Zonder eenige vrees of verbazing te toonen, kwamen ze bij Columbus aan

boord, en nu vernam deze, dat de kano eene lading van cacaoboonen en

vele andere handels-artikelen in had. Zij waren ook in het bezit van

allerlei keukengereedschap, ja, zelfs van bijlen, die van koper

gemaakt waren. Verder hadden ze katoenen doeken en mantels, kroezen om

metalen te smelten, kortom alles, wat duidelijk bewees, dat ze uit

eene zeer beschaafde streek afkomstig waren. Ongelukkig kon Columbus

niets van hunne taal verstaan, en de Arabische tolken, die hij mede

genomen had om hem van dienst te zijn, als hij in de eigenlijke Indiën

aangekomen was, konden hen natuurlijk ook niet verstaan. Na een' zeer

voordeeligen ruilhandel gedreven te hebben, namen ze vriendelijk

afscheid en vertrokken in eene richting, die ons thans met eenige

zekerheid kan doen zeggen, dat ze uit Yucatan afkomstig waren. Had

Columbus maar niet voorgenomen om de zeeëngte, die niet bestond, te

vinden, en ware hij deze kano gevolgd, dan zou zijne vierde

ontdekkingsreis de beste en rijkste geweest zijn, welke hij of eenig

ander nog gemaakt had. Maar die zeeëngte wilde en zou hij vinden, en

daarom ging het alweer, en nu in zuidoostelijke richting, verder.

Weldra had hij de kusten van Middel-Amerika bereikt. Dewijl zijn doel

niet daar lag, zoo deed hij slechts nu en dan eene landing, en telkens

zag hij bij zulk eene gelegenheid, dat hij meer en meer het goudland

naderen moest, want de bewoners droegen allerlei gouden versierselen,

die ze gaarne, vooral tegen valkenbellen, inruilden. Het goud kwam uit

een land, zoo berichtte men hem door teekenen, dat bewoond werd door

een zeer beschaafd volk, dat in het bezit was van lastdieren en in

huizen woonde, half van goud gebouwd. Hij meende verder te verstaan,

dat dit land »Ciguare« heette en negen dagreizen over land verder lag

in westelijke richting en--aan de zee.

Thans liet de Admiraal zijne verbeelding weer spelevaren op de wateren

der valsche voorstelling en meende hij verzekerd te zijn, dat hij zich

op slechts negen of tien dagreizen afstands bevond van de beroemde

Indische rivier de Ganges. Vol moed stevende hij nu verder, doch toen

hij eindelijk kwam, waar de Landengte van Panama het smalst is, werd

hij overvallen door een' storm, die negen dagen aanhield. De regen

viel al dien tijd bij stroomen neer, en de bemanning der karveelen

verkeerde in de grootste gevaren en in de bitterste ellende. Het

voedsel was door de hitte en de overslaande zeeën zóó bedorven en zóó

vol maden en wormen, dat het volk de duisternis te baat nam om het

maal te doen, ten einde dan niet te zien, wat er gegeten moest worden.

Toen de storm ten slotte bedaard, en de zee weer kalm geworden was,

bevond men door waarnemingen, dat de schepen ver naar het Noorden

teruggeslagen waren. Nog eens denzelfden weg afleggen, er was geen

denken aan, want de houtworm had ook deze schepen aangetast. Gelukkig

vond men kort daarop land, en kon het volk zich aan den wal van de

doorgestane ellende herstellen. Het was een land, rijk aan goud, en

bewoond door vriendelijke menschen, die veel beschaafder waren dan al

de inboorlingen, die hij nog ontmoet had, en geregeerd werden door

een' Kazike, die den titel van »Quibian« droeg. De Vorst van dit land,

dat »Veragua« genoemd werd, ontving Don Bartholomeus en de zijnen, die

hem bezochten, bij uitstek vriendelijk, en de ruilhandel in goud was

nog nergens zoo voordeelig geweest. Blijkbaar was deze streek

bijzonder rijk aan dit metaal, en daarom drong Columbus er op aan, dat

zijn broeder bij den Kazike onderzoek zou doen waar die mijnen zich

bevonden. De Quibian, die werkelijk geen kwaad in den zin had, gaf Don

Bartholomeus twee gidsen mede, die hem bij de mijnen bracht, en wat

men daar vond, was zulk een rijkdom in edel metaal, dat Columbus

besloot om hier eene volkplanting te stichten, welke onder het

opperbevel van zijn' broeder zou staan. Aanvankelijk scheen het dat de

streek niet alleen gezond en vruchtbaar, maar ook bewoond was door

menschen, die zeer vredelievend en gastvrij van aard waren. De soort

van sterkte, waarin de Kolonisten leven zouden, was reeds bijna

voltooid, toen Don Bartholomeus vernam, dat de Quibian zijn volk te

wapen geroepen had. Waarom dat gedaan was? Om oorlog te voeren met

een' naburigen stam, bij welke gelegenheid de Quibian zelf gewond

werd. Don Bartholomeus legde het evenwel anders uit en meende, dat de

Quibian zijne sterkte wilde aantasten. Om dit te voorkomen vormde hij

het plan den Vorst op te lichten, en door een aantal gewapende

manschappen vergezeld, begaf hij zich naar het dorp waar de Quibian

zijn verblijf hield. De Vorst ontving zijne bezoekers vriendelijk, en

toonde hun de wonden, die hij in den strijd bekomen had. Op een

gegeven teeken echter werd de Vorst op den grond gesmeten, gekneveld

en weggevoerd. In de nabijheid van het Admiraalsschip waagde de

ongelukkige het, zijn leven te redden. Hij sprong in zee, zwom naar

den oever, en was van dat oogenblik af de verbitterdste vijand der

Spanjaarden. Hij viel met de zijnen de sterkte aan, doch werd

teruggeslagen. Bij een' tweeden aanval echter, werd eene heele

afdeeling Spanjaarden, die uitgegaan was om voedsel, water en hout te

halen, op één' man na, door de inboorlingen gedood, en Columbus zag nu

wel in dat er geene mogelijkheid bestond om hier eene Kolonie achter

te laten. Het plan werd dus opgegeven, en de ellendige toestand waarin

de schepen verkeerden dwong den Admiraal tot den terugtocht.

Wat zal hij dien vol teleurstelling aanvaard hebben! Tijd om in

treurige gedachten verzonken te blijven was er echter niet. Eene der

karveelen liep op de riffen vast; men moest manschap en lading

overbrengen op de drie andere schepen, die door dag en nacht pompen

slechts vlot konden blijven. Een van deze drie schepen kon, wat men

ook beproefde, de reis weldra niet meer voortzetten, en ook dat moest

men, na het ontladen te hebben, aan de golven prijsgeven. De twee

overgebleven karveelen werden met den dag steeds lekker. Het volk

matte zich vruchteloos aan de pompen af, en toen men het geluk had om

Jamaïca te bereiken, was er geen ander middel tot behoud over dan de

beide bodems op strand te laten loopen. Het ruim stroomde terstond vol

water, en Columbus, die vreesde dat zijne mannen aan den wal, de

vriendelijke bevolking slecht behandelen zou, liet daarom de twee

scheepsdekken tot verblijf inrichten.

Wilde de Admiraal hier met zijn volk niet omkomen, dan moest hij eene

bede om hulp naar Hispaniola zenden. Diego Mendez en Bartholomeus

Fiesco boden zich aan om in twee kano's naar San-Domingo over te

steken, ten einde De Ovando in kennis te stellen met den treurigen

staat waarin de expeditie van den Admiraal zich op Jamaïca bevond. De

twee moedige mannen kwamen behouden te San-Domingo aan in hunne

kano's, die met zes Spanjaarden en tien Indianen bemand waren, en

dadelijk deed Diego Mendez den Onder-Koning verslag van den ellendigen

toestand van Columbus en de zijnen, en vroeg hij hem een schip om de

schipbreukelingen af te halen. De Ovando zag hierin evenwel eene list

van Columbus om in de Kolonie aan wal te komen, en draalde om hulp te

verleenen. Eerst zeven maanden later gaf hij zijne toestemming om een

schip te huren, doch hiermede was Diego Mendez nog niet verder, want

om een schip te huren moest er een schip zijn, en er was nergens eenig

vaartuig tot dat doel beschikbaar. Die tusschentijd was door De Ovando

gebruikt geworden om een' zijner gunstelingen naar Jamaïca te zenden,

teneinde zich te overtuigen of de Admiraal werkelijk in zulk een'

ellendigen toestand verkeerde. Escobar, zoo heette de man, die den

dienst van spion moest verrichten, kwam op Jamaïca, en vond daar niet

alleen alles zooals Diego Mendez het geschetst had, maar nog veel

erger. De bemanning der karveelen was in opstand tegen Columbus

gekomen, en gaf op het eiland zich aan allerlei ongebondenheden over,

nadat zij vruchteloos beproefd had om in kano's het eiland te

verlaten. Met welk eene vreugde had Columbus, die ziek was, het schip

zien komen, hopende dat het zijne getrouwen zijn zouden, die hem

kwamen afhalen! Hoe groot moet zijne teleurstelling geweest zijn, toen

hij in Escobar een' zijner vijanden en een' aanhanger van Roldan

herkende, die hem uit naam van den Onder-Koning een stuk spek, een

vaatje wijn en een' brief gaf. De Ovando beloofde in dien brief hulp

te zullen zenden en verwachtte van den Admiraal bericht of hij ze nog

begeerde. Het grensde aan spotternij, zoo niet erger. Toch schreef

Columbus den brief, en toen Escobar dezen had, vertrok hij, Columbus

achterlatende in een' toestand, te ellendig om ze in woorden te

schetsen. Inmiddels gingen de opstandelingen met hun ongebonden leven

voort, en het gevolg was dat de inboorlingen weigerden, Columbus en de

zijnen den noodigen levensvoorraad te verschaffen. De hongerdood

scheen allen beschoren, toen Columbus gelukkig berekende dat er eene

maansverduistering zou plaats hebben. Hiervan maakte hij terstond

gebruik en liet aan de inwoners weten, dat de maan diep bedroefd was,

dat men aan de kinderen der zon geene spijzen bracht, en dat zij

daarom dien avond zich verbergen zou. De inboorlingen lachten er wat

mede, doch toen des avonds de maan totaal verduisterd werd, dreef hun

bijgeloof hen aan om Columbus en de zijnen een' grooten voorraad van

levensmiddelen te zenden. Hierdoor waren de arme schipbreukelingen

aanvankelijk geholpen, doch hoe lang zou het duren? Gelukkig,

eindelijk kwam er uitkomst, want de trouwe Diego Mendez en

Bartholomeus Fiesco hadden niet gerust voor ze een schip hadden, en

dit schip kwam aan en bracht de arme lijders naar Hispaniola over.

Columbus werd daar met alle bewijzen van eerbied ontvangen, maar--het

was te laat. Zijne kracht was geknakt; zijne hoop verdwenen.

Met welbehagen toonde De Ovando hem den bloeienden toestand waarin de

Kolonie verkeerde, en somde de schatten op, die hij gedurende zijn

bestuur reeds naar Spanje gezonden had en nog zenden zou.

De Ovando verstond de kunst om de Kolonie productief te maken en zoo

bij den geldzuchtigen Koning Ferdinand in hooge gunst te komen. Geen

Spanjaard moest een' slag werk doen; in de Kolonie was elke Spanjaard

een Hidalgo, die alleen toezicht hield op den arbeid der arme

inboorlingen, en als beul optrad, wanneer de lieden niet hard genoeg

werkten of zich verzett'en. Gewoon aan een matig leven, hadden die

inboorlingen zich nimmer met zwaren arbeid bezig gehouden; ze konden

dien ook niet verrichten, want het warme en vochtige klimaat verbood

hun dit. Nu moesten ze het zwaarste werk en nog zonder eenig loon

doen. Mishandelingen hadden ze dag aan dag te verduren, en dat van

mannen, die ze bij hunne komst vriendelijk en met open armen als

hemelsche wezens ontvangen hadden, terwijl het hun geene moeite zou

gekost hebben om te beletten, dat zij zich in hun Paradijs vestigden!

Is het wonder, dat ze bij duizenden onder dien zwaren arbeid op het

veld, bij de goudwasscherijen of in de mijnen bezweken? Is het wonder,

dat zij zich menigmaal verzett'en met de overtuiging, dat het verzet

hun het leven kosten zou? Maar ze wilden liever sterven dan zóó leven,

en hoevelen door zelfmoord een einde aan hun leven maakten, valt niet

te zeggen. Een geschiedschrijver, die alle vertrouwen verdient, meldt

dat al het volk van eene plantage zich door ophanging van het leven

wilde berooven. De opzichter snelde er heen en trachtte hen te

weerhouden, doch te vergeefs. Niet wetende, wat hem te doen stond, als

zijne heele plantage zonder werkkrachten was, riep hij uit: »Dan hang

ik mij ook op!« Verschrikt wierpen de Indianen hunne stroppen weg,

omdat ze geloofden, dat hij hen dan toch ook na den dood zou

vergezellen om hen te mishandelen. Hoe diep moet de vrees in die

eenvoudige zielen post gevat hebben om zóó te handelen!

En het waren niet enkel de opzichters of soldaten, die zoo beestachtig

te werk gingen.

Wie herinnert zich de schoone en zachtzinnige Anacaona niet? Na den

dood haars broeders regeerde zij als vrouwelijke Kazike haar schoon

land met zijne zachtzinnige inwoners. Trouw betaalde ze met elken

termijn de schatting in katoen, trouw bleef ze den Spanjaard,

onverschillig wie te San-Domingo zetelde: Columbus, De Bobadilla of De

Ovando. Maar een Spanjaard klaagde haar bij De Ovando aan, dat zij en

haar volk aan eene samenzwering tegen de Spanjaarden deelgenomen

hadden. Zonder te onderzoeken of die aanklacht gegrond was, ging De

Ovando met eene afdeeling soldaten naar Xaragua. Op de gewone wijze

werden de Spanjaarden door de Kazike en hare onderdanen met

eerbewijzen en vriendelijk ontvangen, en weer gaf Anacaona ter eere

van hare gasten een spiegelgevecht. Toen dit afgeloopen was zeide De

Ovando, dat hij zijne soldaten ook eens een spiegelgevecht zou laten

houden. Anacaona betrok nu met tachtig van hare volgelingen eene

woning waaruit ze die vertooning goed kon zien. De soldaten keken De

Ovando aan. Hij zou een teeken geven, als ze beginnen moesten. Dat

teeken was: met den vinger zijne halsketen aanraken. Het werd gegeven,

en inplaats van een spiegelgevecht te gaan houden, vielen ze de woning

van Anacaona aan, vermoordden haar gevolg, en sleurden haar als

gevangene mede. De arme vrouw! Het loon voor al hare trouw was een

strop, waaraan ze opgehangen of waarmede ze geworgd werd!

En als de Geestelijkheid, zooals later vaak gebeurde, zich tegen

dergelijke gruwelen verzette, dan eischten de gouddorstige Spanjaarden

straf voor den moedigen man, die de Kolonie in gevaar bracht.

Dat Koningin Isabella zich met zulk eene wreede dwinglandij en zulk

eene verdrukking niet vereenigen kon, bleek, want zij schreef De

Ovando, dat zij hem verbood langer zoo voort te gaan. De Ovando

antwoordde haar evenwel, dat bij eene andere handelwijze de heele

Kolonie te gronde zou gaan, en de Koningin was gedwongen zich bij al

die gruwelen neer te leggen.

Wat Columbus, die vier weken te San-Domingo vertoefde, gedacht heeft,

toen hij zag hoe De Ovando de teugels van bewind voerde, en welke

middelen hij te baat nam om rijke ladingen naar Spanje te sturen, wij

weten het niet, want de historie-schrijver teekent geene gedachten

aan. Het ligt echter voor de hand om aan te nemen dat zijne hoop, om

andermaal als Onder-Koning te San-Domingo te komen grooter was. Als

hij aan het Hof maar eenmaal Koningin Isabella gesproken had, dan zou

deze stellig wel vergelijkingen maken tusschen hem en De Ovando, en de

balans zou dan in zijn voordeel doorslaan. Met die hoop bezield

verliet hij San-Domingo, en kwam na eene moeielijke en gevaarlijke

reis den zevenden November 1504 ziek in Spanje aan, en terwijl hij te

Sevilla in eenige dagen rust herstel zocht, ontving hij het bericht

dat zijne hooge beschermster, op wie hij al zijne hoop gevestigd had,

overleden was. Zij stierf den zesentwintigsten November van hetzelfde

jaar.

Toen Columbus eenigszins hersteld was, schreef hij een' brief aan

Koning Ferdinand, om De Ovando te willen gelasten hem uitbetaling te

doen van hetgeen deze zich wederrechtelijk had toegeëigend toen hij De

Bobadilla in het opperbestuur verving. Hij was wel gedwongen om dat

geld te vragen, want al zijne middelen waren met de laatste reis

uitgeput, en toch hield men het er in Spanje voor, dat hij onnoemelijk

rijk was.

Dat Columbus bij veel, wat hij deed, zijn eigen belang op het oog had,

valt niet tegen te spreken, doch dat eigenbelang gold meer zijne eer

dan zijne geldmiddelen. Zoo had hij op den laatsten tocht allerlei

omwegen gemaakt om de zoogenaamde »Zeeëngte« te vinden, en kon hij

daarom aan den Koning schrijven: »Niemand is bij machte om van dezen

tocht een nauwkeurig verslag te geven. De kusten van het vasteland heb

ik wel met het kompas opgenomen, maar niemand van het volk weet op

welke breedte die kust ligt. De Stuurlieden mogen zeggen, als ze het

kunnen, waar Veragua ligt. Het eenige, wat ze kunnen mededeelen is,

dat ze aan eene kust geweest zijn, waar schatten van goud te vinden

waren, doch als ze er weer heen wilden varen, zouden ze den weg aan de

visschen moeten vragen.«

Had Columbus goud boven de eer gesteld, wat zijne manschappen graag

gezien hadden, dan zouden ze inplaats van te zoeken hetgeen er niet

was, hebben kunnen nemen, wat er in overvloed was. En wie het

kleingeestig vindt, dat Columbus den afgelegden weg zoo geheim hield,

die vergeet, dat de Admiraal maar al te veel de bittere ervaring

opgedaan had, dat zijne benijders de voordeelen trokken van hetgeen

hij gevonden had. Hij had, om het uit te drukken zooals het is, tegen

eene onedele concurrentie te strijden. Ongaarne zou ik dan ook het

oordeel van den Duitschen historie-schrijver, Adolf Streckfuss, als

het mijne willen aannemen, waar deze in eene noot van zijne Algemeene

Geschiedenis zoo maar klakkeloos neerschrijft: »Het was, helaas, den

hooggeprezen, beroemden ontdekker van Amerika nooit te doen om der

wetenschap en der menschheid een' dienst te bewijzen, maar alleen om

zijn' eigenen, dikwijls hoogst bekrompen eigenbaat te bevredigen.«

Dat geheim houden van den koers van den laatsten tocht noemt

Streckfuss een sprekend bewijs voor zijn veroordeelend woord.

In de berooide geldmiddelen van Columbus bracht Koning Ferdinand

behoorlijk orde, maar toen de Admiraal bij hem aandrong om in al zijne

waardigheden, ook in die van Onder-Koning van Hispaniola en de heele

Nieuwe Wereld, hersteld te worden, volhardde de Koning, en dit was

niet meer dan natuurlijk, bij zijn vroeger besluit. Columbus bezat nu

eenmaal geen tact om te regeeren, en hem weer Onder-Koning maken, zou

ongetwijfeld oorzaak geworden zijn van rampen en verliezen van

allerlei aard.

Columbus, die zichzelven blijkbaar niet genoeg kende om in te zien,

dat hem de eigenschappen van een goed Regent ontbraken, zag in des

Konings weigering niets anders dan eene schending van beschreven

beloften, en was niet tevreden te stellen met het behouden van zijn'

titel »Admiraal van den Oceaan«, zijn aandeel in de inkomsten, die

Spanje uit de Nieuwe Wereld trok, en het aanbieden van een Graafschap

in Castilië. Hij trok zich die zaken zeer aan, en daar hij door zijne

gevaarvolle reizen, waarop hij, met den minste uit de bemanning,

hetzelfde geleden had, oud, zwak en ziekelijk geworden was, zoo gaf

die teleurstelling nieuw voedsel aan zijne ziekte. Zijn toestand werd

met den dag bedenkelijker, en eindelijk overleed hij den twintigsten

Mei 1506 te Valladolid, in den ouderdom van ongeveer zestig jaar.

Dat »ongeveer« wordt bijna bij alle schrijvers gevonden, doch daar dit

woord, vooral hier, eene zeer rekbare beteekenis heeft, is het niet

mogelijk door hem »ongeveer zestig jaar oud« te geven, daardoor met

juistheid zijn geboortejaar te bepalen.

Hij werd begraven in het klooster San-Francisco te Valladolid, doch

zeven jaar later werd zijn lijk overgevoerd naar het

Carthuizer-klooster van Las Cuevas te Sevilla. In 1536 werd het lijk

alweer overgebracht naar Hispaniola, om eene rustplaats te vinden in

de Hoofdkerk van San-Domingo. Toen evenwel het eiland Hispaniola in

1795 aan de Franschen werd afgestaan, bracht men met zeer veel

plechtigheid de laatste overblijfselen van Columbus, van zijn' zoon

Diego en van zijn' broeder Don Bartholomeus naar de Hoofdkerk te

Havana op het eiland Cuba.

Zijn zoon Diego bekwam, èn door zijn proces tegen de Kroon, waarbij de

gelegaliseerde papieren van zijn' Vader uitnemend dienst deden, èn

door zijn huwelijk met Maria van Toledo, eene dochter van een' der

voornaamste Spaansche Edelen, al de waardigheden, welke zijn Vader

bekleed had, en werd derhalve ook Onder-Koning van de Nieuwe Wereld.

Met een' kleinzoon van dezen Diego stierf het geslacht van

Christophorus Columbus in de mannelijke linie uit. Don Bartholomeus

overleed in 1564 op hoogen leeftijd, als Directeur van de mijnen op

Cuba. Waar en wanneer Don Diego, de broeder van Columbus stierf, vond

ik nergens vermeld, en eveneens bewaart de geschiedenis het

stilzwijgen over Columbus' zoon Ferdinand, en is alleen van hem

bekend, dat hij eene levensbeschrijving van zijn' Vader gaf, en dat

hij in 1546 op zijn kasteel aan een' der oevers van den Guadalquivir

overleed, eene bibliotheek van twaalfduizend boeken nalatende, welke

hij aan een klooster te Sevilla vermaakte.

[Illustratie: Gedenkteeken van Columbus te Genua.]

Te Genua, waar Christophorus Columbus waarschijnlijk geboren is, heeft

men ter eere van den grooten ontdekker een prachtig gedenkteeken

opgericht.

HOOFDSTUK X.

ONTDEKKINGSIJVER.

Wie van avonturen houdt, kan zijn hart terdege ophalen bij het lezen

van de ontdekkingsreizen in de Nieuwe Wereld, minder nog die van

Columbus, dan die van de reizigers, die als het ware onder zijne

leiding gevormd werden. Vreemder ontmoetingen, romantischer

handelingen, vreeselijker gevaren, grooter ellende, stouter

ondernemingen, edeler karakters, lager zielen dan in deze

ontdekkings-reizen geschetst worden, kunnen bezwaarlijk in een

verdicht verhaal voorkomen. Het kost groote moeite hier niet te

uitvoerig te worden, want zonder bezwaar zou er een onderhoudend boek,

veel grooter dan dit, geschreven kunnen worden, over alles, wat hier

in één hoofdstuk bij elkander gebracht is. En als men dat lijvige boek

gelezen had, en men zag eens op de kaart na, welk een betrekkelijk

klein gedeelte van Amerika door die belangwekkende en moeitevolle

tochten ontdekt werd, dan zou men zich verbazen. Juist, omdat er op

die tochten zulk een klein gedeelte van Amerika ontdekt werd, willen

we, na de reizen van Columbus vrij uitvoerig beschreven te hebben,

liever hier niet te veel over de leerlingen zijner school uitweiden.

In het vorige hoofdstuk lazen we dat Columbus op zijne laatste reis

een deel van het vasteland ontdekte, hetwelk thans bekend staat onder

den naam van Centraal- of Middel-Amerika. Wij lazen ook, dat hij hier

veel goud vond, en dat hij in de nabijheid der mijnen van Veragua eene

volkplanting wilde achterlaten, welk plan evenwel door de ondoordachte

handeling van Don Bartholomeus geheel mislukte. Intusschen, er was

dáár goud, en veel meer dan ergens elders in de ontdekte landen, _die_

tijding had Columbus in Spanje gebracht, en wekte de begeerte bij

velen op om dat land voor de Spaansche Kroon in bezit te nemen.

Verwonderen zal het ons niet, dat in de eerste plaats zich daartoe

aanmeldde: Don Alonzo De Hojeda, dien we reeds eene ongelukkige reis

zagen maken. De tocht, dien hij nu ondernemen wilde, zou evenwel niet

zijn tweede maar zijn derde zijn.

Nog vóór Columbus Spanje verliet om voor de vierde maal naar de Nieuwe

Wereld te stevenen, zeilde De Hojeda in Januari van 1502 de haven van

Cadiz uit. Waarom? Hij had op zijne eerste reis in de streken, waaraan

hij den naam van »Venezuela« gaf, doch die door de inboorlingen

»Coquibacoa« genoemd werden, Engelschen ontdekt, zoo beweerde hij

althans, en om nu die vreemde indringers te weren, vond Koning

Ferdinand het raadzaam om in die uiterste deelen der ontdekte landen

een' post uit te zetten. Dat de stoutmoedige De Hojeda hiervoor de

aangewezen man was, zal ieder beamen. Zoodra hij dus vergunning vroeg

om een' tweeden tocht te mogen doen, verkreeg hij ze. Hij mocht tien

schepen uitrusten en met deze naar Coquibacoa trekken om er eene

kolonie te vestigen, waarvan hij de Gouverneur zou zijn. Als de tocht

goed slaagde, dan waren er schatten mede te verdienen, en dit was de

reden dat De Hojeda, die zelf geen geld bezat om maar eene halve

karveel uit te rusten, twee mannen vond, die hem hielpen, onder

voorwaarde, dat de winsten eerlijk gedeeld zouden worden. Deze twee

deelgenooten heetten Don Garcia De Campos en Juan De Vergera, die het

samen zoo ver brachten, dat er vier karveelen voor de reis gereed

gemaakt konden worden. De tocht naar Coquibacoa, dat in de nabijheid

van het Meer van Maracaïbo lag, was zeer voorspoedig, doch al heel

gauw was De Hojeda genoodzaakt om De Vergera naar Jamaïca te zenden,

teneinde levensbehoeften te halen. Gedurende diens afwezigheid leden

de overige tochtgenooten een vreeselijk gebrek en het duurde bovendien

niet lang of er ontstond ontevredenheid en wantrouwen. Men meende dat

De Hojeda zich verrijkte ten koste van de anderen, en het gevolg was,

dat de heele tocht hiermede eindigde, dat de Kolonisten Coquibacoa

verlieten en De Hojeda in boeien gesloten op Hispaniola brachten.

Later werd hij door Koning Ferdinand wel buiten alle vervolging

gesteld, doch hiermede was De Hojeda niet geholpen en hij bleef een

berooid man.

Vóór vier Eeuwen: Een Volksboek over de Ontdekking van Amerika · 第 17 / 26 段