Met eene zekere onrust verbeidde men nu den volgenden dag, den

zestienden November van het jaar 1532. Deze datum zou een der

merkwaardigste worden in de geschiedenis der Nieuwe Wereld.

[Illustratie: ATAHUALPA, Inka van Peru. (Geworgd 19 Aug. 1533.)]

Reeds een groot gedeelte van den dag was verloopen en men begon al te

vreezen, dat de Inka geen woord zou houden, toen men eene groote

beweging in het Peruaansche kamp gewaar werd. Aan het hoofd van eene

kleine afdeeling van zijn leger werd de Inka, getooid met al de

versierselen van zijne waardigheid, op een' massief gouden stoel

gedragen door de voornaamste Edelen, allen op het sierlijkst

uitgedost. De »kleine« legerafdeeling bestond evenwel uit niet minder

dan dertigduizend man en hieruit laat zich de sterkte van het heele

leger gemakkelijk begroeten. Met een gevolg van slechts vijfduizend

ongewapende mannen kwam hij in de stad; de overigen moesten buiten

blijven. Tot groote verbazing van den Inka was nergens een Spanjaard

te zien. Vol verontwaardiging over zulk eene ontvangst riep hij uit:

»Waar zijn dan nu de vreemdelingen?« toen een Geestelijke verscheen en

op den Inka toetrad. Crucifix en Brevier in de handen houdende, begon

de Geestelijke terstond voor den Inka het Evangelie te prediken, doch

het slot was, dat de Inka zich diende te onderwerpen aan het gezag van

den machtigen Keizer Karel en dat hij zich moest laten doopen en

Christen worden. Deze toespraak, door een' tolk, zin voor zin,

vertaald, maakte aanvankelijk op Atahualpa, die er waarschijnlijk al

zeer weinig van begreep, den gewenschten indruk niet. Het slot evenwel

begreep hij zooveel te beter en vol van verontwaardiging gaf hij ten

antwoord dat hij, de machtigste Vorst der Wereld, aan geen' enkelen

anderen Vorst zich wilde onderwerpen. Was deze tevreden met zijne

vriendschap, dan was hij bereid hem die aan te bieden. Wat het

aannemen van een' anderen godsdienst betreft, hiertoe was hij in het

geheel niet te bewegen, en hij begreep niet, wie of wat den Priester

den moed had kunnen geven om zoo tot hem te spreken.

»Dit boek beveelt het mij,« zeide de Priester.

Atahualpa nu het Brevier in handen nemende, hield het tegen het oor,

en geene spraak hoorende, wierp hij het met een verachtelijk gebaar op

den grond en zeide: »Dit boek zegt niets.«

Die onnoozele daad van Atahualpa rijmt niet zeer met de hooge

beschaving der Peruanen en ze vereischt derhalve eenige opheldering.

De beschaving in Peru kende de kunst wel om gedachten in zichtbare

teekenen uit te drukken. Wanneer een Peruaan dat wilde doen, nam hij

een koord van ongeveer zeven deci-Meter lengte. Het was uit

verschillend gekleurde draden gevlochten en bevatte bovendien ook

verschillend gekleurde franje. Nu had de kunst bedacht om door het

kiezen van de kleur en de rangschikking der draden en der franje

zoowel als door het leggen van knoopen in het koord, zichtbare figuren

aan te nemen om er gedachten door uit te drukken. Dit kan wel; men

denke slechts aan het oude, telegraphische schrift, dat bestaat uit

punten en strepen, die letters vervangen. Het schrift der leessnoeren,

die den naam droegen van »Quippos« was echter veel gebrekkiger en veel

ingewikkelder dan het genoemde telegraphisch schrift, zoodat het niet

te verwonderen valt, dat alleen Inka's, leden van zijn geslacht,

Priesters en Edelen de »Quippos« lezen konden. Van boeken had men

derhalve geen begrip, en nu we dat weten, wordt de handeling van den

Inka minder onnoozel.

De Priester, die waarschijnlijk gehoopt had, dat zijne prediking in

goede aarde zou vallen, raapte zijn Brevier op, liep naar het vertrek

waar Pizarro zich bevond en deelde hem, vol geloofs-verontwaardiging,

mede, wat de Inka gedaan had. Zulk eene daad moest gestraft worden.

Pizarro schijnt echter wel geweten te hebben hoe de zaak afloopen zou;

dat blijkt uit alles. Hij gaf het afgesproken teeken; de Spanjaarden

kwamen te voorschijn; de musketten knalden; de kanonnen donderden en

onder het geroep van: »Santiago! Santiago!« viel men de verschrikte en

ongewapende Peruanen aan. De ruiters, de kanonnen en de musketten

deden wonderen. Men dacht aan geen tegenweer en wat niet vluchten kon,

liet zich dooden. Het was een verschrikkelijk bloedbad waarmede aan

den avond van dien dag de verovering van het machtige Inka-rijk in de

straten van Caxamalca een' aanvang nam.

Het eerste werk van Pizarro was geweest om Atahualpa gevangen te

nemen. Hij bracht hem in een groot huis en behandelde hem met de

achting aan zijn' hoogen rang verschuldigd. Hij stond zelfs toe, dat

zijn eigen mannen hem bedienden en dat hij met de Edelen en

Bevelhebbers van zijn leger mondelinge gesprekken had om zijne bevelen

te geven. »Quippos« echter mochten door hem niet verzonden worden, en

bij elk gesprek, dat hij hield, was Felipillo tegenwoordig en daar

deze tegen den Inka eene grief had, zoo behoefde Pizarro niet te

vreezen, dat hem wat van het onderhoud zou verzwegen worden.

De tijding dat Atahualpa door de vreemdelingen gevangengenomen was,

maakte in heel het Peruaansche Rijk een' ontzettenden indruk.

Kort geleden had eene zons-verduistering plaats gehad, en waar nu de

Peruanen in de Zon hun' Hoofdgod hadden, daar behoeven we niet te

vragen, welke droevige voorspellingen er naar aanleiding van die

verduistering gedaan werden. Het is nog niet eens zoovele jaren

geleden, dat in de Christelijke maatschappij zons- en

maansverduisteringen, als voorboden van onheilen en rampen beschouwd

werden. De voorspellingen waren ditmaal uitgekomen; de Inka's, die

elkander beoorloogden, waren beiden gevangen. Men gevoelde het: Peru

stond aan den vooravond eener vreeselijke revolutie. De Spanjaarden

konden nu doen, wat zij wilden: stelen, rooven, moorden, branden,

vrouwen en meisjes mishandelen; men liet hen begaan, want men vreesde,

dat de geringste mishandeling, die een Spanjaard onderging, gewroken

zou worden op den Inka. De Spanjaarden maakten hiervan een schandelijk

misbruik en Atahualpa zag zeer goed in, dat goud het eenige middel was

om hem zijne vrijheid te doen herkrijgen. Hij bewoonde een vertrek van

bijna tien Meter lengte en vijf Meter breedte, en nu deed hij Pizarro

het voorstel om dit vertrek, ongeveer drie Meter hoog, binnen twee

maanden met goud te vullen, als hij dan zijne vrijheid terugkreeg.

Pizarro bedacht zich geen oogenblik en nam het voorstel aan, wel

wetende, wat hij doen zou, als de losprijs er was. Van alle kanten

kwam men nu met goud aandragen, doch eer de bepaalde hoeveelheid er

was, begon men het al tot baren te smelten en te verdeelen. Veilig mag

men berekenen, dat de waarde van dien losprijs twintig millioen gulden

bedroeg. Het leeuwendeel van dat goud was natuurlijk voor Koning

Karel, Pizarro, Almagro, De Luque, De Espinosa en de Bevelhebbers,

doch dat nam niet weg, dat zelfs de minste lansknecht door zijn deel

een rijk man werd. Velen verbrasten den gemakkelijk verkregen schat,

doch enkelen wilden nu terug. Pizarro hield deze laatsten niet tegen

en gaf hun gaarne verlof. Hij begreep wel dat één rijk teruggekeerde

avonturier er tien of twintig bewegen zou om naar Peru te komen. Zijne

berekening faalde niet, want heel Spanje was in rep en roer bij het

vernemen van den gouden oogst; ieder wilde daar gaan maaien en oogsten

van hetgeen hij niet gezaaid had.

Atahualpa, die wel inzag, dat hij met zijn' losprijs nooit klaar zou

komen, meende evenwel nu al genoeg betaald te hebben en drong thans op

zijne vrijheid aan. Vele edeldenkende Spaansche Ridders ondersteunden

het billijke voorstel. Een zekere Don Hernando De Soto was voor die

Ridders de woordvoerder. Dit voorstel aan te nemen lag niet in het

plan van Pizarro, en daarom wendde hij het over een' anderen boeg.

Onder den schijn van de zaak tusschen Atahualpa en Huascar te willen

onderzoeken, had hij Atahualpa voorgesteld om Huascar uit de

gevangenis te ontslaan en bevel te geven, dat men hem naar Caxamalca

zou brengen. Atahualpa had hierin echter geen' lust, want ongetwijfeld

zou Pizarro, zoo meende hij, Huascars rechten erkennen, en wat er dan

gebeuren zou, was hem geen raadsel. Inplaats dus van bevel te geven

Huascar te ontslaan en naar Caxamalca te voeren, beval hij, dat men

hem in de gevangenis dooden zou en dit geschiedde ook. Toen nu

Felipillo nog verklaarde dat de Inka eene samenzwering smeedde tegen

het leven der Spanjaarden, werd Atahualpa, beschuldigd dat hij zijn'

broeder had laten vermoorden, dat hij eene samenzwering tegen de

Spanjaarden smeedde en dat hij volhardde in zijn Heidensch geloof,

door Pizarro's rechtbank veroordeeld om levend verbrand te worden.

Bij het hooren van dit vreeselijke vonnis verloor de arme Vorst al

zijn' moed en zijne geestkracht. Bijna weenend smeekte hij om het

behoud van zijn leven, en als men het hem schonk, dan beloofde hij nog

dubbel zooveel goud te geven, als hij voor zijn' losprijs reeds

betaald had. Pizarro, die nu gedurig versterkingen in soldaten,

musketten en kanonnen gekregen had en dus zoo zwak niet meer stond als

in het begin, sloeg dat aanbod af en was alleen te bewegen om den dood

op den brandstapel door eene andere straf te vervangen, als de Inka

Christen worden en den doop ondergaan wilde. De Inka, geheel

ontmoedigd en van alle fierheid en geestkracht beroofd, stemde toe.

Hij nam het Christendom aan, liet zich doopen en--werd geworgd. Het is

zoo natuurlijk als iets, dat de dood van Atahualpa, die gestorven was

zonder omtrent de opvolging eenige beschikking gemaakt te hebben, de

grootste wanorde te voorschijn roepen moest. Een Inka werd niet

gekozen door Priesters van de Zon, door Edelen of Krijgsbevelhebbers.

Een Inka volgde eenvoudig op, en als dat de oudste zoon uit het

voorgeschreven huwelijk niet was, dan was het een broeder of ander

familielid van den overledene. Maar welke gevallen van opvolging zich

ook mochten voordoen, Priester noch Edelman of Volkskind liet er zich

mede in; het was eene zaak, die enkel het geslacht van Manco Capac

aanging. Thans was er ineens in het regeeringsstelsel eene verbazend

groote verandering gekomen. Wat de stok doet, dien men door het

spinneweb slaat, dat had de hand van Pizarro met het geslacht der

Inka's gedaan, en letterlijk was hier het Bijbelwoord van toepassing:

»Ze dwalen als schapen, die geen' herder hebben.« Aan dien toestand

wilde Pizarro een einde maken. Hij zou den Inka benoemen en hem even

als Atahualpa bij zich en onder zijn rechtstreeksch toezicht houden.

Een broeder van Huascar werd gevonden en deze heette ook Manco Capac,

doch als Pizarro had gemeend in dezen jongen Vorst een werktuig te

vinden, dan had hij zich vergist. Na het in bezit nemen van Cuzco, de

oude hoofdstad van Peru, waar de Spanjaarden alweer opgestapelde

schatten vonden, deed Pizarro Manco Capac kronen. Toen dit geschied

was, liet hij den Inka te Cuzco, welke stad door een' Spaanschen Raad

zou bestuurd worden, en zelf trok hij met een groot deel van zijn

leger uit, om, in de nabijheid der zee, eene andere hoofdstad van de

Kolonie te stichten, dewijl Cuzco te diep in het binnenland gelegen

was, wat, met het oog op de verbinding met Spanje, op den duur te

lastig was. In eene heerlijke landstreek stichtte hij nu, dicht bij

den Stillen-Oceaan, zijne hoofdstad en noemde die »Ciudad de los

Reyes,« wat »Stad der Koningen« beduidt. Naar den kuststroom Rio Lima,

aan welks oevers ze gelegen is, kreeg ze later den naam van Lima.

Thans begon Pizarro zich met alle macht en kracht toe te leggen op de

verdeeling van het land, en hoeveel men hem, helaas, ten laste leggen

moet, hij toonde een »organiseerend talent« te hebben, als slechts

weinigen. Met krachtige hand voerde hij de teugels van bewind, en

handel, nijverheid en landbouw konden overal en altijd op zijne

krachtige ondersteuning rekenen, maar--alles ten voordeele der

Spanjaarden. Aan de belangen der millioenen Peruanen werd niet

gedacht, en hun grond, het »Staatseigendom«, werd eenvoudig aan

Spanjaarden gegeven, want van die oude grondverdeeling wilde Pizarro

niets weten. Daar de heele Inka-regeering met dat algemeene grondbezit

alleen bestaanbaar was, zoo gevoelde de Inka, dat hij, wilde hij in

handen der Spanjaarden geene ledepop zijn, iets doen moest om hieraan

een einde te maken. Hij wist de waakzaamheid van den Spaanschen Raad,

waaronder Pizarro's broeders Gonzalo en Juan waren, te verschalken,

ontvluchtte Cuzco, en stelde zich aan het hoofd zijns Volks.

Wie herinnert zich niet de laatste bedrijven van den Fransch-Duitschen

oorlog van 1870-71? Wie gevoelde geene warme sympathie voor den

Franschman? Geen militie-plichtig of gehuurd leger was het, dat onder

den dapperen Generaal Baptiste d' Aurelle de Paladine aan de Loire

streed. Het waren nu de zonen des Volks, die hun hartebloed wijdden

aan de verdediging van hun' geboortegrond, en--geen heftiger

tegenstanders hadden de Duitschers dan deze Patriotten.--Zoo ging het

ook in Peru. Onder aanvoering van den dapperen en beleidvollen Manco

Capac aanvaardden de Peruanen den strijd tegen hunne onderdrukkers en

overweldigers. Het scheen zelfs, dat het lot hun gunstig was, want

weldra brak ook onder de Spanjaarden een broederoorlog uit. Almagro,

die, en niet ten onrechte, meende dat hij aan de verovering van Peru

een even groot aandeel had als Pizarro, kon het niet verkroppen, dat

deze laatste alle macht en gezag aan zich trok. Wel had Koning Karel

hem tot belooning van zijne diensten benoemd tot Stadhouder van de

Zuidelijke gewesten van Peru, doch hiermede was Almagro niet tevreden.

Een tocht naar Chili, dat hij in 1535 ontdekte, leverde hem geene

voordeelen op. In den strijd tegen Pizarro om het bezit van de oude

hoofdstad Cuzco, moest hij het onderspit delven, en de man, die

zooveel gedaan had voor de ontdekking van Peru, werd, op last van

Pizarro's broeder Hernando, op bijna vijfenzeventigjarigen leeftijd in

de gevangenis geworgd en daarna onthoofd. Zoo eindigde de man, die in

1464 bij Almagro te vondeling gelegd was, zijn beroemd leven, dat

alleen, omdat het geketend was aan dat van Pizarro, van al te veel

bloedige tooneelen getuige was. Tijdgenooten noemen hem een edel man,

doch juist zou zijn edel karakter ook al zijn ongeluk geweest zijn,

als hij inplaats van Pizarro aan het hoofd der onderneming gestaan

had. Thans regeerde Pizarro zoo goed als oppermachtig Vorst, doch de

wraak sliep niet, al behaalde Pizarro op Inka Manco Capac, die zelfs

te paard zijne legers aanvoerde, de eene overwinning na de andere. Een

zoon van Almagro smeedde eene samenzwering tegen het leven van den

dwingeland, en deze werd nu op Zondag den twintigsten Juni 1541

vermoord. De regeeringloosheid van het land duurde niet lang, want

kort na Pizarro's dood kwam de nieuwbenoemde Onder-Koning Don Vaca De

Castro, die het land met beleid en zachtheid regeerde, doch daardoor

ook in Spanje den goud- en zilveraanvoer verminderde. Zulke mannen kon

men niet gebruiken, en zóó zag men te Lima, beurtelings onder dezen

dan dien Onder-Koning, het oude Inka-rijk langzaam, maar zeker ten

gronde gaan. Het mocht voor het geslacht van Manco Capac zelfs niet

baten, dat Sayri Capac in 1557 vrede met de Spanjaarden sloot en

afstand van de Regeering deed ten behoeve van Koning Filips van

Spanje, want in 1571 werd het geheele Inka-geslacht eenvoudig onthoofd

of geworgd. Het schoone en vruchtbare Chili werd in 1550 door Don

Pedro Valdivia onder het bestuur van Lima's Onder-Koning gebracht.

Terwijl Zuid-Amerika langs den Stillen Oceaan zoo in het bezit van

Spanje gebracht werd, trachtten de Portugeezen zich meester te maken

van de landen aan den Atlantischen Oceaan gelegen. Ze werden, we lazen

dit vroeger, ontdekt door Vincente Yanez Pinzon, doch na hem kwam er

de Portugees Pedro Alvarez De Cabral. Het was niet het doel van hem

geweest om dit land te naderen, doch op eene reis naar de Oost-Indiën

werd hij door storm hierheen geslagen. Hij nam deze kust voor Portugal

in bezit, en noemde ze »Terra da Vera-Cruz,« dat is »Land van het Ware

Kruis.« Later kreeg het naar het verfhout »pao do brazilia« den naam

van Brazilië. Onder de regeering van Koning Johan III van Portugal

hechtte de Paus zijne goedkeuring aan deze in bezitneming. Eerst in

1549 echter kwam er onder het bestuur van Don Thomas Da Souza, die

door Koning Johan tot Gouverneur aangesteld was, in de Koloniën eenig

leven van beteekenis, en tot eer van Portugal, dat toch óók een

Katholiek volk was, en alles deed, wat het kon om het Evangelie te

verbreiden, moet gezegd worden, dat de Koloniën zich in vrede

ontwikkelden, en dat er van een bloedvergieten als in Mejico, Peru en

Chili geene sprake was. Ongelukkig echter kwam Portugal in 1580 onder

den Koning van Spanje, en zoo werd Brazilië ook Spaansch. Het was voor

de Kolonie zoo goed als haar ondergang, want hoewel meest door

Portugeesche Stadhouders bestuurd, moesten dezen zich toch schikken

naar den zin en den wil van den Spaanschen Koning, die hun in de

Nederlanders vijanden bezorgde, die medetellen konden. De

Tachtigjarige Oorlog toch tegen Spanje, deed in Holland de later zoo

machtige Oostindische Compagnie in 1602, en in 1621 de Westindische

ontstaan. Deze Westindische Compagnie was het, die eerst onder

Admiraal Piet Hein, de Braziliaansche Koloniën fel liet bestoken, om

later, in 1630, Graaf Johan Maurits van Nassau, als Stadhouder naar

deze nieuwe Westindische bezitting te zenden. Eenendertig jaar lang

bleef Brazilië nu in het bezit der W. I. Compagnie, doch daar

inmiddels Portugal zijne zelfstandigheid als Koninkrijk weer herkregen

had, en de zaken der Compagnie in dat groote land niet naar wensch

gingen, zoo werd het in 1661 eenvoudig aan Portugal teruggegeven voor

eene som van ruim vier millioen gulden. Deze Compagnie, die al te veel

bedacht was geweest op groote uitkeeringen van winst, was daardoor in

schulden geraakt, en moest in hetzelfde jaar ontbonden worden. Wel

werd er terstond weer eene nieuwe opgericht, maar van deze ging

slechts een zwak leven uit, waaraan het wel toe te schrijven is, dat

onze Westindische bezittingen niet tot bloei geraakten en meestal

schadeposten waren, niettegenstaande de Kolonie Suriname, veel meer

dan de eilanden, die daar tot onze bezittingen behooren, rijke bronnen

van welvaart bevat.

Verlaten we nu Zuid-Amerika om een' blik te werpen op de noordelijke

helft der Nieuwe Wereld bekend onder den naam van Noord-Amerika.

Wij kwamen er reeds met de Noormannen langs de kusten tot bij de

plaats waar nu New-York ligt; met Juan Ponce De Leon en de Cabots in

Florida, en met Cortez in Mejico en Californië.

De omstandigheid, dat het verarmde Europa zooveel behoefte had aan

goud, mag wel oorzaak genoemd worden, dat de geschiedenis van

Noord-Amerika zulk een geheel andere is dan die van Zuid-Amerika. Wie

hier Koloniën stichten wilde, had heel wat anders te doen dan goud te

verzamelen. Slechts krachtige en nijvere handen, mannen bezield met

lust tot den arbeid en niet krachteloos gemaakt door een lui,

wellustig en weelderig leven, konden in dit gedeelte der Nieuwe Wereld

Koloniën stichten. Zoo kwamen hier onder de regeering van Koningin

Elisabeth, in 1585, de Engelschen onder Sir Walter Raleigh. Zij

vestigden zich op het eiland Roanoke, bij de kust van Noord-Carolina,

en Sir Walter gaf aan zijne Kolonie den naam van »Virginia« of »Maagd«

ter eere van zijne Koningin, die ongehuwd was. In 1606 echter begonnen

de Koloniën, die daar aangelegd waren, eerst van eenige beteekenis te

worden, daar Koning Jacobus I er op bedacht was om er geschikte

landbouwers en handwerkslieden heen te zenden. Deze Kolonisten waren

dus Planters, die hunne plantages slechts zeer langzaam naar het

binnenland uitbreidden. Met het musket op den schouder en pistolen en

dolken in den gordel, bebouwden ze het land, dat ze in bezit genomen

hadden, telkens aangevallen en verontrust door de Indianen, die wel

ruw en onbeschaafd waren, doch niet, als Azteken en Peruanen, door een

weelderig leven verzwakt waren geworden. De strijd om het bestaan werd

daardoor voor de Planters een felle strijd, en iemand, die gaarne

klakkeloos rijk wilde worden, zocht allerminst de Noordamerikaansche

wouden en prairiën op. Kloeke mannen, kerels waar pit in zat, waren

die Engelsche Planters.

Weldra zouden ze eene zeer gewenschte versterking ontvangen ook in

lieden, die terwille van den Godsdienst hun land verlieten. Koning

Jacobus I, die gaarne de rol van groot godgeleerde speelde, begon al

heel spoedig na zijne troonsbeklimming de

Presbyterianen,--Protestanten, die zich tegen de Bisschoppelijk

Protestantsche Kerk verzett'en,--te onderdrukken en te vervolgen. Zijn

zoon, Koning Karel I, was als zijn Vader, een heftig tegenstander van

de Presbyterianen, en tal van dezen nu namen de wijk naar de

Noordamerikaansche Koloniën, waar ze met open armen ontvangen werden,

als ernstige mannen, die vast besloten hadden, in het aangenomen

Vaderland zich eene positie te veroveren.

Het waren evenwel de Engelschen alleen niet, die Koloniën in

Noord-Amerika gevestigd hadden. Henry Hudson, een Engelschman, was in

dienst van onze Oostindische Compagnie getreden, en op zijne reis om

eene noordoostelijke doorvaart te vinden, ontdekte hij den derden

September 1609 het eiland Manhattan. Een deel der bemanning bleef hier

achter en stichtte er eene Kolonie, die weldra uit het Vaderland de

noodige versterking ontving. Er werd nu een fort gebouwd, dat den naam

kreeg van »Nieuw-Amsterdam«. De Kolonie nam, in korten tijd, in omvang

toe, en het fort werd een zeer welvarend, echt Hollandsch stadje. Echt

Hollandsch was men ook te werk gegaan met het in bezit nemen van het

eiland, want men had het voor de som van vierentwintig dollars van de

Indianen gekocht. Die som moge bespottelijk klein heeten, het feit

blijft toch bestaan, dat de Nederlanders aan de Indianen den grond

maar niet eenvoudig met het recht van den sterkste ontnamen. Dat

koopen van grond hielden zij vol toen ze, ter uitbreiding van hunne

Kolonie, gronden aan de rivier de Delaware en het Staten-eiland noodig

hadden. Aan deze handelwijze zal het dan ook wel te danken geweest

zijn, dat de Kolonisten steeds in welvaart en macht toenamen, want de

Indianen dreven met hen gaarne handel in pelterijen, en waren er niet

op uit om hen te scalpeeren, als ze hen wat ver van hunne Kolonie

aantroffen. Nieuw-Amsterdam breidde zich steeds meer en meer uit, en

de welvaart nam met den dag toe. Doch wat gebeurde?

[Illustratie: Nieuw-Amsterdam of New-York vóór derdehalve eeuw.]

Vóór vier Eeuwen: Een Volksboek over de Ontdekking van Amerika · 第 24 / 26 段