daar hij weduwnaar geworden was, in zijn Vaderland met eene Gravin in
het huwelijk getreden te zijn. Hij vestigde zich in zijn nieuw Leen,
dat zeer rijk en vruchtbaar was, en in grootte menig Europeesch
Koninkrijk overtrof. Hoewel hij aanvankelijk zich in zijn lot scheen
te zullen schikken, en als een machtig Land-edelman leefde, had hij er
op den duur geen behagen in, en begon hij zich uit te rusten voor
nieuwe ontdekkingen en veroveringen. Dat er ver in het zuiden een
»Goudland« was, dat wist hij, en hij had zelfs Pizarro hierin reeds
wenken gegeven. Zelf wilde hij daar niet heen, want naar zijne meening
lagen er ten Noorden van Nieuw-Spanje ook landen, die nog rijker aan
goud waren dan het land der Azteken. Die landen wilde hij ontdekken en
veroveren. Met opoffering van het grootste deel van zijn vermogen
mocht het hem gelukken om in 1536 Californië te ontdekken, doch zonder
voordeel, want de rijke mijnen, die daar aangetroffen werden, zouden
pas driehonderd jaar later gevonden worden.
Teleurgesteld in alles keerde hij in 1540 naar Spanje terug, waar men
hem zoo goed als links liet liggen. Verdrietig trok hij zich nu uit
het openbare leven terug, en de man, wiens naam genoemd zal worden,
zoolang het menschdom bestaat, stierf als een vergeten burger op een
landgoed in de nabijheid van Sevilla, den tweeden December 1547 aan
eene ingewands-ziekte.
* * * * *
Nog altijd wordt Cortez zeer verschillend beoordeeld, doch naar mijne
meening begaan zij, die hem veroordeelen, de groote fout, dat zij de
onrechtvaardige handelingen van een geheel Volk laden op één' man, en
hem zóó het uitgestrekte veld der Historie injagen, zooals vroeger de
Israëlieten den bok, beladen met de zonden des volks, de woestijn
injoegen. Trots al zijne ondeugden en gebreken kan ik in Cortez niets
anders zien dan een' man, die in groote daden en zelfs in vele deugden
uitblonk boven duizenden zijner tijdgenooten. In alle gevallen plaats
ik hem ver boven den man, die Peru aan de Spaansche Kroon bracht.
HOOFDSTUK XII.
ZUID-AMERIKA ONDER SPANJAARDEN EN PORTUGEEZEN.--NEDERLANDERS EN
ENGELSCHEN IN AMERIKA.
Jaren lang had men den Archipel tusschen Noord- en Zuid-Amerika reeds
doorkruist, kustlanden had men er ten Zuiden, ten Westen en ten
Noorden van gevonden, maar nog altijd lag het vasteland in het Zuiden
zoo goed als onbekend. Zelfs een Del Magelhanes kon dat groote
Zuidelijke vasteland omzeilen, zonder er aan te denken om te
onderzoeken of het ook waar was, wat al de Wilden, zonder eenige
uitzondering, aan Columbus verteld hadden, dat het land, waar veel
goud was, ten Zuiden lag.
En dat land was er werkelijk, en één man was er, die reeds geruimen
tijd geleden begeerige blikken naar die onbekende streken geworpen
had. Wij hebben hem reeds tegenover De Balboa zien staan, en hoorden
hem toen Francisco Pizarro noemen.
Buiten huwelijk in 1478 geboren, weggeloopen van achter de zwijnen,
die hij hoeden moest, en als soldaat in dienst getreden, kwam hij in
de Nieuwe Wereld aan om daar eene rol te spelen, welke in schitterende
krijgsdaden, die van Cortez misschien wel overtrof. Dezelfde man, die
niet lezen of schrijven kon, zou Spanje in de gelegenheid stellen,
zich in schatten te kunnen baden, en wat aan een beschaafd en wel
onderwezen man, als Columbus of Cortez, niet gelukt was, dat gelukte
dezen soldaat van fortuin: hij wist zich in zijn gezag te handhaven
tot hij viel onder de dolken zijner vijanden.
[Illustratie: FRANCISCO PIZARRO. (Geb. 1478, vermoord 1541.)]
Na onder De Hojeda en Pedrarias, als ondergeschikt Bevelhebber gestaan
te hebben, werd hij eindelijk Stadhouder van het landschap Uraba, doch
het was er verre af, dat deze aanzienlijke betrekking zijne eerzucht
bevredigde; hij wilde meer zijn, en zonder ophouden dacht hij aan dat
land ver in het Zuiden, waarvan de inboorlingen van Uraba hem zoovele
wonderen wisten te verhalen.
Het was werkelijk een wonderland, zooals later bleek. Het heette Peru,
en bevatte door zijne ligging bijna alle planten der wereld en het
bezat ook groote dieren, die, tam gemaakt, den mensch groote diensten
bewezen. Deze dieren waren de lama's of kameelschapen. Het goud was in
dat land in zulk een' overvloed aanwezig, dat men er bijna hetzelfde
gebruik van maakte, als heden ten dage van het ijzer in onze streken.
Maar dat land onderscheidde zich door nog wat anders dan door rijkdom
aan voortbrengselen uit de drie rijken der natuur, het onderscheidde
zich door beschaving en door regeeringsvorm. De beschaving der
Peruanen was evenwel eene heel andere dan die der Azteken, en stellig
is dit voor een groot deel toe te schrijven aan het bezit van dieren,
die men tot trek- en lastdieren afgericht had. Het is moeielijk te
bepalen hoe heel anders onze eigen Maatschappij zijn zou, zoo we geene
koeien en paarden hadden. Nog veel meer dan nu het geval is, zouden we
onzen geest gericht houden op het vinden van machines om de werkkracht
te vermeerderen. Daar de meeste machines echter met de kennis der
natuur in verband staan, zoo spreekt het vanzelf, dat de Azteken er al
heel weinig hadden, doch ze trachtten dat te vergoeden door het houden
van slaven. In Peru was, voornamelijk omdat men er trek- en lastdieren
had, de slavernij zoo goed als onbekend, en daardoor waren ook de
zeden zachter. Om slaven te verkrijgen moesten de Azteken telkens
oorlog voeren, en daardoor is het geen wonder, dat de Krijgsgod hun
voornaamste God was. Ook de Peruanen voerden oorlogen, doch niet om
slaven te verkrijgen, maar alleen om het Rijk uit te breiden en andere
Volken te regeeren volgens de wetten van Manco Capac.
Eeuwen geleden, zoo vertelde men, waren de Peruanen wilde en woeste
menschen. Eensklaps echter verschenen onder hen een man en eene vrouw
van eene prachtige gestalte en eene heerlijke gedaante. Ze hadden
kleederen aan, en wisten zooveel als de Goden. De man heette Manco
Capac en de vrouw Mámá Ocollo.--Manco Capac leerde den mannen allerlei
mannelijke bedrijven en handwerken, en Mámá Ocollo leerde aan de
vrouwen spinnen, weven en velerlei huiselijk werk. Na den dood dezer
twee zette hun zoon het werk zijner Ouders voort, en gaarne erkenden
de Peruanen ook dezen tot hun Opperhoofd of Inka. Manco Capac en Mámá
Ocollo hadden den vrede bemind, en beschaving van den geest hooger
gesteld dan ruw wapengeweld. Zij hadden den Peruanen ook geleerd, dat
er een Wezen was, dat alles, wat op Aarde is, geschapen heeft. Om dat
geschapene te onderhouden, had Hij iemand aangesteld tot Hoofdgod, en
dezen alleen moesten alle menschen dienen en aanbidden. Deze Hoofdgod
was de Zon.
Wie die Manco Capac en Mámá Ocollo geweest zijn, niemand, die het
weet. De beschaving der Tataren en Indiërs echter, waarvan Marco Polo
zooveel verhaald heeft, de wijze waarop ze gekleed gingen en hunne
huizen bouwden en versierden, geven veel zekerheid aan de meening, dat
Peru beschaafd werd door Mongolen, Indiërs of Perzen, en
waarschijnlijk wel door de laatsten, want de Zonnedienst der Peruanen
kwam in vele opzichten overeen met dien der Perzen.--Dat een Hoofdgod
als de Zon, die slechts goed doet, eene heel andere richting aan de
beschaving moest geven dan een Hoofdgod, die zich bloedige
menschenoffers laat brengen, gevoelt ieder. Het Rijk der Inka's was
dan ook in den loop der eeuwen een land geworden met instellingen,
waarvan de Spanjaarden bijna niets begrepen. De heele oppervlakte van
het Rijk was in drie deelen verdeeld, en die deelen behoorden aan den
Hoofdgod, den Inka en zijn geslacht, en het Volk, doch alle drie de
deelen moesten door het Volk bearbeid worden. Geen land werd veroverd,
of de bodem werd terstond staatseigendom, en op de bepaalde wijze
verdeeld. Met de opbrengst van het Kroonland, als wij het zoo noemen
mogen, bezoldigde de Inka niet alleen zichzelven en zijne familie,
maar ook de Edelen en alle anderen, die hij wilde begunstigen. De
Peruanen bestonden uit drie standen, en wel uit den Priester- en
Adelstand en uit het Volk. De familie der Inka's behoorde tot geen'
stand; daartoe was ze te verheven. Kunsten en wetenschappen werden
vlijtig beoefend door den Priester- en Adelstand, doch altijd onder
toezicht van den Inka. Aan eenige ontwikkeling van het Volk werd niet
gedacht. Het Volk was er alleen tot welzijn van het Peruaansche Rijk,
als geheel, en om dat welzijn nu te bevorderen, zorgden de Inka's
steeds, dat het Volk alles had, wat het als »dier« noodig had om te
leven. We zouden het Peruaansche Volk dan ook geen' beteren naam
kunnen geven dan »uitmuntend onderhouden machine«. Veel nadenken
vereischt het echter niet, dat hetzelfde Volk, hoe de ontwikkeling van
den geest ook onderdrukt werd, bij het dagelijksch zien der verfijnde
beschaving van Inka's, Priesters en Edelen, vanzelf langzamerhand aan
dat machinale leven en werken moest ontgroeien, en dat men maar op
eene gelegenheid wachtte om zich uit dien vernederenden staat op te
heffen. Die gelegenheid kwam. We zeiden hierboven reeds, dat het
geslacht der Inka's eigenlijk tot geen' stand behoorde, en daarom was
er bepaald, dat de zoons uit dat geslacht slechts met de dochters uit
dat geslacht, sommigen beweren met hunne eigen zusters, mochten huwen.
Ook Inka Huana Capac had dat gedaan, en uit dit huwelijk had hij een'
zoon Huascar geheeten. Weduwnaar geworden, veroverde hij het machtige
Rijk Quito, en, tegen alle wetten in, huwde hij voor de tweede maal
met eene dochter van den Koning van Quito. Ook uit dit huwelijk werd
hem een zoon geboren, dien hij den naam van Atahualpa of Athabaliba
gaf. Had het veler ontevredenheid verwekt, dat Huana Capac de oude
wetten met voeten trad, toch had men gezwegen, want hij was een
uitnemend Vorst. Bij zijn overlijden had hij echter bepaald, dat
Huascar hem in Peru, en Atahualpa in Quito zou opvolgen, en dit was
andermaal eene inbreuk maken op de wetten, die bepaalden, dat de
oudste zoon van den Inka, bij den dood zijns Vaders, Inka werd over
het geheele Peruaansche Rijk. Geen land, hoe groot of klein ook, of
het behoorde, zoodra het veroverd was, tot het Inka-gebied, dat één en
ondeelbaar was. Nauwelijks was dan ook Huana Capac, als mummie, op
een' gouden stoel in de schitterende begraafplaats der Inka's
gebracht, of de strijd tusschen de broeders uit de twee verschillende
huwelijken ontbrandde. Het behoeft niet gezegd te worden dat zij, die
alle oude vormen en wetten onveranderd en ongeschonden wilden bewaren,
zich schaarden aan de zijde van Huascar, terwijl zij, die gaarne
verandering gebracht zagen in het machinale leven en werken, de partij
kozen van Atahualpa.
We hebben lang stil gestaan bij iets, wat men alweer geene »ontdekking
van Amerika« noemen kan, doch daar het woord »ontdekking« steeds
vergezeld is door het woord »verovering«, zoo moeten wij dit hier
doen, want zonder dien strijd tusschen de Peruaansche Conservatieven
en Revolutionnairen uit het begin der zestiende eeuw, zou het Pizarro
nimmer gelukt zijn, zich meester te maken van het rijk en van de
schatten der Inka's. Het zij evenwel terstond gezegd, dat Pizarro en
de zijnen niets wisten van die binnenlandsche verdeeldheid, waar ze
een »Goudland« gingen zoeken, dat volgens de geruchten ergens in het
Zuiden lag. Ze vernamen dat later.
Toen Pizarro eenmaal besloten had om dat onbekende, rijke land op te
sporen, verbond hij zich met zekeren Diego Almagro, en beiden zeilden
met twee kleine scheepjes uit. Hun tocht was evenwel zeer rampspoedig,
en bijna een jaar later kwamen ze onverrichter zake terug, zonder
evenwel den moed opgegeven te hebben. Een rijk man Gaspar De Espinosa,
die te Santa-Maria of daar ergens in den omtrek woonde, liet zich door
Hernando De Luque, een' Priester, overhalen om geld voor de werving en
het bouwen van twee schepen voor te schieten. Waar De Luque met de
twee avonturiers een verbond aanging, meende De Espinosa voldoende
waarborg te hebben voor de twintigduizend onsen goud, die hij in deze
onderneming stak.
Deze tweede tocht scheen voordeeliger te zullen zijn dan de eerste,
want nog niet heel lang waren ze onderweg, of ze veroverden een dorp,
en bemachtigden daarbij zooveel goud, dat Almagro met zijn schip, rijk
geladen, naar Panama terugkeerde. Men deed dit vooral om avonturiers,
die aan den goeden uitslag getwijfeld hadden, te lokken met Almagro
terug te keeren naar het schip van Pizarro, die inmiddels den tocht
zou voortzetten. Toen evenwel Almagro met versterking terugkwam, moest
men de verdere reis voor eene poos staken, omdat het jaargetijde in
hun nadeel was. Toen eindelijk weer en wind zóó waren, dat men verder
trekken kon, kregen ze het bij het kleine eiland Gallo, bij de kust
van Quito gelegen, met de inboorlingen zóó te kwaad, dat er besloten
werd dat Almagro andermaal naar Panama om versterking zou gaan, en in
dien tusschentijd zou Pizarro op dit eiland Gallo hem afwachten.
De nieuwe Landvoogd van Goud-Castilië en Nieuw-Andalusië, die
Pedrarias opgevolgd was en Don Pedro De los Rios heette, wilde evenwel
niets van nieuwe wervingen weten, en zond zelfs een schip uit om
Pizarro van het eiland Gallo terug te halen, en hem te verbieden, den
ontdekkingstocht voort te zetten. Het schip van De los Rios vond
Pizarro met de zijnen in een' ellendigen toestand, doch Pizarro was
niet te bewegen om naar Panama terug te keeren, en toen Almagro en De
Luque hem eindelijk eenige versterking en levensmiddelen zonden,
besloot hij den tocht voort te zetten.
Zijne volharding werd met den meest begeerden uitslag bekroond, want
eindelijk kwam hij op de kust van Peru aan. Hoe stond hij verbaasd
daar eene schoone havenstad te vinden! Voor de haven en zelfs tot diep
in zee wemelde het van uitmuntend gebouwde booten, die van zeilen en
roer voorzien waren. De inwoners waren allen zeer goed gekleed,
beleefd en voorkomend. Zij vertelden, dat hunne stad Toembez heette,
en een paar mannen van Pizarro's schip kregen zelfs vergunning om aan
den wal te komen en den zonnetempel binnen te treden. Weer aanboord
teruggekeerd, waren ze niet uitgesproken over de schatten van goud en
zilver, die ze gezien hadden. Pizarro voer nog een heel eind het
Zuiden in, doch hoe verder hij kwam, hoe meer hij zag, dat hij hier
niets uitrichten kon. De inwoners waren volstrekt niet bevreesd voor
de mannen met baarden, en beschouwden hen alleen, als een soort van
hemelsche wezens, aan wie donder en bliksem onderworpen waren. Wilde
men hier wat in het belang van de Spaansche Kroon verrichten, dan was
er eene veel sterkere macht noodig, en daarom keerde Pizarro naar
Panama terug, in de hoop, dat zijne verhalen van hetgeen hij en zijn
volk gezien hadden, tal van mannen bewegen zou om te beproeven, dat
machtige land met al zijne schatten te veroveren. Om het niet te laten
enkel bij verhalen, bracht hij ook eene groote hoeveelheid goud mede,
dat hij op eene gemakkelijke manier tegen kleinigheden ingeruild had.
Van Toembez had hij bovendien twee inwoners aanboord, die vrijwillig
met hem medegegaan waren.
Toen hij evenwel te Panama aankwam, was Don Pedro De los Rios nog
altijd even vijandig aan het plan. Hij diende nu, van achteren bezien,
wel de wetenschap niet, maar hij toonde toch, dat hij eene groote
uitzondering op vele Spanjaarden maakte, want hij verbood alle
werving, en zeide, dat er al meer dan genoeg menschenlevens geofferd
waren voor een handvol gouds en een paar Peruaansche schapen, die
Pizarro medegebracht had. Wilde het driemanschap hun plan doorzetten,
dan moest men andere middelen te baat nemen, en hiertoe werd besloten.
Men wilde, om tot het groote doel te geraken, niet langer den
kostbaren tijd zoek maken door met een' koppigen Gouverneur te
onderhandelen, maar sloeg den Koninklijken weg in. Pizarro zou naar
Spanje gaan, en daar den Koning om zijne hulp vragen. Na eene
voorspoedige reis kwam Pizarro in zijn Vaderland, en verscheen bijna
tegelijkertijd met Cortez aan het Hof. Hij werd daar zeer goed
ontvangen, en Koning Karel aarzelde geen oogenblik om den moedigen
avonturier en twee deelgenooten te steunen met zijne volkomen
goedkeuring. Geld of schepen vroeg Pizarro niet, zoodat Koning Karel
hem gemakkelijk veel beloven, en goedkoop veel geven kon. Den
zesentwintigsten Juli 1529 werd dan ook tusschen den Koning van Spanje
en Pizarro het volgende verbond gesloten. Pizarro verbond zich van
zijne zijde om het machtige en rijke Peru te veroveren voor de
Spaansche Kroon, en was hem dit gelukt, dan stelde Koning Karel van
zijne zijde Pizarro aan tot Stadhouder en Opperbevelhebber van Peru,
terwijl Almagro als Bevelhebber van Toembez tot den Adelstand verheven
werd, in welke laatste eer Pizarro natuurlijk ook deelde, daar de
Koning hem tot Ridder van San-Jago sloeg. De Luque zou Bisschop van
Toembez worden, doch alle benoemingen, zoo van Officieren als
Ambtenaren, zou een recht zijn, dat alleen aan het Stadhouderschap
verbonden was. Aan dit laatste voordeel was het bezwaar verbonden, dat
Pizarro al de kosten voor zijne eigen rekening zou nemen. Nu, dat
wilde de avonturier wel, want niet alleen had hij voor zijn plan de
Koninklijke goedkeuring verworven, hij had ook een' raad ontvangen,
die het welslagen zijner onderneming zoo goed als verzekerde. Cortez
had hem namelijk aangeraden met Atahualpa te doen, wat hij indertijd
met Montezuma gedaan had, en Pizarro, die ontwaard had, dat de
Peruanen zeer argeloos waren, meende dat Atahualpa even goed in de val
gelokt zou worden als Montezuma.
Verlokt door de schitterende aanbiedingen, die hij deed, nam hij uit
Spanje, behalve vier zijner broeders, nog een groot aantal mannen
mede, die onder zulk een' Aanvoerder het wel eens wagen wilden een
land vol goud en zilver te veroveren. Almagro en De Luque waren met de
tijdingen, die Pizarro medebracht, niet zeer ingenomen. Zij handelden
immers in gemeenschap? En waarom moest hij dan zoo hoog boven hen
verheven worden? Er ontstond tusschen Pizarro en Almagro een hevige
twist, die nog hooger liep toen de vier broeders van Pizarro er zich
in mengden, en reeds bestond het gevaar, dat de heele onderneming in
duigen vallen zou, toen De Luque en De Espinosa, die beiden reeds
zulke groote sommen voorgeschoten hadden, de zaak wisten bij te
leggen, door Pizarro over te halen, afstand te doen van zijne
benoeming tot Opperbevelhebber of Adelantado.
Nu men weer zoo ver was, begon men met kracht aan de uitrusting van
eene vloot en een leger, maar dit plan mislukte deerlijk. Vertrouwde
men De Luque en De Espinosa al, Almagro vertrouwde men niet, en nog
veel minder vertrouwde men Pizarro met zijne vier broeders, zoodat de
verbondenen zich ten slotte moesten tevreden stellen met drie
scheepjes, honderddrieëntachtig mannen, waaronder, tot Pizarro's
geluk, nog vijfentwintig ruiters waren, eenige musketten en een paar
kanonnen.
Vol moed en vertrouwen aanvaardde men evenwel den tocht en hadden
Pizarro en Almagro aanvankelijk ook te strijden tegen oproerige
handelingen van goudgierige manschappen, die niets vonden dan
onbevolkte kusten en verlaten dorpen, toch bleven ze volharden.
Eindelijk kwamen ze aan de kuststreek, die »Coaque« genoemd werd, en
hier vonden ze in de huizen, waaruit ze de inwoners verdreven hadden,
goud in overvloed. Voor het welslagen van den tocht was dit eene
gelukkige gebeurtenis. Het regen-seizoen was op handen en indien men
nu nog geen goud gevonden had, dan zou de oproerige manschap Pizarro
stellig tot den terugtocht gedwongen hebben. Nu in het bezit van goud,
en met het gegronde vooruitzicht van nog meer goud te zullen
verkrijgen, wilde men den regentijd, die steeds van stormen en
onweders vergezeld ging, wel op het eiland Poena, in de nabijheid der
kust, overblijven. Dat er gebrek aan levensmiddelen zou komen,
behoefde men niet te vreezen. Toen het weder zich weer in hun voordeel
veranderd had, zette men den tocht voort en aan de monding van de
rivier de Pioera besloot Pizarro een fort te bouwen en daar eene
Kolonie achter te laten. Het fort kreeg den naam van San-Miguel de
Pioera, en het kan de eerste Spaansche stad in Peru genoemd worden.
Een der Peruanen uit Toembez had met Pizarro de reis naar Spanje
medegemaakt, vrijwillig zeiden we. Nu ja, Pizarro had hem niet
gedwongen, maar Felipillo, zoo heette de man, had wat op zijn geweten,
en zou door Inka Atahualpa hoogstwaarschijnlijk niet zoo heel
vriendelijk behandeld zijn. Deze Felipillo nu was met den anderen
Peruaan alweer bij Pizarro aanboord. Beiden hadden in dien
tusschentijd voldoende Spaansch geleerd om als tolk op te treden, en
van hen had Pizarro later vernomen, dat er een burgeroorlog in het
Inka-rijk woedde en wel tusschen twee Kroon-pretendenten. Hier te
San-Miguel nu hoorden de tolken, dat Inka Atahualpa, na eerst het
onderspit gedolven te hebben, thans weer overwinnaar was en dat hij
zijn' broeder, Inka Huascar, die zijn tegenstander was gevangen hield.
Verder werd er verteld, dat Atahualpa met zijn overwinnend leger een
kamp in het gebergte betrokken had, niet ver van de staat Caxamalca,
om in een' volgenden veldtocht de laatste aanhangers van zijn' broeder
te onderwerpen.
Zoodra Pizarro dit alles hoorde, nam hij het stoute besluit om Inka
Atahualpa in zijn kamp een bezoek te brengen. Daar hij even vóór zijn
vertrek weer versterking van manschappen en krijgsmaterieel uit Panama
ontvangen had, kon hij eene voldoende bezetting achterlaten in het
kleine fort om met de overige mannen den stouten tocht te ondernemen.
En wel mocht die tocht stout, zoo niet meer genoemd worden. Zijn
geheele leger bestond uit slechts zevenenzestig ruiters, honderdtien
lansknechten, zeventien boogschutters en drie musketiers benevens
eenige kleine kanonnen, en uit hetgeen Pizarro van Felipillo begrepen
had, kon de Inka gemakkelijk tegenover één Spanjaard duizend Peruanen
stellen. Het zou dan ook groote dwaasheid geweest zijn om met dit
legertje Peru door een' oorlog te veroveren, en Pizarro, die niet
alleen een geboren Veldheer, maar ook een geboren Staatsman was, had,
zooals we weten, een heel ander plan.
Met behulp der tolken werd men overal zeer vriendelijk en voorkomend
ontvangen, wat niet te verwonderen was, want het bevel van Pizarro,
dat niemand eenig geweld mocht plegen, werd stipt gevolgd. Ook hier
waren, even als elders in de Nieuwe Wereld, de ruiters het voorwerp
van verbazing en vrees, want nimmer had men het veelgebruikte
kameelschaap afgericht tot het dragen van een' ruiter, en de forsche
paarden met hunne fiere gestalte maakten op sommige plaatsen zooveel
indruk, dat men gouden sieraden, als een offer, voor hen neerlegde. Na
eene lange en afmattende reis, omdat de kanonnen moeielijk te
vervoeren vielen en men ze toch niet wilde achterlaten, kreeg men, op
eenige dagreizen afstands van Caxamalca, bezoek van enkele Afgezanten,
die de vreemdelingen namens den Inka welkom heetten en hun eenige
geschenken aanboden. Pizarro ontving de Gezanten vriendelijk en zond
hen met enkele voorwerpen van Europeesch maaksel, als een geschenk
voor den Inka, terug. Toen men eindelijk te Caxamalca aankwam, was het
half November geworden. Pizarro vond de groote en schoone stad geheel
verlaten en zond nu zijn' broeder Hernando, aan het hoofd van eenige
ruiters, naar het Peruaansche kamp om den Inka vriendelijk uit te
noodigen een mondgesprek te willen komen houden met den Veldheer van
den machtigen Keizer uit verre landen.
Het kamp van Atahualpa kon uit Caxamalca gemakkelijk gezien worden, en
één blik erop was voldoende om elken avonturier den schrik om het hart
te doen slaan. Gelegerd tegen de hellingen van het gebergte, was het
kamp niet te overzien. Duizenden en duizenden soldaten bewoonden daar
tenten, die met de meeste orde opgeslagen waren, en nergens was iets
te ontdekken, dat op gebrek aan krijgstucht wees. De soldaten waren
goed gewapend en uit alles bleek, dat ze ook aan eene soort van
exercitie onderworpen waren en den oorlog voerden naar krijgsregelen.
Wat moest men hier beginnen? Pizarro zou het zijn volk duidelijk
maken, en hij had het voorbeeld van Cortez in zijn voordeel. Het was
een waagstuk den Inka gevangen te nemen, dat gevoelde ieder, maar àls
het plan gelukte, dan zou men alles gewonnen hebben, geloofde men
algemeen. Eindelijk kwam Hernando Pizarro met zijn gevolg terug en hij
bracht het bericht mede, dat de Inka den volgenden dag in persoon
komen zou, doch meteen was er het bevel bij om in Caxamalca slechts
eenige huizen, aan een groot plein gelegen, te mogen betrekken. Dat
Inka Atahualpa een zeer trotsch man was, die hen uit de hoogte
behandeld had, vertelden zij ook, en deze mededeeling was niet zeer
geschikt om den Inka de hoogachting van de Spanjaarden te verzekeren.