Met dat al ging de zaak zóó langzaam voort, dat Columbus pas den

dertigsten Mei 1498 met zes slecht uitgeruste schepen den derden

ontdekkingstocht aanvaarden kon, en de Admiraal was over deze

vertraging zóó woedend, dat hij Ximeno De Breviesca, die hem op den

dag der afvaart beleedigde, aangreep, op den grond smeet en eenige

schoppen toedeelde. Deze Ximeno was de Schatmeester van De Fonseca,

Columbus' heftigsten en gevaarlijksten tegenstander. Toen Koningin

Isabella vernam, wat Columbus gedaan had, was zij hierover zeer

gebelgd, en hoewel de Admiraal later in een' brief, vol berouw

vergeving aan de Monarchen vroeg voor zijne daad in drift gepleegd,

nimmer werd de goede Koningin meer voor hem, die ze zoo lang en zoo

trouw geweest was.

HOOFDSTUK VIII.

AMERIGO VESPUCCI.--COLUMBUS IN KETENEN.

Welk een verschil den dertigsten Mei 1498 op de reede van San Lucar de

Barrameda aan den mond van den Guadalquivir, of den vijfentwintigsten

September 1493 voor de haven van Cadiz. Nu een armzalig uitgerust

vlootje, bemand met Spanjes uitschot, toen eene prachtige vloot, rijk

van alles voorzien met eene bemanning, samengesteld uit Spanjes

aanzienlijkste Edelen. Nu nergens geestdrift, toen alles vol opgewekt

en vurig leven. Nu een Admiraal die schoppen uitdeelt en zijne oogen

mismoedig over de zee laat waren, toen een Admiraal wiens mond niet

stilstond met het vertellen van de heerlijkheden, die men zien, den

roem, dien men behalen, den rijkdom, dien men zich verwerven zou, een

Admiraal wiens vurige oogen reeds, aan gindsche zijde van den Oceaan,

de schatrijke Indiën, die hij gevonden had, zagen.

Behalve de gewone matrozen en manschappen had Columbus nu slechts

tweehonderd man geleide hij zich. Op de hoogte van Ferro zond hij drie

zijner schepen onmiddellijk naar Hispaniola, want hij begreep dat

zijne broeders in de Kolonie met reikhalzend verlangen naar toevoer

van levens- en krijgsvoorraad zouden uitzien, al waren er ook in

Januari reeds twee schepen heen gezonden.

Met de drie andere schepen zeilde hij naar de Kaap-Verdische Eilanden.

Hij wilde ditmaal den tocht in eene richting maken, die veel

zuidelijker liep, om het vasteland, dat in zijn oog het ware

»goudland« was, op eene heel andere plaats te bereiken dan op den

tweeden tocht. Hij verkeerde in de meening dat alle menschen daar

zwart waren evenals de negers in Afrika.

Die zuidelijke koers bracht Columbus en de zijnen echter onder de

Linie en in de gevaarlijke streek van windstilte en vreeselijke hitte.

Deze laatste was werkelijk ondragelijk. Op het dek was er zelfs des

nachts geen koeltje te voelen en beneden in het scheepsruim was de

hitte zoo groot, dat de hoepels van de wijn- en watervaten sprongen.

Te sterven aan dorst en aan hitte scheen ieders toekomst te zijn, en

wanneer we nu in aanmerking nemen, dat de bemanning voor een groot

deel uit moordenaars en dieven bestond, dan moeten we verbaasd staan,

dat de Admiraal onder zooveel tegenspoed het hoofd niet verloor en den

moed niet opgaf. Gelukkig kwam er een klein koeltje opzetten en de

Admiraal hiervan gebruik makende, kwam nu onder den invloed van den

passaat. Hij zag zelf wel in dat zijne schepen door eene hitte, die

het pek uit de naden deed smelten, te ontredderd waren om nog

zuidelijker te varen. Bovendien bevond men dat er den eenenderdigsten

Juli op elk schip maar één vat water meer over was. Hij moest dus

trachten zoo spoedig mogelijk land te bezeilen en een zucht van

verlichting steeg uit aller borst toen de uitkijk des middags van

denzelfden dag luide hooren deed: »Land vooruit!« Men kreeg eerst drie

hooge bergtoppen in het gezicht, en het land, dat later bleek een

eiland te zijn, ontving naar deze drie bergtoppen, den naam van »La

Trinidad,« d. i. »De Drie-eenheid.« Pas den volgenden dag vond hij

een' geschikten ankergrond en zond nu sloepen aan wal om water in te

nemen en eene plaats te zoeken waar de schepen konden gekalefaat

worden. Water vond men, en de vreugde hierover deed vergeten, dat men

genoodzaakt was met de ontredderde schepen verder te trekken, omdat er

geene goede haven gevonden werd. Columbus stond verbaasd over den

weelderigen plantengroei, dien hij hier aantrof, want hij had stellig

verwacht eene landstreek te vinden, waar alles door de hitte

verschroeid was. Dat viel hem tegen, want hij was het vreemde geloof

toegedaan, dat het fijnste goud, de zuiverste edelgesteenten en de

schoonste parelen alleen in zulk eene streek konden voorkomen.

Zuidelijk van La Trinidad was nog eene kust zichtbaar en aanvankelijk

hield Columbus dit voor een ander eiland. Hij vergiste zich echter

zeer, want de kuststreek, die hij zag, behoorde wel degelijk tot het

vasteland van Zuid-Amerika. Hij was hier aan de breede monding van den

Orinoco, wiens melkwitte wateren tot op grooten afstand in den Oceaan

nog zichtbaar zijn. De oevers van dezen machtigen stroom, wiens

monding slechts honderdzestig uur van zijn' oorsprong verwijderd is,

doch welke zulk een' bochtigen loop heeft, dat zijne heele lengte

vierhonderd vijftig uur bedraagt, zijn schilderachtig schoon. Ook toen

vertoonde de natuur er zich in volle pracht. Columbus was echter

ziekelijk en behalve dat hij veel aan ontstoken oogen leed, werd hij

ook erg gekweld door de jicht, zoodat de lust bij hem niet groot was

om lang in deze streken te vertoeven. Hij wilde naar Hispaniola om

daar, door eenige weken rust, tot herstel te komen om dan, als de

jicht hem niet meer kwelde en de oogen weer hersteld waren, van

Hispaniola uit, naar deze streken op ontdekkingen uit te gaan. Dat

men in de kolonie behoefte aan krijgs- en levensvoorraad hebben zou,

geloofde hij niet, want de drie schepen, die hij er van Ferro

rechtstreeks heengezonden had, zouden nu reeds te Isabella aangekomen

zijn. Maar de levensvoorraad, die hij met zijne schepen ook voor de

Kolonie aan boord had, had door de hitte verbazend geleden en zou

misschien geheel onbruikbaar worden, als hij den tocht in deze streken

te lang voortzette.

[Illustratie: Een Indianen-dorp ten tijde van Columbus.]

Er werd dus besloten om slechts een deel van de kust langs te zeilen

om de overtuiging op te doen, dat een nader bezoek aan deze streek de

moeite loonen zou.

Het was een heerlijk, schoon land, dat Columbus en zijne reisgenooten

te zien kregen, en op onzen Admiraal, die zoo gaarne aan zijne

dichterlijke gedachten de vrije vlucht gaf en dan voor waarheid hield,

wat toch eigenlijk niets anders was dan eene poëetische vinding,

maakte dit land zulk een' indruk, dat hij waande in de nabijheid van

het Paradijs te zijn.

Over de plaats waar dit Paradijs eenmaal lag, werd in die dagen zeer

veel getwist, zelfs door geleerden. Dat evenwel hunne uitspraken kant

noch wal raakten, is duidelijk, omdat hunne kennis van de gedaante en

oppervlakte der aarde zeer gebrekkig was. Eene algemeen aangenomen

meening in Columbus' tijd was, dat het Paradijs op de Oostkust van

Azië gelegen had, en er eigenlijk nog lag. Bij den Zondvloed was het

door zijne eigenaardig hooge ligging gespaard gebleven van de

overstrooming.

Toen nu bij het aanschouwen van die schoone kust, waar zoo menig

vriendelijk gelegen Indianen-dorp zich vertoonde de dichterlijke

verbeelding des Admiraals opgewekt werd, begon hij ook naar den berg

of de hoogte uit te zien waarop het Paradijs lag. Hij schreef zijne

meening hierover aan de Monarchen, en om dezen duidelijk te maken, dat

hij zich maar niet iets ongerijmds voorstelde, deelde hij hun de

kersversche wetenschap mede: »De Aarde heeft den vorm eener peer en

verlaat den bolvorm op de plek waar bij eene peer de steel zit, en in

de nabijheid van de Linie, in den Indischen Oceaan, is het hoogste

gedeelte en nadert de Aarde het meest den Hemel.«

Tot den vijftienden Augustus bleef Columbus zijn' tocht langs de

heerlijke kust voortzetten, en had hij gelegenheid om te zien, dat de

inwoners hier veel beschaafder waren dan de inboorlingen van

Hispaniola. Aanvankelijk ontweken ze bij het naderen der schepen hunne

kustdorpen en namen de vlucht in de bosschen. Zij hadden nimmer

zeilschepen gezien, en later bleek het, dat ze de schepen voor

reusachtige waterdieren hielden, die niet alleen zwemmen, maar ook

vliegen konden. De zeilen waren dan hunne vleugels, en in dat geloof

moesten ze wel versterkt worden, als ze zagen hoe die »zeedieren«, als

ze ophielden met zich voort te bewegen, de vleugels sloten. Elke

beweging van de zeilen beschouwden ze als eene vrijwillige beweging

met de vleugels. Om met de bewoners, die zich niet zien lieten, in

aanraking te komen, liet Columbus den zesden Augustus op een deel der

kust, waar zich sporen van landbouw vertoonden, eenige sloepen

landden. De matrozen zagen uit alles duidelijk, dat kort geleden hier

menschen moesten vertoefd hebben, want ze vonden zelfs vuren, die nog

niet uitgedoofd waren. Eindelijk wierpen de schepen de ankers in de

monding eener rivier uit, en thans zag men eene kano waarin een

viertal mannen zaten, de karveel naderen, welke het dichtst bij den

wal lag. Een zonderling middel om de kennismaking met deze menschen

aan te knoopen, bracht de Kapitein van de karveel in practijk. Hij

sprong van zijn schip in de kleine kano, die daardoor omkantelde. De

Wilden trachtten zwemmende den oever te bereiken, doch werden door de

Spaansche matrozen achterhaald en gevangengenomen. Sidderend en bevend

verschenen ze voor Columbus, die hen vriendelijk toelachte, en na hun

eenige valkenbelletjes, koralen en wat suiker gegeven te hebben, weer

naar den wal liet brengen. Die geschenken hadden de gewenschte

uitwerking, want de gevangengenomen Wilden hielden, toen ze alweer bij

de hunnen waren, de geschenken, die ze gekregen hadden, niet

verborgen, wat ze ook bezwaarlijk konden doen, daar ze geene kleederen

droegen en de gordel om het middel geene zakken had om de valkenbellen

te verbergen. Hun hoofd was gedekt met een voorwerp, dat van katoen

gemaakt was. Nu eenmaal de vrees voor de vreemde dieren en de vreemde

menschen overwonnen was, kwamen de Indianen van alle kanten opdagen,

en met hunne kano's, die soms heel aardig versierd waren, aan boord

van de schepen. Ze maakten op Columbus en de zijnen een' zeer

gunstigen indruk. Hunne lichaams-gestalte, hoewel niet boven het

middelmatige, was kloek en krachtig en tot groote verbazing van den

Admiraal, die gedacht had hier, zoo dicht onder de Linie een

verschroeid land en zwarte menschen, met wol in plaats van haar op het

hoofd, te vinden, had hij al sinds eenige dagen gezien dat er van een

verschroeid land in de verste verte geene spraak was. Hij zag

daarenboven niet alleen menschen, die lang zwart haar hadden, maar die

tevens eene huidkleur bezaten, welke al heel weinig verschilde met de

gebruinde kleur zijner manschappen. Ja, er waren meisjes, zóó bevallig

en schoon, en zóó blank, dat ze menige beroemde Andalusische schoone

evenaardden, zelfs overtroffen. In het schieten met den boog waren ze

zeer ervaren, en om hunne naakte lichamen tegen de pijlen der vijanden

te beschermen, gebruikten ze een klein soort van houten schilden. Heel

eigenaardig was ook het gebruik, dat ze van den neus maakten. Het

zintuig van den reuk scheen, evenals alle andere zintuigen, sterk

ontwikkeld te zijn, wat nog het geval is bij volken, die bijna in den

natuurstaat leven. In plaats van, zooals wij zouden doen, de

voorwerpen en menschen, die ons vreemd zijn, te betasten, begonnen zij

alles te beruiken. Op de vraag, natuurlijk door teekenen gedaan, hoe

hun land heette, gaven ze ten antwoord: »Paria!« en ze deelden meteen

ook mede dat het land in het Westen veel sterker bevolkt was. Zij

gaven Columbus wegwijzers mede om dat land op te zoeken, en toen hij

en zijn volk er aankwamen, stonden ze letterlijk verbaasd op het

gezicht van zooveel natuurschoon als hier heerschte. Natuurlijk was

Columbus' eerste werk om, nu hij aan wal gekomen was, het land voor

zijne Monarchen in bezit te nemen, en dit geschiedde op dezelfde

wijze, als bij gelegenheid, dat hij den eersten voet op het gebied der

Nieuwe-Wereld zette. In de keuze der woorden was hij wel eenigszins

vrij, omdat er omstandigheden konden zijn, die wijziging in eene

voorgeschreven formule noodzakelijk maakten, doch de plechtigheden,

die er mede gepaard gingen, waren wel degelijk voorgeschreven door het

Hof waar eene zeer strenge etiquette heerschte. De toespraak van

Columbus was steeds kort, en eindigde met een' nieuwen eed van trouw

door hem en zijne manschappen afgelegd. Later kwam het onder Don

Alonzo De Hojeda in gebruik om eene ellenlange toespraak te houden in

het bijzijn van de inboorlingen. De plechtige toespraak geschiedde in

het Spaansch, waarvan de arme menschen natuurlijk geen woord

verstonden, en als we dan lezen hoe de inboorlingen hunne plichten

voorgeschreven werden tot in de kleinste bijzonderheden, dan klinkt

het al zeer naïef, als het ten slotte luidt: »Indien gij het niet

doet, of voorbedachtelijk en listig uitstelt, het te doen, verzeker ik

u, dat ik met Gods hulp, u met geweld zal aanvallen, en u overal en op

alle wijzen zal beoorlogen. Ik zal u onderwerpen aan de macht en aan

de gehoorzaamheid der Kerk en van Zijne Majesteit. Uwe vrouwen en

kinderen zal ik als slaven wegvoeren, en zoodanig over hen beschikken

als Zijne Majesteit zal bevelen. Ik zal uwe bezittingen wegnemen en u

al het leed en verdriet aandoen, dat in mijne macht is, omdat gij

vasallen zijt, die hun' Souverein niet willen gehoorzamen of erkennen,

maar die zich tegen hem verzetten en hem tegenstand bieden. Ik

verklaar bij deze, dat gij de ellende en jammeren, die ge langs dezen

weg uzelven veroorzaakt, eenig en alleen aan uzelven en niet aan Zijne

Majesteit, aan mij of aan deze krijgslieden, die mij vergezellen, zult

te wijten hebben.«

[Illustratie: Spanjaarden in de Nieuwe-Wereld, die den huldigings-eed

zweren.]

Het was gesproken, en of de inboorlingen er nu ook geen enkel woord

van verstaan hadden, dat hinderde niet. Wanneer ze nu niet in alles

naar den zin en wil van de Spanjaarden handelden, dan meenden deze

laatsten in hun volle recht te zijn om hen, als oproerlingen te

behandelen, want »met luider stem waren hunne verplichtingen

afgekondigd.« Waarlijk, indien deze voorgeschreven toespraak niet in

de archieven bewaard was gebleven, dan zou men niet kunnen gelooven,

dat ze gehouden werd.

Ja, dat de heele toespraak van het begin tot het einde volgens de

voorgestelde formaliteiten gehouden wàs, werd telkens door een'

Notaris verzekerd, en deze was dan verplicht hiervan een schriftelijk

bewijs aan den Spaanschen Bevelhebber, die de toespraak hield, over te

reiken. Men zou anders, wanneer men las, dat deze of gene

ontdekkings-reiziger een' Notaris bij zich had, lichtelijk kunnen

vragen: »Wat doet nu toch zulk een Ambtenaar hier?« Thans weet men

het. Er waren Notarissen bij elken ontdekkings-tocht om de rechten van

de Spaansche Kroon op de gevonden landen tegenover alle vreemde

Mogendheden vast te stellen. Dat de inboorlingen er niets van

begrepen, leverde geen bezwaar op; er was aan den vorm voldaan en die

vorm redde alles.

Nadat de plechtigheid van de huldiging afgeloopen was begon Columbus

zich met de inboorlingen bezig te houden. Zij waren blijkbaar nog

beschaafder dan die, welke hij reeds ontmoet had en tot zijne vreugde

zag hij, dat ze ook heel andere versiersels bezigden. Om den blanken

en sierlijken hals droegen de jonge vrouwen en meisjes snoeren van

kostbare parelen, en de mannen hadden om hals, armen en beenen banden

van een zeker soort van goud, dat ze »gaunin« noemden, en dat, zooals

ze zeiden, afkomstig was uit een land, dat niet zoo heel ver af lag.

Ook de parelen kwamen er vandaan, maar de bewoners van dat land waren

menscheneters. Indien dit laatste waar was, wat nauwelijks te

veronderstellen is, dan moeten het bijna wetenschappelijk ontwikkelde

menscheneters geweest zijn, want later bleek dat »gaunin« een mengsel

was van goud, zilver en koper, dat zelfs kunstig bearbeid was. Dat

»gaunin« uit die bestanddeelen bestond, wist Columbus niet, maar dat

belette hem niet te twijfelen aan de waarheid van hun beweren. Hij

hield het ervoor dat ze hem niet zeggen wilden waar het »gaunin« en de

parelen gevonden werden, omdat ze vreesden dat de vreemdelingen er hen

van berooven zouden. Nu, de Spanjaarden gaven tot zulk een valsch

beweren dan zelf ook aanleiding, want hunne begeerte om parelen en

»gaunin« tegen allerlei snuisterijen te verruilen was te groot om

zelfs de inboorlingen niet terstond te laten begrijpen, dat ze alles

wegnemen zouden, als ze de plaats maar wisten, waar het te vinden was.

Columbus, die met het »gaunin« niet zooveel ophad, sloeg een

begeeriger oog op de parelen, en hij hield zich overtuigd, dat deze

kostbare voorwerpen hier in de nabijheid moesten gevonden worden.

Immers, een geleerd Romein, Plinius, had eeuwen geleden reeds

geschreven, dat parelen ontstonden door dauwdruppels, die tusschen

geopende oesterschelpen vielen. Oesters vond men hier in menigte, en

de dauw viel er sterker dan hij ergens elders gezien had. Hij zeilde

daarom langs de kust verder in de hoop dat hij hier op »Paria«, dat

hij steeds voor een eiland bleef houden, de plek vinden zou, waar de

pareloesters leefden, en in de stellige meening dat hij hier in het

land der parelen was, noemde hij eene der vele golven, die hij op dien

tocht vond: »Parelgolf.«

Zijn zoeken was echter vergeefsch, en daar zijne oogen bovendien zoo

ontstoken werden, dat hij bijna blind werd en hij genoodzaakt was om

alles aan zijn' Stuurman over te laten, wat zeer gevaarlijk was, omdat

de zee op vele plaatsen buitengewoon ondiep werd, zoo besloot hij de

verdere onderzoekingen voorloopig te staken en de reis naar Hispaniola

aan te nemen. Was hij eenmaal dáár, dan zou hij tot volkomen herstel

van zijne geschokte gezondheid en van zijne zieke oogen, rust nemen,

en inmiddels zijn' broeder Don Bartholomeus met karveelen, die niet

zoo diep gingen als zijn Admiraalsschip, op verdere ontdekking van dit

heerlijke land uitzenden.

Veel leed Columbus, maar de zieke oogen straalden van vreugde, als hij

er aan dacht, welke schatten hij aan de Spaansche kroon brengen, en

hoe hij dan een kostelijk loon op al zijn streven vinden zou.

Dat land der parelen deed hem denken aan de schriftelijke beloften,

die hij bij de ontdekking der Nieuwe Wereld aan zijne Monarchen gedaan

had, namelijk om te zorgen dat hij binnen zeven jaar uit de

voordeelen, welke zijne ontdekkingen hem zouden aanbrengen, een leger

van vijftigduizend man voetvolk en vijfduizend ruiters zou kunnen

uitzenden om een' nieuwen Kruistocht tegen de Ongeloovigen te doen, en

het Heilige Land te heroveren.

De belofte was gedaan, en hij stond aan de grens van de zeven jaar,

nu, zoo hij meende, verzekerd dat hij die belofte met ladingen parelen

zou kunnen inlossen.

Arme man, hoe zou hij bedrogen uitkomen! Maar hoe blijkt het alweer

uit deze onvoorzichtige belofte, dat hij bij al zijne kennis, al zijn'

moed, al zijne ervarenheid, in vele opzichten een onpraktisch man was,

die zich aan allerlei dichterlijke droomen overgaf. Zulk een man, het

kon niet anders, was niet berekend om de gewichtige en moeielijke

betrekking van Onder-Koning te bekleeden. Hij moest al zijn wenschen

en hopen, meestal door eigen schuld, zien mislukken; want wie niet,

als hij, zulk eene dichterlijke verbeelding had, diende hem wel voor

een' grootspreker of bedrieger te houden. De tegenstand, dien hij

vond, ging werkelijk niet altijd van kwaadwillige en hebzuchtige

menschen uit.

Aan dat alles dacht echter onze gelukkige Admiraal, vooral op dit

oogenblik, niet.

Den negentienden Augustus kwam hij, door sterke stroomen en door eene

miswijzing van het kompas, of mogelijk wel, omdat hij zelf, zoo goed

als blind, den koers niet bepalen kon, op een zeer afgelegen deel van

Hispaniola aan, en terstond zond hij een scheepje af naar Isabella om

Don Bartholomeus bericht te geven van de aankomst van hem, den

Admiraal.

Reeds vóór zijn broeder bij hem kwam, zag Columbus een' inlander, die

met een' Spaanschen kruisboog gewapend was, en terstond rees de bange

gedachte bij hem op: »Zou ik wellicht te Isabella een tweede La

Navidad vinden?«

Die gedachte was niet zoo ongegrond. Hoe kwam die inlander aan een'

kruisboog? Het zou immers al te groote dwaasheid geweest zijn om de

Indianen, die reeds overvloedige bewijzen gegeven hadden van hunne

vijandelijke gezindheid, te oefenen in den handel met wapenen, die

dienen moesten om hen in bedwang te houden. Had die Indiaan evenwel

een' Spanjaard gedood om zich van zijn' boog meester te maken, dan was

het nog erger, want dan leverde immers hij het bewijs, dat de

Kolonisten gedood of onmachtig waren om den overmoed der Indianen met

afdoende middelen te keer te gaan.

Tot den dertigsten van die maand bleef Columbus, die slechts langzaam

verder zeilde, in eene pijnlijke onzekerheid. Op dien dag echter kwam

Don Bartholomeus bij hem aanboord en vernam hij van dezen dat de

toestand der Kolonie hachelijk stond.

Wat was er dan toch gebeurd?

Heel veel.

Twee ijverige Monniken hadden op het eiland het Christendom gepredikt

en het geluk gehad, een gezin van zestien personen te bekeeren. Nu

wendden zij zich met hunne pogingen tot den machtigen Kazike

Guarionex. Deze hield zich aanvankelijk, alsof hij wel ooren had naar

de Leer van het Kruis, en leerde het Pater noster, het Ave Maria en

het Credo. Hij gaf zijne huisgenooten niet alleen bevel dit ook te

leeren, maar beval tevens, dat men het elken dag driemaal moest

opzeggen. De ijverige Monniken waren vol hoop, doch zagen weldra zich

deerlijk teleurgesteld. De een zegt, dat de naburige Kaziken hem er

toe kregen om niet meer naar de Monniken te luisteren, terwijl een

ander beweert, dat een Spanjaard de lievelingsvrouw van den Kazike

beleedigd had. Het laatste schijnt het meest de waarheid nabij te

komen. Zooveel is echter zeker, dat de Monniken hunne pogingen opgaven

en elders heentrokken. Zij namen het hoofd van het bekeerde gezin

mede, doch lieten vooraf voor de vijftien achterblijvenden eene kleine

kapel oprichten. Nauwelijks echter waren de Spanjaarden vertrokken of

de inlanders vernielden het gebouwtje en begroeven het altaar, het

crucifix en een paar Heiligen-beeldjes in den grond.

Deze daad moest streng gestraft worden. De plunderaars werden

opgezocht, en toen men hen gevonden en gevangengenomen had, werden ze

veroordeeld, levend verbrand te worden, welk vonnis ook aan hen

voltrokken werd.

De Indianen besloten nu den dood hunner broeders te wreken. Zij

vereenigden onder hunne Kaziken de verschillende benden en bedreigden

de fortjes, die Don Bartholomeus had laten aanleggen. Toen de

Adelantado hiervan bericht kreeg, besloot hij, omdat de Kolonisten

door gebrek aan goed voedsel misschien niet bestand zouden zijn om de

opstandelingen te bestrijden, de Kaziken door list gevangen te nemen.

Die list gelukte, en de opstand werd daardoor den kop ingedrukt.

Vóór vier Eeuwen: Een Volksboek over de Ontdekking van Amerika · 第 13 / 26 段