den moed behouden; hij wist, dat hij de rijke Indiën ontdekt had; hij
was onwankelbaar in zijne hoop, ongeschokt in zijn vertrouwen. Maar
hij was Koning Ferdinand niet, en nog minder een De Fonseca, De Soria
of een ander zijner bittere tegenstanders. O, hij voorzag, wat er
gebeuren zou, als men daar in Spanje in het scheepsruim der
teruggekeerde vaartuigen blikte, en teleurstelling en ontevredenheid,
niets anders dan deze, uit de ledige diepte den bezoeker bijna
toeschreeuwden: »Bedrogen door den Genuees, juist zooals we voorspeld
hadden!« En wat dan de gevolgen zouden zijn, ook dát begreep hij
levendig. Er moest dus wat gedaan worden eer de schepen vertrokken. Op
goud en zilver hoopte men in Spanje, en brachten de schepen dat ook al
niet terstond aan, ieder der mannen, die de reis gedaan had, moest
toch volmondig erkennen kunnen: »Er is goud, overvloed van goud in dat
nieuw ontdekte land!«
Om hiervan de zekerheid te hebben, besloot hij eene afdeeling
krijgsvolk op expeditie uit te zenden, en niemand vond hij beter
geschikt om aan het hoofd daarvan te staan dan De Hojeda. Deze nam dat
voorstel gaarne aan en begaf zich met een veertigtal stoutmoedige
mannen, waaronder eenige ruiters waren, op weg. Die ruiters vooral
maakten onder de eenvoudige bevolking, die nimmer zulke groote
viervoetige dieren als de paarden, gezien had, een' buitengewonen
indruk. Zij hield ruiter en paard voor één wezen. Misschien maakte de
vrees de inboorlingen vriendelijk, want overal waar De Hojeda met de
zijnen kwam, werden ze gastvrij ontvangen. Had men gedacht om op dien
tocht groote steden te vinden met paleizen, die gouden wanden en daken
hadden, dan was men opnieuw teleurgesteld, want men vond niets dan
eenvoudige hutten en inwoners, die naakt liepen en van eenige
beschaving geen begrip schenen te hebben. Toch trokken onze
avonturiers zich dat niet aan, want inplaats van bewerkt goud, zagen
ze, dat het zand der bergstroomen schitterde van de vele goudkorrels,
die het bevatte. De Indianen, ziende dat de vreemdelingen dit stofgoud
zoo gaarne hadden, verzamelden een' aanzienlijken voorraad en schonken
dat den Spanjaarden. Er waren zelfs plaatsen, waar men maar te bukken
had om een' klomp gouderts op te rapen. De gevolgtrekking lag voor de
hand: de bodem bevatte groote schatten, die nog onaangeroerd lagen,
want van het mijnwezen en de kunst om uit erts goud te halen, hadden
de Indianen geen begrip. Zij verzamelden slechts stofgoud en hadden
hieraan voor hunne geringe behoeften ook meer dan genoeg. Verheugd,
den Admiraal zulk eene goede tijding te kunnen mededeelen, keerde De
Hojeda met zijne manschappen naar »Isabella« terug, en pas had hij den
Admiraal verslag van zijne ontdekking gedaan, of Corvalan, een Ridder,
die met eenige mannen van een' anderen kant het landschap Cibao binnen
gedrongen was, keerde terug en vertelde hetzelfde.
Dit was ten slotte nog eene ongedachte uitkomst, en daar de tijd van
het jaar juist geschikt was om uit te zeilen, zoo liet Columbus twaalf
schepen naar Spanje vertrekken en gaf zooveel goud en zeldzaamheden
mede, als er op het oogenblik voorhanden waren. Zelfs de gevangen
genomen Caraïben zond hij mede. De Bevelhebber der vloot was Don
Antonio De Torres, en deze kreeg voor de Monarchen een' brief mede,
welke van het begin tot het einde, doch in vrij bloemrijken stijl, den
waren toestand schetste. Hij drong er op aan, dat men hem zoo spoedig
mogelijk werkvolk sturen zou, dat geschikt was om de rijke mijnen van
Cibao te ontginnen. Paarden en werktuigen waren ook daarbij onmisbaar.
Zond men hem bovendien nog eenige Ingenieurs, dan stond hij er voor
in, dat hij weldra schepen vol goud naar Spanje kon bevrachten. Vooral
echter vroeg hij ook om levensmiddelen, daar de Kolonisten, gewoon aan
krachtig voedsel, door de voortbrengselen van Hispaniola niet
voldoende gevoed konden worden. Eer men van de overgevoerde granen en
andere zaden oogsten kon, duurde nog te lang. Verder drong hij er op
aan om hem veel vee toe te zenden, en zoo men er tegen opzag om al die
uitgaven te maken vóór er goud was, dan zou hij zorgen, dat er een
groot aantal Caraïben gevangen en, als slaven, naar Spanje gezonden
werden. Deze laatste raad mishaagde Koningin Isabella, die bij het
vertrek van Columbus er ten sterkste op aangedrongen had, dat men de
inboorlingen op de liefderijkste en vriendelijkste wijze moest
behandelen en in de Christelijke leer onderwijzen. Elke Spanjaard, die
het waagde een' dezer menschen leed te doen of te benadeelen, moest
door Columbus streng gestraft worden. Dit bevel had hem sterk gemaakt
tegenover Pater Boyle en alle anderen, die van meening waren, dat de
dood der eerste Kolonisten voorbeeldig gewroken moest worden. De
bijvoeging van Columbus, dat die Caraïbische slaven tot heil hunner
ziel in Spanje tot Christenen konden bekeerd worden, redde zijn
voorstel niet, want hij kreeg er op ten antwoord, dat men over dit
voorstel nog eens moest nadenken, en Koningin Isabella schreef hem
zelfs, dat hij de bekeering der heidenen ter harte moest nemen, en wel
terstond in het land, waar hij ze vond. Verstond hij de taal dier
menschen niet, in Spanje verstond men deze immers evenmin?
Met over het antwoord te reppen, hetwelk Columbus op zijn' brief
ontving, loopen we de geschiedenis wel wat vooruit, maar het was
noodig om er hier over te spreken, omdat er uit blijkt, dat Columbus
zelf nu en dan maatregelen nam, welke niet te verdedigen waren, zelfs
niet in een' tijd toen men over den slavenhandel heel anders dacht dan
tegenwoordig.
De Kolonisten hadden met droefheid of ergernis de twaalf schepen zien
vertrekken. Wat zou hun lot worden? Velen hunner waren ziek, en zij,
die ziek geweest waren, konden niet op krachten komen. De Admiraal
zelf was ook dikwijls bedlegerig en ging onder de omstandigheden
gedrukt. De levensvoorraad minderde met den dag en van de zijde der
inboorlingen kwam geene toenadering. Zoo nam de ontevredenheid hand
over hand toe, en ten laatste werd er, onder aanvoering van Don Bernal
Diaz De Pisa, eene samenzwering gesmeed, welke ten doel had, zich van
de vijf andere schepen meester te maken, naar Spanje terug te keeren,
en Columbus, als een bedrieger, in staat van beschuldiging te stellen.
Vóór de samenzwering tot eene uitvoering kwam, werd ze ontdekt, en in
een der schepen vond men nu een schotschrift tegen Columbus, zóó vol
laster en leugen, dat men moeite had te gelooven, dat het door een'
der Kolonisten kon opgesteld zijn. En toch was dit wel degelijk het
geval. Don Bernal Diaz De Pisa, die aan het Hof van den Onderkoning
met het bestuur der geldmiddelen belast was, had het geschreven en
gebruik gemaakt van de leugens, die zekere Fermin Cado geliefde op te
disschen. Deze laatste was als essayeur medegegaan, doch zeer
onbekwaam in zijn vak. Hij zeide, dat er slechts zeer weinig goud op
Hispaniola was en dat de inwoners het weinige, dat er was, sinds
eeuwen wellicht, verzameld en telkens gesmolten hadden, om op die
wijze klompen van eenige grootte te verkrijgen.
Nu zulk eene gevaarlijke samenzwering ontdekt was, diende Columbus als
rechter op te treden. Hij deed dat ook, doch inplaats van streng te
straffen, vergenoegde hij zich met de twee hoofdaanleggers eenvoudig
gevangen te laten zetten, en om te voorkomen, dat men niet andermaal
eene dergelijke samenzwering smeedde en ten uitvoer bracht, liet hij
al den krijgsvoorraad en wapenen, benevens de zeevaartkundige
instrumenten van de vijf schepen op één schip overbrengen. Dit eene
schip werd bemand met personen, die volkomen te vertrouwen waren. De
straf was zacht, te zacht zelfs, want velen dachten nu dat Columbus,
aangeklaagd door zijn geweten, niet strenger straffen durfde, en dat
zelfs die zachte straf onrechtvaardig was.
Na de samenzwering verijdeld en de twee belhamels gevangen gezet te
hebben, besloot Columbus om, nu hij weer van zijne ziekte hersteld
was, zelf Cibao te gaan bezoeken. Hij stelde zijn' broeder Diego tot
zijn' plaatsvervanger in het bevel over de stad aan en vertrok aan het
hoofd van eene schitterende krijgsmacht van vierhonderd man het gebied
van Caonabo binnen. Die tocht was wel geschikt om den terneergeslagen
moed op te beuren. Men stond verstomd bij het aanschouwen van de
wondervolle natuurpracht der heele omgeving, die een Paradijs geleek.
»Vega Real«, dat is »Koninklijke Vlakte«, zoo noemde Columbus deze
streek, en niemand was er, die wat op dien naam af te dingen had, want
Koninklijk was alles, tot zelfs het met goud getooide rivierzand, dat
de leugens van den onbekwamen Fermin Cado ten duidelijkste liet
uitkomen. Na een' tocht van twee dagen, waarop men van de zijde der
inboorlingen, na vrees, niets dan hartelijke gastvrijheid ontvangen
had, kwam het leger in eene ruwe bergstreek. De natuur verloor hier
hare Paradijsachtige schoonheid en werd steenachtig, wat geheel in
overeenstemming was met den naam Cibao, die »steen« beteekent.
Opmerkelijk mag het heeten, dat Columbus' volk telkens zoo gauw den
moed verloor, want niettegenstaande men overal in het zand der beken
en rivieren stofgoud vond, wat een bewijs was, dat in het gebergte
zich goudaderen moesten bevinden, haalden de meesten ongeloovig de
schouders op, toen Columbus bevel gaf om hier eene houten sterkte te
bouwen, teneinde de goudmijnen en het volk, dat er in werken zou, te
beschermen. Naar dat ongeloof der zijnen noemde Columbus dat fort
zelfs »San-Thomas«. Terwijl hij toezicht hield op het bouwen van het
fort, zond hij Ridder Juan De Luxan met eenige mannen uit om het land
nader te verkennen, en gedurende dien tijd kwamen de inboorlingen van
alle kanten aan om ruilhandel met hem te drijven. Al spoedig wisten
ze, dat ze voor goud alles konden krijgen, wat in hun oog eenige
waarde had, en spoedig had Columbus nu eene vrij aanzienlijke
hoeveelheid stofgoud verzameld. De inboorlingen, die voor ééne
onnoozele valkenbel soms wel stukken goud gaven, die een ons zwaar
waren, verzekerden, dat er verder in de vallei ook stukken goud ter
grootte van een' oranje-appel, ja, van een kinderhoofd gevonden
werden. Toen De Luxan van zijn' tocht terugkwam, deelde hij den
Admiraal mede, dat overal waar hij geweest was, zich, te midden eener
vruchtbare en schoone natuur, sporen van goud vertoonden.
Thans wist Columbus genoeg, en besloot hij naar Isabella terug te
keeren, het fort San-Thomas, onder het bevel van zijn' gunsteling Don
Pedro Margarite met zesenvijftig man achterlatend.
Was Columbus op dezen tocht tot de overtuiging gekomen, dat De Hojeda
en Corvalan hem waarheid hadden medegedeeld, hij had meteen de
inboorlingen nader leeren kennen. Hij wist nu, dat ze niet zoo goedig
en vreedzaam waren, als hij gedacht had, en dat ze ook een soort van
godsdienst hadden, en dat de dansen, die ze zoo dikwijls hielden, een
godsdienstig karakter hadden. Nu wist hij ook waarom zij zoo verzot
waren op de onnoozele valkenbellen, omdat ze op het geluid daarvan
dansen konden. Later zou hij nog meer van hun' godsdienst leeren
kennen, en zou hij het volgende weten. Zij geloofden aan een
Opperwezen, dat onsterfelijk, onzichtbaar en almachtig was, doch dat
te hoog boven hen verheven stond om het rechtstreeks aan te roepen.
Door middel van halve Goden, die ze »Zemi's« noemden, hielden ze
gemeenschap met Hem. Bijna elke natuurkracht, elk
dampkringsverschijnsel, was het werk van zulk een »Zemi«, die ze soms
in gedrochtelijke afbeelding om den hals of op het hoofd droegen. Zij
wisten ook te vertellen van een' zondvloed, die bijna de heele aarde
had overstroomd, en aan een leven na dit leven geloofden zij ook. De
zielen der zalige afgestorvenen leefden in eene heerlijke vallei aan
de westzijde van het eiland. Overdag verborgen zij zich voor de
levenden, maar in de stilte van den nacht kwamen zij zich voeden met
de vruchten der velden en der boomen, welke daarom door de levenden
ook nimmer geoogst of geplukt werden. Hunne Priesters waren
getatoeëerd of beschilderd met afbeeldingen, zoo gedrochtelijk als
maar mogelijk was, van allerlei »Zemi's«. Priester en Medicijn-man of
Geneesheer zijn, was zoo ongeveer hetzelfde. In de geneeskundige
kracht der kruiden waren ze zeer bedreven, doch bij de ingetogen en
eenvoudige leefwijze der inboorlingen waren er maar zelden zieken.
Wanneer een Kazike op het punt van sterven stond, en de Medicijn-man
verklaarde, dat de zieke niet meer herstellen kon, dan zou het voor
het stervende Opperhoofd eene oneer geweest zijn, indien men hem niet
geworgd had, dat de dood er op volgde. Stond een voornaam inboorling
op het punt van sterven, dan droeg men hem vaak naar de woning van den
Kazike, en wanneer deze dan den lijder eene hooge eer wilde bewijzen,
gaf hij vergunning hem te worgen. Andere lieden, die den dood nabij
waren, gaf men brood en water aan het hoofdeinde en verliet hen dan,
om hen in eenzaamheid te laten sterven.
Werkzaam waren de inboorlingen geen van allen. Hunne behoeften waren
bij uitstek gering, zoodat de natuur, zonder dat zij veel werkten, hun
alles opleverde, wat ze noodig hadden. Door die weinige behoefte
leidden ze zulk een vreedzaam, kalm en gelukkig leven, dat wij er
onszelven, in onze eeuw van duizenden behoeften voor lichaam en geest,
geene voorstelling van maken kunnen. Petrus Martyr, een tijdgenoot van
Columbus, eindigde een zijner brieven over de Indianen van Haïti of
Hispaniola met de woorden: »Alles brengt er geluk en zegen aan.«
Columbus zag dat zeer goed, en daar hij inderdaad een man was, die een
goedig en liefderijk hart bezat, is het voor de inwoners eene ramp te
noemen, dat haat, naijver en laster hem daden konden doen bedrijven
waaraan zijn hart geen deel kon nemen.
Bij zijn' terugkeer te Isabella werd hij al dadelijk uit zijne
gelukkige stemming gebracht door den geest van ontevredenheid of doffe
onverschilligheid, dien hij er vond: een gevolg van de vele ziekten,
die er heerschten. Het was echter niet alleen het vochtige en heete
klimaat, dat die ziekten te voorschijn had geroepen. Velen leidden een
zedeloos en liederlijk leven, en allen leden onder het gebrek aan
goede levensmiddelen. Zelfs het eten, dat zoo goed als bedorven was,
moest bij porties, die steeds kleiner werden, uitgedeeld worden. Meel
had men niet meer, zoodat het weinige koren, dat men nog had, bij
gebrek aan watermolens, met handmolens moest gemalen worden. De
Admiraal begon terstond alles te doen, wat in zijn vermogen was, om
den algemeenen nood te bestrijden, doch pas was hij hiermede bezig, of
er kwam eene boodschap van San-Thomas. De Bevelhebber Margarite vroeg
om versterking, daar de inboorlingen vijandelijke gezindheden aan den
dag legden. De versterking werd gezonden, doch Columbus begreep, dat
het niet veel baten zou, want de oorzaak van die vijandelijke houding
der inboorlingen, zat in het wangedrag der bezetting, welk wangedrag
waarschijnlijk grooter afmetingen zou krijgen, waar de bezetting
talrijker werd. Dreigende vijanden in het binnenland, ziekten in de
stad en eene ontevredenheid onder de zijnen, welke weldra tot verzet
oversloeg, maakten den toestand van Columbus zeer hachelijk, en wilde
hij niet, dat de heele Kolonie andermaal te gronde ging, dan was hij
genoodzaakt als straffend Rechter op te treden. Hij deed dat ook, en,
ziedaar, alweer eene nieuwe reden om den gehaten vreemdeling, den
»huichelachtigen Liguriër«, nog meer vijandig te zijn. De ongunstige
gezondheids-toestand dwong hem ook om iedereen aan den arbeid te
zetten; hij stelde niemand vrij. Ridders en Priesters, die nimmer
handenarbeid geleerd hadden, dwong hij hetzelfde en evenveel werk te
doen, als een geboren werkman. Wanneer men niet genoeg werk verricht
had, werd dit niet aan onmacht om meer te doen, maar aan onwil
toegeschreven. Door deze handelwijze kreeg het verzet bij velen
redenen van bestaan, want eenige Edelen, die aan aanzienlijke
geslachten in Spanje verwant waren, stierven ten gevolge van
uitputting, en toen men hiervan in Spanje de tijding kreeg, rees, zeer
natuurlijk, de vraag: »Mag Columbus zoo willekeurig handelen?«
Aan dien ongelukkigen toestand moest op de eene of andere manier een
einde gemaakt worden en Columbus beraamde daartoe het volgende plan,
dat hij ook ten uitvoer bracht. Hij zelf zou met drie karveelen een'
nieuwen ontdekkingstocht gaan doen. De krijgslieden, die nog gezond
waren, zouden dan in dien tijd onder aanvoering van Don Margarite het
eiland in alle richtingen doorkruisen, en Don De Hojeda zou het bevel
over San-Thomas op zich nemen. Zijn broeder Diego zou met de zieken,
de oppassers en enkele soldaten in de stad blijven. De Geestelijken
zouden, òf het leger, òf hem vergezellen, en tendeele ook in de stad
blijven om de Kerk te bedienen. De Junta aan welks hoofd hij zijn'
broeder stelde, en die hij in Isabella achterliet, bestond uit Pater
Boyle, Pedro Fernandez Coronel, Alonso Sanchez Caravajal en Juan De
Luxan. Na dit alles geregeld te hebben, verliet hij de baai van
Isabella, doch met de drie kleinste schepen, omdat de twee andere,
waaronder het Admiraalsschip, te veel diepgang hadden voor de
onbekende wateren en kusten, die hij opzoeken wilde. Naar zijne
meening moest hij het rechte goudland vinden, waarheen de inboorlingen
hem telkens heengewezen hadden.
Het was den vierentwintigsten April van het jaar 1494 toen Columbus
Isabella verliet om een' nieuwen ontdekkingstocht te beginnen. Zijn
doel was om het eiland Cuba te naderen, op de hoogte, waar hij het bij
zijne eerste reis verlaten had. Vandaar zou hij dan oostelijker zeilen
om zich te overtuigen, dat zijn vermoeden zekerheid was, dat Cuba geen
eiland, maar het vasteland, en derhalve een deel van Kataï was. Vijf
dagen later had hij dat punt bereikt. De inboorlingen namen bij de
nadering der schepen de vlucht, doch de tolk van Guanahani wist hen
over te halen om met de Spanjaarden vriendschap te sluiten. Langzaam
werd de tocht voortgezet, en overal waar Columbus kwam, vond hij bij
de bevolking eerst vrees, doch daarna groote vriendelijkheid en
gastvrijheid. Natuurlijk werd al weer druk naar het goudland gevraagd,
en geregeld wees men hem naar het Zuiden. Columbus verliet daarom de
kust van Cuba, zeilde zuidelijk en weldra zag men hooge bergen zich
aan den horizon verheffen. Vol hoop dat dit het goudland was, naderde
men de nieuwe kust. Werkelijk scheen men hier met een heel ander volk
te doen te hebben, want de oevers wemelden van bont opgesierde mannen,
die in geregelde slagorde naar het strand kwamen, en onder het zwaaien
met lansen en een luidklinkend krijgsgeschreeuw plaats namen in
kano's, waarvan enkele keurig versierd waren. Eenige kleine geschenken
brachten de krijgers tot bedaren, doch Columbus achtte het minder
wenschelijk hier te landen en toog verder. Toen nu evenwel bleek, dat
zijn schip lek geworden was, zocht hij eene geschikte baai op om daar
het vaartuig te laten herstellen. De inboorlingen schenen besloten te
hebben, niet te dulden, dat de Spanjaarden landden. Eene groote
menigte van hen verzamelde zich, gewapend met werplansen, bogen en
pijlen op het strand, en scheen besloten, elke landing onmogelijk te
maken. Columbus liet zich echter niet afschrikken, want hij was
gedwongen te landen, niet alleen om zijn schip te laten kalefaten,
maar ook om versch drinkwater in te nemen. Hij liet dus eenige booten
bemannen en naar den wal roeien. Een oorverdoovend krijgsgeschreeuw
der Indianen weerklonk langs den oever, doch de Spanjaarden schoten
hunne kruisbogen af, wondden verscheidene vijanden, stapten aanwal en
vielen den troep aan. Tegen de Europeesche wapenen waren de
verdedigers van hun land niet bestand, en toen men ten slotte een'
bloedhond op hen aanhitste, werd de vlucht algemeen. Het gebruiken van
deze honden had hier voor het eerst plaats, en zou later op treurige
wijze herhaald worden. Op de gewone plechtige wijze nam Columbus voor
de Spaansche Kroon bezit van het land en al zijne bewoners. Hij gaf
het den naam van »San-Jago«, en later kreeg het dien van Jamaïca. Toen
de inwoners tot de ervaring gekomen waren, dat ze te doen hadden met
lieden, die veel machtiger waren dan zij, werden ze zeer handelbaar en
voorzagen, in ruil tegen kleine voorwerpen, de schepen ruimschoots van
levensmiddelen en vruchten. Goud vond men er niet meer dan elders, en
toen men zekerheid had, dat het een eiland was, begreep Columbus, dat
dit »San-Jago« niet het goudland zijn kon en hij stak weer naar Cuba
over om daar langs de kust nog meer westelijk te zeilen. Dagen
achtereen ging het steeds verder het Westen in; de moeielijkheden om
den tocht voort te zetten namen met elk oogenblik toe. Tal van
eilanden en blinde klippen belemmerden de vaart; stormen en onweders
schenen hier onafgebroken te woeden; de levensmiddelen verminderden
sterk en een groot deel der equipage begon te lijden aan koortsen.
Verscheidene malen deed men eene landing, doch niets wees er op, dat
men eene meer beschaafde streek naderde. Het waren steeds dezelfde
menschen, dezelfde onaanzienlijke woningen, dezelfde boomen en
vruchten. Vroeg men aan de bewoners of hun land een eiland was, dan
wisten zij het niet. Zij wisten alleen, dat de kust nog veel verder
doorliep. Het moest dus het vasteland zijn, het kon niet anders, zoo
meende Columbus, die nog moed genoeg bezat om den moeielijken en
gevaarlijken tocht voort te zetten. In zijne verbeelding zag hij zich
reeds in de Roode Zee. Hij zou eene bedevaart doen naar Jeruzalem, en
als eerste omzeiler van de wereld, triomfantelijk uit het Oosten
terugkeeren in Spanje, dat hij, het Westen ingaande, verlaten had. De
wil om dien tocht te doen, was bij hem aanwezig, maar zijn volk, door
ziekte en zwaar werk afgemat, werd oproerig, en Columbus was
genoodzaakt, zijne reis te staken en terug te keeren. Eer hij hiertoe
overging, wilde hij echter door allen erkend zien, dat Cuba niets
anders was dan het vasteland van Azië. Hij liet door een' beambte een
stuk opstellen waarin dat verklaard werd, en toen Columbus dit stuk
had, las hij het aan de heele bemanning voor. Wie niet geloofde, dat
dit het vasteland van Azië was, mocht nu nog zijne bedenkingen
inbrengen. Had men het stuk eenmaal, als waarheid, bezworen, dan zou
iedere Officier, die het tegensprak, gestraft worden met het verlies
van zijn' rang, en eene boete van drie dukaten. Waagde een der
minderen den bezworen inhoud tegen te spreken, dan zou hij honderd
geeselslagen ontvangen.