dat stuk met een' eed te bekrachtigen. Ongeveer driehonderd
vijfentwintig Spaansche mijlen was men voortgezeild, zonder het einde
van de kust te bereiken, en derhalve te ervaren, dat Cuba een eiland
was. Denkelijk geloofden allen dan ook wel, dat men hier het vasteland
voor zich had, en de terugtocht werd aanvaard onder nog veel meer
tegenspoed dan men reeds gehad had. Zelfs Columbus werd ziek van
inspanning. Zijne gedachten werden beneveld; zijn geheugen scheen
verloren te gaan, en menigmaal werd hij, zelfs midden op den dag, door
den slaap overvallen. In dezen toestand kwamen hij en de zijnen, na
eene afwezigheid van honderddrieënvijftig dagen, den vierentwintigsten
September te Isabella aan. En wat hij hier vond? Iets dat den armen
kranke geheel opbeurde; hij vond er zijn' broeder Bartholomeus, dien
hij in geene dertien jaren gezien had. Deze was van zijne omzwervingen
in Engeland en Frankrijk eindelijk in Spanje gekomen, en daar had hij
vernomen, dat Christophorus de Indiën reeds ontdekt had. Hij spoedde
zich nu naar het Hof der Monarchen, in de hoop er zijn' broeder te
ontmoeten, doch deze was reeds voor de tweede reis uitgezeild.
Ferdinand en Isabella ontvingen Bartholomeus met de meeste
onderscheiding, verhieven hem in den Adelstand, ze gaven hem drie
schepen, die behoorlijk bemand en ruimschoots van levensmiddelen voor
de Kolonie voorzien waren, en lieten hem naar de Nieuwe Wereld
vertrekken. Deze Bartholomeus was een buitengewoon stoutmoedig man en
een onverschrokken zeevaarder. Hij had een fier en standvastig
karakter, een helder verstand en een' vasten wil, zoodat Columbus niet
ten onrechte verheugd was, hem hier te vinden. Zulk een man was hem
meer waard dan eene sterke afdeeling soldaten. En zulk een' man had
hij meer dan noodig, want de toestand der Kolonie was zorgwekkend.
Margarite, de man aan wien hij opgedragen had, het eiland te
onderzoeken en dien hij volkomen vertrouwd had, was een ondankbare en
ontrouwe geworden. Met zijne soldaten had hij gemoord en geplunderd,
en de heele bevolking tegen de Spanjaarden in bittere vijandschap
gebracht. Ten slotte was hij met een groot aantal ontevredenen,
waartoe ook Pater Boyle behoorde, op een der drie schepen, waarmede
Bartholomeus gekomen was, naar Spanje teruggekeerd. Wat die
ontevredenen daar bewerken zouden, was voor Columbus geen raadsel.
Inmiddels had de onverschrokken Kazike Caonabo al de Opperhoofden van
het heele eiland tot een verbond tegen de Spanjaarden weten te
bewegen, en ware De Hojeda, die Columbus trouw bleef, niet zoo
weergaloos dapper en stoutmoedig, zoo geslepen en slim geweest,
Columbus zou in Isabella mogelijk een tweede La Navidad gevonden
hebben. Te midden van dezen ongelukkigen toestand bleek het, dat de
Kazike Guacanagari trouwer was dan men waande, want hij liet Columbus
weten, dat de heele bevolking van het eiland, onder aanvoering van
Caonabo tot den ondergang der Spanjaarden besloten had. De dappere De
Hojeda stelde Columbus nu voor om dien Caonabo, die blijkbaar de ziel
der heele onderneming was, door list gevangen te nemen. Hoe? Men wist,
dat de Indianen vol bewondering luisterden naar de klokketonen van de
kerk te Isabella. Men moest nu eene zware, klinkende keten maken, en
die Caonabo, alsof het een geschenk was, om den hals hangen en hem er
dan mede boeien. Wat er verder geschieden moest, zou van de
gebeurtenissen afhangen. Het plan was meer dan gewaagd, doch De Hojeda
wilde het ten uitvoer brengen, en zoo er één was, die het kon, dan was
hij het. Columbus nam het voorstel aan; de keten werd gemaakt, en door
slechts tien mannen, even groote waaghalzen als hij, vergezeld, trok
hij Cibao binnen, verscheen voor Caonabo, kuste hem de hand en bood
hem de rammelende, klinkende keten aan. Caonabo zag in die keten niets
anders dan een »Zemi« van de Spanjaarden, en geloofde den Spanjaard
terstond, toen deze zeide, dat Caonabo eerst in de rivier een bad
moest nemen, eer hij die keten dragen kon. De lichtgeloovige Kazike
ging nu in gezelschap van De Hojeda en diens metgezellen naar de
rivier, baadde zich en liet zich de keten omhangen. Pas was dit
geschied of de Spanjaarden maakten er eene boei van, wierpen hem op
een paard en--op dollen draf ging het nu naar Isabella, waar Caonabo
in de kelders van het steenen huis des Onderkonings gevangen werd
gezet. Hoewel de inboorlingen van hun' Aanvoerder beroofd waren,
besloten ze toch de Spanjaarden aan te vallen. Te midden van al deze
bedrijven was de Admiraal geheel van zijne ziekte hersteld, doch was
het ook Mei van het jaar 1495 geworden. Columbus begreep, dat
krachtig, doortastend handelen alleen de Kolonie redden kon, en aan
het hoofd van slechts tweehonderd man voetvolk en twintig ruiters,
doch vergezeld van een aantal bloedhonden, vertrok Columbus, na zijn'
broeder Diego met eenige schepen, tendeele met goud en slaven beladen,
naar Spanje afgezonden te hebben. Tijdens zijn' krijgstocht zou Don
Bartholomeus te Isabella achterblijven om de gewone zaken der Kolonie
te besturen.
Tot hun ongeluk hadden de Bondgenooten een openlijken strijd gekozen,
en zich gelegerd in de »Vega Real«, niet begrijpende, dat ze, hoe
talrijk ook, in het open veld niet tegen de zwaargewapende Europeanen
bestand waren. Columbus viel hen aan, en verschrikkelijk was de
nederlaag, die de arme Indianen leden. Negen maanden lang toog de
Admiraal met zijne gevreesde ruiters, wraakgierige soldaten en
verschrikkelijke bloedhonden, doodend, brandend en verwoestend door
het geheele bekende deel van het eiland. De onderwerping der
Verbondenen was volkomen, en daar Columbus er steeds op uit was om
schepen, rijk geladen met goud, katoen en andere voorwerpen van waarde
naar Spanje te zenden, zoo maakte hij van deze onderwerping gebruik,
om de overwonnenen te straffen door het betalen van schatting. In alle
gewesten waar goud gevonden werd, moest elke inboorling, die boven de
veertien jaar oud was, alle drie maanden eene Vlaamsche valkenbel vol
stofgoud leveren. Zulk eene valkenbel stofgoud zou in onzen tijd
ongeveer veertig gulden waarde hebben. De Kaziken moesten nog veel
meer opbrengen; zoo was één hunner verplicht om alle drie maanden eene
kalebas vol stofgoud te leveren, dat naar onze munt ongeveer
vierhonderd gulden was. De inboorlingen der katoen-districten moesten
op dezelfde termijnen vijfentwintig pond katoen, als schatting,
inleveren. Bij het inleveren der schatting kreeg men eene koperen
medaille, die om den hals moest gedragen worden, en wie zonder die
medaille gevonden werd, werd in de gevangenis gezet of moest boete
betalen.
Is het te verwonderen, dat de arme inboorlingen het oogenblik
verwenschten, waarop de »Blanke zonen des hemels« den eersten voet
aanwal zett'en? Is het nu nog een raadsel, waarom de prediking van de
Christelijke leer onder die heidensche menschen zooveel tegenstand
vond? Hadden die vreemdelingen dan niet onmeedoogend hun
Paradijsachtig leven geheel verstoord, en hen gedwongen tot den
zwaarsten en vernederendsten arbeid? Hadden die Blanken niet hunne
hutten verbrand, hunne velden verwoest, hunne vrouwen en dochters
beleedigd, hunne ouden van dagen en kinderen als slaven weggevoerd?
Bij duizenden vloden ze naar de ontoegankelijke bergstreken, om daar
te sterven aan honger, gebrek en pest.
En eenmaal in die richting begonnen, moesten de Spanjaarden er in
volharden, wilden ze niet alles verliezen. Toen er in 1877 sprake was
van Columbus onder de Heiligen op te nemen, gebeurde dat niet, omdat
»afgezien van de groote daad van Amerika's ontdekking, het privaat en
openbaar leven van Columbus zich te veel gekenmerkt had door daden,
die berispelijk waren.« Nu, al moeten we toegeven, dat Columbus door
allerlei omstandigheden, waarvoor niet hij, maar een ander
aansprakelijk gesteld moet worden, gedwongen werd tot zulke daden,
berispelijk zijn en blijven ze, al doen we nog zoo ons best om ze in
de lijst van haar' tijd te plaatsen.
Terwijl Columbus op Hispaniola zoo werkte, werkten zijne vijanden en
tegenstanders in Spanje ook, maar tegen hem. Pater Boyle en Margarite
waren daar aangekomen en hadden den toestand in de Nieuwe Wereld met
zulke schrille kleuren geschetst, zij hadden zoovele bewijzen, ware en
gezochte, bijeengebracht, om aan te toonen, dat Columbus, zooal geen
bedrieger en avonturier, dan toch stellig de man niet was om aan het
hoofd der zaken te staan, dat Ferdinand en Isabella besloten, iemand
naar de Nieuwe Wereld te zenden om de zaken onpartijdig te
onderzoeken. Niemand achtten zij daartoe beter geschikt dan een hunner
aanzienlijke Hovelingen, een zekere Don Juan Aguado. Columbus zelf had
dezen Edelman bij de Monarchen aanbevolen als iemand, die door stand
en karakter verdiende om aanzienlijke betrekkingen te bekleeden,
zoodat Columbus in de zending van dien man eer een bewijs van
vriendschappelijk vertrouwen, dan eene onedele verdenking zou zien. De
Monarchen hadden zich echter zeer vergist. Bij al de fouten, die
Columbus beging, moet ook, en waarlijk niet in de laatste, maar bijna
in de eerste plaats genoemd worden, dat hij veel te lichtvaardig was
in het schenken van vertrouwen, en het koesteren van wantrouwen. Hij
maakte daardoor vijanden tot zoogenaamde vrienden, en echte vrienden
tot ware vijanden en tegenstanders. Don Margarite had de bewijzen van
dat onverdiende vertrouwen reeds geleverd, en Don Aguado zou ze
leveren. Gezonden door de Monarchen om _onder_ den Admiraal onderzoek
naar den stand van zaken te doen, overschreed Don Aguado, zoodra hij
te Isabella aangekomen was, zijne lastgeving door zich _boven_
Columbus te plaatsen, en hem, ten aanzien van ieder, met grove
minachting te bejegenen. De voormalige gunsteling had gehoopt, dat de
Admiraal hem openlijk tegenstand zou bieden, doch Columbus wilde met
den laaghartigen man in geene woordenwisseling komen, en behandelde
hem beleefd, doch met eene koele hooghartigheid, die den trouwelooze
geheel uit het veld sloeg.
Te Isabella aangekomen, werd hij door zijn' broeder met een aangenaam
bericht verrast. Een knecht van Don Bartholomeus was in twist geraakt
met een' makker, en had dezen zoo gewond, dat hij dood scheen. Miguel
Diaz, zoo heette de knecht, nam nu met een vijftal anderen, die er ook
aan medeplichtig waren, de vlucht, en kwam eindelijk aan de Zuidkust
in het gebied eener vrouwelijke Kazike, die de vluchtelingen niet
alleen vriendelijk opnam, maar zelfs Diaz tot haar' echtgenoot
verhief. Het leven te midden der wilden verveelde Diaz al heel gauw en
hij kreeg het heimwee naar zijne landgenooten. Zijne vrouw, die
Catharina genoemd wordt, zag dat, en vreezende dat hij haar verlaten
zou om nimmer terug te keeren, kwam ze er toe om hem te zeggen, wat
nog geen enkel Spanjaard wist. Zij wees hem de goudmijnen, die in haar
gebied lagen, en gaf den raad om de heele Spaansche Kolonie, uit het
ongezonde Isabella naar haar gebied te verleggen waar de lucht veel
gezonder was. Gewapend met zulk eene goede tijding, hoopte Diaz van
Don Bartholomeus vergiffenis te ontvangen en ging naar Isabella, waar
hij den gewaanden doode in leven en volkomen gezond vond. Bartholomeus
hoorde het bericht met blijdschap aan, schonk Diaz vergiffenis en toog
met hem naar Catharina's gebied aan de rivier Ozema, ter plaatse waar
thans San-Domingo ligt. De goudmijnen werden nu door hem bezocht en
gevonden. Bij deze gelegenheid deed men bovendien eene andere en zeer
merkwaardige ontdekking. Men wist, dat de inboorlingen slechts de
kunst verstonden om uit het rivierzand stofgoud te wasschen, en dat
dan te smelten om er zeer kunstlooze en leelijke voorwerpen van te
maken. Om uit het ruwe erts het goud af te zonderen was eene kunst,
die ze niet verstonden, en dat bevreemdde niemand, want ze kenden
zelfs geene werktuigen om dat erts uit te graven. En wat zag Don
Bartholomeus nu? Sommige mijnen waren op wetenschappelijke wijze
ontgonnen, en zij, die dit gedaan hadden, moesten derhalve ook bekend
geweest zijn met de wijze, waarop men het edele metaal uit het erts
kreeg, en bovendien voorzien zijn geweest van werktuigen om het erts
uit te graven. De heele toestand van het eiland wees op geen enkel
teeken van eenige beschaving; geene enkele oudheid werd gevonden, die
bewees, dat hier vroeger een ontwikkeld volk gewoond had, en de
leefwijze van de bevolking toonde duidelijk aan, dat men er eeuwen
lang geleefd had zooals nu. Wie hadden dan daar in die mijnen gouderts
gedolven? Welk beschaafd volk had dan, eeuwen geleden, reeds hier
vertoefd? Don Bartholomeus en Columbus vertelden van die vondst niets
aan Don Aguado, doch voor Columbus waren die ontgonnen mijnen niet
zulk een raadsel. Hij geloofde immers in Cuba het vasteland van Azië
gevonden te hebben? Het rijk der beschaafde Tataren moest dus niet zoo
ver af liggen, zoodat hij aannemen kon, dat diezelfde Tataren daar
gouderts gedolven hadden. Die ontgonnen mijnen versterkten hem
derhalve alleen in zijn dwaalbegrip, maar wij, die weten, dat hij
dwaalde, staan bij die ontginning der goudmijnen nog altijd voor eene
vraag, die niet beantwoord is. Waren het de Egyptenaren, de
Phoeniciërs, de Israëlieten, de Grieken, de Karthagers of de Romeinen?
Waren het latere Europeesche volken, die door stormen op dit eiland
gekomen waren, en daar goud vindende, begonnen met hunne werktuigen
erts te graven? Zoo ja, waar waren ze dan gebleven? Waren het de
beschaafde Mejicanen of Peruanen, die hier goud haalden? De laatste
meening is zeer onwaarschijnlijk, want Mejico en Peru bezaten rijke
goudmijnen in hun eigen land, waarom zouden ze nu een afgelegen eiland
opgezocht hebben om daar te halen, wat ze thuis ook krijgen konden?
Trots al de studie, die er tegenwoordig gemaakt wordt van de Oudheid,
blijft de geschiedenis van Amerika met hare bevolking, die in een paar
landen zoo fijn beschaafd was, een groot, en een zeer groot raadsel
ook. Slechts dat blijkt uit alles, òf dat Amerika eenmaal een' tijd
heeft gehad, en een' tijd van zeer langen duur, dat het in verbinding
stond met de Oude Wereld, òf dat Kolonisten van een beschaafd volk
zich hier neergezet hebben, en de beschaving van hun eigen land
voortplantten. Wanneer we later met Cortez in Mejico, en met Pizarro
in Peru komen, zullen we nog voor veel meer vragen staan, waarop men
reeds toen een antwoord zocht, en dat men nu nog niet gevonden heeft.
Liever dan ons aan allerlei gissingen wagen, welke toch geen'
historischen grond hebben, keeren we tot Columbus terug.
Dat de mededeeling van de gevonden goudlagen Columbus tot vreugde
verstrekte, behoeven we nauwelijks mede te deelen. Het spreekt zoo
vanzelf, dat hij er zeer verheugd over moest zijn. De vraag naar goud
beheerschte alles; het antwoord er op te geven zou beslissen over den
heelen toestand in de landen door hem gevonden. Van de groote vondst
aan de rivier Ozema werd daarom tegenover Aguado geen woord gerept, en
van eene mogelijke verplaatsing van de hoofdstad der Kolonie sprak men
natuurlijk ook niet. Onze vriend Miguel Diaz was weer bij zijne Kazike
Catharina, leefde met haar, nu ze ook Christin geworden was, zeer
gelukkig en wachtte bedaard den loop der gebeurtenissen af. Zijne
makkers schenen niets te weten of ook besloten te hebben om te
zwijgen, althans ook van deze zijde lekte niets uit. Columbus meende
daarom nu zelf naar Spanje te moeten gaan, om daar aan zijne Monarchen
mededeeling van de vondst te doen en een onbewimpeld verslag te geven
van den heelen stand van zaken. Dat moest wel noodig zijn, want Pater
Boyle, Margarite en al de ontevredenen, die Hispaniola verlaten
hadden, zouden tegenover den Koning en de Koningin hem van allerlei
verkeerde handelingen beticht hebben. Don Aguado, die door de Kaziken
zich had laten inlichten, en van hen niets anders vernomen had dan wat
strekken kon tot nadeel van den Onder-Koning, wilde ook naar Spanje,
en wat deze daar mededeelde, zou hem, den ontdekker der Indiën, den
genadeslag geven. Hij liet daarom twee schepen gereed maken en
bevrachten met goud, katoen en gevangenen. Onder deze laatsten
behoorde ook de dappere en geslepen Kazike Caonabo, die zelfs in zijne
boeien geen oogenblik zijne trotschheid verloren had, doch die Spanje
niet zien zou, omdat hij op de langdurige reis overleed. Zoodra de
beide schepen gereed waren, benoemde Columbus zijn' broeder
Bartholomeus tot Adelantado of Stadhouder, en moest hij komen te
vallen vóór de Onder-Koning alweer teruggekeerd was, dan zou Diego,
die ook weer in de Kolonie was, hem vervangen. Na op alles orde
gesteld te hebben, verliet hij den tienden Maart 1496 de baai van
Isabella, met twee schepen. Op het eene schip was hij, op het andere
Don Aguado. De reis duurde buitengewoon lang, en daar men bij de
uitrusting der schepen op een' veel korteren tijd gerekend had met het
aanboord nemen van levensmiddelen, waarop men in de Kolonie zoo zuinig
moest zijn, zoo ontstond er weldra zulk een nijpend gebrek, dat de
bemanning begon te morren en het voorstel deed om de gevangenen, als
onnutte monden, overboord te werpen. Columbus wilde hiervan niets
weten, doch als men kort na dit voorstel niet Cadiz bereikt had, zou
hij er wel gevolg aan hebben moeten geven. Het was den elfden Juni
toen ze daar aankwamen. Columbus vond in de haven drie schepen, die
met levensmiddelen geladen waren en gereed lagen om, onder bevel van
Don Pedro Alonzo Nino naar Hispaniola te vertrekken. Columbus las de
brieven, die Nino voor hem vanwege de Monarchen bij zich had en
ontdekte uit den inhoud, dat Pater Boyle, Margarite en alle andere
ontevredenen het toch niet gedaan hadden gekregen om hem in ongenade
te doen vallen. Hij schreef nu een' brief aan zijn' broeder, drukte
hem daarin op het hart om toch op alle mogelijke wijzen de ontdekte
goudmijnen te laten ontginnen, en vooral te zorgen, dat de
inboorlingen onder bedwang bleven. Na dezen brief in handen te hebben,
vertrok Nino, en thans zond Columbus aan den Koning en de Koningin
bericht van zijne aankomst. De brief, dien hij eenigen tijd daarna van
de Monarchen ontving, was zeer welwillend, en vriendelijk werd hij
uitgenoodigd om, als hij van de vermoeienissen van de reis hersteld
was, te Burgos ten Hove te verschijnen. Columbus wachtte niet lang,
maar trok spoedig, als »zegevierend Veldheer«, naar de bepaalde
plaats. Op dien tocht deed hij alles, wat hij kon om het volk te laten
zien welke rijke schatten hij uit die verre gewesten medebracht. Om
bovendien te toonen hoe de halfnaakte en zeer onbeschaafde Kaziken van
dat land zich met goud versierden, liet hij in elke stad, die hij
doortrok, den broeder van Caonabo, die ook tot de gevangenen behoorde,
een' gouden halskraag omdoen, welke eene waarde had van bijna
achtduizend gulden. Nieuwsgierigen vond Columbus genoeg, doch met
toejuichingen werd hij nergens ontvangen. Er was te veel kwaads van
hem en zijne ontdekkingen verteld geworden om hem weer zoo feestelijk
te begroeten, als bij zijn' eersten terugkeer. Ook te Burgos
verschilde de ontvangst zeer veel met die te Barcelona. Columbus had
echter veel ergers verwacht, en daarom viel de ontvangst, ten Hove
vooral, hem zeer mede. Hij kon aan niets ontdekken, dat hij ook maar
eenigszins in achting en gunst gedaald was. Boven alles stelde de
ontdekking van de goudmijnen Koning Ferdinand tevreden, want meer nog
dan in de dagen toen hij oorlog voerde tegen de Mooren, had hij goud
noodig. Door de staatkundige huwelijken, die hij zijne kinderen wilde
laten sluiten, was hij druk bezig om de toekomstige macht van Keizer
Karel V te grondvesten, doch dit had hem in een' kostbaren oorlog met
Frankrijk gewikkeld. De kosten aan dien oorlog verbonden deden evenwel
nog onder voor die, welke hij maakte om eene prachtige vloot uit te
rusten. Die vloot, honderd schepen sterk, en bemand met twintigduizend
koppen, moest naar Vlaanderen, om de Infante Johanna derwaarts te
brengen, want deze zou in het huwelijk treden met Filips, den
machtigen Hertog van Bourgondië, Heer van bijna de halve Nederlanden
en zoon van Keizer Maximiliaan van Duitschland. Dat er dus op het
oogenblik geene schepen waren om naar de Nieuwe Wereld te stevenen,
ligt voor de hand, en dat er geen geld was om ze voldoende uit te
rusten, teneinde de ontdekte mijnen oordeelkundig en met spoed te
ontginnen, spreekt vanzelf. Toen Columbus dus vroeg om acht uitnemend
uitgeruste schepen, waarvan er twee rechtstreeks naar Hispaniola
zouden zeilen met alles, wat voor het onderhoud der Kolonie noodig
was, en zes zouden dienen om hem nu op een' derden tocht aan het
vasteland van Azië, in het schatrijke Kataï, te brengen, kreeg hij
terstond de belofte, dat dit geschieden zou, maar de vervulling der
belofte lag nog in een ver verwijderd tijdstip. Dat we hier niet alles
op rekening van het geldgebrek en Koning Ferdinands staatkundige
bemoeiingen te schrijven hebben, zal ieder wel begrijpen. Waar
Columbus' vijanden en tegenstanders hunne pogingen om hem in ongenade
te zien vallen, mislukt zagen, daar bereikten ze voor een deel toch
hun doel met de uitrusting te vertragen. De kleingeestigste middelen
werden aangegrepen om Columbus in al zijne plannen te dwarsboomen, ja,
men schaamde zichzelven niet door zelfs aan den roem zijner ontdekking
te tornen. Het moet in dezen tijd geweest zijn, dat Columbus zich in
gezelschap van Aanzienlijken en Geleerden bevond, dat een dezer
laatsten op smadelijken toon te kennen gaf, dat de ontdekking van de
Indiën door het Westen in te zeilen, niet zulk een moeielijk en
gewichtig werk was, en dat iedereen dit wel gedaan kon hebben zonder
nog geleerd, dapper, ondernemend of nadenkend te zijn.
[Illustratie: Columbus doet de proef met het ei.]
Het was zeker moeielijk voor Columbus om hierop een afdoend antwoord
te geven, want, waarlijk, nu de ontdekking geschied was, moest
iedereen verbaasd staan, dat men aan zulk een' eenvoudig iets niet
veel vroeger gedacht had. Columbus, zoo zegt het verhaal, nam nu een
ei, en vroeg wie der Heeren het op zijn punt kon zetten, zonder dat
het omviel; hij kon het, zei hij. De Heeren begonnen dit kunstje te
beproeven, doch het gelukte natuurlijk niemand. Eindelijk uitgenoodigd
om het zelf dan te doen, tikte Columbus voorzichtig een plat vlakje
aan de punt, en zette het ei op dat vlakje neer.
»O,« was het algemeene geroep, »als we geweten hadden, dat we dit
mochten doen, dan zouden wij het ei ook wel op zijn punt gezet hebben.
Zoo is er geene kunst aan.«
»Juist, Mijne Heeren,« zeide Columbus, »nu gij het weet, is er geene
kunst aan. Op vooraf weten komt het aan, en zoo is het ook met de
ontdekking van de Indiën.«
Vele schrijvers houden dat voorval van het ei voor verzonnen, maar
verzonnen of waar, het karakteriseert volkomen het streven van
Columbus' tegenstanders en Columbus zelven.
Doch keeren we terug tot hetgeen geschiedenis is.
Nino was inmiddels alweer in Spanje terug gekomen, en inplaats van aan
de Monarchen de brieven te zenden, welke de Adelantado hem medegegeven
had, berichtte hij zijne terugkomst met de drie schepen, geladen met
goud. Thans dacht Columbus alles gewonnen te hebben, want met Nino's
schatten, zeker afkomstig uit de rijke mijnen, werd het bewijs
geleverd van de waarheid van hetgeen hij gezegd had, en was er meteen
ook van geldgebrek geene sprake meer. Koning Ferdinand maakte aan dien
droom al dadelijk een einde, door te verklaren, dat hij het geld niet
missen kon, omdat hij het noodig had voor den oorlog tegen Frankrijk.
Werd Columbus' zoete droom wreedelijk verstoord, ook die van den
Koning zou verstoord worden. Toen men bij Nino kwam om goud te halen,
vond men slechts zeer weinig. Hij had gevangenen aanboord, antwoordde
hij, en als men die op de slavenmarkten verkocht, had men óók goud.
»Ander goud is er niet veel meer op Hispaniola,« zeide hij smadelijk,
en hing verder een zeer droevig tooneel van heel de Kolonie op. Thans
kostte het Columbus kracht om zich staande te houden, en zelfs zij,
die hem genegen waren, wezen op de arme gevangenen en riepen spottend:
»Zie daar het zeldzame goud der Nieuwe wereld!« Dat door deze
teleurstelling de uitrusting der vloot nog meer vertraagd werd, ja,
zelfs gevaar liep geheel nagelaten te worden, dat zag ieder. Columbus
zag het ook, en, hij leed er onder. Er kwamen leelijke plooien in zijn
karakter, welke hem vreemd zouden gebleven zijn, zoo hij niet in zulk
eene omgeving van laster en naijver geleefd had. Eene slechts bleef
hem trouw ter zijde staan, ten minste, zij sloeg niet zulk een
onvoorwaardelijk geloof meer aan al de beschuldigingen, die tegen den
grooten man ingebracht werden. Die ééne was Koningin Isabella, die
zelfs hielp om Koning Ferdinand over te halen een besluit uit te
vaardigen, dat, op Columbus' verzoek, alle ontdekkingsreizen, die op
eigen kosten, dus buiten de Regeering om gedaan konden worden,
verboden werden.
Een Duitsch historie-schrijver van onzen tijd noemt deze eisch van
Columbus niets anders dan »kleingeestige zelfzucht om zichzelven en
zijne familie een monopolie van ontdekkingen te verzekeren.« De
aanmerking is niet vriendelijk, doch behalve dat zij onvriendelijk is,
is ze ook zeer oneerlijk. Had Columbus er dan geen recht op dat zijn
onvermoeid streven, hetwelk met zulk een' goeden uitslag bekroond was,
beloond werd? Indien hij eenvoudig gezwegen had, zouden de
particuliere Spaansche ontdekkers, gebruik makende van zijne
ontdekking, het zóó ver gebracht hebben, dat ze hem uit de Indiën
drongen, en, zonder eenige vergoeding. Dit streven zijner vijanden om
hem, den gehaten »Liguriër«, van de vruchten van zijne vlijt en moeite
te berooven, spreekt uit de kroniek van den dag.
Na het uitvaardigen van dit bevel werd nu weldra het besluit genomen
om de schepen gereed te maken ten einde Columbus eene derde reis te
laten doen, doch de uitrusting had heel wat voeten in de aarde. De
Kroon had geen geld; het Volk had geen' lust.
Om nu toch het aantal mijnwerkers te kunnen medenemen, wist Columbus
het gedaan te krijgen, dat de Regeering Hispaniola tot een soort van
Straf-kolonie maakte. De misdadigers werden nu naar dit eiland
gebannen, en de Rechters, zoo beweert men, deden hun best om op deze
gemakkelijke manier van een aantal schelmen en deugnieten af te komen.
Wel moet Columbus ten einde raad geweest zijn om zulk een ondoordacht,
ja, bijna onzinnig voorstel te doen. Zulk werkvolk, het kòn niet
anders, zou eene ramp voor hem en voor de heele Kolonie worden.