De karveelen vertrokken en Columbus moest nu weten welke schepen er in

het Westen van het eiland aangekomen waren. Spoedig vernam hij, dat

hij met een eskader te doen had, dat onder bevel van Don Alonzo De

Hojeda stond. Columbus kende dien man en wist dat hij tot alles in

staat was, en daarom zond hij er Roldan heen om dien gevaarlijken gast

weg te krijgen. Roldan nam die taak gaarne op zich en vertrok met twee

karveelen naar het genoemde punt en wist De Hojeda, die met slechts

vijftien man aan den wal was, zoo te verrassen, dat hij niet meer naar

zijne schepen kon terugkeeren. De Hojeda, door de inwoners

gewaarschuwd, was de man niet om den moed te verliezen, en hij kende

Roldan ook genoeg om te weten hoe hij de zaak moest aanleggen om niet

in moeielijkheden te komen. Zoo brutaal mogelijk ging hij Roldan

tegemoet en toen deze hem vroeg om den vrijbrief te toonen, welke De

Hojeda noodig had om op dit eiland te komen, vertelde de slimme

avonturier, dat die vrijbrief aan boord van zijn schip was, dat hij

een' belangrijken ontdekkingstocht gedaan had en dat hij van plan was

om met zijne schepen, zoodra hij deze had laten herstellen, naar

San-Domingo te komen om daar den Onder-Koning van alles bericht te

geven. Noodig achtte hij het niet, want, vervolgde hij: »Columbus is

aan het Hof geheel in ongenade gevallen, doch mijn Ridderplicht zou ik

te kort doen, als ik niet naar San-Domingo kwam.«

Slechts één punt van De Hojeda's mededeeling boezemde Roldan

belangstelling in en dat was: »Columbus in ongenade.«

Roldan liet evenwel niets van zijne vreugde over dit bericht blijken,

hield zich, alsof hij geloofde dat De Hojeda te San-Domingo komen zou

en vertrok om Columbus mede te deelen, wat het plan van den avonturier

was. Wie er echter te San-Domingo kwam, De Hojeda niet en al spoedig

bleek het, dat hij er niet aan dacht om te komen. Nu werd Roldan er

andermaal op uitgezonden en niet dan met de grootste moeite, en op

vechten af, slaagde hij er in om eindelijk den avonturier verwijderd

te krijgen. Deze had zich onder de ontevreden Spanjaarden heel wat

vrienden gemaakt, en daar deze laatsten het moeielijk verkroppen

konden, dat Roldan, die eerst met hen samengespannen had, nu alweer de

rol van Opperrechter vervulde, zoo ontstond er opnieuw gevaar, dat er

onder de kolonisten, die zich nu nog al tamelijk rustig hielden, een

opstand uitbarsten zou. Dat gevaar vermeerderde nog toen Columbus een'

zekeren Don Hernando De Guevara naar Xaragua gezonden had, met bevel

zich daar aanboord van De Hojeda in te schepen, omdat hij voor de

kolonie een gevaarlijk persoon was. De Hojeda was evenwel vertrokken

en de woelzieke Ridder kreeg van Roldan vergunning om te Xaragua te

blijven. Doch wat gebeurde? Roldan had het oog laten vallen op

Hignameta, de schoone en bevallige dochter van Anacaona, en De

Guevara, die haar ook leerde kennen, begeerde haar eveneens tot vrouw.

Thans spande Roldan alle krachten in om den gehaten medeminnaar te

verwijderen, doch deze wist zich ook een' aanhang onder Roldans

vroegere makkers te verzekeren en bleef bedaard waar hij was. Toch

gelukte het Roldan om zijn' tegenstander gevangen te nemen, maar als

een loopend vuur verspreidde zich het gerucht van deze daad en

bereikte ook de ooren van Don Adrian De Moxica, een' neef van Guevara.

De Moxica trok zich de zaak van den neef aan en--de opstand tegen het

gezag brak opnieuw uit. Mocht Columbus nu ook al andermaal

toegevendheid hebben willen toonen, Don Bartholomeus wist hem te

beduiden, dat er heel wat anders gebeuren moest, en dat alleen door

het invoeren van een schrikbewind de Kolonie te redden was. Columbus

luisterde naar dien raad, en werkelijk het schrikbewind werd met eene

ongekende wreedheid ingevoerd. Er ging geen dag voorbij of er werd een

doodvonnis geveld en voltrokken.

Zeven Spanjaarden waren pas geleden opgehangen en vijf zaten in de

gevangenis hun vonnis af te wachten, toen den drieëntwintigsten

Augustus 1500 twee karveelen in het gezicht van San-Domingo kwamen.

Don Diego voerde daar, bij afwezigheid zijner broeders, bevel, en

wanende dat die karveelen Columbus' zoon Diego zouden brengen, zond

hij eene sloep uit om hem welkom te heeten.

Het was niet Don Diego, die daar kwam; het was Don Francisco De

Bobadilla, de nieuw benoemde Opperrechter, het was de feitelijke

Onder-Koning, die Columbus van zijne waardigheid kwam ontzetten.

De mannen, die hem met de sloep tegemoet geroeid waren, deelden hem

mede met welk eene strengheid Columbus in den laatsten tijd het gezag

uitgeoefend had, en toen De Bobadilla de haven van San-Domingo

binnenliep, bewezen de galgen op het galgenveld, dat men hem geene

leugens opgedischt had.

Het was De Bobadilla's verlangen geweest, Columbus schuldig te vinden,

om dan met meer recht tegen hem te kunnen optreden en hem het hooge

gezag te ontnemen. Of Columbus wel schuldig was, en of de gehangenen

hun lot niet verdiend hadden, wilde hij niet onderzoeken, en daardoor

overtrad hij den lastbrief, dien de Monarchen hem hadden medegegeven.

Ja, de bedoeling van Ferdinand en Isabella was het geweest om De

Bobadilla het hoogste gezag in handen te geven, doch hij moest

Columbus daarbij niet meer krenken dan zij hem al gekrenkt hadden.

Niettegenstaande Don Diego's protest, gedroeg De Bobadilla zich

terstond als opperste Gezaghebber, en vereischte de loslating der

gevangenen en het overleggen der proces-stukken. Slechts voor geweld

bukte Don Diego; hij begreep dat langer tegenstand bieden toch niets

baten zou. Zoodra Columbus vernam, dat de nieuwe Opperrechter

aangekomen was, heette hij hem schriftelijk welkom, want ter

onderdrukking van den opstand bevond hij zich in het binnenland. Hij

gaf hem den welgemeenden raad om voorzichtig te wezen in het verleenen

van vrijdom naar het zoeken van goud, en zeide hem verder, dat hij

binnenkort te San-Domingo komen zou. Hij zelf zou dan naar Spanje

terugkeeren en hem in het voorloopig bewind over het eiland

achterlaten.

Op dien brief kwam evenwel geen antwoord, en toen Columbus vernam hoe

De Bobadilla te werk ging, Roldan en zijn' aanhang begunstigde en dat

hij zelfs zijn' intrek in het huis des Onder-Konings genomen en daar

alles zich toegeëigend had, geloofde Columbus met niemand anders te

doen te hebben dan met een' driesten avonturier en bleef hij

voorloopig waar hij was, niet wetende hoe in deze zaak te handelen.

Het duurde evenwel niet lang of hij zou weten, wat hij doen moest. De

Bobadilla zond Francisco Velasquez en Juan De Trasierra naar Columbus,

en toen deze twee te Bonao aankwamen, waar de Onder-Koning zich

ophield, lieten ze hem den geloofsbrief van De Bobadilla zien. Het was

een stuk, onderteekend met: »Ik, de Koning« en »Ik, de Koningin«, en

bevatte voor hem het bevel om De Bobadilla »in alles te vertrouwen en

te gehoorzamen.«

Te gehoorzamen? Het stond er maar al te duidelijk. Hij, de

Onder-Koning, moest gehoorzamen hem over wien hij te bevelen had. De

Monarchen wilden dat.

Wat zou hij doen?

Wie Columbus kende, behoefde dat niet te vragen. Te trotsch om de

bevelen van anderen te volgen, volgde hij onvoorwaardelijk de bevelen

zijner Monarchen en zoo goed als geheel alleen begaf hij zich op weg

naar San-Domingo.

»Columbus komt, maar vergezeld van zijne vrienden, de Kaziken met

hunne legerbenden,« zoo vertelden zij, die te San-Domingo gekomen

waren om »de opgaande zon« te aanbidden en van hem allerlei gunsten te

verkrijgen.

Er was geen woord van waar, doch De Bobadilla greep dat gerucht met

blijdschap aan, want het gaf immers een schijn van recht aan alle

handelingen, die hij reeds gepleegd had en die hij ten opzichte van

Columbus nog plegen zou?

Al wat een wapen dragen kon, werd in de wapenen geroepen om den

verwaten Admiraal met zijne wilde legerhorden te keeren, en als een

bewijs, dat deze maatregelen van voorzorg hoognoodig waren, liet De

Bobadilla terstond Don Diego in boeien slaan en zoo aanboord van een

der schepen brengen.

Vol spanning wachtte men op den bode, die het bericht brengen zou: »De

Admiraal komt!«

Met eene bespottelijke heldhaftigheid, die aan Don Quichotterie doet

denken, werden de kruisbogen gespannen, de zwaarden getrokken, de

vuurroeren geladen, de pieken geveld.

Eindelijk... »De Admiraal komt! Hij komt alleen!«

»Men sla hem in boeien!« beveelt De Bobadilla, en laat de rammelende

keten voorbrengen.

Columbus wordt gevangengenomen, maar hem boeien, hem, van wien ze toch

niet zeker weten, of hij wel in ongenade gevallen en van zijne

waardigheden ontzet is,--hem, die zóó lang hun heer en meester was,

neen, dat kunnen, dat willen ze niet. Zelfs zij, die zoo menigmaal

tegen zijn gezag waren opgestaan, weigeren.

Eindelijk verschijnt Espinosa, de kok van Columbus, en wat een ander

niet wilde doen, dat doet deze: hij slaat zijn' meester in de boeien.

De arme Columbus werd naar de gevangenis gebracht en daar wel bewaakt,

doch hiermede was De Bobadilla's gezag nog niet bevestigd. Don

Bartholomeus leefde nog in vrijheid, en het was algemeen bekend, dat

deze niet zoo handelbaar was als zijn broeder en bovendien onder de

Kaziken een' grooten aanhang had. Wat moest men doen, als hij met eene

sterke legermacht kwam om den Admiraal te bevrijden?

Of De Bobadilla zelf het middel vond om dat gevaar te bezweren, is

onbekend, maar het werd gevonden en was zoo laaghartig mogelijk. Men

had nu gezien dat Columbus zich zonder tegenstreven onderwierp aan

het: »Ik, de Koning« en »Ik, de Koningin.« Welnu, hij moest een' brief

aan Don Bartholomeus schrijven en hem daarin gelasten, onmiddellijk

naar San-Domingo te komen om zich aan het gezag van De Bobadilla te

onderwerpen, omdat dit de wil der Monarchen was. Als Columbus dat

schreef, dan zou Don Bartholomeus gehoorzamen, dat wisten ze.

Columbus schreef dien brief; Don Bartholomeus kwam, en werd ook

gevangengenomen en in boeien geslagen.

Men mag deze daad van Columbus beoordeelen zoo men wil, doch men moet

niet vergeten, dat de acht jaren na 1492 veel meer dan dubbel voor hem

geteld hebben. Hij was een grijsaard geworden te midden van allerlei

tegenspoed en rampen, te midden van allerlei miskenning. Zijne

gezondheid was geknakt; zijne oogen waren verzwakt; zijne hoop was

vervlogen. Alleen de trouw, de onwrikbare trouw aan zijne Souvereinen

was gebleven, en hij twijfelde er geen oogenblik aan of hij zou, als

hij maar in Spanje ten Hove verschijnen mocht, de vuige lasteringen

van zijne vijanden zóó weerleggen, dat men hem niet alleen in zijne

eer, maar ook in al zijne waardigheden herstelde.

Hij wilde naar Spanje, hoe dan ook, doch hij was er nog niet, en een

man als De Bobadilla was tot alles in staat, zelfs om hem het hoofd

voor de voeten te leggen. Daarom was hij onderworpen tot de grenzen

der lafheid; daarom schreef hij zijn' broeder dien ongeluksbrief. En

waarom zou hij het ook niet gedaan hebben? Al was Don Bartholomeus ook

zoo gelukkig hem te bevrijden, hoe zou hij, de gevallene, dan nog

gezag kunnen uitoefenen? Reeds toen hij er nog rechtstreeks mede

bekleed was, gehoorzaamde men hem niet, en moest hij zelfs een' man

als Roldan naar de oogen zien, hem alle overtredingen vergeven en

allerlei gunsten verleenen. Nu hem het gezag ontnomen was, zouden

zelfs zijne getrouwen aarzelen om hem te gehoorzamen.

Naar Spanje terugkeeren was zijn eenig redmiddel, doch telkens bekroop

de vrees hem, dat dit niet gebeuren zou.

Eindelijk waren de schepen gereed om met de gevangenen te vertrekken,

doch Columbus, die nog altijd in den kerker zat, wist nergens van.

Daar treedt eensklaps Ridder Alonzo De Villejo met de wacht binnen.

Columbus verbleekte, dacht aan het schavot, en vroeg met bevende stem:

»De Villejo, waarheen brengt ge mij?«

Deze De Villejo was een rechtschapen Ridder, en zeide, zonder een

oogenblik zijne onderdanigheid tegenover den Admiraal te verliezen:

»Naar het schip, Excellentie, om aanboord te gaan.«

»Om aanboord te gaan,« riep Columbus verheugd. »De Villejo, spreekt

gij waarheid?«

»Bij het leven van Uwe Excellentie,« hernam de Ridder, »het is de

waarheid.«

De Admiraal had zijn' zin; hij zou naar Spanje gaan, en zich daar

kunnen verantwoorden.

Toch moet die gang van de gevangenis naar het schip voor den

hooghartigen man een oogenblik van duldelooze kwelling geweest zijn.

Het gemeen wachtte den gevangene op, en begroette hem met

scheldwoorden.

[Illustratie: »Spanje moge getuige zijn van den smaad mij aangedaan.«]

Verloopen Ridders, die als gemeene deugnieten voor hem gesidderd

hadden, en bijna als bedelaars hadden moeten rondzwerven, stonden daar

in sierlijke kleeding, trotsch op de gunst waarin ze bij De Bobadilla

gekomen waren, en lachten hem sarrend uit.

Geen' tred mocht Columbus in zijne eigen woning doen. Al, wat zich

daarin bevond, was door De Bobadilla in beslag genomen. Alles, zijne

boeken, instrumenten, meubelen, gouden en zilveren sieraden, zijn geld

en goed, ja, zelfs zijne brieven en papieren waren verbeurd verklaard,

doch reeds voor een groot deel gebruikt om Columbus' vijanden te

verrijken.

Er is een bekend Latijnsch gezegde: »Sic transit gloria mundi!« dat

is: »Zoo gaat de heerlijkheid der wereld voorbij!«

Weinig voorbeelden zijn in de geschiedenis der wereld aan te wijzen,

waar dit gezegde in zijne volle beteekenis zoo kan toegepast worden,

als hier.

Het was in het begin van October 1500 toen de karveelen het anker

lichtten en de reis naar Spanje aannamen, onder het opperbevel van Don

Alonzo De Villejo. De Kapitein van de karveel, waarop Columbus als

gevangene was, heette Andreas Martin. Deze deed voor De Villejo in

edelmoedigheid niet onder, en behandelde den Admiraal met de meeste

onderscheiding.

Zoodra men de ankers gelicht en de haven verlaten had, gaf De Villejo

bevel om Columbus de boeien af te nemen, doch toen men kwam om dit te

doen, weigerde Columbus beslist, ze zich te laten ontnemen.

»Neen! Spanje moge getuige zijn van den smaad, mij aangedaan,« zeide

hij. »Hunne Majesteiten hebben mij bevolen om De Bobadilla in alles te

gehoorzamen. Hij heeft mij in boeien doen slaan in Hun' naam, en ik

zal ze dragen tot zij bevelen, ze mij af te doen. Dan zal ik ze

bewaren, als eenig loon voor alles, wat ik voor Hunne Majesteiten en

voor Spanje gedaan heb.«

Er lag bitterheid in die laatste woorden, doch wie zal ze Columbus

euvel duiden? Als bedelaar klopte hij eenmaal aan eene kloosterpoort,

en jaren later, na Spanje, zoo hij meende, de Indiën gegeven te

hebben, was hij armer dan in die dagen. Toen genoot hij nog de gulden

vrijheid; thans was hij in kluisters geklonken.

Columbus' zoon, Don Ferdinand, zegt: »Ik zag die ketenen steeds in

zijn kabinet hangen, en menigmaal deed hij ons het verzoek om, wanneer

hij gestorven zou zijn, ze bij hem in de kist te leggen.«

Toen Columbus de tochten bestuurde, had hij nimmer in zulk een' korten

tijd den zeeweg van Hispaniola naar Spanje afgelegd als nu. Zonder

eenigen tegenspoed kwamen de karveelen reeds in November te Cadiz aan.

Thans vroeg hij den edelen De Villejo de gunst om de brieven, die hij

onderweg geschreven had, met eene boot naar den wal te mogen laten

brengen, en te willen zorgen, dat een renbode ze onmiddellijk aan het

Hof bezorgde. Hij vreesde dat zelfs de weg naar het Hof hem zou

afgesloten zijn, wanneer de Koning en de Koningin De Bobadilla's

brieven vóór de zijne ontvingen.

De Villejo stond dit verzoek gaarne toe, en eer de karveelen aan den

wal gemeerd lagen, was de renbode reeds met Columbus' brieven weg.

Aanvankelijk hadden de bewoners van Cadiz de twee karveelen met

onverschilligheid zien naderen. Wat anders zouden ze alweer brengen

dan ongelukstijdingen? Men verwachtte niets goeds, maar,--de

nieuwsgierigheid kwam boven en deed vragen.

En daar luidde het antwoord: »Wij hebben den »Admiraal van den

Oceaan«, den gewezen »Onder-Koning van de Indiën« en zijne twee

broeders, in boeien geslagen, bij ons aanboord. Zijne Excellentie De

Bobadilla heeft het zoo bevolen.«

Eene huivering beving ieder, die dit hoorde.

Ja, duizenden en nog eens duizenden hadden Columbus een' avonturier

genoemd, die aan Spanje nog niets dan schade gebracht had, maar nu men

hem in boeien geklonken naar Spanje zond, werd ieders gelaat van

verontwaardiging gekleurd. Dat was eene schande, eene onuitwischbare

schande. Het waren zelfs Columbus' oudste tegenstanders en vijanden,

die dit luide getuigden.

Het bericht liep van mond tot mond, en zelden klonken er zoovele

kreten van diepe verontwaardiging. Ook Koning Ferdinand en de goede

Koningin Isabella stonden ontzet toen ze de tijding ontvingen; ze

konden het niet gelooven. De renbode bevestigde evenwel van woord tot

woord het gerucht, en de brieven deden de waarheid nog erger zijn dan

het gerucht. Stellig had zóó iets zelfs niet in de bedoeling van

Koning Ferdinand gelegen, en van Koningin Isabella nog veel minder. De

Bobadilla had den inhoud van den lastbrief niet gevolgd, en op eigen

gezag daden gepleegd, waaraan de Monarchen niet schuldig konden of

wilden zijn. Alle gekroonde Hoofden in Europa zouden er schande van

spreken, en de Spaansche naam zou veracht worden door heel de wereld.

Onmiddellijk na het lezen van Columbus' brieven werd er een courier

naar Cadiz gezonden, met het Koninklijke bevel, om oogenblikkelijk

Columbus en zijne broeders van hunne ketenen te verlossen en in

vrijheid te stellen. En niet alleen in vrijheid stellen, neen, meer

dan dat. Het bevel luidde dat men den Admiraal en zijne broeders

overeenkomstig hun' hoogen rang behandelen zou, en eene som van ruim

twintigduizend gulden moest Columbus ter hand gesteld worden, om zich

het noodige aan te schaffen, teneinde op waardige wijze aan het Hof te

kunnen komen.

Na van de vermoeienissen en ziekten eenigszins hersteld te zijn, begaf

Columbus zich op reis naar Granada, waar de Monarchen toen hunne

residentie hadden, en den zeventienden December verscheen hij ten

Hove.

Ontroering greep ieder aan, die den grooten man zag.

Met waggelenden tred, gebogen rug en doffe oogen schreed hij tusschen

de Hovelingen door naar den troon der Vorsten. Daar knielde hij neer

en--brak in een luid gesnik uit. Hij had zich groot willen houden,

doch hij kon niet.

Koningin Isabella was de eerste, die op hem toetrad, hem zacht bij den

arm greep, en vriendelijk verzocht om op te staan.

Het woord eener vrouw kan eene tooverachtige kracht hebben, en voor

Columbus had het woord zijner Koningin meer dan eene tooverachtige

kracht.

God, de Heilige Maagd en zijne Koningin, geen, die hij meer vereerde.

Hij richtte zich op, en toen hij tranen in de oogen van Isabella zag,

kreeg hij weer alle hoop terug. Die hoop maakte hem welsprekend, en

zoodra hij zijn pleidooi geëindigd had, smaakte hij de voldoening, dat

Koning Ferdinand, ten aanhoore van al de Hovelingen, verklaarde, dat

De Bobadilla de grens zijner macht verre overschreden had, en dat zij

nimmer last hadden gegeven, hem en zijne broeders gevangen te nemen,

en nog veel minder om hen op zulk eene onteerende en vernederende

wijze te behandelen. Columbus werd in al zijne rechten en waardigheden

hersteld, doch hoe hij er ook op aandringen mocht, het

Onder-Koningschap van de Indiën konden ze hem niet toevertrouwen.

Columbus had zich letterlijk onmogelijk gemaakt door de verkeerde

maatregelen, die hij in die waardigheid genomen had, en toen de

Monarchen hem verzekerden, dat zijn leven zelfs gevaar liep zoo hij

andermaal, met het hoogste gezag bekleed, te San-Domingo kwam, zeiden

ze dit niet zóó maar, want werkelijk, er bestond alle grond voor, dat

het gebeuren zou. Toch hielden de Koning en de Koningin hem de handen

boven het hoofd, door oogenblikkelijk De Bobadilla van zijn ambt te

ontzetten, en in zijne plaats te benoemen Don Fray Nicolas De Ovando,

een Edelman, die om zijne deugden en bekwaamheden de achting genoot

van al wat Spanjaard heette.

Dat Columbus, trots dit alles, geen' vrede met dat besluit kon hebben,

is natuurlijk, doch hij zweeg, en zou later wel zien terug te krijgen,

wat hem, naar zijne meening eerlijk toe kwam. Hij hoopte zich door

nieuwe ontdekkingen nog verdienstelijker te maken, en dan zou alles

wel weer terecht komen. Naar zijne stellige overtuiging had hij Marco

Polo's »Zipangu« en de Oostkust van Azië ontdekt. Hij wilde nu een'

tocht maken om den zeeweg naar de eigenlijke Indiën te vinden. Een

groot deel van dien weg had hij immers al afgelegd?

De Monarchen vonden dit plan uitnemend, maar .... eerst moest er geld

voor de uitrusting der schepen zijn, en dat was er nog niet, zoodat

onze Admiraal tijd had om in Spanje, door rust, weer tot de vorige

krachten terug te keeren of--door ergernis over het dralen, nog meer

averechtsche plooien in zijn karakter te krijgen. Dat uitstel van de

vierde reis, die ook zijne laatste zou zijn, geeft ons gelegenheid om

in een volgend hoofdstuk eerst over de ontdekkingstochten van andere

ondernemende mannen te spreken, en dan ten slotte hem op dien laatsten

tocht te volgen.

HOOFDSTUK IX.

LAATSTE REIS VAN COLUMBUS.

Het ligt geheel in den aard der zaak om aan te nemen, dat het gerucht

van Columbus' ontdekking ook nog andere volken dan de Portugeezen

prikkelen zou om het voorbeeld der Spanjaarden te volgen, wanneer ze

maar een land bewoonden, dat aan zee gelegen was. De Italianen hadden

er ook wel lust in, vooral de Genueezen, Florentijnen en Venetiërs,

maar wanneer dezen uitzeilden om ontdekkingen te gaan doen, dan

moesten ze de enge Straat van Gibraltar passeeren en waren daardoor

geheel in de macht van Spanje, dat natuurlijk met Argus-oogen uitzag

of een ander volk het niet waagde om het voorrecht, door den Paus aan

Spanje gegeven, als van geene kracht te beschouwen. Italië zag zich

derhalve gedwongen, bedaard toe te zien. Portugal repte zich om zijne

ontdekkingen in Afrika voort te zetten, en wij weten reeds met welk

een' gunstigen uitslag. Frankrijk had echter onder de regeering van

Koning Lodewijk XII de handen te vol om den verwarden staat van

binnenlandsche zaken te ordenen, en een waakzaam oog te houden op de

uitbreiding der macht van het Habsburgsche Huis. Hoe gunstig ook voor

de zeevaart gelegen, het kon zich niet met ontdekkingstochten inlaten.

De Nederlanders dreven in dien tijd wel veel zeehandel, ze waren ook

ondernemend en belust genoeg om ontdekkingen te gaan doen, maar, er

was iets, dat hun de handen bond. Graaf Filips de Schoone toch, die

Heer was over bijna al de Nederlanden, was gehuwd met de Infante

Johanna, dochter van Koning Ferdinand en Koningin Isabella. Nu sprak

het toch vanzelf, dat de Nederlanders op zee geene mededingers mochten

of konden worden van een bevriend en machtig land, en toen later Karel

V Koning van Spanje werd, en meteen dus ook Heer der Nieuwe Wereld,

waren de handen der Nederlanders nog veel meer gebonden. Dat het hun

aan geen' ondernemingsgeest of moed faalde, bewezen ze bijna op

hetzelfde oogenblik, dat ze zich aan de macht van Spanje onttrokken,

en veilig kan men aannemen, dat die zucht om op ontdekkingen uit te

gaan, en het toch niet te kunnen doen, eene der vele redenen is

geweest, dat er tusschen de Nederlanders en Spanjaarden zulk een

volkshaat bestond.

Nu we de redenen opgenoemd hebben waarom de Italianen, Franschen en

Nederlanders geen deel aan de ontdekkings-tochten namen, rest ons nog

om over de Engelschen te spreken, want de Duitschers en Noren rekenden

in dien tijd niet mede; hunne scheepvaart bepaalde zich bijna

uitsluitend tot de Noordzee en de Oostzee.

Dat de pogingen van Don Bartholomeus in Engeland schipbreuk leden,

meldden we reeds. Men vertrouwde den vreemdeling niet genoeg, en

Koning Hendrik VII bleef er zelfs vrij koel onder, toen de ontdekking

der Nieuwe Wereld, of zooals men meende, de Indiën, ook in Engeland

bekend werd.

Vóór vier Eeuwen: Een Volksboek over de Ontdekking van Amerika · 第 15 / 26 段