bouwde aan den mond der rivier Ozema, in de nabijheid der goudmijnen,
de stad San-Domingo, en toen deze voltooid was, besloot hij met een
groot gevolg eene reis te maken naar het machtige rijk Xaragua, dat
ten Westen van Hispaniola lag en nog nimmer door Spanjaarden bezocht
was. Wat zou men er ook doen? Schoon moest het er zijn,
onvergelijkelijk schoon en vruchtbaar. Wat men eenmaal onder de
beschaafde Grieken en Romeinen de »Elyseesche Velden« noemde, dat was
Xaragua voor Hispaniola. Maar, men vond er geen goud en slechts
katoen, bloemen, heerlijke vruchten en visch.--Over Xaragua regeerden
de Kazike Behechio en zijne zuster, de beeldschoone Anacaona, weduwe
van den bekenden Caonabo. In Xaragua aangekomen, werden Don
Bartholomeus en de zijnen ingehaald door een groot aantal jonge
meisjes van buitengewone schoonheid, en de ontvangst was zoo
hartelijk, als men maar wenschen kon. Na daar te midden van zooveel
schoons eenigen tijd doorgebracht te hebben, kwam de Adelantado onzen
Behechio mededeelen, dat hij hem voortaan ook schatting in katoen
moest opbrengen. Behechio had hierin niet veel lust, doch Anacaona,
die wist hoe haar echtgenoot door zijn' opstand tegen de Spanjaarden
zichzelven slechts schade berokkend had, gaf haar broeder den raad om
de schatting te voldoen. De Kazike luisterde er naar en zeide, dat hij
bericht zenden zou als de schatting bijeen was. Thans vervolgde de
Adelantado zijne reis, doch toen hij eenigen tijd daarna te Isabella
aankwam, vond hij er een treurig tooneel. Wel driehonderd der
Kolonisten waren aan koortsen bezweken of leidden een treurig leven
tengevolge van gebrek aan het noodige voedsel. Gelukkig brachten de
drie schepen onder bevel van Nino eenige verademing, doch weldra was
de aangebrachte voorraad verteerd. Nu nam het gebrek alweer
onrustbarende verhoudingen aan. Men begon te morren en te klagen, dat
Columbus te midden van de feesten aan het Spaansche Hof, de Kolonie
geheel vergat. Dat hij-zelf daar in Spanje leed onder allerlei
tegenwerking en teleurstelling, bevroedde niemand. Dat bevroedde zelfs
Ridder Francisco Roldan niet, en deze had toch zeer goed kunnen weten
dat de oorzaak van al de ellende onmogelijk bij Columbus gezocht moest
worden.
Toen Columbus nog bij zijne tweede reis op Hispaniola vertoefde, was
Roldan dagelijks met hem in aanraking geweest, en hij had zooveel
werkkracht en zooveel goeden wil getoond, dat de Admiraal hem meer dan
anderen genegen was. Die genegenheid droeg vruchten, want toen
Columbus naar Spanje vertrok, benoemde hij dezen Roldan tot
Opperrechter, en beval hem zijn' broeder aan, als een man, die zijn
volste vertrouwen verdiende. Columbus had echter in de keuze van
Roldan andermaal getoond hoe bitter weinig menschenkennis hij bezat,
want Roldan behoorde tot zijne grootste vijanden, en pas was de
Admiraal weg, of de valschaard begon reeds zijne rol te spelen. En
toen ten slotte, door gebrek en ziekte, de ellende der Kolonie ten top
gestegen was, beschuldigde hij Don Bartholomeus en diens broeder Don
Diego van allerlei oneerlijke handelingen ten opzichte der Kroon, en
wist hij verscheidene Kolonisten over te halen om met hem alle
gehoorzaamheid aan den Adelantado op te zeggen.
De sluwe Kaziken, hoewel nog buiten den twist gehouden, zagen zeer
goed hoe erbarmelijk zwak de toestand der heele Kolonie was, zoodat
Don Bartholomeus, wilde hij althans van Isabella geen tweede La
Navidad gemaakt zien, verplicht was om tegenover de opstandelingen met
de uiterste gestrengheid op te treden.
In dien treurigen toestand vond de Admiraal de schoone Kolonie, toen
hij er den laatsten Augustus aankwam.
En hier was hij dan nu gekomen om uit te rusten en van zijne ziekten
te herstellen!
Roldan zelf hield zich ver van Isabella buiten het bereik des
Admiraals, doch zijn aanhang was over het geheele eiland verspreid en
leefde daar in de liederlijkste ongebondenheid. Vooral was het
heerlijk schoone Xaragua het tooneel waarop Roldan en de zijnen hun
brooddronken leven leidden. Op zekeren dag zagen zij drie schepen
naderen. In het eerst meenden ze, dat de Adelantado die op hen
afgezonden had, doch weldra wisten ze dat het de drie schepen waren,
die Columbus vooruit gezeild waren om de Kolonie terstond van krijgs-
en levensvoorraad te voorzien. Roldan begon hier zijne rol nu nog
uitgebreider te spelen, en weldra had hij door list het scheepsvolk,
dat uit de grootste deugnieten bestond, overgehaald om hier te
blijven, en niet naar de ongeluksstad Isabella te gaan. De bemanning
der schepen, die door allerlei tegenspoeden afgedwaald en nu pas op
dit punt aangekomen waren, verkoos natuurlijk dat »Luilekkerland«, en
de samenzwering was al in vollen gang, toen de Kapiteins der schepen
er alles van te weten kwamen. Het was te laat, en verscheidene
deugnieten in Xaragua achterlatende, omdat ze geene kans zagen, hen
weer aanboord te krijgen, zett'en ze koers naar San-Domingo, waar ze
met een' voorraad van bedorven levensmiddelen eindelijk aankwamen.
Thans was de ellende ten toppunt gestegen, en Columbus wist geen'
anderen uitweg dan de schepen waarmede hij gekomen was, naar Spanje
terug te zenden. Hij zou brieven aan de Monarchen medegeven, waarin
hij een onbewimpeld verslag van den stand van zaken zou doen. Eenmaal
hiertoe besloten, vroeg hij aan zijne Souvereinen om een kundig man,
als Opperrechter, naar Hispaniola te sturen, ten einde deze de
bestaande geschillen beslechten zou, en hij eindigde zijn' brief met
den raad om, als die Rechter er niet in slaagde, de rebellen dan
eenvoudig te verdelgen. Met deze schepen gaf Roldan evenwel ook
brieven aan de Koningin en den Koning mede, en hierin had de geslepen
Rechtsgeleerde allerlei beschuldigingen tegen den Admiraal en zijne
broeders aangevoerd. De leeperd wist bovendien hoe hij het aanleggen
moest om bij Koningin Isabella een gunstig gehoor te erlangen. Hij
deed zich voor als iemand, die in zijne betrekking van Opperrechter
gestadig te worstelen had met den Admiraal en zijne broeders om geene
arme inboorlingen als slaven aanboord der schepen naar Spanje te
zenden, omdat zulk eene onbarmhartige handelwijze een' Christen
onwaardig was. Het was heel gemoedelijk van Roldan, en zijne woorden
zou Columbus zelf bevestigen, want met de terugkeerende schepen gaf
hij een groot aantal gevangenen mede om die in Spanje, als slaven te
verkoopen. Dat deze meeste gevangenen daar gekomen waren, omdat zij
geweigerd hadden, schatting te betalen, dat verzweeg Roldan, en nog
veel minder maakte hij bekend, dat hij-zelf en niemand anders het
geweest was, die de arme Indianen ingeblazen had, geene schatting te
betalen, zoodat hij feitelijk de oorzaak was, dat die lieden, als
veroordeelde opstandelingen, naar Spanje gevoerd werden.
Met die schepen, waarop een groot aantal ontevredenen naar Spanje
terugkeerden, doen we ook die reis en verlaten dus voor een oogenblik
den grooten man, die op een ongelukkig oogenblik zijne aangewezen
betrekking als landontdekker vereenigd had met die van gezaghebber.
Hij had het nooit moeten doen, want hij miste geheel den tact om met
zulk een hoog gezag bekleed te worden, waar hij, als vreemdeling,
dagelijks aan laster en naijver bloot stond. Het was evenwel niet
geheel zijne schuld, want echte Spanjaarden, van ouden stam en
onverdachten Adel, zouden naderhand ondervinden, dat zij zichzelven
ongelukkiger maakten, naarmate ze meer deden, meer landen ontdekten,
meer voordeel aan de Kroon bezorgden. Het ellendige goud was oorzaak,
dat te midden van zooveel edels en schoons, tienmaal meer onedels en
slechts zich vertoonde, dat daden, die ons met bewondering vervullen,
met groven ondank beloond werden.
Zooals te denken is, brachten de ongelukkige brieven aan het Hof niet
veel goeds voor Columbus, en vooral Koningin Isabella was vertoornd
dat hij steeds voortging met slaven naar Spanje te sturen, en dan nog
wel zulke onschuldige (?) menschen, zooals uit de brieven van Roldan
ten duidelijkste bleek. Welk een man was dan toch die Genuees, die
Spanjaarden schopte, onschuldige inboorlingen tot slavernij doemde, en
ten slotte in zijn' brief kon spreken van een »verdelgen« van de
oproermakers? Haar eerste bevel was om al de slaven naar de Nieuwe
Wereld terug te zenden en hen daar weer vrij te laten.
Een geleerd Rechter naar de Indiën zenden, dit had Columbus zelf
gevraagd, en daardoor een bewijs van eigen onmacht gegeven. Geheel met
hem breken, neen, dat wilde Koning Ferdinand niet, maar dat wilde
stellig en zeker Koningin Isabella ook niet. Wel kon ze niet meer voor
hem zijn, wat ze vroeger geweest was, maar vergeten welke groote daden
hij verricht had, dat ging niet.
Er werden terstond aanstalten gemaakt om De Bobadilla naar de Nieuwe
Wereld te zenden, maar als altijd was er geen geld genoeg om den
nieuwen Stadhouder, want dat was hij door de brieven, die hij
medekreeg, metterdaad, met een eskader, dat aan zijn' rang paste, naar
Hispaniola over te brengen. Het werd zelfs Juni van het jaar 1500 eer
hij kon afreizen, en in dien tusschentijd was er in Europa andermaal
een groot nieuws verbreid.
De tijding dat Columbus door steeds het Westen in te zeilen de lang
gezochte Indiën gevonden had, was voor de ondernemende Portugeezen
geene reden geweest om nu moedeloos hunne ontdekkingsreizen te staken.
Met allen ernst hadden ze hun doel vervolgd, en met den besten uitslag
waren hunne pogingen bekroond: Vasco De Gama had om Afrika's Zuidpunt
heen óók de Indiën gevonden, en de berichten van die ontdekking waren
van zulk een' aard, dat de Spanjaarden zelven moesten erkennen, dat de
Indiën, van die zijde genaderd, meer gelijkenis hadden met de landen
door Marco Polo beschreven, dan het deel der Indiën dat men gevonden
had, het Westen inzeilende. Intusschen, de Portugeezen waren nu óók in
de Indiën, en dit feit kan strekken om de handelingen der Spaansche
Monarchen ten opzichte van Columbus eenigszins te vergoelijken. Als
Columbus het land al niet regeeren kon wanneer de Portugeezen hem niet
bemoeielijkten, hoe zou hij het dan kunnen, als de Portugeezen er
werkelijk ook kwamen? Men begreep wel dat die ontmoeting nog wel niet
in de eerste weken of maanden plaats hebben zou, omdat de afstand
tusschen de Oostelijke en Westelijke kusten van de Indiën
onbegrijpelijk groot was, maar de ontmoeting _moest_ eenmaal plaats
hebben, dat kon niet anders, en in dat geval diende er aan het hoofd
der Spaansche Indiën een man te staan, die Spanjes gezag met macht en
kracht wist te handhaven. En hoe men over Columbus ook denken mocht,
niet één zou durven beweren, dat hij in dit geval de rechte man was om
de orde te bewaren.
In Spanje had evenwel nog iets meer plaats gegrepen. Columbus had in
een' zijner brieven ook een wijdloopig verhaal gedaan van de landen,
die hij op zijn' laatsten tocht gevonden had. Op de gewone manier had
hij zich vaak aan allerlei dichterlijke bespiegelingen overgegeven en
die voor waarheid gegeven. Vooral dat Paradijsachtige van de landen,
die »Paria« genoemd waren, en den schat van parelen, dien men daar
vinden zou, had hij met de sprekendste kleuren gemaald, en menigeen
brandde van verlangen om dat heerlijke Paria op te zoeken. Geen
evenwel wenschte dit zoo vurig als onze bekende Don Alonzo De Hojeda,
die niet met Columbus op de derde reis medegegaan was. Maar onze
avontuurlijke Ridder miste, wat het noodigste was om zulk een' tocht
te doen, en dat was geld. De overeenkomst tusschen de Monarchen en
Columbus, dat niemand der Spanjaarden bijzondere ontdekkings-reizen
mocht doen, bestond, dat wist heel Spanje en dat wist De Hojeda ook,
maar wat zou die overeenkomst? Was ze niet gesloten tusschen de
Monarchen eenerzijds en den Onder-Koning anderzijds? Was Columbus door
de benoeming van De Bobadilla niet van zijne waardigheid ontzet en
slechts »Admiraal van den Oceaan« gebleven? De overeenkomst had
derhalve hare kracht geheel verloren, en als hij nu maar een'
machtigen steun verkrijgen kon, dan zou hij, De Hojeda, wel uitzeilen
om dat Paria te vinden en aan de Kroon van Spanje te brengen.
Die machtige steun was spoedig gevonden in zijn' neef, den Eerwaarden
Vader Alonzo De Hojeda, een der Groot-Inquisiteurs van Spanje, en wat
meer zegt, een der beste vrienden van Bisschop Don Juan Rodriguez De
Fonseca, den volhardenden tegenstander van Columbus.
De Fonseca gaf, zeker wel met goedvinden van Koning Ferdinand, aan
onzen avonturier een' lastbrief, waarin hij gemachtigd werd om eene
vloot uit te rusten, ten einde het vasteland van Amerika nader te
onderzoeken. Waar De Bobadilla uit geldgebrek der Kroon nog niet
uitzeilen kon, daar was het De Hojeda duidelijk, dat hij bij de Kroon
niet om geldelijke bijdragen behoefde te komen. De rijke kooplieden
van Sevilla zouden hem evenwel helpen aan het uitrusten der schepen,
want er waren, als hij die Parel-landen vond, groote voordeelen van te
verwachten. De naam van den dapperen Alonzo De Hojeda was in heel
Spanje bekend, en weldra had hij dan ook aanboord van vier schepen,
die te Port Santa-Maria in de nabijheid van Cadiz lagen, manschappen
zoo goed als hij ze maar wenschen kon, want wie der zeelieden nog
aarzelde om onder bevel van een' Ridder dien tocht te maken, die
aarzelde niet meer toen hij wist, dat Juan De la Cosa, als Eerste
stuurman de reis zou medemaken. Afkomstig van Biscaye en als het ware
op zee geboren en oud geworden, stond hij als Spanjes beste Stuurman
bekend, terwijl hij daarenboven in de Indiën geen vreemdeling was,
omdat hij de heele tweede reis met Columbus had medegemaakt.
Den twintigsten Mei 1499 ging Alonzo De Hojeda onder zeil. Geholpen
door de kennis van zijn' Eersten stuurman, zijne eigene ervaringen en
de kaarten en aanwijzingen van Columbus zelven, kwam De Hojeda, na
eene voorspoedige reis van eenentwintig dagen, in dat gedeelte van de
Nieuwe Wereld aan, hetwelk thans Guyana heet, doch wat hij er vond,
geen goud en geene parelen. Het doel van den tocht was dus niet
bereikt, doch den zorgloozen en verkwistenden De Hojeda was het meer
om avonturen dan om schatten te doen. Hij zette daarom spoedig den
tocht voort, leverde op een der Caraïben-eilanden slag met de
inboorlingen, die zich dapper verweerden, doch het onderspit moesten
delven, en kwam eindelijk bij een eiland, dat hij den naam gaf van
»Giganten-« of »Reuzen-eiland«, omdat het, zoo het heette, bewoond
werd door menschen »waarvan elke man een Antaeus en elke vrouw een
Penthesiléa was.« Naderhand kreeg dit eiland den naam van Curaçao,
doch niemand heeft er ooit een' man of eene vrouw gevonden, die aan de
personen uit de fabelleer Antaeus of Penthesiléa deed denken. Toch was
hij, die dit in zijn dagboek »Quatuor navigationes« schreef, een man,
die zich later bekend maakte door nog enkele tochten in de Nieuwe
Wereld te doen en van die tochten uitvoerige beschrijvingen te geven.
Het was Amerigo Vespucci, en naar dezen man kreeg het nieuwe
werelddeel den naam van Amerika.
[Illustratie: AMERIGO VESPUCCI. (Geb. 1451, overl. 1512.)]
Amerigo Vespucci werd in 1451 te Florence geboren, en betoonde al heel
vroeg eene groote voorliefde te hebben voor de studie der natuur-,
aardrijks- en sterrenkunde. Hij was afkomstig uit een aanzienlijk
geslacht, niet onbemiddeld, en trachtte door reizen in Europa zijne
kennis uit te breiden. In 1490 bevond hij zich in Spanje en bleef daar
tot 1499, wanneer hij zich als Stuurman inscheepte met Don Alonzo De
Hojeda. Reeds het volgende jaar was hij weer in Spanje terug om eenige
weken later een' nieuwen tocht naar de Indiën te doen, bij welke
gelegenheid hij enkele eilanden ontdekte. Die tocht werd nog door
eenige andere reizen gevolgd, en daar hij den slag had om op eene
luchtige en vroolijke manier te vertellen, zoo werden de boeken,
waarin hij zijne reizen beschreef, weldra in alle landen van Europa
gelezen. De boekhandelaar Martin Waldseemüller, die de werken van
Vespucci, in het Duitsch vertaald, opnam in een grooter boek, schijnt
het voorstel gedaan te hebben om het nieuw gevonden werelddeel,
waarvan men toen reeds wist, dat het niets met de Indiën te maken had,
den naam van »Amerika« te geven. Dat is zeker, dat de naam »Amerika«
reeds voorkomt op kaarten van 1520 en 1522. Ongetwijfeld was deze
Amerigo Vespucci een zeer geleerd man, doch als ontdekker heeft hij
toch veel te weinig gedaan om zijn' naam aan de Nieuwe Wereld gegeven
te zien. Het heeft daarom, vooral in den laatsten tijd, niet aan
geleerden ontbroken, die vroegen: »Is het wel waar, dat Amerika naar
dezen Amerigo genoemd is?« Sommigen zijn er toe gekomen om het sterk
te betwijfelen en wijzen op vele namen in Middel-Amerika, die op
_ique_ en _acao_ eindigen. Anderen weer houden het ervoor, dat de naam
afgeleid is van »Amarca«, wat de heilige naam der Peruanen was. Het
zal evenwel een zoeken en gissen blijven, en al vinden we het nu
jammer, dat dit groote werelddeel niet »Columbia« heet, het zal niet
baten, en »Amerika« zal het wel blijven heeten.
Na deze noodzakelijke uitweiding tot De Hojeda terugkeerend, treffen
wij hem aan voor eene diepe en wijde golf. Stoutmoedig zeilde hij de
golf binnen en bevond dat ze veel eer op een kalm meer dan op eene zee
geleek, en naarmate hij er dieper in kwam werd het water steeds
kalmer. Eensklaps echter werden op een' morgen aller oogen getrokken
door een dorp, dat midden op het water gebouwd was. Zulk een dorp van
paalwoningen was in De Hojeda's tijd een zeer vreemd iets en bijna
vier eeuwen moesten nog na hem verloopen om de ontdekking te doen, dat
diezelfde paalwoningen ook in de Europeesche meren, inzonderheid in de
Zwitsersche en Italiaansche gebouwd werden, toen Europa nog slechts in
de Grieksche gedeelten beschaafd was. Op het gezicht van die
paalwoningen dacht De Hojeda onwillekeurig aan Venetië, dat ook op het
water gebouwd was, en terstond gaf hij deze streek den naam van
»Venezuela«, dat »Klein Venetië« beteekent. De inwoners echter, die
eerst zeer schuw in hunne woningen bleven, doch al heel spoedig een'
aanval op de vreemdelingen waagden, welke natuurlijk in hun nadeel
uitviel, noemden het land »Coquibacoa.« Na dit gevecht drongen de
Spanjaarden de golf steeds dieper in en kwamen eindelijk in het Meer
van Maracaïbo, waar de inwoners buitengewoon vriendelijk waren en
alles deden, wat ze konden om den vreemdelingen te behagen.
Merkwaardig mag het genoemd worden, dat De Hojeda in het verslag van
zijne reis melding maakt van Engelsche reizigers, die hij te
Coquibacoa ontmoette. Dit bericht bracht in Spanje heel wat pennen en
gemoederen in beweging, want, hoe kwamen die Engelschen daar? Wanneer
De Hojeda zich niet vergist had, dan hadden die Engelschen immers niet
veel meer dan den draak gestoken met de Pauselijke bul, die alleen aan
Spanje en Portugal het recht gaf om de landen, aan den Atlantischen
Oceaan en in de Indiën gelegen, te bezoeken, er handel op te drijven
en ze zich toe te eigenen. Er werden dan ook terstond maatregelen
genomen om de Engelschen te beletten de Indiën te naderen. Intusschen
is in de Engelsche geschiedenis niets bekend van dien tocht, zoodat De
Hojeda vermoedelijk de blanke inlanders met Engelschen zal verward
hebben. Een ander vermoeden bestaat er ook nog, doch dat zal eerst
geopperd worden in een volgend hoofdstuk, als we over Giovanni Caboto
en van zijn' beroemden zoon Sebastiano met enkele woorden spreken.
Het kostte De Hojeda en den zijnen groote moeite om van deze goedige
menschen te scheiden en dit heerlijke land te verlaten, en als we dat
lezen, dan overvalt ons een gevoel van treurigheid bij de gedachte,
dat later, door de ellendige gouddorst der Spanjaarden, deze menschen
halve duivels werden en dat, vier eeuwen na de ontdekking, deze landen
de broeinesten van jammer, ellende en revolutie zijn. Hoe bitter wreed
werd het Paradijsachtige leven van deze goedige en gelukkige menschen
verstoord! Waarlijk, wie er ook jubelen mogen bij het vierde eeuwfeest
van Amerika's ontdekking, de weinige nakomelingen van de
oorspronkelijke bewoners hebben er allerminst redenen toe. Bij het
gejubel der Blanken mogen zij weenen bij de bouwvallen van hun
voormalig Paradijs. En hoe lang nog? Met ieder jaar dringen de Blanken
steeds verder, en wijken de Indianen. Met ieder jaar neemt hun aantal
af, want allerlei ziekten, door Europeanen aangebracht, dunnen op eene
verschrikkelijke wijze hunne gelederen. Het viel bijna allen
ontdekkers op, dat de inboorlingen niet door de pokken geschonden
waren; die ziekte kenden de Indianen niet, doch de Europeanen brachten
ze over, en geene ziekte woedde er ooit heviger onder hen dan juist
deze.
Al wat laag en liederlijk was, mocht bij hen bijna onbekend heeten,
doch het uitschot van volk, dat de Spaansche Regeering naar deze
landen zond, was oorzaak, dat de inboorlingen er mede bekend werden,
en, als Renegaten in de ondeugd, toonden ze ook de eigenschappen van
Renegaten te hebben, en overtroffen ze weldra hunne leermeesters.
Na dit heerlijke land verlaten te hebben, zette De Hojeda zijn' tocht
nog een eindweegs voort, doch besloot toen om den steven naar
Hispaniola te richten. Het lijkt onschuldig maar het was alles behalve
onschuldig. Wat De Fonseca had durven doen, hij had den moed niet
gehad, De Hojeda vrijheid te geven om te reizen waar deze wilde. In
zijn' lastbrief stond uitdrukkelijk vermeld, dat hij geene landen
mocht aandoen, welke door de Portugeezen in bezit genomen waren, en
ook geene, die door Columbus vóór 1495 ontdekt werden. Den inhoud van
zijn' lastbrief volgende, mocht hij derhalve niet op Hispaniola komen.
Hij was evenwel de man niet om te vreezen dat die overtreding hem
kwaad zou doen. Hij kende Koning Ferdinand; hij wist wie De Fonseca
was, en bovendien begreep hij zeer goed, dat Columbus op dat eiland op
geene rozen sliep, en dat hij, om het eens platweg uit te drukken
»Onder-Koning af« was, en dat de toestand in de Kolonie nog ellendig
zou zijn.
En wel was die toestand meer dan treurig. Bijna door allen verlaten,
was Columbus genoodzaakt om met Roldan en de zijnen een soort van
vergelijk te treffen, doch wie nu weet welk een man die Roldan was en
welk een geest zijn' aanhang bezielde, moet terstond inzien, dat een
deugdelijk vergelijk tot de onmogelijkheden behoorde en dat er telkens
nieuwe twisten moesten ontstaan. Roldan, door Columbus weer als
Opperrechter hersteld, vervolgde den aanhang van Columbus zooveel hij
kon, doch van de lieden, die tot zijne partij behoorden zag hij alles
door de vingers. De vriendelijkheid en toegevendheid van Columbus
jegens hem telde hij niet; hij wist dat Columbus hem bij de Monarchen
aangeklaagd en tevens op zijn ontslag aangedrongen had. Wel kwam er
uit Spanje geen antwoord, doch eenmaal zou het komen, en dan zou, òf
Columbus, òf hij moeten wijken. Maar hij kende de kaart van zijn land
al te goed en kon bijna voorspellen, dat alles eindigen zou met den
val van den Admiraal. Er zat voor hem, hoe hij de zaak beschouwde,
geen voordeel in om te trachten weer in de gunst van den Onder-Koning
te komen. Zóó stonden de zaken toen Columbus besloot naar Spanje terug
te keeren. Hij was zwak en ziekelijk en gevoelde zich onmachtig om de
zaken met vaste hand te besturen. En wat wilde hij nu? Het
Onder-Koningschap over de Indiën was in zijn geslacht erfelijk
verklaard en aan het Spaansche Hof diende zijn zoon Diego als Page.
Diego was nu geen kind meer, maar een jongeling vol kracht. Hem zou
Columbus halen; samen zouden ze dan de Indiën besturen en Don Diego
zou van alles volkomen op de hoogte zijn, als de Vader het moede en
matte hoofd voor altijd te slapen legde. Die Vader gevoelde het wel,
dat zijn levensuurwerk spoedig afgeloopen zou zijn.
Aan dit voornemen werd evenwel geen gevolg gegeven, want onverwachts
kwam er tijding, dat er in het Westen van het eiland vier vreemde
schepen aangekomen waren en meteen verspreidde zich het gerucht, dat
enkele Kaziken weer plan hadden om tegen de overheersching op te
staan. Nu zond hij nog twee karveelen naar Spanje met mannen, die niet
in de Kolonie wenschten te blijven. Het was niet veel meer dan
gespuis, dat van die gelegenheid gebruik maakte, en dat, in Spanje
gekomen, niet nalaten zou om allerlei beschuldigingen tegen Columbus
en zijne broeders in te brengen. Om het kwaad, dat ze hem brouwen
zouden, zooveel mogelijk te voorkomen, deed de Onder-Koning twee
zijner getrouwen de reis medemaken. Ze waren Miguel Ballester en
Garcia De Barrantes. Met opzet worden die twee mannen hier genoemd,
omdat ze waarlijk edele harten bezaten en nog nimmer bezweken waren
voor de schoone beloften van Roldan. Deze twee getrouwen kregen
brieven van Columbus aan de Monarchen mede, en hierin vroeg Columbus
nogmaals om toch een Opperrechter te zenden. Hij verklaarde er in dat
hij en zijne broeders van wreedheid beschuldigd werden, doch dat zijn
geweten hem daarvan niet alleen vrij sprak, maar hem zelfs verweet te
zachtmoedig en te toegevend te zijn. Zond men nu een eerlijk en
geleerd Opperrechter dan zouden Roldan en de zijnen inzien, dat ze
valsche beschuldigingen ingebracht, en dat hij, de Onder-Koning, en
zijne broeders het recht niet met voeten getreden hadden. Welk een
geworstel!