Wat Pizarro later in Peru vond, dat vond Cortez in Mejico: een volk

met eene hooge en fijne beschaving, die evenwel geheel onafhankelijk

van de Europeesche, en in den loop der eeuwen zelfstandig ontstaan

was. Ze bewoonden, we zagen dit reeds elders, steenen huizen en

droegen prachtig geweven katoenen kleederen, die met kleuren en goud

rijk versierd waren. De geschiedenis van het land was beschreven in

teekens, die veel overeenkomst hadden met de Egyptische hiëroglyphen,

en met deze teekens voerden ze ook onder elkander briefwisseling,

zoodat er zelfs een vrij goed ingericht postwezen was. Door het heele

rijk heen vond men op bepaalde afstanden huizen, die bewoond werden

door ijlboden of hardloopers. De eene hardlooper bracht de brieven bij

den anderen, en zoo kwamen ze in handen van hen, aan wie ze gericht

waren, en dat wel in een' onbegrijpelijk korten tijd, want menige

hardlooper kon een rennend paard bijhouden. Volgens de weinige

historische oorkonden, die onder de Spaansche overheersching niet

vernietigd werden, moeten, omstreeks de zevende eeuw van onze

jaartelling, beschaafde Indianen, Tolteken geheeten, uit het

Noordwesten in deze streken gekomen zijn en daar de stad Tecla

gesticht hebben.--De bouwvallen, die men van deze stad, die ook wel

Tollan of Toela genoemd wordt, gevonden heeft, bewijzen op welk een'

hoogen trap van beschaving dit volk stond. Later, wellicht in de

twaalfde eeuw, kwamen de Azteken, die hunne eigen beschaving aanvulden

met die der overgebleven Tolteken en stichtten het machtige rijk,

zooals Cortez dat vond. De Vorst van het land, die uit de

afstammelingen van de oude, Koninklijke familie gekozen werd door vier

der aanzienlijkste Edelen, voerde de heerschappij met bijna onbeperkte

macht. Eer hij evenwel als Vorst erkend was, moest hij een' veldtocht

doen en slechts dan, wanneer hij als overwinnaar terugkeerde, werd hij

door den Vorst van Tezcuco tot Alleenheerscher gekroond. Die kroon was

eene bonte muts of hoofdband, versierd met prachtige vederen en een

schat van parelen, edelgesteenten en het fijnste goud. De Vorst

bewoonde een verbazend groot en prachtig paleis, dat zich bevond in de

hoofdstad van het land, welke stad gelegen was midden in een meer en

door de Azteken »Tenochtitlan« genoemd werd. Kunstige dammen en

bruggen, welke gemakkelijk konden weggenomen worden om den toegang tot

de stad voor vijandelijke stammen af te sluiten, verbonden de

residentie met den vasten wal, terwijl tal van sierlijke kano's het

uitgestrekte meer in allerlei richtingen bevoeren. De oevers en de

naaste omstreken van het meer waren schilderachtig mooi, en geen

's-Gravenhage, Utrecht of Arnhem bezit schooner villa's en

buitenplaatsen dan het »Meer van Tenochtitlan« bezat. Eene ongekende

welvaart heerschte in het geheele land, waar handel, nijverheid en

landbouw bloeiden. In de bewerking der metalen hadden de Azteken eene

ongekende hoogte bereikt, en zelfs verstonden ze de kunst om uit een

mengsel van koper en tin gereedschappen en wapenen te maken, welke in

hardheid voor de stalen niet veel onderdeden. Was de regeering van den

Vorst des lands bijna onbeperkt, toch werd ze gevoerd naar geschreven

wetten, doch deze werden door hemzelf gemaakt met behulp der

aanzienlijkste Edelen, die hij, door hun leengoederen te schenken, aan

zijn' dienst verbond. De Azteken zelven, deden weinig werk, doch ze

lieten het verrichten door slaven, en het gevolg hiervan was, dat de

slavenhandel in dit rijk op groote schaal gedreven werd. Hun

godsdienst was de heidensche en ging gepaard met menschenoffers. Een

talrijke Priesterstand zorgde, dat de dienst voor de dertien

Hoofdgoden en tweehonderd en tien Ondergoden behoorlijk verricht werd,

en wat zeer merkwaardig was, ja, bijna een raadsel mag genoemd worden,

de Azteken verbonden aan hun' godsdienst niet alleen doop, biecht en

vasten, maar ze gebruikten zelfs het kruisteeken, en het kloosterleven

was er met vaste instellingen aan verbonden. Vanwaar dat alles toch?

Ondenkbaar is het aan te nemen, dat men hier met eene toevallige

overeenkomst te doen heeft. De Tolteken of Azteken moeten op eene of

andere wijze reeds eeuwen vroeger met Christenen in aanraking gekomen

zijn, en wanneer we deze Christelijke instellingen voegen bij hunne

hiëroglyphen, dan zouden we bijna geneigd zijn om aan te nemen, dat

Koptische Christenen de grondvesters zijn geweest van de oude,

Mejicaansche beschaving, en onwillekeurig denken we daarbij aan het

fabelachtige rijk van den raadselachtigen »Aartspriester Johannes,«

van wien we reeds vroeger spraken. Intusschen week de godsdienst toch

ook alweer zeer ver van den Christelijken af door de menschenoffers,

die vooral aan den Hoofdgod Huitzilopotchli, den God des oorlogs,

gebracht werden. Uit de bewaarde oorkonden bleek het, dat men in 1486,

bij gelegenheid van de inwijding van een' nieuwen tempel voor den

eeredienst aan den Krijgsgod bestemd, niet minder dan zeventigduizend

krijgsgevangenen offerde. Die offers werden ook gegeten, doch wie nu

denkt aan een' Kannibalen-maaltijd, waar het vleesch verslonden wordt,

vergist zich. De beschaving had hier koks en keukenmeesters, die het

menschenvleesch met allerlei kruiden en vruchtensappen, als een

gerecht vol afwisseling, lieten ronddienen op den rijk versierden

feestdisch. Het gevolg van deze menschenoffers en afschuwelijke

feestmaaltijden was, dat de Azteken een volk waren, dat weinig vatbaar

was voor edele aandoeningen.

De schatten, die de Afgezanten van Montezuma bij Cortez brachten,

hadden echter eene heel andere uitwerking dan Montezuma gehoopt had.

Hij meende dat dit goud en die edelgesteenten de »bleeke zonen van den

God der lucht,« zooals hij hen met al de Azteken noemde, zóó blij zou

maken, dat ze als kinderen, die wat moois gekregen hadden, terstond

naar huis loopen zouden, om daar vol vreugde te laten kijken welke

schatten ze hadden ontvangen. Het gezicht van dat goud en die

edelgesteenten wekte echter den lust op om de stad en het volk te

zien, welke zulke schatten bezaten. Enkelen onder de Spanjaarden waren

er evenwel, die al dat schoons en al dien rijkdom ook wel zouden

willen zien, doch die zich vrees lieten aanjagen door de bedreiging,

dat ze »aan de Goden zouden geofferd«, dus, opgegeten worden. Anderen

nog, die het er wel op durfden wagen, vroegen zich af, of ze zich niet

blootstelden aan gevangenis of galg, wanneer ze Cortez bleven

gehoorzamen. Immers, duidelijk was het gebleken, dat de Gouverneur

Velasquez niet wilde hebben, dat Cortez zich aan het hoofd van den

veroveringstocht stelde, en zoo zij hem nu bleven gehoorzamen, dan kon

Velasquez hen als rebellen beschouwen en als zoodanig behandelen.

Cortez zag dat zeer goed in en hij begreep ook wel, dat men hem bij

den minsten tegenspoed de gehoorzaamheid ontzeggen zou en dat hij dan

het recht niet had om gehoorzaamheid te _eischen_. Hij was evenwel de

man er niet naar om moedeloos het hoofd te laten hangen, en gelukkig

voor hem gebeurde er wat, dat hem licht gaf. Terwijl hij nog bezig was

met het bouwen van »Vera Cruz« kwam tot hem een Gezantschap van vijf

Indianen, die blijkbaar tot een' anderen stam behoorden dan de

Azteken. Ze zeiden dat ze Totonaken waren en in de bergen woonden,

doch door Montezuma onderworpen waren en nu schandelijk verdrukt

werden, waarom ze Cortez kwamen vragen hen te helpen, waar ze dit

dwangjuk wilden afschudden. Verder kwam hij te weten, dat de

tegenwoordige Keizer eigenlijk voor een groot deel zijner onderdanen

een vreemdeling en bij velen in minachting was. Thans was het voor

Cortez zaak, hiervan partij te trekken en hij deed dat op eene wijze,

welke den naam van eerlijk niet verdient. Zoodra Montezuma hoorde, dat

de Totonaken in Cortez' legerkamp waren en een verbond met hem

gesloten hadden, zond hij eenige Edelen naar Vera Cruz met de

boodschap aan de Afgezanten der Totonaken: »Gij hebt zonder mijne

voorkennis een verbond met de vreemdelingen gesloten en moet mij nu

tot straf twintig van uwe jonge mannen en vrouwen zenden om aan de

Goden geofferd te worden.« Reeds wilden de verschrikte Indianen

toegeven, toen Cortez de Edelen der Azteken liet boeien en in de

gevangenis werpen. Na deze daad konden de Totonaken niet meer

terugtreden; ze hadden zich bij Montezuma onmogelijk gemaakt. Des

nachts evenwel bevrijdde hij twee der Edelen en liet ze in stilte met

vriendelijke groeten aan den Keizer vertrekken. Toen den anderen dag

de Totonaken hoorden, dat twee Azteken ontkomen waren, wilden ze de

anderen dooden. Cortez sprong evenwel voor hen in de bres en liet ook

dezen in vrijheid naar Tenochtitlan vertrekken. Door deze sluwe

handelwijze had hij het den Totonaken geheel onmogelijk gemaakt om hem

te verlaten, terwijl hij aan den anderen kant Montezuma te vriend

hield. In troebel water meende Cortez het best te kunnen visschen.

Eindelijk was Vera Cruz in zooverre voltooid dat het, met eene

voldoende bezetting, weerstand kon bieden aan een' aanval, en thans

besloot Cortez zijn' laatsten slag te slaan. Vóór hij zijne plannen nu

verder doorzette, moest hij een wettig gezag hebben. Dit zou hij

verkrijgen als zijne tochtgenooten zelven hem tot Aanvoerder kozen.

Ontstond er dàn verdeeldheid, dan had hij het recht om te zeggen: »Gij

zelf hebt mij tot uw' Bevelhebber gekozen, bijgevolg kan ik van u

eischen, dat ge mij gehoorzaamt.« Hij stelde nu een' Raad over Vera

Cruz aan, en den schijn aannemende, dat hij naar Cuba wilde

terugkeeren, omdat zijn gezag onwettig was, legde hij zijne

waardigheid neder. Nu gebeurde echter, wat hij voorzien had, dat

gebeuren zou, en met bijna algemeene stemmen verklaarden de

Spanjaarden, dat zij hem tot hun' Bevelhebber uitriepen en niemand

anders begeerden. Zóó door het volk zelf in zijn gezag bevestigd,

besloot Cortez naar Tenochtitlan te trekken en daar Montezuma het

bezoek te brengen, hetwelk deze beslist geweigerd had te ontvangen.

Vooraf echter zond hij twee schepen met eene buitengewoon rijke lading

aan goud, edelgesteenten en kostbaarheden rechtstreeks naar Spanje, in

de hoop dat Koning Karel hem dan in zijn gezag bevestigen zou. Na dit

alles gedaan te hebben, aanvaardde hij, in het volste vertrouwen dat

alles hem gelukken zou, den tocht naar de wonderstad, waarvan men hem

reeds zooveel verhaald had. Waar hij kon, daar sloot hij met de

leenroerige Kaziken een verbond van vriendschap en meteen trachtte hij

hen voor het Christendom te winnen. Dit nu deed hij in zijn' ijver

niet altijd met de noodige bezadigdheid, en zelfs zou hij er, door

onbekendheid met de taal der Totonaken, eenmaal het leven bij

ingeschoten hebben, als men hem niet tijdig gewaarschuwd had. Toch

liet Cortez de afgodsbeelden vernietigen en toen de Totonaken zagen,

dat de Goden die heiligschennis niet wreekten, gingen velen hunner

vrijwillig tot het Christendom over. Op eenmaal echter vernam hij, dat

er ook onder de aanhangers van Velasquez eene samenzwering gesmeed was

en dat dezen met een der schepen naar Cuba wilden terugkeeren. De

Aanvoerders van die samenzwering liet Cortez terdood brengen en de

overigen geeselen, en om te voorkomen, dat men op den een' of anderen

dag toch niet met een schip naar Cuba ontvluchten zou, liet hij, na

eerst alles, wat van de schepen gehaald kon worden, aan den wal

gebracht te hebben, zijne heele vloot vernielen, onder voorwendsel,

dat al de schepen zóó door den zeeworm gehavend waren, dat ze niet

langer konden gebruikt worden. Lezen we later van onzen Prins Maurits,

die op het strand van Nieuwpoort de schepen wegzond, en aan zijn volk

de keus gaf om te overwinnen of de zee ledig te drinken, dan zien we

hier, dat Salomo's gezegde: »Er is niets nieuws onder de zon« al weer

door Cortez bevestigd werd. Eén, slechts één der kleinste schepen,

liet hij ongeschonden, doch toen hij verklaarde, dat dit toch nog te

groot was voor de enkele lafaards, die hem niet durfden volgen, was er

niet één, die er gebruik van wilde maken om naar Cuba terug te keeren,

en vol geestdrift aanvaardde men den avontuurlijken tocht.

Ongetwijfeld was Montezuma een zeer machtig Vorst, maar hoe machtig

ook, den vrijstaat Tlascala had hij niet tot onderwerping kunnen

brengen. De Tlascalanen waren een moedig en dapper bergvolk, dat

Cortez op zijn' tocht naar de hoofdstad des rijks niet misloopen kon.

Hij hoopte evenwel, dat hij met hen ook wel een soort van verbond zou

kunnen sluiten, zooals hij met de Totonaken gesloten had, en daar hij

op zijn' moeielijken weg, over bergen en door dalen, van alle Kaziken

de vriendelijkste hulp ontvangen had, zoo twijfelde hij er niet aan,

of de Tlascalanen zouden zich met hem vereenigen, als ze maar wisten

dat de »Zonen van den God der lucht« gekomen waren om hunne

erfvijanden, de Azteken, van wie ze overigens in godsdienst,

beschaving, zeden en gewoonten niet te onderscheiden waren, te helpen

bestrijden. De gesloten verbonden met de Kaziken, die met Montezuma

bevriend waren, klopten echter niet met het voorstel, dat Cortez door

zijne Afgezanten den Tlascalanen liet doen om de Azteken te

bestrijden, en het gevolg was, dat in den Raad der Tlascalanen

besloten werd, de vreemdelingen als vijanden te beschouwen. Cortez'

heele leger bedroeg niet meer dan vierhonderd Spaansche voetknechten,

vijftien ruiters en dertienhonderd Indiaansche krijgslieden. Verder

had hij enkele musketten en zeven kleine kanonnen, doch over deze

geringe macht had hij nog niet eens geheel op het slagveld te

beschikken, omdat er altijd nog een deel overblijven moest om de

bagage te bewaken. Toch trok Cortez moedig voorwaarts en versloeg tot

tweemalen, vooral met behulp zijner kanonnen, den overmachtigen

vijand. Op eenmaal echter stond hij in eene vlakte tegenover een leger

van vijftigduizend Tlascalanen, die blaakten van krijgsmoed en

hunkerden om de vreemdelingen aan te vallen. De kans stond hachelijk,

want met den moed der wanhoop liepen de dappere verdedigers van hun

vaderland tegen het vuur der kanonnen in, en lieten zich bij honderden

tegelijk doodschieten. Reeds stond het kleine hoopje Spanjaarden

gereed om op de vlucht te slaan, toen Cortez op dat gevaarlijke

oogenblik met het zwaard in de vuist, onder het geroep van »Santiago!

Santiago!« en gevolgd door de veertien andere ruiters, moedig op den

vooruitdringenden vijand toesnelde. Wat de kanonnen niet hadden kunnen

doen, dat deden de ruiters. Vol schrik en ontzetting gingen de

Tlascalanen nu op de vlucht, achtervolgd door al de Spanjaarden.

Verschrikkelijk was de nederlaag, die de Tlascalanen leden en

onvoorwaardelijk onderwierpen de overgeblevenen zich thans. Cortez

aarzelde geen oogenblik om die onderwerping aan te nemen, en inplaats

van zich te wreken, behandelde hij hen vriendschappelijk en prees hun'

weergaloozen moed. Deze handelwijze van Cortez deed hem de trouw en

genegenheid van het dappere bergvolk verwerven, en onder het gejuich

der menigte werd hij in de hoofdstad van den Vrijstaat ontvangen. Bij

de eerste pogingen, die hij aanwendde om zijne nieuwe vrienden tot het

Christendom te bekeeren, bemerkte hij echter, dat hij gevaar liep

hierdoor hunne genegenheid te verliezen, waarom hij dan ook de zaak

der bekeering rusten liet.

[Illustratie: Cortez met zijne ruiterij in den slag tegen de

Tlascalanen.]

Toen nu Montezuma zag, dat het kleine hoopje vreemdelingen een volk

overwinnen kon, dat hij niet ten onder had kunnen brengen, hield hij

op met Cortez nog langer te verbieden om in de hoofdstad te komen. Hij

ging zelfs verder en zond Gezanten om hem uit te noodigen wél te

komen, doch dan zijn' weg te nemen over Cholula. De Tlascalanen, die

Montezuma kenden, gaven Cortez den raad om den Keizer niet te

vertrouwen en niet over Cholula te gaan, doch hij hoorde er niet naar,

en zijn geleide van zesduizend Tlascalanen bevolen hebbende achter te

blijven, deed hij zijn' intocht in Cholula, dat feestelijk versierd

was en slechts inwoners scheen te bevatten, die hem met oprecht

gemeend gejuich begroetten. De schoone Marina evenwel waakte met

Argusoogen voor haar' beminden vriend, en door zich te houden, alsof

ze door de Spanjaarden mishandeld werd, won ze het vertrouwen van de

vrouw van een' Kazike van Cholula en kwam er achter, dat men bij een

groot offerfeest de argelooze Spanjaarden overvallen en dooden zou.

Zoodra Cortez met dit plan in kennis gesteld was, viel het hem niet

moeielijk het in zijn voordeel aan te wenden. Hij bracht zijn volk op

de hoogte der zaak en deelde toen op een bezoek, dat eenige voorname

ingezetenen hem brachten, zijn voornemen mede om den volgenden dag te

vertrekken, en vriendelijk vroeg hij of men wel zoo goed wilde zijn om

hem tweeduizend mannen te geven, die zijne bagage naar Tenochtitlan

wilden dragen. Omdat dit voorstel zoo geheel in hun plan greep,

beloofden ze gaarne om hem die lastdragers te bezorgen, en vol

vertrouwen, dat men den volgenden dag vierhonderd vreemdelingen aan

den Krijgsgod zou kunnen offeren, gingen de Cholulanen ter ruste.

Nauwelijks was de dag aangebroken of de Kaziken kwamen, zonder eenig

kwaad vermoeden, op het ruime plein waarop Cortez zich met de zijnen,

gereed om te vertrekken, opgesteld had. De duizenden, die zich

voorgenomen hadden om de gehate vreemdelingen aan te vallen, als zij

zich op marsch begaven, stonden in dicht opeengepakte hoopen in de

nabijheid. Toen trad Cortez vooruit, en de Kaziken aanziende, verweet

hij hun het laaghartige plan, dat ze hadden willen volvoeren. De

Kaziken stonden verslagen en één hunner riep uit: »Hij is als één van

onze Goden; voor hem is niets verborgen.«

Thans vroeg Cortez hun waarom zij zulk een plan gesmeed hadden, en

eerlijk bekenden ze, dat Montezuma hun bevolen had zoo te handelen,

omdat hij de Spanjaarden liever niet in zijne hoofdstad ontvangen

wilde. Cortez nu genoeg wetend, nam een musket en schoot het af. Het

was het afgesproken sein, en op hetzelfde oogenblik braakten de

kanonnen, in batterij opgesteld, dood en verderf uit te midden der

opeengepakte Cholulanen. De musketiers volgden het voorbeeld en daarna

vielen al de Spanjaarden op de menigte aan. Het was geen strijd meer;

het werd eene algemeene slachting. De achtergebleven Tlascalanen, van

alles onderricht, snelden mede toe en in een' ontzettend korten tijd

was Cholula's val beslist en lagen duizenden bij duizenden gedood op

pleinen en straten. Eene week lang bleef Cortez in de uitgemoorde stad

om haar te plunderen en trok toen, overladen met schatten, naar

Mejico. Telkens kwamen er nu Afgezanten van Montezuma om Cortez te

bevelen terug te keeren, doch toen deze hiernaar niet luisterde,

verschenen er andere Afgezanten om hem schatten aan te bieden, als hij

deze streken verliet. Hoe meer de Spanjaarden de hoofdstad naderden,

hoe grooter de voordeelen werden, welke Montezuma hun aanbood, als ze

maar niet naar de hoofdstad kwamen. Zelfs de minste trosdrager onder

de Spanjaarden begreep, dat alleen vrees de Azteken en hun Keizer zoo

deed handelen, en toen Montezuma inzag, dat het gevaar niet te keeren

was, besloot hij de Spanjaarden te ontvangen, alsof hij hen tot het

houden van een' triomftocht binnen Tenochtitlan uitgenoodigd had. Het

was te laat. De beschaafde Vorst der Azteken mocht slim en geslepen

zijn, tegen Cortez was hij niet opgewassen. Den achtsten November 1519

bereikte Cortez met zijne dappere schaar avonturiers eene hoogte bij

het Meer van Tenochtitlan. Onbeschrijfelijk was de indruk, dien dit

meer met de machtige stad in het midden er van op de Spanjaarden

maakte. Het is historisch zeker, dat Tenochtitlan toen meer dan

zestigduizend huizen, paleizen en tempels telde. Duizenden inwoners

verdrongen zich op de dammen of voeren in kano's op het meer om de

verschrikkelijke mannen met baarden te zien, en onder de Spanjaarden

was er op dat oogenblik niet één, die er aan dacht om den man, die hen

tot hier gebracht had, ontrouw te worden.

Een schitterende stoet Edelen der Azteken kwam Cortez en de zijnen

namens Montezuma begroeten, doch toen de Spanjaarden over eene

ophaalbrug de stad binnentraden, sloeg velen de vrees om het hart, dat

ze hier in de val liepen. Lang tijd om er over na te denken hadden ze

echter niet, want, gezeten in een' gouden draagstoel, getooid met al

de versierselen zijner Keizerlijke waardigheid en omringd door al de

Edelen van zijn Hof, op het prachtigst uitgedost, kwam Montezuma hen

te gemoet en heette »Malinche,«--met dien naam sprak hij Cortez

aan,--en al zijne »Zonen van den God der lucht« welkom in

Tenochtitlan. Hij zelf geleidde hen, doch altijd gezeten in zijn'

draagstoel, naar een prachtig paleis, dat aan een groot plein stond,

en zoodra ze daar waren wees hij op het paleis, en zeide tot Cortez,

die met zijn gevolg van ruiters ook te paard naast den draagstoel

reed: »Malinche, zie daar voor u en de uwen eene woning! Eet en drinkt

er, verkwikt u en neemt uw vermaak. Ik zal binnen weinige oogenblikken

weer bij u terug zijn!«

Montezuma liet zich nu wegdragen, en Cortez betrok het huis. Hij

verdeelde de talrijke vertrekken onder de zijnen, doch zorgde dat de

kanonnen, steeds geladen en in batterij, voor den ingang van het huis

goed bewaakt werden. Schildwachten werden overal uitgezet, en toen dit

alles gedaan was, begaf hij zich aan den rijken disch, waarop keur van

spijzen en dranken waren.

Nog niet lang was de maaltijd afgeloopen, toen Montezuma binnentrad om

zich met »Malinche« te onderhouden. Natuurlijk moest Marina hier als

tolk dienst doen, en deze had al heel gauw bemerkt, dat Montezuma maar

op een geschikt oogenblik wachtte om al de vreemdelingen met één slag

gevangen te nemen, en dan aan Huitzilopotchli te offeren. Cortez zag

echter ook zeer goed in, dat al die eerbewijzen, die onderdanigheid en

vriendschap slechts gehuicheld waren, en om te maken, dat hij niet in

de val liep, had hij zijn plan reeds gemaakt toen Marina hem kwam

waarschuwen.

Montezuma, die bij de komst der Spanjaarden ongeveer veertig jaar oud

schijnt geweest te zijn, had eene rijzige gestalte en een innemend

gelaat vol Vorstelijke waardigheid, doch het wellustig leven, dat hij

leidde, had maar al te duidelijk zijn stempel op hem afgedrukt.--

Om duidelijk te maken welk eene machtige en schoone stad Tenochtitlan

was, willen wij er even eene kleine wandeling in afleggen. Wij zullen

dan nog beter begrijpen welk een merkwaardig land dit Mejico was. We

beginnen bij het paleis van Montezuma. Zijn hoofdpaleis had twintig

poorten of deuren, en drie voorhoven. Op een' dezer voorhoven bevond

zich eene fontein, die het zuivere water door zeer doelmatige

leidingen in al de kamers van het paleis bracht. Het paleis bestond

uit verschillende afdeelingen, en elke afdeeling bevatte meer dan

honderd kamers, die bijna allen van badtoestellen voorzien waren. De

muren waren van marmer, jaspis, porfier en bonte steenen gebouwd. Het

timmerwerk was van zeer licht hout, doch stevig in elkander gezet,

terwijl de daken en schoorbalken, zoowel als de zolders, van uitnemend

en zwaar timmerhout gemaakt waren. Waar dit maar mogelijk was, had men

het hout gebeeldhouwd of was het kunstig gesneden. De wanden waren

beschilderd, en op de vloeren lagen zware tapijten, die meest gemaakt

waren van konijnenhaar. In alle kamers stonden metalen,--meestal

gouden,--vuurpannen met reukwerken te branden en de wanden waren

versierd met prachtige vogelvederen, zeer bevallig en kunstig

gerangschikt. Tafellakens, servetten en handdoeken waren van geweven

katoen en hagelwit. Een zeer groot gedeelte van het paleis was

ingenomen door het serail, want de Vorst had op zijn minst duizend

vrouwen. Verder waren er aan de hofhouding een groot aantal narren,

dwergen, mismaakten, kunstenmakers, dansers, muzikanten en andere

lieden verbonden, wier taak het was om het leven van den Monarch op te

vroolijken. Zijne gebeden verrichtte de Vorst des nachts in eene

kapel, die in de nabijheid van zijn slaapvertrek was. Deze kapel was

honderdvijftig voet lang en vijftig breed, en de wanden van onder tot

boven beladen met goud, edelgesteenten en parelen. Behalve dit paleis

in de stad had Montezuma nog verscheidene landhuizen in de prachtige

omstreken van het Meer van Tenochtitlan. Het weelderige en wellustige

leven, dat de Keizer leidde, werd door alle Hofgrooten nagevolgd, en

ieder deed dit naarmate van zijn vermogen, zoodat het oude Capua, waar

Hannibal overwinterde, en door de wellustige levenswijze der Capuanen

zijn leger geheel liet verderven, nog niet in de schaduw van

Tenochtitlan staan kon. De verfijnde zedeloosheid, verbonden aan eene

dierlijke wreedheid, een grof bijgeloof en eene zucht om te

schitteren, had er haar toppunt bereikt. Daar de stad midden in het

meer gebouwd was, waren de beste wegen de waterwegen, en wedijverden

de Aanzienlijken alweer onder elkander om de prachtigste kano's te

hebben. Langs die waterwegen liepen evenwel ook straten, die geplaveid

waren met eene soort van harde klei. Zoowel die straten als grachten

werden buitengewoon zindelijk gehouden, en van vuil of afval in het

water of op straat werpen was geene sprake; het was ten strengste

verboden. Het water uit het meer werd niet gebruikt om te drinken,

want het was brak. Het drinkwater kwam door zeer doelmatige leidingen

uit de naburige bergen, en op de markten en pleinen vond men voor den

minderen man, die vaak met zes of zeven gezinnen één huis bewoonde,

openbare fonteinen. Op die groote en ruime pleinen werden geregeld

markten gehouden, want winkelhuizen waren er onbekend. Al wat men

noodig had aan eten, drinken, kleederen, opschik, gereedschap,

bloemen, vederen of huiselijke godsdienstplechtigheden, werd op die

markten verkocht, en steeds onder streng toezicht der Overheid. Naar

het verbazend aantal Hoofd- en Ondergoden, dat de Azteken vereerden,

was ook het aantal tempels. Een dezer was de Hoofdtempel en heette

»Teucalli«, dat zooveel beduidt als »Godshuis«. Het was een vierkant

steenen gebouw van verbazende grootte. Een oud schrijver zegt: »Van

hoek tot hoek had men een' afstand van een roerschot ver.« Een roer

was een musket, doch die oude musketten droegen niet veel verder dan

honderd Meters. Het geheel geleek op eene afgeknotte vierzijdige

pyramide, die op twee hoeken zware en vrij hooge torens droeg. Met

trappen, aan den buitenkant aangebracht, beklom men het platte dak en

kwam men ook in de torens, die eveneens tot godsdienstige doeleinden

dienden.

[Illustratie: Tenochtitlan of Oud-Mejico, residentie van Montezuma.]

Vóór vier Eeuwen: Een Volksboek over de Ontdekking van Amerika · 第 21 / 26 段