Was deze ontdekking reeds gewichtig, nog gewichtiger scheen ze te zijn

door den overvloed van parelen, die hier in de omstreken te bekomen

waren. Zwaar beladen met goud en parelen werden er nu aanstalten

gemaakt om den terugtocht aan te nemen. Dat er ver ten Zuiden van de

baai van San-Miguel een groot en beschaafd land lag, waar nog veel

meer goud te vinden was dan hier, zooals de inboorlingen mededeelden,

en dat niet zoo heel ver van de kust een groep eilanden lag, die onder

het bestuur van een' roofzuchtigen Kazike stonden en een'

buitengewonen rijkdom van parelen bevatt'en, mocht voor een oogenblik

de begeerte opwekken om reeds nu dat »Goudland« en die

»Parel-eilanden« op te zoeken, men stelde dit toch liever tot eene

volgende gelegenheid uit, en den negentienden Januari 1514 kwamen onze

moedige ontdekkers, zonder op dien merkwaardigen tocht één' man

verloren te hebben, te Santa-Maria aan. Het was thans De Balboa's

eerste werk om een schip, geladen met de verkregen schatten, naar

Spanje te zenden. Dat men aan het Hof alles zou doen, wat maar

mogelijk was, om den dood van De Nicuesa op hem te wreken en om den

verongelukten De Enciso recht te verschaffen, behoefde men niet in

twijfel te trekken; maar als Koning Ferdinand zag, welke rijkdommen

aan goud en parelen diezelfde veroordeelde avonturier wist aan te

brengen, dan zou alles veranderen en de Koning zou hem wel in zijn

gezag bevestigen. Het rijk geladen schip, waarover Pedro De Arbolancha

het bevel voerde, kon evenwel pas in Maart zee kiezen en had op reis

naar Spanje met veel tegenwind te worstelen, en toen het eindelijk in

Spanje aankwam, was het te laat om geheel te herstellen, wat gebeurd

was. Op aanraden toch van De Fonseca, die met De Nicuesa bevriend was

geweest, en die zich ook de zaken van De Enciso aangetrokken had, was

Don Pedro Arias De Avila, gewoonlijk Pedrarias genoemd, aangesteld tot

Stadhouder van Goud-Castilië, met bevel om de daden en handelingen van

De Balboa ten strengste te onderzoeken. Nog waren na die benoeming

slechts eenige dagen verloopen toen De Arbolancha met zijne schatten

en merkwaardige berichten aankwam. Die schat van goud, die menigte

parelen, die berichten van de ontdekking van den nieuwen oceaan,

brachten heel Spanje in beweging, en Koning Ferdinand moest nu wel het

veroordeelend vonnis terugtrekken, hetwelk uitgesproken was over een'

man, die zulke schatten aanbracht en zulke gewichtige ontdekkingen

gedaan had. Don Pedrarias bleef in het gezag gehandhaafd, doch kreeg

in last om dien De Balboa te vriend te houden en hem in alle zaken van

het bestuur te raadplegen. Van alle kanten stroomden de avonturiers nu

weer toe, om met den nieuwen Gouverneur naar dat »Dorado« te trekken.

Het waren thans geene schatten, die alleen in het dichterlijke brein

van een' tweeden Columbus bestonden, maar werkelijke parelen en echt

goud, die hen aandreven om daar in het verre Westen rijkdommen te

verzamelen. Eene vloot van tweeëntwintig schepen, rijkelijk voorzien

van allerlei zaken, die voor de Kolonie onmisbaar waren, en bemand met

vijftienhonderd koppen, stak weldra in zee, aangevoerd door Pedrarias,

wiens echtgenoote, Donna Isabella De Bobadilla, hem zelfs vergezelde.

Zonder noemenswaardig oponthoud kwam deze schoone vloot weldra in de

Golf van Uraba in de nabijheid van Santa-Maria aan, doch Pedrarias,

die vreesde door de Kolonisten slecht ontvangen te worden, liet al het

volk aan boord blijven en zond alleen een' Ridder naar den wal om daar

het bericht te brengen, dat Don Pedro Arias De Avila aangekomen was

om, als Gouverneur over Goud-Castilië, op te treden.

De Balboa had niet stil gezeten sinds hij het rijkgeladen schip naar

Spanje gezonden had. Nieuwe schatten aan goud en parelen lagen in de

magazijnen opgehoopt; nieuwe vriendschaps-verbonden had hij met vele

Kaziken gesloten door zijn tact om met die menschen om te gaan. De

Kaziken, die vijandig tegen hem opgetreden waren, had hij met behulp

van zijne soldaten en bloedhonden tot onderwerping gedwongen. Het was

nog niet alles. De Balboa wist ook bij ondervinding hoe gebrek aan

levensmiddelen dikwijls den ondergang van heele Koloniën ten gevolge

had. Dat wilde hij voorkomen, en waar hij den eenen dag met het harnas

om de leden, het schild aan den linkerarm en het zwaard in de

rechterhand, als Veldheer overwinningen behaalde, daar zag men hem den

volgenden dag in een' katoenen werkmanskiel met den grooten stroohoed

op, als boer, de velden bebouwen om Goud-Castilië, wat levensmiddelen

betreft, geheel onafhankelijk van Spanje te maken. Hij zelf woonde in

eene groote stroohut en ging zijn volk voor in eene matige leefwijs.

Op Heiligdagen liet hij feesten vieren en wist hij altijd wat te

bedenken, dat zijnen Spanjaarden aangenaam was en dat den Indianen

genoegen verschafte. Hij, aan wien het gegeven ware geweest om al de

Koloniën der Nieuwe-Wereld van 1492 af te bezoeken, zou, te

Santa-Maria komende, hebben moeten getuigen, dat dit eene

»Model-Kolonie« was, en meteen zou hij hebben moeten bekennen, dat dit

te danken was aan den »Model-Gouverneur.«--

Wat keek de prachtig uitgedoste Ridder vreemd op, toen hij, voor de

Balboa gebracht, inplaats van een' Ridder, een' man voor zich zag,

gekleed met katoenen kiel en broek, een' stroohoed op het hoofd, en

met ruwe handen, die van zwaren veldarbeid spraken! Toch naderde de

Ridder hem met eerbied en bracht hem zijne boodschap over.

Hoe moet De Balboa teleurgesteld geweest zijn toen hij vernam, dat de

Koning een ander tot Gouverneur aangesteld had! Hij hield zich evenwel

goed en gaf den Ridder ten antwoord: »Zeg aan Don Pedrarias De Avila,

dat hij welkom is en dat ik hem met zijne behouden aankomst geluk

wensch. Zeg hem verder, dat ik bereid ben om hem met al mijne

manschappen gehoorzaam te zijn en dat wij zijne bevelen zullen

opvolgen.«

Met deze boodschap keerde de Ridder naar het Admiraalsschip terug,

doch dat bijna de heele Kolonie verontwaardigd was, dat de Koning De

Balboa niet tot Stadhouder benoemd had, kon hij niet vertellen, omdat

hij van die verontwaardiging, door De Balboa slechts met groote moeite

bedwongen, geen getuige geweest was. Slechts enkelen verheugden zich

in Santa-Maria over den val van den algemeen beminden man. Ze waren de

aanhangers van De Nicuesa en De Enciso, die slechts gezwegen hadden,

omdat ze niet spreken durfden.

Met een schitterend vertoon, waarbij de eenvoudige kleeding van De

Balboa in een schreeuwend contrast stond, deed de nieuwe Gouverneur,

te midden van een' stoet prachtig gekleede Ridders, en vergezeld van

zijne Gemalin en Juan De Quevedo, nieuw-benoemd Bisschop van Dariën,

zijn' intocht in Santa-Maria, de hoofdstad van »Castilla del Oro« of

»Goud-Castilië.« De Balboa ontving de aanzienlijke gasten in zijne

eenvoudige woning en bood hun een feestmaal aan, dat bestond uit

cassave-brood, maïskoeken, eenige vruchten en water.

Wat zullen die Ridders zich in hunne verwachtingen bedrogen hebben

gezien! Cassave-brood, maïskoeken en water, aangeboden in eene

stroohut, door een' Bevelhebber, gekleed in een' werkmanskiel! Hoe

zullen ze zich verheugd hebben, dat niet de man met de vereelte handen

hun Gouverneur was, maar wel een schitterend Ridder, in Spanje

algemeen bekend als »El Galan« of »De Galante.« Toch schijnt er één

geweest te zijn, die terstond zag, dat alleen een man als De Balboa de

noodige geschiktheid had om eene Kolonie tot bloei en welvaart te

brengen. Deze man was Bisschop De Quevedo, die er steeds op uit was om

in het belang der Kolonie De Balboa te begunstigen en in moeielijke

gevallen voor te spreken. Zelfs de Gemalin van den Stadhouder schijnt

dat ingezien te hebben, want ook zij sprong later menigmaal voor den

miskenden man in de bres. De Avila evenwel ging van eene geheel andere

meening uit. Hij zag zeer goed hoe de kern der oude Kolonisten De

Balboa met hart en ziel genegen was, en hij had wel blind moeten zijn,

wanneer hij niet bemerkt had, met welk een' weergaloozen tact dezelfde

avonturier met de Kaziken en de inboorlingen wist om te gaan. Die man

kon hem gevaarlijk worden, en vreezende dan het lot van De Nicuesa of

De Enciso te zullen ondergaan, stond hij overal tegenover hem als zijn

vijand, en wist hij de oude aanhangers van De Nicuesa en De Enciso in

zijne belangen over te halen. En terwijl Pedrarias zoo in het geheim

werkte, deden de nieuwaangekomene Ridders en soldaten niet veel anders

dan een lui en ongebonden leven leiden. Aan werken dacht men niet; men

was gekomen om rijkdommen te verzamelen. Geen De Balboa was er nu, die

langs vriendelijken weg de Kaziken bewoog goud en parelen te ruilen

voor eenvoudige voorwerpen. Met blanke wapenen trok men de bergstreken

en de dalen in om met geweld te nemen, wat men met zachtheid had

kunnen verkrijgen. Als met een' tooverslag werd de toestand omgekeerd,

zoodat De Balboa naar Spanje schrijven kon: »De Kaziken en Indianen

zijn van lammeren in leeuwen veranderd.« En te midden van dien

toestand deed de vreeselijke, gele koorts hare intrede in Santa-Maria,

waar ze in de ontzenuwde lichamen der Spanjaarden een' vruchtbaren

bodem vond om zich met ontzettende snelheid te verbreiden. Zij maakte

meer dan vijfhonderd slachtoffers, en alsof de ellende nog niet groot

genoeg was, werd, door onvoorzichtigheid, het magazijn, dat de laatste

levensbehoeften bevatte, een prooi der vlammen en vernielden de

sprinkhanen den te veld staanden oogst.

De tijdingen van deze rampen kwamen ook in Spanje, dat schepen met

schatten verwachtte en nu slechts wrakke vaartuigen met ellende

ontving. Thans zag Koning Ferdinand in dat hij, alsof hij gedoemd was

om door schade en schande nimmer wijs te worden, alweer eene groote

domheid begaan had door De Balboa niet tot Gouverneur van

Goud-Castilië aan te stellen. Die domheid kon goed gemaakt worden,

wanneer hij Pedrarias terugriep en De Balboa tot Gouverneur benoemde.

Hij deed het niet, doch stelde De Balboa aan tot Adelantado van de

»Zuidzee,« zooals de »Groote« of »Stille Oceaan« vaak genoemd werd, en

tot Gouverneur van Panama en Coyba, maar--onder het oppergezag van

Pedrarias.

De brieven, die deze benoeming bevatt'en, werden in een pak met nog

andere aan den Gouverneur gezonden, die meteen van De Balboa's

benoeming in kennis gesteld werd. Pedrarias had De Balboa zijne

dochter tot vrouw beloofd. Dat dit van de zijde der Moeder, Donna

Isabella, ernstig gemeend was, mag aangenomen worden, doch van de

zijde van den Vader was het niet gemeend. Terwijl deze De Balboa in

het openbaar, als zijn' aanstaanden schoonzoon behandelde, zette hij

in het geheim het proces in de zaak van De Nicuesa en De Enciso tegen

hem voort. Inplaats van hem een' tocht naar de Parel-eilanden te laten

ondernemen, gaf hij Pizarro last dien te doen, en toen De Balboa er

later tòch nog een, en met veel voordeel, naar die eilanden maakte,

trachtte Pedrarias niet alleen zijn' roem te verkleinen, maar zelfs

zijne eer te bezoedelen. Was er eene onderneming te doen, welke geene

kans van slagen had, dan werd De Balboa er mede belast. Was hij zoo

gelukkig van toch te slagen, dan werd het voor niet veel meer dan

kennisgeving aangenomen; slaagde hij niet, dan waren verwijten en

beschuldigingen zijn deel, zelfs als hij wonderen van dapperheid

verricht had en gewond te Santa-Maria terugkwam.

Nu waren de brieven van zijne verheffing gekomen, en thans beging

Pedrarias de laagheid om in zijn' Raad, die voor het grootste deel uit

zijne aanhangers samengesteld was, de vraag te doen, of men De Balboa

die aanstellingen wel geven zou, omdat hij altijd nog in staat van

beschuldiging stond. Gelukkig was Bisschop De Quevedo ook aanwezig, en

deze kwam met zooveel kracht en klem voor de rechten van De Balboa op,

dat de Gouverneur niet langer durfde weigeren om zijn' tegenstander de

benoemingen ter hand te stellen. Nauwelijks echter was de benoeming

van De Balboa bekend, of zijne talrijke vrienden toonden de

uitbundigste bewijzen van blijdschap, wat den Gouverneur weer ergerde,

die hierin eene samenzwering tegen zijn gezag meende te moeten zien.

Een schip, dat De Balboa indertijd uitgezonden had, kwam terug met

allerlei benoodigdheden voor een' ontdekkingstocht in den »Grooten

Oceaan« en de Kapitein liet in stilte De Balboa waarschuwen. De

Gouverneur kwam er evenwel achter en had nu werkelijk iets, waarvan

hij De Balboa beschuldigen kon. Deze dacht evenwel aan geen verraad en

begon vier schepen te laten bouwen en wel aan deze zijde van het

gebergte, omdat dit aan de andere zijde niet geschieden kon. De bouw

van die schepen en het vervoer van alle materialen over de bergen,

vormt op zichzelf reeds stof voor een heldendicht, en zie, juist stond

De Balboa gereed om met driehonderd wakkere mannen, als Adelantado,

een' ontdekkingstocht te gaan aanvaarden, toen Francisco Pizarro bij

hem kwam en hem in naam des Konings gevangennam, omdat hij eene

samenzwering tegen het gezag gesmeed had. Ongetwijfeld had De Balboa

tegenover De Nicuesa en De Enciso zeer verkeerd gehandeld, en de wijze

waarop hij schepen uitzond met een doel, dat voor den Gouverneur

geheim moest blijven, pleit ook tegen hem, maar dat Pedrarias het

wagen zou om het doodvonnis over hem uit te spreken, dat had niemand,

zelfs de Bisschop niet vermoed. En toch, dat gebeurde. Tal van

Kolonisten sprongen voor hem in de bres en verlangden dat Koning

Karel,--dezelfde, die als Karel V, later Keizer van Duitschland

werd,--in deze recht zou spreken. Alles was vergeefsch, en de man aan

wien Spanjes schatkist millioenen schats te danken had, werd in 1517

op tweeënveertigjarigen leeftijd onthoofd.

De schepen waarmede De Balboa den ontdekkingstocht wilde doen, kwamen

nu onder bevel van Don Gaspar De Espinosa, die juist een' voordeeligen

tocht over de Cordillera's gemaakt had. Niet zuidelijk voer hij, maar

wel in eene noordelijke richting, en, na eene betrekkelijk korte

afwezigheid, kwam hij met groote schatten terug. Zijn voorbeeld werd

gevolgd door Don Gonçalez De Avila, die met honderd man een' stouten

tocht in de binnenlanden van het tegenwoordige Nicaragua deed. Wat hij

hier vond, deed al zijne makkers verbaasd staan. Steden, waarin zich

groote huizen van steen gebouwd bevonden, met een veertig duizend

beschaafde inwoners, die allen gekleed waren en naar vaste wetten

geregeerd werden, waren geene zeldzaamheid. Naast schitterenden

rijkdom vonden ze er evenwel ook afzichtelijke armoede.

De Spanjaarden werden door den Kazike van Nicaragua met de meeste

voorkomendheid ontvangen en met schatten overladen, doch toen Gonçalez

De Avila te paard in het groote meer van Nicaragua sprong en dat in

bezit nam voor Koning Karel, hielden de vriendschapsbewijzen op en

werden de Spanjaarden zelfs door de Indianen aangevallen, zoodat ze

slechts met groote moeite hunne schepen konden bereiken.

Breidde men zoo in Middel-Amerika de ontdekkingen op het vasteland

steeds uit, ook de groote eilanden-wereld dezer streken werd gaandeweg

meer bekend en aan Spanje onderworpen. Don Juan Pince De Leon, een oud

soldaat, die reeds in den oorlog tegen de Mooren bijna grijs geworden

was, had door zijn' moed en beleid in de Nieuwe Wereld het zóó ver

weten te brengen, dat hij Bevelhebber eener provincie op Hispaniola

geworden was. Dit kalme en deftige leven kon den ouden krijger evenwel

niet behagen, en daar hij bij helder weder dikwijls het eiland

Boriquen of Portorico kon zien liggen, kwam de begeerte bij hem op om

ook dit eiland, dat nog altijd als vergeten daar lag, voor Spanje in

bezit te nemen. De Onder-Koning Ovando verleende hem verlof daartoe,

en in 1508 stak de moedige krijgsman naar dit eiland over, en na daar

nog al vrij veel goud verzameld te hebben, liet hij een deel der

bemanning van zijn schip op het eiland achter en stak naar San-Domingo

over, om den Onder-Koning het goud te laten zien. Ovando meende dat

het in bezit nemen van dit eiland voor Spanje gewichtig genoeg was, en

vertrouwde dat werk aan onzen De Leon toe, die evenwel nog eerst naar

Portorico terugkeerde om te onderzoeken of die onderwerping ook zonder

bloedvergieten kon plaats hebben. Zijn onderzoek liep gunstig af, en

in 1509 was De Leon, hoewel met veel moeite, Gouverneur van het

eiland, welks bewoners zich vrijwillig onderworpen hadden. Het duurde

niet lang of ze begrepen zeer verkeerd gedaan te hebben, doch het was

nu te laat om zonder wanhopigen strijd zich vrij te maken. In hunne

eenvoudigheid geloofden de bewoners, dat de Spanjaarden onsterfelijk

waren, doch toen ze met zekeren Salzedo eene proef namen, kwamen ze

tot andere gedachten. Ze droegen hem over een water, lieten er hem,

zoogenaamd bij ongeluk, in vallen, en gingen eenigen tijd op hem

zitten. Toen hij nu uit het water aan den oever gebracht was, en men

zag dat hij werkelijk dood was, besloot men de »sterfelijke«

overweldigers te verdrijven. De Leon evenwel wist door dapperheid en

krijgsbeleid den opstand te onderdrukken en stond, toen dit geschied

was, willig zijn Gouverneursbetrekking af aan Juan Ceron en zocht door

nieuwe daden zich te onderscheiden. De ouderdom kwam evenwel ook bij

hem met gebreken, en toen hij eenige oude Indianen eens hoorde

verhalen, dat er ten Noorden van hun eiland een land was, waar niet

alleen goud in overvloed, maar ook eene bron gevonden werd, waarin men

door een bad zich kon verjongen, besloot hij dat land op te zoeken en

misschien wel eene heele nieuwste Nieuwe Wereld te zullen ontdekken.

Als hij dan bovendien het geluk mocht hebben die bron te vinden, dan

zou een scheepsruim vol parelen hem niet zoo rijk kunnen maken, als

die ééne bron. Hij vond haar natuurlijk niet, maar wel vond hij op

Palmzondag van het jaar 1512 het vasteland van Noord-Amerika. Hij nam

het heerlijk schoone land voor Spanje in bezit en noemde het

»Florida«, onder welken naam dat land nog altijd bekend staat. Dat hij

het vasteland ontdekt had, wist hij bij zijn' terugkeer echter niet;

hij hield het voor een groot eiland. Op dien terugtocht nog altijd de

»Verjongings-bron« zoekend, kwam hij bij een groot aantal eilandjes.

Een' groep gaf hij den naam van »Schildpadden-eilanden,« omdat zijne

matrozen er in één' nacht honderd zeventig schildpadden vingen, en

een' anderen groep noemde hij »Oude-vrouwen-eilanden,« omdat hij er

slechts ééne oude vrouw vond. Hij nam haar aan boord, en door hare

kennis met deze zee diende ze hem als loods. Goed en wel kwam hij op

Portorico terug en stevende toen naar Spanje om den Koning bericht van

zijne ontdekking te geven. De Koning benoemde hem tot Adelantado van

Florida, doch inplaats van die betrekking te aanvaarden, nam hij het

bevel over een vlootje op zich om de Caraïben te tuchtigen. De tocht

mislukte en weer kwam hij op Portorico terug, dat hij evenwel later

andermaal verliet om, als Adelantado, van Florida bezit te gaan nemen.

De bewoners sloegen hem evenwel terug en zwaar gewond kwam hij op het

eiland Cuba aan, waar hij kort daarna in hoogen ouderdom overleed. En

nu we met De Leon op Cuba gekomen zijn, rijst misschien bij eenigen de

vraag: »Was dat eiland nog steeds in de macht der inboorlingen en

meende men nog altijd, dat het stellig het vasteland van Azië was?« We

beginnen met het laatste gedeelte der vraag en antwoorden, dat alleen

Columbus bij zijn overlijden nog geloofde, dat Cuba een deel van het

Aziatische vasteland was. De Portugeesche ontdekkingen hadden voor

anderen reeds zonneklaar bewezen, dat Columbus niet de »Indiën,« maar

eene geheel nieuwe wereld ontdekt had. Cuba behoorde derhalve niet tot

Azië, dat wist men reeds geruimen tijd, en dat het een eiland was,

schooner, vruchtbaarder, rijker en veel grooter dan Hispaniola, ook

dát wist men reeds, toen De Leon er den laatsten adem uitblies in

1520.

In 1511 had Don Diego Columbus aan Don Diego Velasquez, een' der

oudste volksplanters van Hispaniola, vergunning gegeven om dat eiland

voor Spanje in bezit te nemen. Aan het hoofd van driehonderd

ondernemende mannen en vergezeld door Las Casas en Hernando Cortez,

vertrok hij derwaarts en op voorzichtige wijze te werk gaande, wist

hij langzamerhand al de Kaziken aan zich te onderwerpen. Er was veel

stofgoud te vinden, en van alle kanten kwamen Kolonisten om zich van

dat goud meester te maken, doch daar zij zelven liever niet werkten,

en Velasquez voorzichtigheidshalve de inboorlingen van Cuba vooreerst

nog niet dwong om slavenarbeid te verrichten, zoo zond hij Don

Francisco Hernandez De Cordova uit om op het vasteland, dat westelijk

gelegen moest zijn, doch dat nog niet bezocht was, Indianen te gaan

rooven. Dit geschiedde in 1517, en De Cordova ontdekte op den eersten

Maart van dat jaar Kaap Catoche van Yucatan, doch meteen zag hij, dat

hij hier niet wezen moest om onnoozele inwoners, als slaven, op te

vangen. Had Don Gonçalez De Avila aan de westzijde van de landengte,

in het rijk van Nicaragua, steden met beschaafde inwoners gevonden,

hier ging het onzen De Cordova eveneens, en reeds uit zee ontdekte hij

in de verte eene stad met torens en witte, steenen huizen. Ook hier

toonden de inboorlingen zich niet zoo bijzonder verbaasd bij het zien

van de Spanjaarden, en de Kazike noodigde hem zelfs uit om een bezoek

in zijne stad te brengen. De Cordova voldeed hieraan en stond niet

weinig verwonderd, dat hij bij zooveel beschaving ook zag, dat hij

hier onder menscheneters was, die afgodendienaars waren. Wat wel

opmerkelijk heeten mag is, dat die afgodsbeelden allen het kruisteeken

droegen. De Cordova ontdekte echter, dat men hem en zijn volk in eene

hinderlaag trachtte te lokken, en hij verliet daarom de stad en

trachtte verder op de kusten slaven te vangen. Het mislukte hem echter

overal, en zonder slaven, maar met het bericht, dat hij een land van

beschaafde menscheneters gevonden had, kwam hij op Cuba terug. De

Velasquez zond nu zijn' neef, Don Juan De Gryalva met een vlootje uit

om die merkwaardige kusten nauwkeuriger te verkennen. Hij kwam in

hetzelfde land, doch den tocht van Kaap Catoche nog westelijker

voortzettend, ontdekte hij onder de bewoners steeds meer beschaving.

Vooral de bouwtrant der huizen deed hem aan zijn vaderland denken,

waarom hij dat land den naam van »Nieuw-Spanje« gaf. Hij ging er aan

den wal en begon met de bewoners, die zich Azteken noemden, ruilhandel

te drijven. Goud was er onder de Azteken in zulke groote hoeveelheden,

dat ze er bijna geene waarde aan hechtten, en groote klompen voor

eenvoudige ijzeren gereedschappen gaarne inruilden.

Zij toonden evenwel heel duidelijk, dat ze nu juist voor zulk een

klein aantal mannen met baarden niet zoo bevreesd waren, en daarom

hoorde De Gryalva niet naar het voorstel zijner tochtgenooten om daar

eene Volkplanting achter te laten. Dubbel tevreden met de

onbegrijpelijk groote schatten, die hij aan boord had, keerde hij naar

San-Jago de Cuba, de hoofdplaats van het eiland, terug. Welke de

gevolgen waren van de berichten en de schatten, die hij aanbracht, zal

in een volgend hoofdstuk verhaald worden, doch eer we dat doen, dienen

we nog even te spreken over een ander beroemd reiziger, die als het

ware als een nieuwe Christophorus Columbus optrad.

[Illustratie: FERDINAND DEL MAGELHANES. (Geb. 1440, overl. 1521.)]

Vóór vier Eeuwen: Een Volksboek over de Ontdekking van Amerika · 第 19 / 26 段