gekomen, en hoeveel Koning Karel ook aan de Nederlandsche Republiek te
danken had, hij bleef haar levenslang vijandig, en niet lang was hij
aan de Regeering, of hij verklaarde de Republiek den oorlog.
Schitterend werd deze zee-oorlog, vooral door het beleid van onzen
grooten De Ruyter, door de Republiek gevoerd, maar, de Kolonie
»Nieuw-Nederland«, zooals de Nieuw-Amsterdammers hun land noemden,
ging er bij verloren. Koning Karel II, wiens geldmiddelen steeds in
een' berooiden toestand verkeerden, moest zijn' broeder Jacobus,
Hertog van York, toch ook eenige inkomsten geven, en daar hij zelf
geen geld had, zoo gaf hij de Kolonie Nieuw-Nederland aan hem. Door
vier Engelsche fregatten werd deze streek in bezit genomen, en ter
eere van den nieuwen Vorstelijken eigenaar kreeg de stad den naam van
»New-York«. De Hollanders, die hier eigendommen hadden, en niet heel
erg bemoeielijkt werden, bleven er voor het grootste gedeelte wonen,
en nog altijd kan men in New-Yorks adresboek honderden namen vinden,
die of nog geheel Hollandsch zijn, òf tendeele hun' Hollandschen klank
behouden hebben. Hoe die afstammelingen van onze wakkere Voorvaderen
ons gezind zijn, blijkt uit tal van voorbeelden, en waar men nu
gedachtenis viert van Columbus' groote ontdekking, daar blijven de
New-Yorkers niet achter om ook de geschiedenis van hunne stad door den
druk algemeen bekend te maken, en de wijze waarop ze met lof spreken
van de kloeke stichters van deze wereldstad, kan ons tevreden doen
zijn en steekt scherp af bij de oordeelvellingen, die in den vreemde
ons land en volk meestal tendeel vallen. Trouwens van New-Yorks
grootheid en aanzien legden die Oud-Hollandsche familiën--er is geen
Amerikaan, die dat tegenspreekt--den hechten grondslag. Trotsch zijn
ze op hunne Oud-Hollandsche namen, en hoe hunne zeden en gewoonten in
den loop der tijden ook veranderd mogen zijn, zóó zelfs, dat zij geen
woord meer van onze taal verstaan, toch sluiten zij zich gaarne aaneen
om in de groote wereldstad eene vereeniging te vormen, waarin men,
stellig eenmaal in het jaar op het aartsvaderlijke Sinterklaasfeest,
nog eens op zijn Oud-Hollandsch feest viert, en een aanzienlijk aantal
hunner is, uit sympathie voor het geboorteland hunner Vaderen, lid van
de Leidsche »Drie October vereeniging«. Daar onder de leden van die
Vereeniging tal van mannen gevonden worden, die zeer vermogend zijn,
zoo wordt het duidelijk, dat zelfs de Engelsche Amerikanen rekening
houden met de leden van de »Hollandsche Club«.
HOOFDSTUK XIII.
DE EERSTE REPUBLIEK IN AMERIKA.
De omstandigheid, dat onder de Kolonisten van Noord-Amerika zeer velen
waren, die Engeland verlaten hadden om in vrijheid hun' godsdienst te
belijden, heeft in het karakter der Kolonisten eene zeer groote rol
gespeeld. Ze hadden waarlijk niet zoo heel veel redenen om een land te
beminnen, waar voor hen en hun geloof geene plaats was, en steeds
waren ze er op uit om de Regeering van Engeland tegen te streven,
wanneer deze hen ook hier het leven bemoeielijkte. Dat ze er prijs op
stelden om althans hier God naar de inspraak van hun hart vrijelijk te
dienen, is duidelijk, maar even duidelijk is het, dat ze ook prijs
stelden op hetgeen ze met zooveel moeite en kosten hadden tot stand
gebracht. Veel wilden ze dulden, maar ten opzichte van het geloof en
handelszaken waren ze zeer prikkelbaar. Dit bleek helder als de dag in
1642, toen de Engelsche Regeering een algemeen handels-monopolie
eischte, waarop de Kolonisten van Virginië eenvoudig antwoordden, dat
ze niet genegen waren dat handels-monopolie te erkennen, omdat
»vrijheid van handel het bloed en leven is van een' Staat.« Men ziet
uit deze woorden dat de »freetraders«, die heden ten dage nog zoovele
pennen in beweging brengen en zoovele hoofden warm maken, niet van
vandaag of gisteren zijn.
Met zulk een handelsbeginsel en zulk een Republikeinsch streven kon
het den Kolonisten in Noord-Amerika natuurlijk niet welkom zijn, toen
in 1664 de verschillende Koloniën meer rechtstreeks onder den invloed
der Engelsche Regeering kwamen. Wel toonde deze laatste aanvankelijk
het zoo heel kwaad niet te meenen. Zij trachtte door schenkingen en
giftbrieven van allerlei aard aan de Koloniën eene soort van
staatkundige onafhankelijkheid te verleenen. Aan de eene Kolonie
schonk zij dit en aan de andere dat voordeel, en daar vele Koloniën
later Staten werden, zoo kwam het, dat er tusschen deze Staten
onderling dikwijls tweedracht en twist ontstond. Die twisten wilden de
Staten liever onder elkander uitmaken, doch de Engelsche Regeering
begreep dit anders, en trad tusschenbeiden door gegeven voorrechten op
te heffen, wat natuurlijk van de zijde der Kolonisten tot
ontevredenheid aanleiding gaf. Zoo waren de verschillende Koloniën of
Staten telkens in botsing met de Regeering, en daar zij zich sterk
uitbreidden, kwamen ze ook menigmaal in verzet. Onderwerping was dan
meestal het geval, omdat ze te zwak waren om zich tegen Engelands
macht te verzetten. Dat men zich slechts noode onderwierp, ligt in den
aard der zaak. Om hunne belangen krachtiger te kunnen behartigen,
hadden de Kolonisten van Connecticut, Rhode Island, New Hampshire,
Vermont en Maine in 1643 een verbond met elkander gesloten, dat den
naam kreeg van »Unie der Koloniën van Nieuw-Engeland«. Was het vooral
gericht tegen de Nederlanders en Franschen, die zich op hunne kosten
wilden uitbreiden, later gebruikte men die Unie toch ook tegenover de
onbillijke eischen van Engeland. Na den val van Koning Jacobus II, en
de verheffing van Willem van Oranje tot Koning van Groot-Britannië en
Ierland in 1688, kon men in de Amerikaansche Koloniën niet veel
verbetering in den toestand gewaar worden. Alles bleef bij het oude,
ja, het duurde niet lang, of men maakte zich vanwege de Regeering aan
handelingen schuldig, welke nieuwe grieven te voorschijn riepen.
Handel en nijverheid werden gesteund, ja, maar altijd in het belang
van Engeland, nimmer in dat van de Kolonisten.
»Vrijheid van handel is het bloed en leven van een Staat,« hadden de
Virginiërs reeds in 1642 gezegd, maar Engeland ging voort met die
stelling niet aan te nemen, en beperkte den handel op kleingeestige
wijze.
De »Acte van Navigatie«, door Cromwell in het leven geroepen, vooral
om den koophandel en de vrachtvaart van Holland te kortwieken, werd
ook hier toegepast, want in de verschillende havens mochten geene
andere schepen dan Engelsche binnenloopen.
Den handel werkten de Engelsche Regeering en het Koloniaal Bestuur
door allerlei hooge belastingen tegen, en het binnenlandsche verkeer
kwijnde onder tal van lastige en kleingeestige maatregelen.
Hadden de Kolonisten kleederen, gereedschappen, werktuigen of
voorwerpen van huiselijk gebruik noodig, dan mochten ze die uit geen
ander land laten komen. In Engeland moesten ze alles koopen en
verkoopen.
Dat drukte vooral op den landbouw en de nijverheid, die werktuigen en
gereedschappen noodig hadden. De ijzer-industrie mocht, wanneer het
ander werk beoogde dan gewoon smidswerk, niet gedreven worden, en
schandelijk genoeg maakten de Engelsche ijzer-fabrikanten hiervan
gebruik door hun fabrikaat met grove winsten aan de Kolonisten te
verkoopen.
Voor het verbouwen van suikerriet was de bodem in vele streken
uitnemend geschikt, maar wie dacht er aan om suiker-plantages aan te
leggen, waar de Regeering op de suiker-raffinaderijen zulke hooge
lasten legde, dat het verbouwen van suikerriet niets anders dan schade
opleverde?
Uit alles bleek het duidelijk, dat Engeland de Koloniën alleen
beschouwde als zijn' citroen, dien het met alle recht mochten
uitknijpen tot de pitten droog van tusschen de schillen vielen.
Wat Freiligrath van Ierland dichtte, zou met verandering van woorden
op de toenmalige Koloniën toegepast kunnen worden:
»De visscher, herder, jager zien
Beroofd de landstreek rond;
Hier diep moeras, daar weel'gen, maar
Nog onontgonnen grond.
O, dit gedempt, en dien bebouwd...
»Laat af! Gij zult niet!«--
Hoe?--
Niet aan den _Ier_ hoort de _Iersche_ grond
Hij komt den _landheer_ toe.«
en die _landheer_ is dan een Engelschman, waarvan het snijdend scherp
heet:
»En dan te _Londen_ of _Parijs_
Er de opbrengst van verspeelt.«
Inmiddels was ook van eene andere zijde de toestand der Kolonisten
niet rooskleurig.
Hadden de Spanjaarden, zoo het volgens de overlevering heet, hoog ten
Noorden van den Amerikaanschen Archipel een land gevonden, waarvan ze
eenparig getuigden: »Aca nada!« dat is: »Hier is niets!« toch had
omstreeks 1500 een zekere Italiaan Giovanni Verragani, die in
Franschen dienst was, dit land, dat later den naam van »Canada« kreeg,
voor Frankrijk in bezit genomen. Frankrijk vond dat goed, doch deed er
niets mede, en honderd jaar moest er verloopen eer de eerste Fransche
Kolonie zich daar nederzette. Kardinaal De Richelieu was het, die wist
door te drijven, dat er zich een handels-genootschap vestigde, hetwelk
niet minder dan zestienduizend handwerkslieden en landbouwers
derwaarts brengen zou. Deze Fransche Kolonie nu, leverde door
landbouw-producten en pelterijen-handel groote voordeelen op, zoodat
de Kolonie zich steeds uitbreidde, en ten laatste in aanraking kwam
met de Engelsche Kolonisten.
Het was natuurlijk, dat nu de vraag geopperd werd waar de grenzen
waren tusschen de Fransche en de Engelsche Koloniën, en dit was maar
niet met een paar woorden uit te maken.
Over die grensscheiding ontstond een oorlog tusschen Frankrijk en
Engeland, die niet alleen in Europa, maar ook in Amerika gevoerd werd.
Het was voor de Engelsche Kolonisten werkelijk niet alles om goed en
bloed in dien strijd te wagen, en toch deden ze het, en wel met zulk
een' goeden uitslag, dat Frankrijk in 1763 Canada aan Engeland
afstond, welk Rijk deze veroverde Kolonie als een zelfstandig geheel
beschouwde en geheel van de andere Koloniën afscheidde.
De man, die had weten te bewerken, dat de Engelsche Kolonisten zich in
dezen oorlog zoo wakker weerden, was William Pitt, de beroemde
Staatsman, die echter in de oogen van Koning George III geene genade
vinden kon. Te vergeefs was het, dat Pitt zich beijverde om aan de
Engelsche Koloniën, ter belooning voor hunne onwaardeerbare diensten
in den oorlog tegen Frankrijk, eene eigen Wetgeving en een eigen
Bestuur te verleenen. De stijfhoofdige Koning wilde, opgestookt door
lieden, die Pitt's tegenstanders waren, hiervan niets weten. Hij wilde
in die Koloniën niets anders zien dan een winstgevend bezit. Ware het
daarbij nu nog maar gebleven, wellicht dat men in de Koloniën zou
gezwegen hebben. Maar Koning George had nog andere plannen. De oorlog
tegen Frankrijk had Engeland een' schat van geld gekost, en om de
rente van de nieuwe staatsschulden te kunnen betalen, besloot hij de
belastingen in de Koloniën te verhoogen.
Was het wonder, dat deze Vorstelijke willekeur alle Kolonisten in
verzet bracht tegen de Regeering? Toch bleef het verzet lijdelijk, en
bepaalde het zich alleen tot gemor. Minder lijdelijk verdroegen ze de
verklaring van den Minister, in het Parlement gegeven, dat de
Koloniale Staten zich onvoorwaardelijk onderwerpen moesten aan de
uitspraken van Kroon en Parlement. In vinnige geschriften en vurige
redevoeringen werd dit recht van Kroon en Parlement betwist.
Koning George, die het er inderdaad op scheen toe te leggen om den
opstand der Koloniën in het leven te roepen, voerde nu eene zegelwet
in, die niemand begeerde, en hij liet ook bekendmaken, dat de
Kolonisten verplicht waren aan de Koninklijke troepen huisvesting en
verpleging te verschaffen, waar en wanneer de Koning zulks begeerde.
Het was een tijd van gisting in Europa, en de »onschendbare rechten«
van den mensch vonden hare predikers in James Otis, John Adams, en
vooral in den Franschen wijsgeer Jean Jacques Rousseau.
Met de geschriften en prediking van die mannen bleef men in de
Amerikaansche Koloniën niet onbekend. Allerwegen verrezen
vereenigingen van »Vrijheidszonen«, die zich ten doel stelden om als
Apostelen van de onschendbare rechten van den mensch op te treden. Te
midden van dien algemeenen tegenstand verordende de Koning de
invoering der zegelwet, doch men moest dit nalaten, omdat de zegels
gestempeld moesten worden, en er niemand was, die zich aanbood om de
betrekking van stempelaar te aanvaarden.
Met elken dag werd de toestand steeds meer gespannen.
In December 1773 liepen te Boston eenige overmoedige Kolonisten, die
zich als Indianen verkleed hadden, een Engelsch schip af. Het was met
thee geladen, en de heele lading, die eene waarde had van ruim twee
ton, werd in zee geworpen.
Deze handeling was de ouverture van het heele spel.
Boston werd door de Regeering in staat van beleg verklaard, en eenige
regimenten werden naar de Kolonie gezonden om de inwoners van Boston
te straffen, en de oproerige menigte tot zwijgen te brengen. Een adres
aan de Regeering, om het gebeurde niet zoo hoog op te nemen, werd
eenvoudig terzijde gelegd. Dit ging den Kolonisten te ver, en in
September 1774 kwamen de vertegenwoordigers van twaalf Koloniën of
Staten bijeen om den toestand te bespreken en dan onder elkander uit
te maken, wat er gedaan moest worden. Het was het eerste Congres der
Revolutionnairen.
De besluiten, die genomen waren, konden zeker niet strekken om eene
verzoening met het Moederland tot stand te brengen, want ze waren zoo
vijandig mogelijk, ja, er werd eenvoudig besloten, dat men, als
zelfstandig land in het Koninkrijk, zitting en stem in het Parlement
hebben zou, en zoo lang de Regeering weigerde aan dien eisch te
voldoen, zoo lang zou men ook alle verkeer met Engeland afbreken.
De teerling was geworpen; de opstand in de Kolonie was uitgebroken.
Men kon in die dagen nog mannen huren, die er het ambacht van soldaat
op nahielden, en er waren ook wel enkele Duitsche Vorsten, die hunne
soldaten aan een' vreemden Koning tegen eene billijke vergoeding, die
de Vorsten in den zak staken, afstonden.
Koning George wist zoo eenige regimenten van die geoefende
vechtersbazen te bekomen en zond ze naar Amerika. In het eerst scheen
het, dat de ongeordende troepen »Vrijheidszonen« het op de gehuurde
soldaten winnen zouden, doch weldra bleek het, dat orde en tucht onder
die »Vrijheidszonen« al te veel ontbraken, zoodat de huurbenden niet
zooveel moeite hadden om de overwinning te behalen. De eerste
nederlaag van aanbelang leden de opstandelingen bij Bunkershill. Thans
was goede raad duur. Wat moest men doen?
In dien dreigenden toestand verscheen een redder in den persoon van
den Kwaker, George Washington, die op het tweede Congres, dat de
opstandelingen hielden, den tienden Mei 1775, tot Opperbevelhebber
over het leger benoemd was geworden. Weinig beroemde mannen zijn er,
die zóó de algemeene achting van vriend en vijand genoten hebben, als
deze George Washington, eene der beminnelijkste historische figuren
uit de achttiende eeuw, de Wilhelm Tell van Amerika. De nederlaag bij
Bunkershill had hij niet kunnen beletten, en evenmin kon men hem
aansprakelijk stellen voor den noodlottigen winterveldtocht van
Montgomery tegen Canada, in November 1775. Zijne heele aandacht was
gevestigd op de geduchte toebereidselen, die Engeland maakte om door
kracht van wapenen den opstand ineens te onderdrukken. Engeland zond
veertigduizend man geoefende troepen, en hiertegen over kon Washington
slechts zeventienduizend ongeoefende plaatsen. Washington deed, wat
hij kon, maar was aanvankelijk niet gelukkig. Dit belette evenwel
niet, dat de opstandelingen minder dan ooit eraan dachten om het hoofd
in den schoot te leggen. Integendeel, dertien Staten of Koloniën
gingen verder dan ze reeds gegaan waren, en op een nieuw Congres
verklaarden ze zich onafhankelijk van Engeland, en namen den naam aan
van »Vereenigde Staten van Noord-Amerika.«
Dit gedenkwaardig besluit werd genomen den vierden Juli 1776, en--de
eerste Republiek in Amerika was gegrondvest.
Zwaar, ontzaglijk zwaar viel de strijd, maar Washington bezielde
alles, zelfs na eene nederlaag, en waar hij in de Koloniën alles deed
om de zaak der vrijheid te doen zegevieren, daar was zijn vriend
Benjamin Franklin buiten de Koloniën in Europa bezig, om de belangen
van de opstandelingen aan het Fransche Hof te bepleiten, en hij deed
dit met zulk eene warmte en met zóóveel overleg, dat Koning Lodewijk
XVI in 1778 de onafhankelijkheid van de Vereenigde Staten van
Noord-Amerika erkende. Spanje volgde met het sluiten van een
handelsverdrag met deze Vereenigde Staten, hetwelk vanzelf de
erkenning als Mogendheid inhield, het volgende jaar.
Bij deze erkenning van Frankrijk bleef het niet.
Dit mag ons verbazen van een' Koning van Frankrijk, doch we moeten
niet vergeten, dat Koning Lodewijk XVI gedreven werd door den wil van
het Fransche volk, dat doortrokken was van Rousseau's leer over de
onschendbare rechten van den mensch. Er heerschte in Frankrijk een
zelfde geest van verzet, als in de oproerige Engelsche Koloniën,
zoodat Koning Lodewijk genoodzaakt was te doen, wat met zijne
beginselen streed.
Den tienden Juli 1780 stapte een Fransch hulpleger van zesduizend man
op Rhode Island aan wal, om tegen de Engelschen op te trekken.
Generaal Rochambeau, die de Fransche troepen aanvoerde, stelde
Washington bovendien nog eene som van zestien millioen livres terhand,
welke ten deele door het Fransche volk geschonken, tendeele geleend
werden.
Stonden de zaken van Engeland al hopeloos vóór de Franschen hulp
zonden, nu zag ieder verstandig mensch terstond in, dat de Koloniën
onherroepelijk voor Engeland verloren waren.
Alleen Koning George wilde dat niet zien, en hield met eene
hoofdigheid, die het Rijk op millioenen ponden sterling te staan kwam,
den strijd nog anderhalf jaar vol, en men ging pas tot
onderhandelingen met de opstandelingen over toen een vrijzinnig
Ministerie »Rockingham-Shelburne« aan het roer kwam. Den dertigsten
November 1782 kwam er een verdrag tot stand, waarbij Engeland
voorloopig de onafhankelijkheid van de Vereenigde Staten van
Noord-Amerika erkende. Voor goed werd die onafhankelijkheid erkend bij
den vrede van Versailles in 1783.
Het was onmogelijk om in een boek van dit bestek waarin zoovele
gebeurtenissen moesten opgenomen en geschetst worden, over dezen
vrijheidsoorlog breedvoeriger te zijn. Deze oorlog is waard om door
ieder uitgebreider gelezen te worden, al ware het alleen om de twee
groote en schoone figuren, George Washington en Benjamin Franklin, in
hunne volle kracht te leeren kennen.
Geen wonder was het, dat de Vereenigde Staten, nu ze eenmaal, en zelfs
door Engeland, erkend waren, de handen ineen sloegen tot het ontwerpen
eener Constitutie, en toen volgens de bepalingen dezer Constitutie een
President moest gekozen worden, verbaasde niemand zich, dat George
Washington de uitverkorene was. Dat men verder de stad, waar de zetel
der Regeering gevestigd werd, »Washington« noemde, is verklaarbaar
voor iedereen, die gaarne aanneemt, dat dankbaarheid geene
vreemdelinge in de Vereenigde Staten is.--
De verschoonbare geest van verzet tegen de Europeesche Souvereinen
heerschte evenwel niet uitsluitend in de Engelsche Koloniën van
Noord-Amerika. Die geest doorreisde de heele Nieuwe Wereld, en
gaandeweg verklaarde, op het voorbeeld der Vereenigde Staten, de eene
Spaansche Kolonie na de andere zich onafhankelijk.
De geschiedenis van al die nieuwe Republieken te verhalen is
ondoenlijk, en wij willen volstaan met alleen eene opgaaf te doen van
de jaren waarin ze ontstonden.
Peru verklaarde zich onafhankelijk en werd eene Republiek in 1824;
Chili had zichzelf reeds in 1818 vrijgemaakt en tot Republiek
verklaard. Mejico was in 1824 eene Republiek geworden. Wat de andere
Republieken betreft, valt dit zeer moeielijk te zeggen, want geene
kaart waarop de staatkundige indeeling der landen afgebeeld is,
onderging zoovele malen eene verandering, als die van Middel-Amerika.
Van de Republiek Mejico dient evenwel nog wat vermeld.
Keizer Napoleon III, die eenmaal President van de Fransche Republiek
was, maar die zich tot Keizer van Frankrijk had weten te verheffen,
kon met geene goede oogen eene Republiek aanzien, en trachtte met de
verwikkelingen, die voortdurend in Mejico heerschten, zijn voordeel te
doen. Zich verbonden hebbende met een deel ontevreden Mejicanen, zond
hij, onder Bazaine, een Fransch leger naar het voormalige Azteken-rijk
en weldra was een groot deel van dat land veroverd. Nu wist Keizer
Napoleon een' broeder van den Keizer van Oostenrijk te bewegen om,
aanvankelijk onder het protectoraat van Frankrijk, Keizer van Mejico
te worden. Deze Aartshertog heette Maximiliaan en hij was een
innemend, vriendelijk en zachtmoedig man. Als zoodanig was hij reeds
ongeschikt om de Mejicaansche Keizerskroon te dragen. Zij werd hem
eene smartelijke doornenkroon, en na haar drie jaar gedragen te
hebben, kreeg de partij der revolutie de overhand, omdat Frankrijk
zijn' beschermeling zoo goed als aan zijn lot overliet, en de arme
Keizer werd den negentienden Juni 1867 gefusilleerd. Na dien tijd is
zijne ongelukkige Gemalin, Keizerin Charlotte, eene zuster van Koning
Leopold II van België, krankzinnig.
Merkwaardig is het, dat na de ontdekking van de Nieuwe Wereld en den
ondergang der oorspronkelijke Monarchale Rijken, in heel Amerika
slechts twee Keizerrijken geweest zijn, door Christen-keizers
bestuurd. Beiden werden het nog niet eens door vrije keuze, doch door
een' samenloop van omstandigheden.
Het Keizerrijk Mejico onder Maximiliaan hield zich slechts drie jaar
stand; vele jaren langer bleef het Keizerrijk Brazilië bestaan.
Nadat de W. I. Compagnie dit land aan Portugal verkocht had, bleef het
ook in het bezit van dat Rijk, doch toen Keizer Napoleon I in 1808 het
Portugeesche Koningshof tot wijken dwong, verlegde dit den zetel der
Portugeesche Regeering van Lissabon naar Rio de Janeiro, de hoofdstad
van de Kolonie Brazilië.
De komst van de Vorstelijke familie was voor de Kolonie, die bijna
altijd in kwijnenden toestand verkeerd had, van groote beteekenis. Er
ontstond een heel nieuw leven, want vele voorname Portugeezen, die in
Brazilië bezittingen hadden, maar nimmer, zoo lang ze in Portugal vrij
leven konden, er aan gedacht hadden om op die bezittingen te gaan
wonen, kwamen nu ook in Brazilië, dat eensklaps van Kolonie in een
Koninkrijk Portugal veranderd was, want over het Europeesche Portugal
had Koning Johan tijdens de Fransche overheersching natuurlijk niets
te zeggen. Toch bleef het land Brazilië heeten, zelfs toen Koning
Johan het in 1815 tot een Koninkrijk verhief, dat evenwel afhankelijk
zou zijn van het inmiddels herstelde Koninkrijk Portugal. De
Brazilianen wilden echter meer, en toen Koning Johan in 1821 naar
Lissabon terugkeerde, hield men niet op, of de Kroonprins Dom Pedro
moest, als Koning, achterblijven. Koning Johan gaf toe, doch eenmaal
weer in Lissabon zijnde, zond hij Dom Pedro bevel om naar Portugal te
komen. De Brazilianen echter meldden den Koning, dat men, als dit
bevel gehoorzaamd werd, terstond na het vertrek van Dom Pedro, de
Republiek zou uitroepen.
Dom Pedro besloot nu te blijven, doch verkeerde in het moeielijke
geval van heel dikwijls besluiten te moeten nemen welke lijnrecht
indruischten tegen de belangen zijns Vaders. De
Cortes-vergadering,--wij zouden zulk eene vergadering »Tweede Kamer«
noemen,--ging inmiddels steeds verder, en in 1822 verklaarde zij het
Koninkrijk Brazilië onafhankelijk van Portugal onder de regeering van
Dom Pedro, die met zijne Gemalin tot Keizer en Keizerin van Brazilië
uitgeroepen werd. In 1825 erkende de Koning van Portugal het
Keizerrijk Brazilië, doch het geleek er niet naar, dat de Brazilianen
nu tevreden waren. In 1831 zag Keizer Dom Pedro zich genoodzaakt
afstand van de regeering te doen ten behoeve van zijn' zoon, die hem
onder den naam van Dom Pedro II opvolgde, doch onder voogdijschap,
want hij was pas vijf jaar oud. Thans echter is Brazilië ook eene
Republiek. Dom Pedro II heeft jaren lang de Braziliaansche
Keizerskroon gedragen, en alleen door zijn buitengewoon helder
verstand, maar vooral door zijn vriendelijk en innemend karakter, kon
hij zich op den troon staande houden. Zijne langdurige regeering was
echter een even langdurige strijd van de Monarchale tegen de
Republikeinsche beginselen, en het einde was, dat hij in 1889, door
een' opstand, gedwongen werd om afstand van de regeering te doen. Daar
zijn eenig kind, de Infante Isabella, gehuwd met Hertog Lodewijk van
Orleans, Graaf van Eu, verre van bemind was, zoo dacht hij er niet
aan, ten behoeve van haar afstand te doen. Hij verliet, zonder dat
iemand hem eenige moeielijkheden in den weg legde, zijn Rijk en
vertrok naar Europa, en oogenblikkelijk werd nu in Rio de Janeiro de
Braziliaansche Republiek uitgeroepen.
Thans telt heel Amerika van Noord tot Zuid geene enkele Monarchie
meer; Amerika is het werelddeel der Republieken.
HOOFDSTUK XIV.
NA VIER EEUWEN.
Het jaar 1892 is een jaar van feesten waaraan de geheele beschaafde
wereld deelneemt.
Genua huldigt zijn' grooten zoon en Spanje viert schitterend feest ter
eere van zijn' grooten ontdekker.
Christophorus Columbus is de man van 1892.
Wie met zijn' tijd medeleeft, en wie dit boek en nog veel meer andere
boeken over hem en zijne ontdekking gelezen heeft, vraagt niet meer
»waarom?« want hij weet het, en stellig stemt hij in met het
kernachtige onderschrift van de plaat in »De Nederlandsche Spectator«
van den dertienden Augustus van dit jaar:
»Voor vier eeuwen verwon Columbus 't kampioenschap der wereld.
Wie onzer sportsmen slaat hem ooit in dit reuzen-record?«