uit het hoofd keken? Ook Cortez deed dat, maar hij zorgde er voor,
zich niet te laten verblinden, en weldra kwam hij er achter, dat het
doel van Montezuma en de Azteken was om hem en de zijnen in een'
zorgeloozen roes van wellust en weelderigheid te brengen. Cortez hield
zich evenwel, alsof hij het niet zag, en het mag ter eere van de
meeste Spanjaarden gezegd worden, dat zij van zulk een leven walgden.
De matigheid van Cortez in het gebruik van spijs en drank, en de zucht
om het lichaam te harden, had een' gunstigen invloed op zijn volk. Met
afgrijzen zagen ze ook de bloedige offerfeesten aan de Afgoden aan, en
het werk der bekeering werd met kracht begonnen, doch zonder veel
baat. De godsdienst der Azteken had zich veel te veel vereenzelvigd
met het heele maatschappelijke leven om hem dadelijk door het
Evangelie te vervangen, dat terstond ook eene omkeering in het
dagelijksche doen en laten zou brengen. Toen nu Cortez zag, dat hij
niet vorderde met het invoeren van het Christendom, en dat er ook
geene sprake was van eenige onderwerping aan den Koning van Spanje,
begreep hij niet langer te moeten dralen. Er was meer, dat hem tot
handelen dwong. De bezetting van Vera-Cruz was door de Azteken
aangevallen, en hoewel de Spanjaarden de overwinning behaald hadden,
hadden ze toch één' man in den strijd verloren. De Azteken hadden
dezen Spanjaard onthoofd, en het hoofd naar Montezuma gezonden. Het
bijgeloof, dat de »Zonen van den God der lucht« onsterfelijk waren,
hield dus op te bestaan, en juist dit bijgeloof was Cortez' grootste
kracht. Hij nam nu met overleg en goedvinden van zijne
Onderbevelhebbers Montezuma, toen deze in het paleis van de
Spanjaarden op bezoek was, gevangen, en hield hem in zijne
onmiddellijke nabijheid. Alle besluiten, die Montezuma nam, en alle
bevelen, die hij uitvaardigde, kwamen nu ter kennis van Cortez, die
weigerde ze uit te voeren wanneer ze tegen zijn' zin waren.
Aanvankelijk verzette Montezuma zich wel, doch toen de aangeklaagde
Stadhouder van Vera-Cruz, die den Spanjaard had laten onthoofden, met
zijne onderhoorigen voor Montezuma verscheen, gaf deze hen aan Cortez
over om er recht over te spreken. Het was een kort recht, dat gehouden
werd, en het vonnis luidde, dat de Gouverneur en de zijnen levend
verbrand zouden worden. In de hoop van hun leven te redden, zeiden de
veroordeelden nu, dat ze op bevel van den Keizer gehandeld hadden,
waarop Cortez den Keizer, die alles ontkende, als verrader in ketenen
liet leggen. Het vreeselijke vonnis werd voor het paleis voltrokken,
en pas toen de laatste rookwalmen van de brandstapels verdwenen waren,
liet Cortez hem de ketenen afnemen. De verwijfde Vorst, die alle
ziels- en geestkracht miste, schikte zich nu in alles, wat Cortez
wilde, zoodat deze feitelijk het heele rijk regeerde. Montezuma nam
den Christelijken godsdienst aan, en erkende Koning Karel als zijn
Opperheer, ja, hij ging in zijne lafhartigheid zelfs zóó ver, dat hij
zijn volk liet weten, dat hij geheel vrijwillig zich te midden van
zijne vrienden, de Spanjaarden, bevond, en meteen gaf hij bevel om
een' der prachtigste tempels van Tenochtitlan aan de vreemdelingen af
te staan, opdat dezen daarin hunne godsdienst-plechtigheden zouden
kunnen verrichten. Een storm van verontwaardiging stak thans onder de
Priesters en het volk op, en de toestand werd zóó dreigend, dat zelfs
Montezuma alweer moed begon te krijgen, en Cortez beval om niet alleen
de stad Tenochtitlan, maar het heele rijk te verlaten. Om tijd te
winnen, zeide Cortez, dat hij dit doen zou, maar dat hij dan eerst
schepen moest laten bouwen. Waren deze klaar, dan zou hij vertrekken,
maar tegelijk Montezuma als gijzelaar medenemen. Zoodra de Keizer dit
hoorde, begon hij alweer heel anders te spreken en was Cortez in alles
ter wille. Het scheen dus dat het groote rijk der Azteken al op eene
heel gemakkelijke en onbloedige wijze aan de Spaansche Kroon zou
komen, doch Cortez had buiten den waard gerekend, en deze waard was
zijn onverzoenlijke vijand Velasquez, die, jaloersch op de
welgeslaagde onderneming van zijn' tegenstander, eene vloot van
achttien schepen, onder bevel van Don Panfilo De Narvaëz naar
Vera-Cruz zond. Aan boord der schepen bevonden zich negenhonderd
uitstekend gewapende soldaten, negentien ruiters en twaalf kanonnen
met een' grooten voorraad van kruit en lood. Zoodra Cortez de landing
van dit leger vernam, liet hij Don Pedro de Alvarado met
honderdvijftig man ter bewaking van Montezuma in Tenochtitlan achter,
en met slechts tweehonderdvijftig man trok hij met geforceerde
marschen naar Vera-Cruz, overviel Narvaëz, die geen kwaad vermoedde,
en versloeg hem. De verwarring was zóó groot, dat er slechts weinigen
sneuvelden, en allen gevangengenomen werden. Door list en
toegevendheid wist Cortez het nu zoo ver te brengen, dat bijna geheel
het leger van Don Narvaëz hem met alles, wat het bij zich had,
toeviel, en thans bezat onze stoute avonturier eene macht, waarmede
hij naar zijne meening, heel gemakkelijk, desnoods met geweld, het
gansche rijk van Montezuma onderwerpen kon. Pas echter was hij bezig
met zijn leger te ordenen, toen hij de tijding kreeg, dat er te
Tenochtitlan eene gevaarlijke opstand uitgebroken was. Aanvankelijk
had De Alvarado, op raad van Cortez, de Azteken met veel toegevendheid
behandeld, en stond hij zelfs toe dat de Opperhoofden in den tempel
van den Krijgsgod feest mochten vieren, indien men er maar geen
menschenoffers bracht, en de Hoofden ongewapend verschenen. Wel
zeshonderd Edelen zonder wapenen, doch beladen met goud en juweelen,
waren in den tempel, toen De Alvarado van de Tlascalanen vernam, dat
er onder die bijeenkomst der feestelingen heel wat anders school dan
feestvreugde, en dat het plan er gesmeed werd om de Spanjaarden aan te
vallen en Montezuma te bevrijden. Zonder onderzoek te doen naar de
waarheid van dit beweren, greep De Alvarado de ongewapenden aan, en
richtte met de zijnen een vreeselijk bloedbad aan, waarna de
goudgierige Spanjaarden zich op de lijken wierpen om ze te plunderen.
Had De Alvarado gedacht met deze handeling de Azteken door vrees te
verpletteren, er gebeurde heel wat anders. De geheele stad kwam in
opstand en begon het paleis der Spanjaarden te belegeren. De
vreeselijke kanonnen mochten er honderden dooden, het hielp niet; voor
honderd gevallenen kwamen dubbel zooveel wanhopige strijders in de
plaats. Eindelijk verscheen Cortez in de nabijheid van Tenochtitlan,
en Montezuma, die vol verlangen zijne terugkomst verbeid had, zond hem
Gezanten tegemoet. Cortez evenwel, vernomen hebbende, dat Montezuma
niet alleen in stilte met zijn volk onderhandelde, maar zelfs met
Narvaëz in betrekking stond, beleedigde de Gezanten, en schold den
Keizer uit voor »hond van een' Koning«. Hoogstwaarschijnlijk was er nu
van verraad van Montezuma geene sprake, en dezelfde man, die tot
lafhartigheid toe zich aan Cortez onderworpen had, was thans, door de
beleediging hem aangedaan, diep verontwaardigd en gegriefd, en wat
Cortez, wien aan de genegenheid en onderwerping van den Keizer bijna
alles gelegen was om de oude verhouding te herstellen, ook deed, het
gelukte hem slechts maar tendeele.
[Illustratie: Keizer Montezuma door pijlen en steenen zwaar gewond.]
Intusschen werd de toestand der belegerden met ieder oogenblik
dreigender, en thans verlangde Cortez, dat Montezuma als bemiddelaar
optreden zou, doch deze weigerde dit te doen. Eindelijk echter liet
hij zich overhalen; hij kleedde zich, en met al de waardigheden van
zijn' rang versierd, beklom hij den toren boven het paleis der
Spanjaarden, en vertoonde zich aan het volk. Dadelijk heerschte onder
den hoop, die bijna schouder aan schouder voor het paleis op het plein
stond, eene sombere stilte, doch toen Montezuma begon te zeggen, dat
hij verlangde dat al zijne onderdanen de wapenen zouden neerleggen, en
dat hij een vriend van de Spanjaarden was, steeg er een woest
geschreeuw op; pijlen snorden door de lucht, en groote steenen vielen
in de richting van het torenplat. Getroffen door steenen en pijlen
werd de arme Keizer door de Spanjaarden weggedragen en zorgvuldig
verbonden. Cortez wilde hem in het leven behouden, doch in een
onbewaakt oogenblik rukte Montezuma de verbanden van de wonden, die nu
onherstelbaar waren, en den dertigsten Juni 1520 overleed hij.
Grooter ramp had Cortez op dat oogenblik niet kunnen treffen, en er
zat voor hem nu niets anders op dan de stad te verlaten. Dat moest
evenwel in alle stilte geschieden. In den nacht tusschen den eersten
en tweeden Juli maakte Cortez zich voor den aftocht gereed. De
Keizerlijke versierselen en kroon-juweelen, die een' onnoemlijken
schat vertegenwoordigden, liet hij op een paard laden, doch zijn volk
verzocht hij zoo weinig goud mogelijk mede te nemen, omdat dit hun op
den tocht last veroorzaken kon. Zijne oude soldaten gehoorzaamden hem,
doch de soldaten van Narvaëz, die gedroomd hadden van schatten te
zullen verzamelen, en die inplaats daarvan wanhopig hadden moeten
strijden, luisterden er niet naar, en staken alle zakken vol met goud,
juweelen en parelen.
Eindelijk toen de heele stad in duisternis gehuld was, verliet Cortez
met de zijnen en met de Tlascalanen zoo stil mogelijk het paleis.
Reeds waren ze op een' der laatste dammen gekomen, en meenden ze in
veiligheid te zijn, toen de Aztekische schildwachten den aftocht
gewaar werden en alarm maakten. Oogenblikkelijk was de heele stad in
beweging. De Priesters hitsten van de daken der tempels het volk tot
wraakneming aan. Het meer zag zwart van kano's, tot zinkens geladen
met woeste krijgers.
»Voorwaarts! Voorwaarts!« klonken de bevelen van Cortez en zijne
Bevelhebbers.
Maar de orde werd verstoord, want zij, die achteraan kwamen, en dus
het meest te lijden hadden van de steenen en de pijlen der Azteken,
begonnen te duwen, te dringen en te schreeuwen. Ten deele waren de
bruggen, die de dammen met elkander verbonden, weggenomen of
afgebroken, en zij, die nu bij zulk eene afgebroken brug kwamen,
werden door de opdringende menigte onbarmhartig in het meer geduwd. Er
ontstond eene ontzettende verwarring en naar bevelen werd niet meer
geluisterd; ieder trachtte zich te redden, zoo goed hij kon. De
soldaten van Narvaëz echter, die zich zoo zwaar met goud beladen
hadden, werden door het gewicht van hun' roof verhinderd te zwemmen en
moesten verdrinken of werden levend gevangengenomen om als krijgsbuit
aan den Oorlogsgod geofferd te worden.
[Illustratie: Cortez in den »Nacht der treurigheid« op een' dam van
Tenochtitlan.]
Cortez verrichtte wonderen van dapperheid en wendde bijna
bovenmenschelijke pogingen aan om de orde te herstellen. Het was
echter alles vergeefsch, en pas tegen het aanbreken van den morgen
bereikte hij met het overschot van zijn legertje den oever. Het was
een treurig overschot, want meer dan de helft zijner soldaten had in
het meer een' akeligen dood gevonden of wachtte in de gevangenis het
verschrikkelijke oogenblik af om aan den Krijgsgod geofferd te worden.
»_Noche triste!_« riep Cortez met tranen in de oogen uit, en thans
noemt men nog altijd in Mejico iets, dat vreeselijk treurig is een
»Noche triste« of »Nacht der treurigheid.«
Al zijn geschut was verloren gegaan, en slechts enkele paarden waren
overgebleven. De heele ruiterij bestond maar uit drieëntwintig man. De
musketten waren weggeworpen; kruit en kogels lagen bij de kanonnen op
den bodem van het meer.
Hadden de Azteken, inplaats van in dolle vreugde het offerfeest te
vieren, zich terstond op Cortez' bende geworpen, de Spanjaarden zouden
dan onherroepelijk verloren zijn geweest. Nu echter hadden Cortez en
de zijnen tijd om wat uit te rusten, en zich voor den tocht naar
Vera-Cruz gereed te maken. Eer ze evenwel nog halverwegen waren,
ontmoetten ze een ontzettend groot leger van Azteken, te wapen
geroepen door Cuitlahuac, den broeder en opvolger van Montezuma.
»Overwinnen of sterven, broeders,« sprak Cortez tot de zijnen, en
allen beaamden het ten volle, en geloofden dat het »sterven« zijn zou,
want zonder kanonnen of musketten konden ze zulk eene verpletterende
overmacht niet keeren. Dat »zich overgeven« hetzelfde was, als »aan de
Goden geofferd worden,« ieder wist dat, en zoo ving men den ongelijken
kamp aan, vast besloten zijn leven zoo duur mogelijk te verkoopen. De
aanval werd zelfs door de Spanjaarden en trouwe Tlascalanen gedaan,
doch reeds scheen voor Cortez alles verloren te zijn, toen hij den
Aanvoerder van het vijandelijke leger in het oog kreeg, die met
opgeheven banier den slag bestuurde. Het was eene wanhopige poging,
maar het eenige middel tot behoud.
»Santiago! Santiago! Volgt mij!« riep hij, en vergezeld door enkele
ruiters rende hij op den Aztekischen Bevelhebber toe, ontrukte hem de
banier en doodde hem.
De heilige krijgsbanier in handen van den vreeselijken »Malinche!«
Ontzetting greep de Azteken aan, en zij die op het punt stonden om
alle Spanjaarden te dooden, sloegen nu op de vlucht, achtervolgd door
Spanjaarden en Tlascalanen, die de moordbijl zwaaiden tot vermoeidheid
hen dwong ze neer te leggen. Deze schitterende overwinning behaalde
Cortez den achtsten Juli 1520 bij Otumba.
Zwaar gekwetst kwam Cortez in de hoofdstad van zijne getrouwe
Tlascalanen aan, en verscheidene dagen lag hij daar tusschen leven en
dood. Zijn sterk gestel echter zegevierde; hij herstelde. En wat hij
in het ijlen der wondkoorts uitgeroepen had: »Ik zàl Mejico
onderwerpen!« dat begon hij nu, waar hij weer de oude, veerkrachtige
man was, terstond te beproeven. Na den verschrikkelijken slag bij
Otumba schenen de Azteken met verlamming geslagen te zijn, want dat
dit kleine hoopje Spanjaarden op honderdduizenden de overwinning
behalen kon, dat moest iets goddelijks zijn; het kon niet anders. De
eene stad na de andere werd dan ook door Cortez ingenomen, en toen
Velasquez, niet wetende, dat Narvaëz in boeien lag, andermaal
versterkingen zond, lieten de nieuw aangekomen benden, toen ze
vernamen hoe de zaken stonden, zich gemakkelijk overhalen om onder
Cortez' vanen dienst te nemen. Bij de eerstvolgende wapenschouwing,
die gehouden werd, bleek dat het leger bestond uit zeshonderd
voetknechten, gewapend met hellebaarden, lansen en zwaarden, tachtig
musketiers, veertig ruiters en ongeveer tweehonderd duizend
Tlascalanen en andere Indianen. Verder had hij nu alweer twaalf
kanonnen en een' voldoenden voorraad van kruit, lood en
levensbehoeften. Wat belette hem thans om den dood te wreken van hen,
die in den »Noche triste« gevallen waren? De vrees en schrik zaten er
bij de Azteken in, en Cortez meende, dat hij veilig kon overgaan om
Tenochtitlan in te nemen en te plunderen. Was de hoofdstad gevallen,
dan zouden daarbij duizenden en duizenden Azteken omgekomen zijn en de
verdere verovering van het land zou niet veel moeielijkheden baren.
Thans hield Cortez in dien geest eene toespraak tot het leger en de
Spaansche soldaten waren terstond bereid om met hem op te trekken, en
toen Marina de toespraak ook vertaald had voor de Tlascalanen en
andere bondgenooten, toonden ook dezen zich bereidwillig om den
»Malinche« te volgen. Wilde hij echter met hoop op een' goeden uitslag
het beleg van Tenochtitlan ondernemen, dan had hij schepen noodig,
welke in den omtrek van het meer zouden gebouwd worden. Gedurende den
tijd, dat men aan die schepen werkte, werden er benden uitgezonden,
die de steden, daar in den omtrek gelegen, innamen en plunderden.
Bijna nergens werd tegenweer geboden. Eindelijk waren de schepen klaar
en Cortez liet ze door de Tlascalanen naar het meer dragen en te water
brengen, en toen men dit gedaan had, kreeg Narvaëz, ditmaal uit
Hispaniola, eene versterking van tweehonderd man, tachtig paarden en
een groot aantal kanonnen. Wat voor Narvaëz gekomen was, nam Cortez,
en de mannen waren met dien ruil van Bevelhebber zeer tevreden.
Te midden van al deze bedrijven was het inmiddels al Juli van het jaar
1521 geworden. Het volk werd ongeduldig en wilde, nu men eene
voldoende macht bijeen had, ook maar aanstonds de verovering van
Tenochtitlan beginnen, doch Cortez, die zijn' vijand maar al te goed
kende, en wist hoe alleen voorzichtigheid en beleid hier zegevieren
konden, maande tot geduld en kalmte aan. De broeder van Montezuma was,
na zijne korte regeering, gestorven, en door zekeren Guatemozin, een
verklaard vijand van de Spanjaarden en een geducht krijgsman,
opgevolgd. Hiermede diende rekening gehouden te worden, want de Keizer
zoowel als zijne onderdanen begrepen, dat het te doen zou zijn om den
ondergang der Azteken en van het Mejicaansche rijk, of om den
ondergang der Spanjaarden. In een' krijgsraad werd nu, tegen den zin
van Cortez, besloten, om den derden Juli reeds een' aanval op de heele
stad te doen. Wel trachtte Cortez dit tegen te houden, doch men
luisterde niet naar hem. Gereed staande om den aanval te beginnen,
waarschuwde Cortez nog, om niet te snel voort te trekken, zelfs dan
niet, als ze een open terrein voor zich hadden. Hij kende de manier
van oorlogvoeren der Azteken en wist, dat ze den schijn zouden
aannemen, van te vluchten. Ook deze raad van Cortez werd niet
opgevolgd, en vol overmoed kwamen de soldaten over de dammen tot diep
in de stad. Op eenmaal echter liet Guatemozin van zijn paleis den
krijgshoorn klinken, en de vluchtelingen werden aanvallers. Cortez
snelde toe om zijne makkers bij te staan en viel gewond in het meer.
»Malinche! Malinche!« joelden de Azteken, en verscheidene handen waren
gereed hem gevangen te nemen, toen een der Spaansche soldaten zijn
leven opofferde om zijn' Veldheer te redden. Met zware verliezen waren
de Spanjaarden afgeslagen, en aan den oever van het meer gelegerd,
zagen ze des nachts, dat hunne gevangengenomen makkers, bij
fakkellicht, boven op de daken der tempels, aan de Goden geofferd
werden. In zijn' overmoed liet nu Guatemozin tot ver in het land
verkondigen, dat de Krijgsgod door de laatste offers voldaan was, en
dat binnen acht dagen geen enkele Spanjaard meer over zou zijn. Door
deze profetie verschrikt, verlieten de meeste Bondgenooten, waaronder
zelfs vele Tlascalanen waren, de legerplaats van Cortez, die alleen
zeide: »Trekt maar niet te ver, want over acht dagen zult gij zien,
dat alle Spanjaarden er nog zijn!« Toen nu werkelijk eene week later
zelfs niet één Spanjaard gevallen was, kwamen al de Bondgenooten terug
en Cortez had gewonnen spel. Gewonnen spel had hij ook door te zeggen,
dat de eerste aanval mislukt was, omdat men niet naar zijn' raad
geluisterd had.
»Men moet met behoedzaamheid langzaam voorwaarts dringen,« zeide hij.
»Komt men bij een huis, men breke het af en gebruike het puin om de
grachten te vullen en de dammen te versterken.«
Zoo deed men meer dan eene maand lang. De prachtigste paleizen lagen
in puin en vulden de grachten of het meer. De eene straat na de andere
verdween en steeds kleiner werd de plek, waar de verdedigers stand
hielden, te midden van den vreeselijksten hongersnood. Den derden
Augustus 1521 werd de laatste versterking ingenomen en met den grond
gelijk gemaakt, en--het schoone Tenochtitlan was verdwenen van de
oppervlakte der Aarde. Guatemozin werd gevangen voor Cortez gebracht
en zeide: »Malinche, ik heb alles gedaan, wat een krijgsman doen kon.
Het hielp mij niet. Neem nu uw zwaard en dood mij, want het leven is
mij eene ergernis.«
»Neen, Guatemozin, vrees niet! Malinche doodt geene helden als gij
zijt,« antwoordde Cortez. »Uw leven is veilig!«
Het was te veel gezegd. Waar waren de onbegrijpelijk groote schatten
aan goud, edelgesteenten en parelen gebleven? Niemand kon ze vinden,
en nu eischte het volk, dat men Guatemozin op de pijnbank leggen zou,
opdat hij bekende, waar ergens al die schatten gebleven waren. Cortez
wilde er eerst niets van weten, doch toen het volk tot oproer dreigde
over te slaan, gaf hij toe. Het pijnigen hielp niet, en welk een moed
Guatemozin had, bleek wel hieruit, dat hij een' klagenden vriend, die
ook op de pijnbank gefolderd werd, kalm toevoegde: »Denkt gij dan,
mijn vriend, dat ik in een bad lig?« Cortez, dit pijnigen moede, liet
beide Vorsten wegvoeren.
Na de verwoesting van Tenochtitlan, waarbij, den eersten aanval
uitgezonderd, slechts weinig Spanjaarden gesneuveld waren, had de
verovering van het Mejicaansche rijk zooveel moeite niet meer in,
zoodat Cortez, na eenigen tijd, aan Koning Karel melden kon, dat hij
een land aan Spanjes Kroon gebracht had, veel grooter dan het heele
gebied zijns Konings in Europa, en zóó rijk, dat de schatten eenvoudig
niet te overzien waren.
Er heerschte in dat bericht geene overdrijving, want Mejico was langs
den Stillen Oceaan zevenendertighonderd en vijftig, en langs den
Atlantischen Oceaan drieduizend Kilo-meter lang. Nog steeds grooter
werd dit wingewest door de ontdekkingen en veroveringen, die enkele
Veldheeren van Cortez deden. Zoo veroverde De Alvarado, die onder de
Azteken den bijnaam van »Tonatiuk«, dat is »Zoon der Zon«, ontvangen
had, in 1523 dát deel van Middel-Amerika, hetwelk wij thans onder den
naam van Guatamala kennen, terwijl een ander Veldheer, wiens naam ik
niet vermeld vond, in hetzelfde jaar Honduras aan de Kroon van Spanje
bracht.
Het bericht van die groote ontdekkingen bewoog in Spanje tal van
lieden zich onder Cortez' vanen te scharen teneinde nieuwe
veroveringen te doen. Maar honderden kwamen ook, wien het alleen om
goud te doen was, en deze laatsten juist waren het, die alweer onrust
en verdeeldheden in de Kolonie brachten. Zoo lang deze lieden maar
niet in hunne handelingen gestoord werden, en Cortez hen hielp wanneer
ze door hunne hebzucht in moeielijkheden kwamen, ging alles goed, doch
wanneer hij ook voor de rechten der Azteken opkwam, en dezen durfde
verdedigen, liep het mis, zoodat de positie van Cortez ten slotte al
niet veel beter werd dan die van Columbus eenmaal was. Bovendien, De
Fonseca leefde nog altijd, en deze was een vriend van Velasquez,
zoodat we niet behoeven te vragen, wat gebeurde. Op zijn aanraden werd
door Koning Karel een' zekeren Don Christoval De Tapia naar
Nieuw-Spanje gezonden om als Stadhouder op te treden. Toen De Tapia
evenwel te Vera-Cruz aangekomen was, zag hij wel in, dat er geene
sprake was van Cortez eenvoudig af te zetten, want niemand wilde er
naar luisteren. Hij ging dus weer terug naar Spanje en wist daar zelfs
voor den grooten held zóó te werken, dat Koning Karel Cortez den
vijftienden October 1522 tot Stadhouder, Opperbevelhebber en
Opperrechter van »Nieuw-Spanje,« zoo werd Mejico voortaan genoemd,
aanstelde.
Drie jaar lang heerschte Cortez als zoodanig, en de Azteken en andere
onderworpen volksstammen mochten van geluk spreken, want hij was niet
wreed of bloeddorstig en strikt rechtvaardig. Het is waar, hij liet
Guatemozin terdood brengen, en Cortez' vijanden zeiden, dat hij
onschuldig terdood veroordeeld werd. De vrienden van Cortez
daarentegen beweerden, dat Guatemozin deelgenomen had aan eene
samenzwering en dus wel degelijk schuldig was.
Hoewel Cortez nu eene schitterende betrekking bekleedde, dreef zijn
onrustig karakter hem aan om telkens nieuwe tochten te doen, welke nu
juist niet altijd even voordeelig voor hem afliepen. Zoo deed hij in
1528 eene reis naar Spanje, en zijn onmetelijk vermogen stelde hem in
staat om aan het Spaansche Hof te verschijnen met eene ongeëvenaarde
pracht. Hij en zijn talrijk gevolg van Aztekische Edelen spreidden
een' luister en een' rijkdom ten toon, welke noodwendig heel wat
anders dan verblinden moest, waar de naijver door zijne heldendaden
nog lang niet tot zwijgen gebracht was. Cortez was naar Spanje gekomen
met het doel, zich te verdedigen tegen de beschuldigingen, die tegen
hem ingebracht waren. Men had hem beticht, dat hij misbruik van zijn
gezag maakte, dat hij de Azteken steeds behandelde, alsof hij hun beul
was, alleen om zichzelven rijkdommen te verschaffen, dat hij den
Godsdienst niet ijverig liet prediken, en zelf voorging in eene
onzedelijkheid, die met het Evangelie niet te rijmen was, door zijne
Gemalin Donna Catalina schandelijk te verlaten en met Marina te leven.
Nu, veel ervan was waar, want vroom en deugdzaam was Cortez
allerminst, doch de beschuldigingen waren toch onbillijk. Cortez was
in zijn privaat leven niet beter, maar ook niet slechter dan alle
andere Ridders en Edelen, en onwaar was het, dat het hem met de
prediking van het Evangelie geen ernst was. Hij had echter aan zijne
trouwe Tlascalanen gezien, hoe uiterst voorzichtig hij met de
Evangelie-verkondiging moest te werk gaan. Zijne meening was het
Christendom zóó te prediken, dat men er toe kwam, het vrijwillig en
niet gedwongen aan te nemen. Ongetwijfeld waren er velen, die hem
hierin gelijk gaven, doch de ijveraars waren er niet mede tevreden.
Dat Cortez zich verrijkte, ten koste der Azteken, was ook waar, doch
indien hij dat recht niet had, dan had de Spaansche Kroon het toch ook
niet. Mejico was veroverd zonder dat de Azteken van hunne zijde iets
gedaan hadden, dat den Spanjaarden daartoe eenig recht gaf.
Intusschen maakte Cortez door den luister, dien hij tentoon spreidde,
er zijne zaak niet beter op. Wel wist hij alle beschuldigingen te
wederleggen, en werd hij door Koning Karel in het gelijk gesteld, maar
hiermede had hij zijn pleit nog niet gewonnen. Koning Karel was een
zeer staatkundig Vorst, die, wilde hij zich als Koning van Spanje,
Keizer van Duitschland, Heer der Nederlanden en Oppermachtig Gebieder
der Nieuwe Wereld handhaven, verplicht was, hier en daar toe te geven
waar hij, zoo hij vrij geweest ware, dit stellig niet zou gedaan
hebben. Zeer goed zag Koning Karel in, dat hij moest toegeven aan den
drang van Cortez' vijanden. Hij gaf hem daarom den titel van Markies
Del Balle, en schonk hem in Nieuw-Spanje de landstreek Oaxaca als
Leen. Verder benoemde hij hem tot Opperbevelhebber over het leger en
tot Admiraal van den Stillen-Oceaan, doch tot Onder-Koning werd
benoemd Don Antonio De Mendoza.