Italiaansch koopman. Hij was van Venetië afkomstig, en heette Giovanni
Caboto, doch de Engelschen noemden hem eenvoudig John Cabot. Met leede
oogen zag deze man het aan, dat de Spanjaarden door hunne ontdekkingen
den handel van zijne vaderstad Venetië ten gronde zouden doen gaan,
maar zeer goed zag hij in, dat Venetië onmogelijk als mededingster op
den Oceaan kon optreden. Nu besloot hij, als Venetiaan, zich te
wreken, en trachtte den Koning van Engeland over te halen om aan hem
en aan zijne drie zonen volmacht te verleenen om in het Westen op
ontdekkingen uit te gaan. De Pauselijke bul was natuurlijk ook in
Engeland bekend, doch Hendrik was er de man niet naar om zich aan die
bul te storen. Geen recht was heilig bij hem, als hij er maar voor
zichzelven voordeel in zag het te verbreken. Toch werd Cabots voorstel
op de lange baan geschoven, en eerst in 1495 verleende de Koning hem
die volmacht. Het werd evenwel nog 1497 eer Cabot met vier
transportschepen en een Koninklijk vaartuig de haven van Bristol
verliet. De volmacht was hem verleend op voorwaarde, dat hij een
vijfde deel van de behaalde winst aan den Koning zou afstaan, terwijl
de Koning, inruil daarvoor, hem het uitsluitend recht waarborgde om
met zijne zonen op de ontdekte landen handel te drijven. De Cabots
waren beter wiskunstenaars dan Columbus, zoodat ze overtuigd waren
dat, op eene hoogere breedte, den weg naar de Indiën nader moest zijn
dan op de lagere, die Columbus gekozen had. Vader Cabot hield den
koers ook westelijk, en den vier-en-twintigsten Juni 1497 ontdekte hij
het vasteland van Noord-Amerika, derhalve veertien maanden vroeger dan
Columbus het vasteland van Zuid-Amerika aanschouwde. Amerigo
Vespucci's beweren, dat hij de eerste Europeaan geweest was, die het
vasteland van de Nieuwe Wereld gevonden had, vervalt door deze
ontdekking natuurlijk geheel. Columbus had het moeielijk kunnen
tegenspreken, want het eiland Cuba werd door hem voor het vasteland
gehouden, en Paria hield hij voor een groot eiland. Wel twijfelde hij
er nu en dan aan, of Paria wel een eiland was, omdat het water eener
rivier tot op mijlen afstands buiten den wal, den Oceaan nog zoet
maakte, doch op een heel groot eiland konden ook groote rivieren zijn.
Zelfs vóór hij zijne vierde reis ondernam, en de ontdekkingen van
Zuid-Amerika reeds overal in Spanje bekend waren, hield hij het er
voor, dat de ontdekte kusten aan een eiland behoorden, hetwelk ten
zuiden van de Indiën lag. Het moest, zoo redeneerde hij verder,
slechts door eene zeeëngte van de Indiën en het vasteland van Azië
gescheiden zijn. Wanneer we hem op zijn' vierden tocht volgen, zullen
we hem terugvinden, die zeeëngte nog steeds zoekend ten Zuiden van het
gewaande »vasteland Cuba.«
Van eene vrij voordeelige reis teruggekeerd, maakte Johns zoon
Sebastiaan in 1498 een' tweeden tocht en bereikte zelfs Kaap Florida,
die zich nog zuidelijker bevindt dan het noordelijkste van de
Bahama-eilanden, waarvan Columbus zoo ongeveer het middelste ontdekte.
Van Sebastiaans broeders vond ik nergens wat vermeld, zoodat het
mogelijk zou kunnen zijn, dat ze behoorden tot de Engelsche reizigers,
die De Hojeda op zijn' tocht ontmoette, en waarvan wij met een paar
woorden gewaagden. Mogelijk ook is het, dat de voordeelige tocht der
Cabots andere Engelschen bewogen heeft om geheel op eigen gelegenheid,
en zonder eenige volmacht, eene reis naar de Nieuwe Wereld te maken,
doch dat ze schipbreuk leden en zoo in de streek kwamen waar De Hojeda
hen ontmoette.
De opvolger van Hendrik VII, was de beruchte Hendrik VIII, die zelf
zooveel als Paus wilde zijn, en zich derhalve niets liet gelegen
liggen aan Pauselijke bullen. Misschien was dit wel de oorzaak, dat
Sebastiaan Cabot Engeland verliet en in Spaanschen dienst trad. Hij
deed dat in 1512, doch vijf jaar later was hij weer in Engeland terug.
Hij zeilde toen met den Vice-Admiraal Perth uit, om langs Amerika's
Zuidpunt de Oost-Indiën te bereiken. Er blijkt uit deze onderneming,
die evenwel mislukte, dat er in de aardrijkskunde in zoo weinige jaren
verbazende vorderingen waren gemaakt. Zoowel voor Engeland als voor
Spanje was het te bejammeren, dat deze ervaren zeeman zulk een'
wispelturigen aard had, want in 1525 was hij weer in dienst van
Spanje, om ten slotte in 1530 opnieuw in Engeland te zijn en aldaar
benoemd te worden tot Opper-piloot. In die voorname betrekking was hij
de voorlooper van Jacob van Heemskerk en Barendsz., want ook hij
geloofde, dat men de Indiën bereiken kon door de Noordelijke IJszee.
Met dezen zwerver langer te volgen, loopen we groot gevaar in de
Noordelijke IJszee boven Azië te komen en de Nieuwe Wereld uit het oog
te verliezen. Wij laten hem derhalve tot zijn' dood, die in 1557
voorviel, zwerven en keeren terug naar Spanje om deel te nemen aan
andere ontdekkingstochten.
Toen het in Spanje ruchtbaar werd, dat De Fonseca aan Don Alonzo De
Hojeda eene volmacht tot eene ontdekkingsreis gegeven had, waren er
terstond anderen bij, die De Hojeda's voorbeeld wilden volgen. Geen
echter zoo vlug als Pedro Alonzo Nino, die Columbus op zijne eerste en
derde reis vergezeld had. Hij ontving van De Fonseca eene zelfde
volmacht, als De Hojeda gekregen had, en in gezelschap van Christoval
Guerra stak hij, slechts weinige dagen nadat De Hojeda vertrokken was,
van Palos in zee met een klein vaartuig, dat slechts vijftig ton
inhoud had. Aan den weg, dien Columbus bij zijne zeereizen genomen
had, was genoeg bekendheid gegeven, hoewel tegen den zin van den
Admiraal, die vreesde, dat men van de landen en zeeën, die hij
gevonden en in kaart gebracht had, gebruik maken zou om hem te
benadeelen. De beide moedige gelukzoekers volgden De Hojeda, als het
ware, op den voet en kwamen twee weken na hem op dezelfde kust van
Paria aan.
Zij zeilden nog westelijker dan De Hojeda gedaan had en kwamen in eene
streek waar de menschen woester en dapperder waren dan ergens elders,
doch ze hadden het geluk om toch een groot aantal voorwerpen, die in
Spanje geene waarde hadden, tegen een' schat van de kostbaarste
parelen te verruilen. Meer dan voldaan over hun' voordeeligen handel,
namen ze den terugtocht naar Spanje aan, hopende daar het loon voor
hun streven te ontvangen. De reis was voorspoedig en in het midden van
April, nog twee maanden vóór De Hojeda, liepen ze te Bayona in
Galicië, binnen. De lust om nog eens zulk een' tocht te doen, zal hun
wel ontnomen zijn, want inplaats van beloond te worden, werden ze
beschuldigd van parelen achtergehouden te hebben en in de gevangenis
geworpen. Koning Ferdinand, die dit bevolen had, omdat hij meende, dat
hem te kort gedaan was, scheen niet alleen »Liguriërs«, maar ook
geboren Spanjaarden uit de beurs der ondankbaarheid te betalen.
Nog in hetzelfde jaar dat De Hojeda en Nino eene ontdekkingsreis
ondernamen, rustte Vincente Yanez Pinzon, dezelfde, die Kapitein op de
Nino was, waarop Columbus van de eerste reis terugkeerde, op eigen
kosten vier schepen uit en vertrok hiermede naar de Nieuwe Wereld. Hij
hield den koers ook zuidelijk, en toen hij den zesentwintigsten
Januari 1500 land ontdekte, ging hij er aan wal en nam het op de
voorgeschrevene wijze plechtig in bezit voor den Koning en de
Koningin. De kust waar hij landde lag op 28° Zuiderbreedte en was
niets anders dan een deel van het tegenwoordige Brazilië, ter hoogte
waar Kaap Sint-Augustinus ligt. De tocht naar deze streek was zeer
moeielijk geweest en menigmaal hadden de gezellen van Pinzon op het
punt gestaan om den moed op te geven. Hij alleen bleef vertrouwen, dat
men eindelijk land vinden zou, en toen hem dat gelukte, was het geen
wonder, dat hij het den naam van »Santa Maria de la Consolation« gaf.
Hij vond de kust verlaten, en welk eene moeite hij zich gaf om de
gevluchte inboorlingen tot zich te lokken, het gelukte hem niet. Een
weinig verder had hij evenwel eene ontmoeting, zooals hij er wel geene
zal gewenscht hebben. Met eenige booten aan den wal gegaan, ontdekten
ze een groot aantal inboorlingen, die zich hielden, alsof ze geen
kwaad in den zin hadden. De Spanjaarden lieten zich hierdoor misleiden
en toen ze zich meer verdeeld hadden, deden de Wilden zulk een'
verwoeden aanval met hunne pijlen, dat acht der Spanjaarden gedood
werden, ja, eene der booten viel den Wilden zelfs in handen. Pinzon
zag wel in, dat er op eene kust waar de bewoners zoo machtig en tevens
zoo vijandig gezind waren, geene kans bestond om eenigen ruilhandel te
drijven. Hij zette den tocht nu veertig mijlen in eene noordwestelijke
richting voort en kwam toen in een deel van den Oceaan, waar het water
niet zout, maar zoet was. Zonder aan den wal te gaan, liet hij de
vaten met dat water vullen en stuurde nu dichter onder den wal, waar
hij een groot eiland en eenige kleinere ontdekte.
De reizigers stonden verbaasd en Pinzon deed, zoo zegt men, luide de
vraag: »Mare an non?« wat beduidt: »Zee of geene zee?«
Spoedig zag hij dat het geene zee, maar een ontzaglijk groote rivier
was, welke zij daar voor zich zagen, en ze wisten haar geen' beteren
naam te geven dan »Mare an non,« wat later verbasterd werd tot
Maranon, onder welken naam de Amazonen-rivier, de grootste stroom der
geheele Aarde, tegenwoordig nog altijd bij de Spanjaarden en
Portugeezen bekend staat.
Terwijl de ontdekkers vol verwondering op den breeden mond van dien
reuzenstroom staarden, vertoonde zich op eenmaal een zeer vreemd
natuurverschijnsel. Eensklaps rees de vloed meer dan vijf vademen;
hooge golven dreigden de scheepjes in den grond te slaan, en er werd
een vreeselijk geluid vernomen. Gelukkig ontkwamen Pinzon en de zijnen
dat dreigende gevaar. Zij hadden kennis gemaakt met de »Pororoca,« of
»zeevloed.« Deze, opgehouden door het uitstroomende rivierwater,
krijgt eindelijk de overhand, en met een donderend geraas, dat wel
anderhalve mijl ver gehoord kan worden, bruist de machtige zeevloed
over het rivierwater heen. Niet veel lust bezittende om, òf met de
gewapende Wilden, òf met dien hoogen vloed nog eens kennis te maken,
zette Pinzon den tocht in dezelfde richting voort, en bereikte op
zijne beurt den Orinoco en het land »Paria.« Wie nu een' blik op de
kaart slaat en ziet welk een groote afstand er ligt tusschen Kaap
Sint-Augustinus en het eiland Trinidad, dat voor de zoogenaamde Golf
van Paria lag, zal moeten erkennen, dat geen der Spaansche ontdekkers
nog zulk een aanzienlijk deel van de Nieuwe Wereld gezien had, als
Pinzon. Zonder eenige aanmerkelijke voordeelen behaald te hebben, kwam
hij eindelijk op Hispaniola aan, doch de thuisreis vervolgende, had
hij bij de Bahama-eilanden het ongeluk door een' vreeselijken storm
twee van zijne schepen te verliezen. Dat was voor Pinzon eene ramp te
noemen, welke hij nimmer te boven zou komen. Al zijn geld had hij aan
deze vier schepen besteed, en om ze voor den tocht doelmatig uitgerust
te krijgen, had hij bij de kooplieden van Sevilla alles op krediet
moeten koopen. Deze hebzuchtige lieden hadden van Pinzons verlegenheid
gebruik gemaakt, en hem de goederen honderd procent boven de waarde
aangerekend. Toen hij nu met slechts twee scheepjes, bijna arm en
berooid te Palos aangekomen was, legden zijne schuldeischers beslag op
beide vaartuigen, zoodra de moedige reiziger naar Granada vertrokken
was, om daar den Koning van zijn' belangrijken tocht verslag te doen.
Nog te Granada zijnde, vernam hij dat de schuldeischers de scheepjes
met alles wat er op, aan en in was, verkocht hadden om aan hun geld te
komen. Hij deed zijn beklag bij den Koning en zeide dat de
driehonderdvijftig centenaars verfhout, die hij medegebracht had,
alleen zooveel waard waren als zijne heele schuld bedroeg, waarom hij
verzocht, dat de kooplieden hem alles, wat ze verkocht hadden, zouden
teruggeven. De Koning vond dien eisch billijk en Pinzon ontkwam zoo
aan de handen zijner onbarmhartige schuldeischers. Ook hij scheen nu
geen' lust meer te hebben om op ontdekkingstochten uit te gaan en werd
graanhandelaar. Later evenwel deed hij nog twee tochten om de zeeëngte
op te sporen, welke door Columbus vermoed, gezocht en niet gevonden
werd, omdat ze niet bestond. Pinzons tochten waren derhalve ook
vergeefsch, maar dat belette niet, dat Keizer Karel V hem en zijne
familie, uit erkentelijkheid voor zijne groote verdiensten, tot den
Adelstand verhief.
Niet ontmoedigd door de weinig winstgevende tochten, die reeds gemaakt
waren, en ook niet afgeschrikt door den ondank waarmede bijna alle
landontdekkers betaald werden, zeilde Diego De Lepe, ook een inwoner
van Palos, kort na het vertrek van Pinzon met twee karveelen het
Westen in om ontdekkingen te doen. Jammer genoeg is van deze reis zoo
goed als niets bekend, en toch was het deze De Lepe, die het waagde
Kaap Sint-Augustinus om te zeilen en nog veel dieper langs de
Braziliaansche kust het Zuiden in te gaan. Het eenige, wat van dezen
zeereiziger verder bekend is, is dat hij bij zijne terugkomst in
Spanje voor De Fonseca eene kaart van de ontdekte kusten maakte, welke
vrij goed was en gedurende eenige jaren dan ook trouw gevolgd werd.
Bijna tegelijk met De Lepe meldde zich om een' lastbrief Don Rodrigo
De Bastides bij den Koning aan en hij verkreeg dien ook. Don De
Bastides was een zeer vermogend man en Notaris te Traniana, eene der
voorsteden van Sevilla. Het contract, dat hij met den Koning sloot,
was voor dezen laatsten, die er geen geld aan ten koste behoefde te
leggen, zeer voordeelig, want De Bastides zou het vierde gedeelte van
alles, wat hij winnen mocht, aan de Kroon afstaan.
Hij zeilde met twee karveelen, die hij op eigen kosten uitgerust had,
uit, doch was zoo wijs geweest om als Stuurman, onzen ouden bekenden
Juan De la Cosa mede te nemen, want deze had op de reis met De Hojeda
immers de kusten bezocht waar goud en parelen te vinden waren? En
daarheen was het doel van den tocht. Niet om ontdekkingen te doen of
om krijgsmansroem te verwerven, maar om goede zaken te maken ging de
slimme De Bastides naar de Nieuwe Wereld. Dat men meer vliegen vangt
met één' druppel honig dan met een heel vat azijn, scheen hij
onvoorwaardelijk aan te nemen, want eenmaal in het rijke land
aangekomen, was hij voor de inboorlingen vriendelijker en hartelijker
dan nog één Spanjaard geweest was. De goedige inwoners van dat land
stelden dit ook zeer op prijs en het gevolg hiervan was, dat De
Bastides schitterende zaken deed. Gaarne had hij hier nog langer
willen blijven, doch De la Cosa kwam hem wat mededeelen, dat hem dwong
om zoo spoedig mogelijk te vertrekken, teneinde Hispaniola te
bereiken. Dit was hoognoodig, want de houtwormen, die in deze zeeën
buitengewoon talrijk waren, hadden de schepen op verscheidene plaatsen
lek geknaagd, wat gemakkelijk geschieden kon, omdat men in die tijden
nog van geene gekoperde schepen iets af wist. De terugreis werd
derhalve met spoed aanvaard, doch alleen met de grootste moeite waren
de schepen vlot te houden. Eindelijk bereikten ze een klein eiland op
de kust van Hispaniola waar ze de deerlijk gehavende vaartuigen zoo
goed mogelijk herstelden. Vol hoop, dat men nu wel thuis zou komen,
zeilde men weer verder, doch tegenwind en stormen hielden de reis
tegen en de houtworm kreeg weer de overhand. Zij repten zich nu
zooveel zij konden om de parelen en het goud, benevens eenige
handelsartikelen op Hispaniola aan den wal te brengen, en pas was dit
geschied, of de schepen verdwenen met alles, wat nog aan boord was, in
de diepte. Goede raad was thans duur! Wat te doen? De Bastides
verdeelde zijn volk in drie hoopen om, langs verschillende wegen, te
trachten San-Domingo te bereiken. Iedere afdeeling droeg in eene
groote kist de parelen en het goud mede, benevens allerlei
snuisterijen om die op hun' weg bij de inboorlingen tegen spijs en
drank te verruilen. Toen deze zonderlinge landreis aanving, was De
Bobadilla nog niet afgezet en regeerde hij derhalve nog als
Onder-Koning. Weldra werd hem bericht, dat er schepen geland waren en
dat de bemanning ruilhandel met de inboorlingen dreef. Hij zond nu
gewapende benden uit, en weldra werden De Bastides en de zijnen
aangetroffen en voor den Onder-Koning gebracht. We weten het reeds,
dat De Bobadilla kort recht kon maken, als hij dat wilde, en als hij
meende, dat het in zijn belang was. De zwervers werden dan ook maar
zonder verhoord te zijn, gevangengezet en de kisten werden verbeurd
verklaard. De Bastides was echter de man niet om zich dat alles maar
te laten welgevallen; hij verzette zich, door duidelijk te maken, dat
hij geen' ruilhandel gedreven had. Hij had, na zijne schepen verloren
te hebben, met hetgeen hij bij zich had, alleen spijs, drank en gidsen
betaald, meer niet, en betalen, wat men tot dat doel noodig had, mocht
geen ruilhandel heeten. De verdediging was glashelder, en hoeveel De
Bobadilla ook durfde, hij waagde het niet om De Bastides te
veroordeelen, maar zeide, dat hij hem met de eerstvolgende gelegenheid
naar Spanje zou zenden, dan kon daar de zaak door het Hof onderzocht
worden.
Weinig vermoedde De Bobadilla, dat met die eerstvolgende gelegenheid
niet alleen De Bastides naar Spanje zou gebracht worden, maar ook
hijzelf en zijn vriend Roldan.
Don De Ovando was aangekomen om De Bobadilla van zijn ambt te
ontzetten en met Roldan gevankelijk naar Spanje te laten voeren.
De vloot, die hen overbracht, we zullen hierover later nog spreken,
werd door een' vreeselijken orkaan overvallen, en De Bobadilla en
Roldan vonden hun graf in de golven. De Bastides echter was zoo
gelukkig om met zijne drie ongeschonden kisten in Spanje aan te komen,
waar hij natuurlijk terstond buiten alle vervolging gesteld werd. Het
vierde gedeelte van de medegebrachte parelen en andere schatten werd
eerlijk aan den Koning gegeven, en dat vierde deel was van zulk eene
groote waarde, dat Koning Ferdinand opeens een' aanval van
dankbaarheid en mildheid kreeg en hem levenslang een inkomen schonk
uit de opbrengsten van het land Uraba, dat hij bezocht had en dat zoo
rijk bleek te zijn. Eene zelfde belooning ontving ook de oude De la
Cosa, die tot Bestuurder van dat gewest benoemd werd.
Veel merkwaardigs ten opzichte van de aardrijkskundige wetenschap had
die reis niet opgeleverd, en toch diende ze genoemd en in het kort
beschreven te worden, omdat juist De Bastides getoond had, hoe men
doen moest om de reis- en ontdekkingstochten in de Nieuwe Wereld
productief te maken. Jammer maar, dat hij met zijn goed voorbeeld
bijna alleen bleef staan en zoo goed als geene navolging vond.
Eindelijk was ook met groote moeite, omdat de uitrusting op kosten der
Regeering geschiedde en De Fonseca wel zorgde, dat er voor dit doel
steeds geld te kort was, een vlootje van vier karveelen klaar gekomen,
en stond Columbus op het punt, te vertrekken, in gezelschap van zijn'
zoon Don Ferdinand en zijn' broeder Don Bartholomeus. Wijl de
Monarchen vreesden, dat de komst van Columbus op Hispaniola, dat met
groote moeite tot rust gebracht was, aanleiding zou geven tot
wanordelijkheden, zoo werd hem verboden om op zijne heenreis de
Kolonie aan te doen. Op de terugreis echter zou het hem vergund zijn
om eenigen tijd te San-Domingo van de vermoeienissen uit te rusten, en
als het noodig was zijne schepen te laten herstellen. Verder beloofden
de Monarchen hem, dat hij, als eenmaal op Hispaniola alles tot orde en
rust gekomen en hij alweer teruggekeerd was, andermaal in al zijne
waardigheden zou hersteld worden. Zij deden dat schriftelijk, doch
Columbus, die bij ervaring wist, hoe hij tegengewerkt werd en hoe
weinig men zich stoorde aan alles, wat beloofd was, liet van alle
beloften en brieven afschriften maken, door de Alcaldes van Sevilla
behoorlijk legaliseeren, en stelde een der duplicaten in handen van
een vertrouwd vriend, terwijl hij het andere bezorgde bij den Gezant
van Genua, die aan het Spaansche Hof vertoefde. Later zou het blijken,
dat hij zeer verstandig gedaan had met deze maatregelen te nemen. Nu
hij alles verricht had, wat er te doen viel, nam hij afscheid van
zijn' zoon Don Diego, die op verzoek van Koning Ferdinand in Spanje
achterbleef om de belangen zijns Vaders te behartigen, en den negenden
Maart 1502 aanvaardde hij de reis, wijzer dan vroeger, zoo meende hij,
omdat hij zich overtuigd hield, dat tusschen Cuba en Paria, welks
kusten in den laatsten tijd zoo ver bezocht waren, de zeeëngte moest
zijn, waardoor hij in de echte Indiën komen kon.
De heenreis was voorspoedig, doch toen hij het kleine eiland
Martinique aangedaan had, kon hij de begeerte niet wederstaan, om,
trots het verbod, toch te San-Domingo binnen te loopen. De groote man
toonde zich hier wel wat klein; hij stelde er prijs op om allen, die
hem, in boeien geklonken, hadden zien vertrekken, te toonen dat hij in
zijne eer hersteld was. Als voorwendsel om de haven van San-Domingo
binnen te loopen, gebruikte hij de kleine averij, die eene zijner
karveelen bekomen had, doch De Ovando, die zijne instructies omtrent
Columbus reeds ontvangen had, nam het voorwendsel niet aan en verbood,
hoewel in zeer beleefde termen, het binnenloopen der haven. Aangenaam
was dit voor onzen Admiraal niet, doch hij had zich door eigen schuld
die beleediging, als het er eene was, op den hals gehaald.
Toen Columbus te San-Domingo aankwam, lagen er niet minder dan
achtentwintig schepen gereed om met eene rijke lading aan goud,
parelen en katoen naar Spanje uit te zeilen, wel een bewijs, dat de
toestand der Kolonie eene heel andere was dan onder zijn bestuur. Aan
boord der schepen bevonden zich, zooals we vroeger opmerkten, zijne
vijanden De Bobadilla en Roldan, benevens De Bastides. De ervaringen,
die Columbus als zeeman en als reiziger in deze streken opgedaan had,
deden onzen Admiraal aan alle verschijnselen zien, dat er een zware
storm op handen was. Hij gaf dus den welgemeenden raad om het
uitzeilen nog eenige dagen uit te stellen. Men hield het er evenwel
voor, dat Columbus dit alleen zeide, omdat hij jaloersch was, dat er
zóó spoedig onder het bestuur van een' anderen Onder-Koning zulk eene
rijk geladen vloot naar Spanje vertrekken kon, en dat hij daarom
alleen de afvaart wenschte te vertragen. Men hoorde dus niet naar
zijn' raad en--twintig vaartuigen verdwenen met kostbare lading en
manschappen, tengevolge van een' verschrikkelijken storm in de diepte,
en slechts acht kwamen in ontredderden toestand in Spanje aan. Over De
Bobadilla en Roldan zou derhalve geen vonnis uitgesproken worden; de
dood belette dat, maar in het voordeel van Columbus was dit niet, want
veel, waarover de Admiraal terecht geklaagd had, kwam nu niet aan het
licht.
Zoo spoedig hem dit mogelijk was, had Columbus eene veilige ligplaats
voor zijne schepen gezocht en doorstond daar, zonder eenige schade te
lijden, den storm.
Toen het noodweer bedaard was, richtte Columbus den steven naar Cuba
en van daar voer hij in zuidwestelijke richting naar de Baai van
Honduras. Op dien tocht had hij eene ontmoeting, die hem bewees, dat
hij in eene streek gekomen was, waar het volk vrij goed beschaafd was.
Op een eiland, dat hij om de dennen, die er groeiden, »Isla de Pinos«
noemde, aan wal gegaan zijnde, vond hij er bewoners met een zeer laag
voorhoofd, die in beschaving echter boven andere eilanders stonden.
Daar hun voorhoofdsvorm juist het tegendeel zou doen vermoeden,
moesten er redenen voor die betere ontwikkeling zijn, en naar die
redenen behoefde men niet lang te zoeken, want terwijl Don
Bartholomeus op zekeren dag aan het strand vertoefde, zag hij eene
verbazend groote kano, die uit één' boomstam gemaakt was, naderen. In
het midden van die kano was eene hut van palmbladen gebouwd, en in
deze hut bevond zich een Kazike met zijne vrouw en kinderen. De kano
werd geroeid door meer dan twintig Indianen, die niet naakt, maar
evenals de Kazike en zijne vrouw en kinderen gekleed waren.