Kindlief," hervat de oude heer, "ik ben een oud

man, en ik ben de eerste hertogelijke ambtenaar in 't Stemhager

rechtsgebied; 't past dus niet voor mij, om met dien kerel te gaan

drinken."--"Nu ja," zegt mijn vader, "maar, nood breekt wetten; en

dit is voor 't vaderland."--De oude baljuw komt er dus bij zitten,

en werkt naar zijne krachten mede. Doch na eene poos zegt mijn vader:

"Mijnheer de baljuw, de kerel wordt ons de baas, 't zou een zegen

van den hemel wezen, als wij op 't oogenblik iemand hadden met eene

goede maag en een sterk hoofd."--En terwijl hij dit zegt, wordt

er aan de deur geklopt. "Binnen!"--"Goeden dag samen!" zegt de oude

molenaar Voss uit Gielow en komt de kamer in. "Goeden dag, mijnheer de

baljuw!"--"Goeden dag, vriend Voss!"--"Wel, mijnheer, ik kom nog eens

over mijne zaak praten."--"Daar hebben we vandaag geen tijd toe,"

zegt de oude heer, "want je ziet wel, in welke omstandigheden wij

ons bevinden." En mijn vader roept: "Mijn lieve Voss, komt gij eens

hier en doe een christelijk werk; ga eens dwars voor dien Franschman

zitten en neem hem eens in 't verhoor, maar scherp."--En de molenaar

Voss ziet mijn vader aan en hij ziet den baljuw aan, en hij denkt er

het zijne van, zooals de kalkoensche haan zei, en bij zich zelven

zegt hij: op zoo'n gerechtsdag ben ik nog nooit geweest;--maar hij

schikt zich gemakkelijk in de zaak.

Mijn vader gaat nu dichter naar mijnheer den baljuw toe en zegt:

"Mijnheer de baljuw, dit is onze man; die zal hem wel klaar krijgen;

ik ken hem."--"Kostelijk," zegt de oude heer: "maar, kindlief,

hoe komen wij met die zes kerels, hier buiten op het slotplein, nog

klaar?"--"Dat is maar zoo'n maraudeurs- en strooperstroep," zegt mijn

oude, "laat mij maar begaan, ik zal hen wel bang maken." En hij roept

Frits Sahlmann en zegt tot hem: "Frits, mijn jongen, ga eens achter uit

door den slottuin, dat niemand je ziet, en loop naar den horlogemaker

Droz, en zeg dat hij oogenblikkelijk zijn uniform moet aantrekken,

met de hooge zwarte slobkousen en de beeremuts, en geweer en sabel;

en dan moet hij door de kleine groene poort den tuin binnensluipen,

tot onder het hoekvenster, en dan moet hij hoesten."

Wat nu den horlogemaker Droz betreft, hij was van geboorte een

Neufchateller; hij had vele potentaten gediend, ook de Franschen,

en later was hij in mijne vaderstad blijven hangen, daar hij er met

eene weduwe getrouwd is. Zijn Fransche uniform had hij bewaard, en

als hij 's avonds, in de schemering niet meer zien kon, om horloges te

repareeren, dan trok hij zijne monteering aan, en liep steeds in zijne

kleine kamer op en neder; maar blootshoofds, want met de beeremuts,

dat ging niet, die schaafde tegen den zolder aan. En dan redeneerde

hij van "la grande nation," en "le grand empereur," en kommandeerde

het gansche bataljon en liet rechts zwenken, en links op den vijand

inhouwen, zoodat vrouw en kinderen achter 't bed wegkropen. Hij was

echter een goed man en deed geen schepsel kwaad, en overdag lag "la

grande nation" in een koffer, en hij repareerde horloges, en poetste

en smeerde die, en hij at Mekklenburgsche aardappelen met de schil

en doopte ze in Mekklenburgsch spekvet.

Terwijl dus nu de horlogemaker zijne slobkousen dichtknoopte, en

zijne beeremuts opzette, zat de molenaar Voss met den Franschman te

zamen, en werkte wat hij kon in den rooden wijn van den baljuw, en

de Franschman klonk met den molenaar, zeggende: "A vous!" en dan nam

de molenaar zijn glas op en zeide: "Praat maar toe!"--en dan klonk de

molenaar weêr met den Franschman, en de Franschman bedankte en zeide:

"Serviteur!" en dan dronk de molenaar ook en zeide: "Zet hem voor de

deur!" En zóó praatten zij samen Fransch en zij dronken.

Zoo werden zij dan steeds vriendschappelijker met elkander: de

Franschman stak de blanke sabel in de scheede, en het duurde niet lang,

of zijn zwarte snorbaard krieuwelde den ouden molenaar onder zijn

stompen neus, en de molenaar gaf er hem een paar in 't aangezicht, van

stavast, want de molenaar had een mondwerk, alsof hij met eene wanschop

opgekweekt was, en elke kus van hem kon ongeveer voor drie gelden.

Juist toen dit gebeurde, werd er onder het hoekvenster gehoest,

en mijn vader sloop de kamer uit en deelde den horlogemaker mede,

wat hij doen moest. Mijnheer de baljuw liep ondertusschen steeds op

en neder en dacht wat de hertogelijke kamer er wel van zeggen zou,

zoo zij dit alles aan kon zien, en hij zeide tot den molenaar: "Vriend

Voss, verlies den moed maar niet; ik zal er je dankbaar voor zijn." En

de molenaar verloor den moed ook niet, maar dronk dapper voort.

De horlogemaker ging intusschen heimelijk weder door den slottuin

terug; doch toen hij op den gewonen weg kwam, die naar het slot leidde,

zette hij een hooge borst en stapte dat het een aard had, want hij was

nu weder "la grande nation," en hij kwam rechtop en deftig de slotpoort

binnen; dat deed hij heel mooi; hij was dan ook van aangezicht en

postuur een knappe kerel. De zes jagers, die bij hunne paarden stonden,

keken op en fluisterden met elkander, en één van hen ging naar hem toe

en vroeg: waarheen? en van waar? Droz zag hem echter heel minachtend

over den schouder aan en antwoordde hem kortaf en barsch in 't Fransch,

dat hij de kwartiermeester was van 't drie en zeventigste regiment,

en dat zou in een half uur uit Malchin hier komen, en hij moest eerst

met "Monsieur le bailli" spreken. Toen begon de jager bang te worden,

en toen Droz een weinig handtastelijk op maraudeurs begon te zinspelen

en vertelde, dat zijn overste er gisteren een paar had laten dood

schieten, toen droop eerst de één, en daarna de ander af, en ofschoon

een paar van hen nog te zamen snaterden en op het slot wezen, van

wege hun' kommandant, zoo had toch niemand hunner rechten tijd tot

wachten, en in een ondeelbaar oogenblik was het slotplein ledig,

en in de Brandenburger poort stonden wij jongens, en keken de zes

Fransche jagers na, hoe zij door den diepen kleiweg wegdraafden, want

het was juist in den mooisten tijd van de toenmalige Mekklenburgsche

landwegen, zoo in 't voorjaar, als 't alles pas ontdooid is.

Twee vroolijke geschiedenissen · 第 4 / 26 题