Nieuwe hoop had hem bezield toen hij van »Veragua« hoorde gewagen,

doch juist toen hij zich bij De Fonseca aanmeldde om dat land voor de

Spaansche Kroon in bezit te nemen, verkreeg hij een' mededinger in Don

Diego De Nicuesa, een aanzienlijk Edelman, die in alles wel een

tweelingbroeder van hem geleek. Koning Ferdinand wist evenwel raad.

Het land Veragua, dat door de Caraïbische Golf bespeeld werd,

verdeelde hij in twee Stadhouderschappen, die de namen kregen van

Goud-Castilië en Nieuw-Andalusië. De grens tusschen deze twee gewesten

zou de Golf van Dariën of van Uraba zijn. Over het eerstgenoemde

gewest zou De Nicuesa en over het andere De Hojeda Stadhouder worden.

Vertrouwende dat er veel bij te winnen en niets bij te verliezen viel,

namen beide Stadhouders gaarne de verplichting op zich om zelf de

kosten der uitrusting te dragen. Om dat goed te doen, stak De Nicuesa,

die nog krediet had, zich tot over de ooren in de schulden en rustte

vier schepen naar behooren uit. De Hojeda had, naar het scheen, bij de

avonturiers, die geld te missen hadden, al zeer weinig vertrouwen,

doch hij was zoo gelukkig om in den beroemden Stuurman, den ouden Juan

De la Cosa, die te San-Domingo vrij goede zaken gemaakt had, een

helpend vriend te vinden, die twee schepen voor hem uitrustte. Ten

slotte wist de slimme De Hojeda nog den Advocaat Martin Fernandez De

Enciso over te halen zijne spaarpenningen, die ruim vijfentwintig

duizend gulden bedroegen, in de zaak te steken en met hem mede te

trekken. Het had heel wat voeten in de aarde eer De Hojeda uitzeilde.

Don Diego Columbus, die toen de betrekking bekleedde, welke men zijn'

Vader ontnomen had, was niet van plan om het eiland Jamaïca, dat zoo

dicht bij Hispaniola lag, aan twee mannen over te laten, die bij hem

zeer laag aangeschreven stonden. Nu reeds daagde de een den ander uit,

wat zou er dan van terecht komen, als die twee samen één eiland

besturen moesten? Trots Koning Ferdinands beschikking, zond de

Admiraal nu Don Juan De Esquibel met zeventig man uit om het eiland te

bezetten en te zorgen, dat het niet in handen van die twee avonturiers

viel. Toen De Hojeda dit vernam, was hij woedend en zwoer dat hij, als

hij op het eiland kwam, dien De Esquibel het hoofd voor de voeten zou

leggen.

De Hojeda was de eerste, die uitzeilde met twee schepen, die met

driehonderd personen bemand waren. Daar hij bij ervaring wist, welk

een' indruk de ruiters op de inboorlingen maakten, zoo nam hij ook

twaalf paarden met hunne veulens mede. De Enciso bleef nog te

San-Domingo, doch beloofde, dat hij hem weldra volgen zou met een

schip, geladen met levens- en krijgsbehoeften.

Op de hoogte van het tegenwoordige Cartagena--eene zeehaven van de

Republiek Columbia,--gekomen, begaf De Hojeda zich, tegen den raad van

den ouden De la Cosa, aan wal om de inboorlingen te overvallen,

teneinde een aantal slaven buit te maken om hiermede zijne schulden te

San-Domingo te betalen. Het plan gelukte hem en hierdoor overmoedig

geworden, besloot hij met eene bende van zeventig man naar de

binnenlanden te trekken om de Caraïben andermaal te verslaan. Nogmaals

verhief De la Cosa zijne waarschuwende stem, maar De Hojeda was doof

voor allen goeden raad. Toen De la Cosa zag, dat de Gouverneur niet

hooren wilde, trok hij met hem mede. De uitslag was zoo treurig

mogelijk. De Caraïben versloegen de heele bende en slechts De Hojeda

gelukte het, den dood te ontkomen. Toen de achtergebleven schepelingen

hem vonden, was hij geheel uitgeput. Kort daarop kwam zijn mededinger

De Nicuesa met zijne schepen aan, en deze vergetende, dat De Hojeda

hem beleedigd en uitgedaagd had, kwam hem nu te hulp en in een

vreeselijk gevecht namen de Spanjaarden wraak over den dood van De la

Cosa en al de anderen. Na zoo zijn' plicht, als Ridder, vervuld te

hebben, toog De Nicuesa verder om Goud-Castilië op te zoeken. De

Hojeda achtte het onraadzaam om hier zijn fort te bouwen en zocht meer

westelijk eene geschikte plaats, en toen hij die meende gevonden te

hebben, begon hij een fort te stichten, hetwelk hij den naam van

San-Sebastian gaf. Het duurde niet lang of er kwam gebrek aan

levensmiddelen, want de inboorlingen vertoonden zich alleen, wanneer

ze kwamen om hunne vergiftigde pijlen op de Spanjaarden af te zenden,

wat maar al te veel plaats had. Het was derhalve geen wonder, dat De

Hojeda, die te midden van de ontevreden zieken en hongerlijders de

tucht met galg en zwaard wist te handhaven, met verlangen uitzag naar

het schip van zijn' deelgenoot De Enciso. Maar wie er komen mocht, De

Enciso kwam niet. De ellende werd daardoor van dag tot dag erger, en

naarmate zij toenam, vermeerderden de aanvallen der Indianen, die ten

laatste ook De Hojeda met een' vergiftigden pijl wisten te treffen.

Zulk een pijl bracht eene rillende koude en dan den dood. Die rillende

koude wilde De Hojeda voorkomen om zich zóó het leven te redden, en

hij beval zijn' Geneesheer met twee gloeiende ijzeren staven die

wonden uit te branden. De Geneesheer weigerde, doch De Hojeda zeide

heel eenvoudig, dat hij hem dadelijk zou laten ophangen, als hij het

niet deed. Voor zulke bedreigingen zwichtte onze Chirurg; de staven

werden witgloeiend gemaakt en hiermede liet De Hojeda zich, zonder

éénig gekreun te laten hooren, de wonden uitbranden, en wonder boven

wonder, het vreeselijke middel hielp en hij bleef in het leven om te

strijden tegen eene onbeschrijfelijke ellende. Eindelijk, eindelijk

kwam er een schip, doch dat van De Enciso was het niet. Een aantal

bankroetiers, oplichters, dieven en andere schelmen hadden San-Domingo

in stilte verlaten, een schip afgeloopen, de bemanning vermoord en

kwamen nu hier bij De Hojeda hun geluk beproeven. Tegen schreeuwend

hooge prijzen kocht De Hojeda de levensbehoeften, die ze aanboord

hadden, doch toen deze verteerd waren en De Enciso nog altijd

wegbleef, besloot De Hojeda zelf naar San-Domingo te stevenen om hulp

te halen. Hij zou dat doen op het schip en met de mannen, die op zulk

eene vreemde wijze te San-Sebastian aangekomen waren, en als hij

binnen vijftig dagen nog niet terug was, dan moesten de Kolonisten het

fort verlaten en met de schepen waarmede ze gekomen waren, naar

Hispaniola terugkeeren. Gedurende zijne afwezigheid zou zijn

Onder-bevelhebber Francisco Pizarro, het bevel over de Kolonie voeren.

De Hojeda vertrok, doch moest het geroofde schip, dat door de

zeewormen bijna verteerd was, op het eiland Cuba op het strand laten

loopen. Met zeventig man begon De Hojeda nu een' tocht dwars door de

moerassen heen, welke dertig dagen duurde, en eene aaneenschakeling

van de ontzettendste toestanden was. Eindelijk kwamen ze, na met eene

kano eene boodschap naar Jamaïca gestuurd te hebben, op dat eiland

aan. Don De Esquibel, die zeer goed wist, dat De Hojeda hem gedreigd

had, het hoofd voor de voeten te leggen, bewees De Hojeda alle

mogelijke diensten en liet hem en de zijnen naar San-Domingo brengen.

De Hojeda kwam daar arm aan; zijn deelgenoot De Enciso was uitgezeild,

en niemand was er, die zich De Hojeda's lot aantrok. De een zegt, dat

hij Monnik werd, en de ander dat hij vóór eene kloosterdeur in armoede

stierf. Zijn levenseinde was in alle gevallen treurig; hij was een der

vele slachtoffers van het goud. De schipdieven waren, tot op de helft

in de Cubaansche moerassen gestorven, slechts te San-Domingo

aangekomen om de doodstraf te ondergaan.

En hoe was het met den Stadhouder van Goud-Castilië, De Nicuesa,

gegaan?

Eer wij over dezen Ridder spreken, willen wij eerst naar San-Sebastian

terugkeeren. Met de achtergebleven Kolonisten komen we dan vanzelf bij

De Nicuesa in Goud-Castilië.

Nog wat langer dan de gestelde vijftig dagen bleef Pizarro op De

Hojeda's terugkomst wachten. Wat er zooal gebeurd is in dien tijd van

ongeëvenaarde ellende, niemand, die het zeggen kan, want Pizarro, die

de onechte zoon was van een' Spaansch Officier en eene arme vrouw uit

de volksklasse, had de jaren zijner jeugd wel doorgebracht achter de

zwijnen, maar niet op de schoolbanken. Hij kon niet lezen of

schrijven, en was uit Spanje weggeloopen om in de Nieuwe Wereld, als

gemeen soldaat, zijn fortuin te beproeven. Hij was een man van

beteekenis in die woelige dagen, en bij groote dapperheid bezat hij

een' ijzeren wil en een helder, natuurlijk verstand, maar meteen eene

weergaloos wreede inborst. Te midden van eene ellende, die de heele

Kolonie tot op zestig ziekelijke en verzwakte manschappen deed

inkrimpen, handhaafde hij de tucht. Eerst toen hij begreep, dat De

Hojeda niet terugkeeren zou, besloot hij om in de twee vaartuigen

San-Sebastian te verlaten. Die terugtocht was al even rampspoedig als

het verblijf in het fort, en door een' zwaren storm overvallen,

verging een der twee schepen met man en muis. Het schip waarop Pizarro

was, bleef behouden en ontmoette, na eenige dagen zwervens, in de

haven van Cartagena, waar De la Cosa gesneuveld was, de karveel van De

Enciso, die, vernomen hebbende hoe het met de volkplanting afgeloopen

was, zich nu als hoofd van den tocht en als Gouverneur van

Nieuw-Andalusië beschouwde, zoo lang De Hojeda er niet was. Hij beval

daarom naar San-Sebastian terug te keeren. Met tegenzin gehoorzaamden

Pizarro en de zijnen aan dit bevel, doch eer ze het verlaten fort

bereikt hadden, verging de karveel van De Enciso in de Golf van

Dariën. Met groote moeite werden nog eenige levensmiddelen gered, en

zoo kwam men alweer met één vaartuig en eene half verhongerde

bemanning op de plaats aan waar het fort eens gestaan had. Gestaan

had, ja, want de inboorlingen hadden het verbrand. De Enciso's schoone

hoop om in deze landstreken, wanneer het regen-seizoen ingetreden was,

in de bergen goud met netten te vangen, wat men hem wijsgemaakt had,

was als rook vervlogen. Wat nu te doen? Thans trad zekere Vasco Nunez

de Balboa te voorschijn en zeide, dat hij op den tocht van De

Bastides, dien hij vergezeld had, in de Golf van Uraba eene plaats

gezien had, waar veel goud was en waar de inwoners nooit vergiftigde

pijlen gebruikten; hij bood zich meteen aan om de Kolonisten derwaarts

te voeren. Het voorstel werd aangenomen en De Balboa had het geluk het

schip in de rivier Dariën te brengen. De inboorlingen, die de landing

wilden beletten, werden verslagen en behalve vele levensmiddelen en

katoen behaalden de Spanjaarden ook een' buit aan goud, die anderhalve

ton waarde had. Dit herstelde den moed en men besloot hier te blijven.

Het fort, dat er gesticht was, kreeg den naam van »Santa-Maria De la

Antiqua del Dariën« en vol hoop gingen de Kolonisten nu de toekomst

tegemoet. De Enciso verbood echter aan zijne onderhebbende manschappen

om voor eigen rekening met de inboorlingen ruilhandel te drijven. Dit

stuitte vooral Nunez tegen de borst, en daar deze een dapper en

schrander man en bij zijne makkers zeer gezien was, zoo kostte het hem

weinig moeite om hen te bewegen, het gezag van De Enciso niet te

erkennen. Hij ging hierbij zeer slim te werk en ving den Advocaat met

een echt Advocaten-net. De grenslijn, die Koning Ferdinand tusschen

Goud-Castilië en Nieuw-Andalusië getrokken had, liep midden door de

Golf van Uraba. Deze lijn was overschreden en derhalve was men in het

gebied van De Nicuesa. De Kolonisten zett'en dus De Enciso af en

verkozen tot Aanvoerders Vasco Nunez De Balboa, Zamudio en Valdivia.

Onder het bestuur van dit nieuwe Driemanschap, liep alles weldra in

het honderd, doch toen men er toe kwam om één' Bevelhebber te kiezen,

waren de gevoelens zóó verdeeld, dat men besloot om De Enciso weer

maar in het gezag te herstellen. Hierover nog aan het kibbelen, kwamen

onverwachts twee karveelen de golf binnenloopen. Ze stonden onder

bevel van zekeren Colmenares en waren met levensmiddelen en

oorlogsbehoeften bevracht voor den Stadhouder van Goud-Castilië.

Colmenares wist nu de Kolonisten te bewegen om De Nicuesa als

Gouverneur te erkennen, en na levensmiddelen, kruit, lood en eenige

wapenen uitgedeeld te hebben, begon hij langs de kust naar het fort

van De Nicuesa te zoeken. Na eenige dagen ontmoette hij een scheepje,

dat door den Stadhouder uitgezonden was om levensmiddelen te halen en,

begeleid door dit scheepje, kwam Colmenares te »Nombre de Dios,« de

zoogenaamde Residentie van Don De Nicuesa aan, om eene ellende te

vinden, welke die van San-Sebastian misschien nog wel overtrof. Het

was met dezen Ridder gegaan als met De Hojeda.--Stormen vernielden

zijne schepen en sleurden zijne levens- en krijgsbehoeften in de

golven. Oproer aan boord en ziekten waren zijn deel geweest. Met een

moedeloos: »Laten wij hier _en el nombre de Dios_ (in Godsnaam) ons

nederzetten,« van De Nicuesa, waren zij hier gekomen en hadden ze het

fort gebouwd, dat »Nombre de Dios« genoemd werd. De verjaagde

inboorlingen lieten zich ook hier niet zien dan om aanvallen op de

sterkte te doen. Van goud verzamelen in »Goud-Castilië« was geene

sprake, men vond er zelfs geen cassave-brood. De eene opstand na de

andere brak uit, en de ellende was ten top gestegen toen Colmenares

aankwam. Zoodra De Nicuesa van de Kolonie te Santa-Maria gehoord had,

besloot hij aldaar zijne residentie te vestigen en zond een schip met

zieken en zwakken er heen; hij zelf zou later komen. Het

vooruitgezonden volk bewerkte evenwel zijn' val, want te Santa-Maria

vertelden ze allerlei leelijks van De Nicuesa en zeiden ook, dat ze al

het goud, hetwelk ze verzameld hadden, zouden moeten afstaan, en dat

De Balboa, die nog altijd de betrekking van Alcalde of Rechter

bekleedde, zijn ambt zou moeten neerleggen. Dit nu stond den

Kolonisten en vooral De Balboa niet aan. Hij haalde het volk over om

De Nicuesa niet te erkennen en toen deze eindelijk met zijne twee

schepen te Santa-Maria verscheen, werd hem de landing belet. Het

eenige, wat hem toegestaan werd, was dat hij, slechts vergezeld door

een' Page, aan den wal kwam. Nu wist De Balboa, die vooraf reeds alles

met de zijnen afgesproken had, De Nicuesa mede te deelen, dat het

noodig was, dat hij zich aan eene keuze der Kolonisten, die eigenlijk

toch onder De Hojeda stonden, onderwierp. De stemming volgde en--De

Balboa werd verkozen. Te vergeefs smeekte De Nicuesa nu om de gunst om

toch te Santa-Maria te mogen blijven. Op eene brigantijn, die meer een

wrak dan een schip was, noodzaakte men hem, elders zijn geluk te

beproeven. Hij heeft het nooit gevonden, want het wrakke schip zonk

met zijne bemanning in de diepte.

Thans beschouwde Vasco Nunez De Balboa zich als Gouverneur van de twee

Stadhouderschappen: Goud-Castilië en Nieuw-Andalusië, wat natuurlijk

niet overeenstemde met de gevoelens van De Enciso. Deze werd echter in

het ongelijk gesteld, gevangengenomen en veroordeeld. De weinige

vrienden van den ongelukkigen Advocaat vonden dat vonnis evenwel te

hard, en wisten gedaan te krijgen, dat hij naar San-Domingo of Spanje

mocht terugkeeren, doch met achterlating van alles, wat hij het zijne

mocht noemen. De Balboa begreep zeer goed, dat De Enciso te

San-Domingo of in Spanje in het gelijk zou gesteld worden, doch om op

het gemoed der Rechters te werken, liet hij met hetzelfde schip ook

zijn' vriend Zamudio medegaan. Deze zou wel zorgen, dat de groote

verdiensten van De Balboa met »de breede roede uitgemeten« werden.

Hierop nog niet genoeg vertrouwende, liet hij Valdivia ook den tocht

medemaken, en dezen gaf hij eene kist van het fijnste goud mede, om

dat, als een geschenk van De Balboa, in handen te stellen van Don

Miguel De Pasamonte, die te San-Domingo de betrekking van

Schatbewaarder des Konings bekleedde. Verlost van De Enciso, en ook

buiten bereik van de twee andere leden van het voormalige

Driemanschap, begon De Balboa thans de zaken te besturen, en het mocht

gezegd wezen, dat ze voortreffelijk gingen. Hij verstond de kunst om

zich bij de Kaziken bemind of gevreesd te maken, en daar hij wel wist,

dat hij bij Koning Ferdinand zijne zaak, al was deze nog zoo

onrechtvaardig, winnen zou, als hij hem maar schatten van goud

toevoerde, zoo deed hij al, wat hij kon, om zich van goud meester te

maken, en dit gelukte hem boven wensch. Binnen korten tijd kon hij

twee schepen, rijk met goud bevracht, naar San-Domingo afzenden. Hij

maakte van deze gelegenheid meteen gebruik om Don Diego, den

Onder-Koning, te vragen om eene aanstelling als Kapitein-Generaal van

Goud-Castilië. De buitengewoon rijke lading der twee schepen was zóó

in zijn voordeel, dat Don Diego geen oogenblik aarzelde om hem die

aanstelling te verleenen. Hij zond hem bovendien de schepen met

allerlei levens- en krijgsbehoeften benevens honderdvijftig soldaten

terug. Hoewel De Balboa nu door Don Diego in het gezag bevestigd was,

meende hij nog wat meer te moeten doen om ook den Koning voor hem te

winnen, want de genegenheid van den Onder-Koning, die zelfs in Spanje

nog te worstelen had tegen De Fonseca en al de oude vijanden zijns

Vaders, was hem niet genoeg.

Eens nu dat hij van een' Kazike eene groote hoeveelheid goud ontvangen

had, ontstond, over de verdeeling er van, twist onder de Spanjaarden.

De eenvoudige inboorlingen verbaasden zich hierover en één hunner

zeide nu tot De Balboa: »Hoe kunt gij twist maken over zulk een weinig

goud? Indien gij wilt, zal ik u eene plaats aanwijzen, waar gij

zooveel goud zult vinden, als gij maar begeert. Gij moet evenwel met

eene sterke bende derwaarts gaan, want het goudland is in het gebied

van machtige Kaziken, die den Spanjaard vijandig gezind zijn. En

wanneer gij er heen gaat, dan kunt ge zelfs van den top van een'

hoogen berg eene zee zien, onmetelijk groot. Zij wordt bevaren door

schepen, evenals die van u.«

De Balboa's oog straalde van vreugde. Zou die zee dan de zeeëngte

zijn, welke Columbus gezocht had? Lag dan daar aan gindsche zijde der

bergen het heerlijke, rijke land, dat men de »Indiën« noemde? Als hij

dát land vond, dan, hij wist het, dan zou hij zijne zaak ook in Spanje

winnen. Hij aarzelde niet lang. Den eersten September 1513 begaf hij

zich met honderdvijftig Spanjaarden en zeshonderd Indianen op weg, en

begon zulk een' stouten en gewaagden tocht, dat hij in vele opzichten

dien van Hannibal over de Alpen overtreft. Wanneer we een' blik op de

kaart slaan, zal het ons tamelijk vreemd voorkomen, dat deze tocht zoo

moeielijk en gevaarlijk was, want De Balboa bevond zich bijna op het

smalste gedeelte van de Landengte van Panama. Dit blijkt ook uit de

verzekering van den Indiaan, die sprak dat men van »gindschen berg,«

de groote zee aan de overzijde kon zien. De »gindsche berg« moest dus

met den vinger aangewezen kunnen worden, en kon, hemelsbreed, niet zoo

ver verwijderd zijn. Dat alles is waar, doch men moet niet vergeten,

dat de bergen en dalen, òf overdekt waren met bijna ontoegankelijke

wouden, òf bewoond door Indianen, die weinig geleken op de eenvoudige

bewoners der afgelegen Westindische eilanden. Zwaard en musket,

kruisboog en harnas vermochten hier wel veel, doch lang niet alles.

Wilde De Balboa tusschen zijn klein leger en Santa-Maria, bij wouden

en bergen, ook geene vijandige Indianen hebben, dan moest hij alle

Kaziken, die hij op zijn' tocht ontmoette, tot vrienden maken. Dit

gelukte hem schier overal, want de persoonlijkheid van dezen koenen

avonturier schijnt eene zeer innemende geweest te zijn. Gelukte het

hem niet om, door bewijzen van vriendschap, de Kaziken aan zich te

verbinden, dan wist hij door beleidvol wapengeweld hen tot

onderwerping te dwingen, en dikwijls werden zelfs de Kaziken, die hij

met geweld had moeten winnen, zijne warmste vereerders en trouwste

bondgenooten.

Eindelijk, eindelijk was hij bij »gindschen berg« aangekomen. De

beklimming was zóó moeielijk, dat velen beneden bleven. Vol ongeduld

klauterde en klom De Balboa de zijnen vooruit. Daar was hij op een'

der toppen en--een groote Oceaan lag in de verte vóór hem. Bij dat

gezicht viel hij op de knieën om God te danken, dat het hem vergund

was, de eerste Europeaan te zijn, die deze wereldzee zag.

Onbeschrijfelijk groot was de vreugde der zijnen toen ze bij hem

aankwamen en ook den Oceaan zagen. Er werd van steenbrokken een kruis

opgericht, en Andrez De Vara, een Priester, die De Balboa vergezelde,

begon, vol dankbaarheid en geloofsgloed, het »Te deum laudamus« te

zingen, waarin hij door allen gevolgd werd. Het moet daar op die

rotspunt der Cordillera's een buitengewoon schoon en aangrijpend

tooneel geweest zijn, en als we dan weten, dat de Indianen in de

vreugde der Spanjaarden deelden, dan moeten we het goud verwenschen,

dat instaat was, om met moord en doodslag te doen eindigen, wat zóó

schoon met gebed en lofzang begonnen was.

[Illustratie: Vasco Nunez De Balboa neemt den »Stillen Oceaan« in

bezit.]

Van de ontdekking van den »Stillen« of »Grooten Oceaan« werd op

staanden voet een protocol opgemaakt, dat door al de Spanjaarden

onderteekend werd. De derde onderteekenaar, die als handteekening maar

een kruisje zette, was Pizarro, en misschien maakte hij toen het plan

reeds om in het gezicht van dezen Oceaan voor Spanje nieuwe landen te

veroveren. Na afloop der plechtigheid en na uitgerust te zijn, werd de

tocht voortgezet, en den negenentwintigsten September bereikte men het

zeestrand aan eene baai, waaraan de moedige ontdekker den naam van

»San-Miguel« gaf. Het was peillaag water en het strand bestond niet

uit zand, maar uit zwarte modder en klei. De Balboa bleef met de

zijnen wachten tot het water hoog was. Toen nam hij de Rijks-banier,

wierp zijn schild op den schouder, trok zijn zwaard, trad tot aan de

knieën in het water en nam daarop, met dezelfde formaliteiten, alsof

het land was, van den Oceaan bezit voor de Spaansche Kroon.

Vóór vier Eeuwen: Een Volksboek over de Ontdekking van Amerika · 第 18 / 26 段