De Portugeezen hadden hun gebied in de Indiën ook steeds uitgebreid,

zoodat om Afrika's Zuidpunt eene zeer drukke scheepvaart plaats had.

Een der Portugeezen, die zich zeer beijverd had om de macht van

Portugal in de Indiën te vergrooten, en die door zijne tochten reeds

heel veel voordeelen aangebracht had, was zekere Ferdinand Del

Magelhanes, een Portugeesch Edelman uit een oud, maar arm geslacht.

Zijne diensten werden slecht beloond, en dit was ongetwijfeld wel de

oorzaak, dat hij zich tot Koning Karel van Spanje wendde, om dezen

Vorst zijne diensten aan te bieden tot het volvoeren van het plan, dat

Columbus zich reeds voorgesteld had te zullen volbrengen. Ook

Magelhanes hield zich overtuigd, dat men, het Westen inzeilende,

eindelijk in de Indiën aankomen moest. Dat de aarde den vorm eener

peer had, mocht Columbus nog beweerd hebben, reeds vóór hem leerden

velen, dat de Aarde eene bolronde gedaante had, zoodat er mogelijkheid

op bestaan moest, dat men eene reis om de Aarde deed. De groote vraag

was maar: »Is er eene zee om die reis met een schip te doen?«

Magelhanes, die uitgestrekte tochten in den Indischen Archipel gemaakt

had, was opmerkzaam geworden op den vorm der landen ten Zuiden van de

Oude Wereld. Groote schiereilanden met eene landengte zoo breed, dat

men ze moeielijk schiereilanden noemen kon, liepen werkelijk

peervormig naar het Zuiden. Dit was zoo in den Indischen Oceaan, dat

was het geval met Afrika ook. Waarom zou nu de Nieuwe Wereld, door

Columbus ontdekt, eene uitzondering maken? Voor dien vorm der landen

moest immers eene oorzaak zijn? En de oorzaak, die gold voor de Oude

Wereld, gold ook voor de Nieuwe. Bijgevolg hield Magelhanes zich

overtuigd, dat de westelijke tocht naar de Indiën tot de mogelijkheden

behoorde. Het blijkt niet, dat hij met dit plan reeds aan het

Portugeesche Hof geweest was, toen hij het Koning Karel voorstelde,

doch zeker is het, dat de Koning er dadelijk ooren naar had. De vraag

alleen was maar: »Mag die tocht gedaan worden met het oog op de

Pauselijke bullen, en zal hij, die het waagt ze te overtreden, met den

Kerkelijken ban gestraft worden?« Slechts enkelen konden die vraag in

ernst meer doen, want het was voor iedereen duidelijk, dat de deellijn

tusschen het Spaansche en Portugeesche ontdekkings-gebied, zooals die

door Paus Alexander bepaald was, eenvoudig niet kon getrokken worden,

en met het oog op diezelfde lijn, viel het Del Magelhanes niet

moeielijk om Koning Karel te bewijzen, dat de »Molukken« of

»Specerij-Eilanden« tot het ontdekkings-gebied van Spanje behoorden.

Het zou hem even gemakkelijk gevallen zijn om den Koning van Portugal

te bewijzen, dat die eilanden niet door Spanje in bezit mochten

genomen worden. Koning Karel was evenwel gerust gesteld; hij wist nu

dat hij, zonder de bul te overtreden, de Molukken bij zijn gebied

trekken kon, en benoemde Magelhanes, die met zijne korte, maar

krachtige gestalte en fier uiterlijk een' uitnemenden indruk maakte,

tot Ridder van San-Jago, tot Opperbevelhebber over de vloot, die

uitgerust zou worden, en tot Gouverneur der Molukken. Het was in 1519

toen Magelhanes met dit voorstel aan het Spaansche Hof kwam, doch

dezelfde kleingeestige tegenwerking, die Columbus ongeveer dertig jaar

geleden vond, vond Magelhanes ook. Onze moedige Ridder liet zich

evenwel niet afschrikken, en de jonge Koning, die zelf, als

vreemdeling, ook bij de echte Spanjaarden veel tegenstand ontmoette,

ondersteunde Magelhanes zóó krachtig, dat reeds in Augustus eene vloot

van vijf schepen, in alles uitmuntend uitgerust, in de haven van

San-Lucar de Barrameda, gereed lag. De inscheping werd wat vertraagd,

en zoo kwam het, dat Magelhanes pas den twintigsten September 1519 in

zee stak. Bijna zeker van de wetenschappelijke overwinning, die hij

behalen zou, had hij zijn Admiraalsschip den naam van »Victoria«

gegeven. Den twaalfden Januari 1520 bereikte men de monding van de Rio

La Plata, doch eer men daar was, had Magelhanes reeds ondervonden, dat

men hem, den vreemdeling, slechts gedwongen gehoorzaamde. Moeite doen

om zich onder het volk bemind te maken, scheen niet in het plan van

den Admiraal te liggen, want toen men hem vroeg: »Waarheen wilt gij

ons toch brengen?« gaf hij het hooghartige antwoord: »Vraagt niets!

Het is uw plicht mij te volgen. Mijne vlag zal u over dag en mijn

seinlicht bij nacht den weg wijzen.« Dat dit antwoord de trotsche

Spanjaarden krenken moest, had hij vooraf kunnen begrijpen, en er

ontstond ook algemeen gemor, dat oversloeg tot opstand. Men wilde

Magelhanes dwingen, zijn plan te laten varen, en om de Kaap de Goede

Hoop heen naar de Molukken te stevenen, en toen dit beslist geweigerd

werd, zeiden drie Kapiteins hem hunne gehoorzaamheid op. Met behulp

van zwaard en strop wist de Admiraal het oproer te dempen, doch

gedurende den strengen winter, die volgde, terwijl ze in eene baai

lagen, kostte het niet weinig kracht om het gezag te handhaven. De

baai, waar de schepen lagen, bevond zich op ruim 49° Zuiderbreedte,

dat is ongeveer op dezelfde breedte, als Parijs ten Noorden van de

Linie ligt. Het klimaat van Zuid-Amerika kan evenwel op die breedte

gerust gelijk gesteld worden met dat van Stockholm, zoodat het ons

niet bevreemdt, dat de Spanjaarden, aan milder klimaat gewoon, er

ontzettend veel koude leden en er tegen opzagen om nu nog verder het

Zuiden in te gaan. Tot hoe ver? »Vraagt niets; het is uw plicht mij te

volgen,« had Magelhanes gezegd. Tot in Augustus waren ze genoodzaakt

in die baai te blijven, en toen eerst waren ijs en sneeuw opgeruimd,

en was de weg naar het Zuiden weer vrij. Pas echter was hij op weg, of

een der schepen liep op een rif, en de bemanning had juist nog den

tijd om zich het leven te redden, doch al het overige, dat aanboord

was, verdween in de golven. Het weder werd steeds onstuimiger, en de

Admiraal was verplicht om naar de baai, waar hij overwinterd had,

terug te keeren. Opnieuw brak er oproer uit en moesten zwaard en strop

de orde herstellen. Eindelijk werd het weder gunstiger; de vaart werd

voortgezet, en den twintigsten October had Magelhanes het geluk

Amerika's Zuidpunt te bereiken. De zeeëngte, welke hem van den

Atlantischen naar den Grooten Oceaan bracht, kreeg den naam van

»Straat van Magelhanes.« Ware hij nu de kust gevolgd, dan zou hij ook

Chili en Peru ontdekt hebben. Hij deed het evenwel niet, en zond

alleen twee zijner schepen uit om de heele zeeëngte nauwkeurig te

onderzoeken. Het volk van een dezer schepen, nu buiten toezicht van

den Admiraal, sloeg tot oproer over, en dwong de Officieren om naar

Spanje terug te keeren. Met drie schepen stevende Magelhanes thans den

Oceaan in, dien hij, omdat hij op de heele verdere reis geen' hevigen

wind had, den naam van »Stillen Oceaan« gaf. Mag het vreemd genoemd

worden, dat hij in dezen Oceaan, waar evenzeer stormen heerschen, als

in elken anderen, meer dan drie en eene halve maand lang kalm weder

had, nog vreemder was het, dat hij in al dien tijd niet één der

eilanden zag waarmede deze Oceaan als bezaaid is. Alle levensbehoeften

waren reeds verbruikt, en met graagte werden de ratten en muizen

gegeten, welke men beneden in het scheepsruim ving, toen men eindelijk

den zesden Maart land ontdekte. Men was in den Archipel gekomen, waar,

tusschen de 13 en 20 graden Noorderbreedte, de groote groep eilanden

zich bevindt, welke bekend staan onder den naam van »Ladronen« of

»Dieven-eilanden«. Met gejuich werden deze eilanden begroet, en

hoopvol zette men, na een' rijken voorraad levensmiddelen aan boord

genomen te hebben, de reis voort. In het begin van April bereikte men

de »Filippijnsche Eilanden«, waar eene vrij lange rust zou genomen

worden om de schepen wat te herstellen. De natuur was er heerlijk en

de bewoners waren vrij beschaafd en vriendelijk, zoodat Magelhanes

begon met hier het Christendom te laten prediken. De Koning van het

eiland Zeboe liet zich zelfs doopen, doch de Koning van het eiland

Matan verkoos hiertoe niet over te gaan, en toen Magelhanes hem met

geweld wilde dwingen om het Christendom te omhelzen, viel de Koning

hem onverwachts aan, en doodde hem. Thans van hun' Aanvoerder beroofd,

vloden de reizigers naar hunne schepen, doch daar door honger en

ziekten, en nu door het gevecht met den Koning van Matan, hun aantal

veel te gering geworden was om drie schepen te bemannen, zoo werd één

schip in den grond geboord. De andere twee kwamen pas den derden

November op Tidori, een van de Molukken, aan. Zij vonden dat eiland

echter door de Portugeezen bezet, en dezen stonden verbaasd te kijken,

dat men uit het Oosten tot hen gekomen was. Men deed hen evenwel geen'

overlast, en stond hun zelfs toe om de »Victoria« met specerijen te

laden. Het andere schip de »Trinidad« moest daar blijven, om hersteld

te worden. Nu werd de thuisreis aangenomen, en den zesden September

1522 kwamen de eerste aardomzeilers te San-Lucar aan. Van de vloot van

vijf schepen waarmede Magelhanes uitgezeild was, waren slechts twee

schepen terug gekomen, en een van deze was reeds halverwegen den tocht

naar Spanje gezeild. De »Trinidad« bleef op Tidori, en van hare

bemanning kwamen slechts drie matrozen en een Geestelijke in Spanje

weder. Op de »Victoria« waren bij de aankomst in San-Lucar slechts

dertien Spanjaarden, zoodat van de tweehonderd veertig mannen, die

uitgezeild waren, maar zeventien de heele reis om de Aarde gedaan

hadden. Gelukkig behoorde tot die zeventien de geleerde aardrijks- en

geschiedkundige Pigafetta, die dezen merkwaardigen tocht beschreef en

daardoor aan de wetenschap een' buitengewoon grooten dienst bewees.

HOOFDSTUK XI.

CORTEZ IN MEJICO.

Met groote schatten aan goud was Don Juan De Gryalva te San-Jago op

Cuba teruggekeerd, doch toen hij verslag deed van de landen en volken,

die hij ontdekt had, was Velasquez zeer ontevreden, dat De Gryalva de

gelegenheid niet waargenomen had om in die landen eene Kolonie aan te

leggen, en inplaats van dank voor de schatten, die hij medebracht,

ontving hij eene strenge berisping. Dat zijne tochtgenooten vol waren

over hetgeen ze gezien hadden en de gewoonte van vele reizigers

volgden om waarheid en verdichting met elkander te vermengen, is iets,

dat vanzelf spreekt. Men was op Cuba niet uitgesproken over

»Nieuw-Spanje«, en van alle kanten ontwaakte een streven om dat land

voor de Spaansche Kroon te veroveren. Don Velasquez zag echter wel in,

dat hier bedaard en met veel overleg diende gehandeld te worden, wilde

men niet alles, wat men nu in de Nieuwe Wereld aan de Spaansche Kroon

gebracht had, verloren zien gaan. Het gold hier geene in bezitneming

van kuststreken met eene kinderlijk eenvoudige en onbeschaafde

bevolking, maar van een groot en beschaafd volk, dat tegenover de

Europeesche wapenen eene goed georganiseerde overmacht stellen kon,

waartegen diezelfde Europeesche wapenen niet opgewassen waren. Hij,

die zich aan het hoofd der onderneming stelde, moest dus iemand zijn,

die dapperheid aan beleid, en moed aan list wist te paren. Hij moest

iemand zijn in de volle kracht van het leven, gehard tegen alle

ongemakken, en tevens gezien en geëerd bij al zijne volgelingen.

Wonder genoeg, zichzelven achtte hij niet voor die groote taak

berekend, en ten slotte wist hij niemand, die beter aan al de gestelde

eischen beantwoordde, dan Hernando Cortez.

[Illustratie: HERNANDO CORTEZ. (Geb. 1485, overl. 1547.)]

Deze Hernando of Ferdinando Cortez werd in 1485 geboren te Medellin in

Estramadura, uit een oud en aanzienlijk geslacht. Aanvankelijk

studeerde hij aan de beroemde Hoogeschool te Salamanca in de rechten,

doch zijn vurige en ridderlijke geest kon in den deftigen tabbaard der

Rechtsgeleerden geen behagen vinden; hij haakte naar zwaard en schild.

Hij trad derhalve in den krijgsdienst, en na een paar jaren in Spanje

zich geoefend te hebben in alles, wat een krijgsman weten moest,

vertrok hij naar Hispaniola, om aan Ovando zijne diensten aan te

bieden. Op Hispaniola heerschte evenwel rust, en zoo kwam het, dat

onze naar krijgsroem dorstende Edelman van 1504 tot 1511 een eerzaam

planter was. Toen echter Velasquez naar Cuba overstak om dat eiland te

veroveren, sloot Cortez zich bij hem aan, en toonde weldra hoe goed

hij hier op zijne plaats was. Met welke onderneming hij belast werd,

steeds had hij het geluk te slagen, zoodat Velasquez hem benoemde tot

zijn' Secretaris, want de pen en het zwaard waren hem beide even goed

toevertrouwd. Cortez was bovendien, èn door zijn fier voorkomen, èn

door zijn vroolijk en geestig karakter, bij allen, niet het minst bij

de Donna's, gezien, en weldra was hij dan ook verloofd met de schoone

Catalina, eene bloedverwante van eene vriendin van Velasquez. Cortez

was echter als eene bij, die van de eene bloem naar de andere vliegt,

en hoe schoon Catalina ook wezen mocht, hij had geene begeerte om haar

alleen te behooren. De trouwbelofte werd dus verbroken, en Velasquez

nam de partij der beleedigde vriendin op. Hij ontsloeg Cortez als

Secretaris en begon hem het leven onaangenaam te maken. Dat was Cortez

natuurlijk niet naar den zin, en hij smeedde eene samenzwering tegen

het gezag van Velasquez. De samenzwering werd tijdig ontdekt en Cortez

terdood veroordeeld. Toen Cortez evenwel geboeid in de gevangenis zat,

om na eenige dagen, als een gemeene misdadiger zijn leven aan de galg

te eindigen, wist hij te ontvluchten. Hij werd echter spoedig gevat en

opnieuw gevangen gezet. Toch wist hij andermaal te ontsnappen, en zijn

leven te redden door Velasquez te melden, dat hij bereid was, de

schoone Donna Catalina te huwen. Velasquez nam hiermede vrede, en gaf

het jonge paar eene uitgestrekte landstreek, als huwelijksgave.

Andermaal was de man, die naar krijgsroem dorstte, dus een eerzaam

planter, en wel zulk een, die wist hoe men rijk worden kon. Toch zag

hij begeerig naar alle kanten uit om als krijgsman op te treden, en

toen hij van Nieuw-Spanje hoorde, wist hij een paar zijner vrienden

over te halen, hem heel voorzichtig en langs bedekte wegen bij

Velasquez aan te bevelen, als de eenige man, die meer dan iemand

geschikt was om deze landstreek te veroveren. Meende Velasquez dus dat

hijzelf en niemand anders Cortez tot die gewichtige taak riep, dan

vergiste hij zich. Zoodra Cortez de opdracht ontvangen had, sloeg hij

de handen aan het werk, en wel met zulk een' ijver, dat het de

achterdocht van Velasquez opwekte. Niet alleen offerde hij zijn

verbazend groot vermogen, verworven uit de goudmijnen van zijn

huwelijksgoed, op, maar hij verpandde zelfs al zijne bezittingen, en

kwam daardoor aan het hoofd van eene uitrusting, waarmede hij

gemakkelijk geheel Cuba onderwerpen kon aan zijn gezag. Toen de

prachtige vloot op de reede van San-Jago gereed lag om, na het innemen

van levensvoorraad, uit te zeilen, vernam Cortez, dat Velasquez hem

ten slotte verbieden zou om te vertrekken. Dit wilde Cortez voorkomen,

en zonder er kennis van te geven liet hij zijne vloot zee kiezen, en

wel midden in den nacht. Vooraf echter had hij bij al de slagers den

geheelen voorraad van vleesch, dien ze hadden, met geweld afgekocht.

De slagers spoedden zich nu naar het paleis van Velasquez en deelden

hem mede, wat er gebeurd was. Velasquez liet terstond alarm slaan en

rende aan het hoofd der zijnen naar den mond der baai, waaraan

San-Jago gelegen is. Toen Cortez hem bij het licht van den

aanbrekenden dageraad zag, ging hij in eene welgewapende sloep en liet

zich dicht onder den wal roeien om zoogenaamd te vragen, of er wat

bijzonders aan de hand was. Velasquez zeide, dat hij het vreemd vond,

dat Cortez, zonder van iemand afscheid te nemen, vertrokken was, en

dat hij alleen daarom zich hier bevond, waarop Cortez ten antwoord

gaf, dat de zaak voortgang eischte, en dat hij derhalve vertrokken

was. Hiermede was het onderhoud geëindigd, en spoedig was de vloot,

maar half uitgerust, uit het gezicht. Eer Cortez het eiland Cuba voor

goed verliet, wist hij evenwel op vele kustplaatsen nog aanzienlijke

hoeveelheden levensmiddelen aan boord te nemen, zoodat de driehonderd

mannen, die onder zijne bevelen stonden, geen gevaar liepen honger te

zullen moeten lijden. Het mag vreemd schijnen, dat ik in een boek, dat

uitteraard zeer beknopt moet zijn, tot zulke kleinigheden afdaal, maar

het vervolg van Cortez' geschiedenis zal niemand nu doen vragen, wat

toch de reden was, dat Cortez in Velasquez zulk een vijandig

tegenstander vond. Eene der laatste plaatsen, die Cortez op Cuba

aandeed, was Trinidad, waar Don Verdugo bevel voerde, en deze had door

een' ijlbode van Velasquez in last gekregen om Cortez gevangen te

nemen en naar San-Jago te zenden. Verdugo zag evenwel geene kans om

dat te doen, en liet den ijlbode naar Havana vertrekken om daar den

last van den Stadhouder aan den Gouverneur Don Pedro Barba over te

brengen. Cortez wist ook deze te verschalken, en zoo kwam het, dat hij

ten slotte Cuba geheel verliet, en aan het hoofd stond van elf schepen

met honderdtweeënzestig matrozen bemand. Zijn landingsleger bestond

uit vijfhonderd en acht soldaten, waarvan er dertien met musketten en

tweeëndertig met armborsten gewapend waren. De overigen hadden

zwaarden en lansen. Verder had hij nog veertien kleine kanonnen en

zestien paarden, en daar in deze landen het dragen van zware

wapenrustingen hinderlijk was, zoo waren allen voorzien van katoenen

harnassen met watten gevoerd, sterk genoeg om pijlschoten te weren.

Naar het aantal zijner schepen had hij zijn legertje in elf

afdeelingen gesplitst, en elke afdeeling kreeg een vaandel met een

Kruis, waaronder stond: »In hoc signo vinces«, wat zeggen wil: »In dit

teeken zult gij overwinnen.« Hij gaf dus, geheel in den geest van

zijn' tijd, aan zijn' veroveringstocht het karakter van een'

geloofskrijg, en als een bewijs, dat het hem hiermede ernst was, had

hij ook gezorgd twee Geestelijken in zijn gevolg mede te nemen. Als

loods had hij een' zekeren Antonio Alaminos, die reeds driemaal in

deze streken geweest was. Op het eiland Cozumel kreeg hij nog een'

Geestelijke aan boord, die acht jaren lang onder de inboorlingen

verkeerd had, en niet alleen ingewijd was in de taal van het volk,

maar ook in hunne wijze van oorlog voeren. Om zijn leven te behouden,

had deze Geestelijke zelfs als krijgsman onder de inboorlingen

gediend. Cortez zeilde daarop het geheele schier-eiland Yucatan om,

liep de rivier de Tabasco op en nam de stad van dien naam in. De

inwoners onderwierpen zich, en beloofden Cortez om aan den Koning van

Spanje schatting te zullen betalen. Reeds dadelijk begonnen ze

hiermede door goud en slavinnen te leveren. Tot deze slavinnen

behoorde eene Prinses, die de bewoners van Tabasco bij een' oorlog in

de binnenlanden gevangengenomen hadden. Zij heette Marina, en was niet

alleen jong, maar zóó schoon, dat Cortez, toen hij haar zag, terstond

dacht aan Anacaona, wier schoonheid op Hispaniola spreekwoordelijk

was. De vereerder van het schoone geslacht gevoelde zich tot haar, die

zoo schoon en lieftallig was, buitengewoon aangetrokken, en nog meer

wenschte hij haar steeds in zijne nabijheid te hebben toen hij

ontdekte, dat ze eene zeer beschaafde en verstandige vrouw was, die de

taal der inboorlingen van Nieuw-Spanje sprak, en daarenboven volkomen

op de hoogte van de zeden en gewoonten was. Deze Marina was in vele

opzichten menigmaal Cortez' goede geest. Zij nam gaarne het

Christendom aan, en daar Cortez wel oppaste om haar te zeggen, dat hij

gehuwd was, en dat de Christelijke leer hem verbood eene vrouw buiten

wettig huwelijk te hebben, zoo leefde ze met hem als eene gade, die

haar echtgenoot grenzenloos liefhad en onbezweken trouw was. Na te

Tabasco enkele inboorlingen overgehaald te hebben om zich te laten

doopen, trok hij verder en kwam op Witten Donderdag bij een eiland,

dat hij den naam van »San-Juan De Ulloa« gaf. Hij wierp hier de ankers

uit, en kreeg al aanstonds bezoek van de inwoners der stad, die in de

onmiddellijke nabijheid op het vasteland lag. De Geestelijke Aquilar,

dien hij op Cozumel aan boord genomen had, kon de menschen niet

verstaan, doch thans trad Marina als tolk op. Zij zeide in eene taal,

die Aquilar verstond, wat de inboorlingen spraken, en Aquilar

vertolkte dat alweer in het Spaansch. Deze gebrekkige manier van zich

met het volk te onderhouden was maar van korten duur. De begeerte om

te kunnen spreken met hem, dien ze zoo oprecht en innig liefhad, deed

Marina in korten tijd de Spaansche taal zoo goed leeren, dat zij haar

sprak, alsof ze hare opvoeding in Andalusië ontvangen had.--Uit

hetgeen Cortez verteld werd, kwam hij te weten, dat De Gryalva vroeger

hier al geweest was, dat het land »Mejico« genoemd en geregeerd werd

door een' Vorst, dien ze een' titel gaven, welke eenige overeenkomst

had met dien van Keizer, en dat hij Montezuma heette. Onbekendheid met

het schrift en de taal van dat volk mag wel oorzaak zijn, dat de naam

van dezen Vorst zoo verschillend geschreven wordt, en dat we

Montezuma, Moctheuzema, Muteczama, Motezuina en Montecuhcuma naast

elkander zien staan, als namen voor een' en denzelfden persoon. Den

eenentwintigsten April, juist op Goeden Vrijdag, landde Cortez, en na

het hooge feest met de zijnen aan den wal plechtig gevierd te hebben,

begon hij terstond met het inrichten van de legerplaats, die een

versterkt fort en daarna eene stad moest worden. Daar de stichting er

van op Goeden Vrijdag begonnen was, kreeg ze den naam van »Villa Rica

de Vera Cruz,« wat »Rijke stad van het Ware Kruis« beteekent. Terwijl

men zoo aan het werk was, kwamen twee Kaziken, die aan Montezuma

onderworpen waren en Pilpatoe en Teutile heetten, met schatten beladen

bij Cortez. Zij boden hem alles, wat ze bij zich hadden,

vriendschappelijk ten geschenke aan, doch vroegen hem meteen, wat hij

met dat bouwen toch van plan was. Cortez zeide dat hij hier voor den

Koning van Spanje eene stad wilde stichten, doch Pilpatoe en Teutile

meenden, dat men dit eerst wel eens aan Keizer Montezuma diende te

vragen. Zij stuurden daarom boden met brieven naar den Keizer en

eenige dagen later kwamen die boden met een Gezantschap terug. Waren

de schatten, die de beide Kaziken gebracht hadden, reeds onnoemelijk

groot, ze verzonken in het niet bij hetgeen de Gezanten brachten, als

een geschenk van den Keizer aan zijne blanke vrienden. Er was evenwel

een bevel bij dat ze terstond moesten vertrekken, en deden ze dat

niet, dan zouden ze aan de Goden geofferd worden. Dit »aan de Goden

geofferd worden« was eene parlementaire uitdrukking voor »opgegeten

worden.«

[Illustratie: MONTEZUMA, Alleenheerscher van Mejico. (Overl. 30 Juni

1520.)]

Eer we verder gaan, dienen we eerst eens in vluchtige trekken den

toestand van Mejico te schetsen, zooals die was ten tijde, dat Cortez

er landde. Misschien hebben sommige lezers ook reeds vreemd opgekeken,

waar ze van »brieven« hoorden spreken en denken ze dat hier eene

vergissing plaats greep, of dat er met »brieven« heel wat anders

bedoeld werd. Hooren ze nu dat hier wel degelijk sprake is van echte

brieven, dan moet de vraag wel rijzen: »Maar welk land was dat Mejico

dan toch, dat men er zelfs van brieven sprak?«

Vóór vier Eeuwen: Een Volksboek over de Ontdekking van Amerika · 第 20 / 26 段