Hoe deerlijk was hij teleurgesteld! Hij, o, dat gaf niets! Hij bleef

den moed behouden; hij wist, dat hij de rijke Indiën ontdekt had; hij

was onwankelbaar in zijne hoop, ongeschokt in zijn vertrouwen. Maar

hij was Koning Ferdinand niet, en nog minder een De Fonseca, De Soria

of een ander zijner bittere tegenstanders. O, hij voorzag, wat er

gebeuren zou, als men daar in Spanje in het scheepsruim der

teruggekeerde vaartuigen blikte, en teleurstelling en ontevredenheid,

niets anders dan deze, uit de ledige diepte den bezoeker bijna

toeschreeuwden: »Bedrogen door den Genuees, juist zooals we voorspeld

hadden!« En wat dan de gevolgen zouden zijn, ook dát begreep hij

levendig. Er moest dus wat gedaan worden eer de schepen vertrokken. Op

goud en zilver hoopte men in Spanje, en brachten de schepen dat ook al

niet terstond aan, ieder der mannen, die de reis gedaan had, moest

toch volmondig erkennen kunnen: »Er is goud, overvloed van goud in dat

nieuw ontdekte land!«

Om hiervan de zekerheid te hebben, besloot hij eene afdeeling

krijgsvolk op expeditie uit te zenden, en niemand vond hij beter

geschikt om aan het hoofd daarvan te staan dan De Hojeda. Deze nam dat

voorstel gaarne aan en begaf zich met een veertigtal stoutmoedige

mannen, waaronder eenige ruiters waren, op weg. Die ruiters vooral

maakten onder de eenvoudige bevolking, die nimmer zulke groote

viervoetige dieren als de paarden, gezien had, een' buitengewonen

indruk. Zij hield ruiter en paard voor één wezen. Misschien maakte de

vrees de inboorlingen vriendelijk, want overal waar De Hojeda met de

zijnen kwam, werden ze gastvrij ontvangen. Had men gedacht om op dien

tocht groote steden te vinden met paleizen, die gouden wanden en daken

hadden, dan was men opnieuw teleurgesteld, want men vond niets dan

eenvoudige hutten en inwoners, die naakt liepen en van eenige

beschaving geen begrip schenen te hebben. Toch trokken onze

avonturiers zich dat niet aan, want inplaats van bewerkt goud, zagen

ze, dat het zand der bergstroomen schitterde van de vele goudkorrels,

die het bevatte. De Indianen, ziende dat de vreemdelingen dit stofgoud

zoo gaarne hadden, verzamelden een' aanzienlijken voorraad en schonken

dat den Spanjaarden. Er waren zelfs plaatsen, waar men maar te bukken

had om een' klomp gouderts op te rapen. De gevolgtrekking lag voor de

hand: de bodem bevatte groote schatten, die nog onaangeroerd lagen,

want van het mijnwezen en de kunst om uit erts goud te halen, hadden

de Indianen geen begrip. Zij verzamelden slechts stofgoud en hadden

hieraan voor hunne geringe behoeften ook meer dan genoeg. Verheugd,

den Admiraal zulk eene goede tijding te kunnen mededeelen, keerde De

Hojeda met zijne manschappen naar »Isabella« terug, en pas had hij den

Admiraal verslag van zijne ontdekking gedaan, of Corvalan, een Ridder,

die met eenige mannen van een' anderen kant het landschap Cibao binnen

gedrongen was, keerde terug en vertelde hetzelfde.

Dit was ten slotte nog eene ongedachte uitkomst, en daar de tijd van

het jaar juist geschikt was om uit te zeilen, zoo liet Columbus twaalf

schepen naar Spanje vertrekken en gaf zooveel goud en zeldzaamheden

mede, als er op het oogenblik voorhanden waren. Zelfs de gevangen

genomen Caraïben zond hij mede. De Bevelhebber der vloot was Don

Antonio De Torres, en deze kreeg voor de Monarchen een' brief mede,

welke van het begin tot het einde, doch in vrij bloemrijken stijl, den

waren toestand schetste. Hij drong er op aan, dat men hem zoo spoedig

mogelijk werkvolk sturen zou, dat geschikt was om de rijke mijnen van

Cibao te ontginnen. Paarden en werktuigen waren ook daarbij onmisbaar.

Zond men hem bovendien nog eenige Ingenieurs, dan stond hij er voor

in, dat hij weldra schepen vol goud naar Spanje kon bevrachten. Vooral

echter vroeg hij ook om levensmiddelen, daar de Kolonisten, gewoon aan

krachtig voedsel, door de voortbrengselen van Hispaniola niet

voldoende gevoed konden worden. Eer men van de overgevoerde granen en

andere zaden oogsten kon, duurde nog te lang. Verder drong hij er op

aan om hem veel vee toe te zenden, en zoo men er tegen opzag om al die

uitgaven te maken vóór er goud was, dan zou hij zorgen, dat er een

groot aantal Caraïben gevangen en, als slaven, naar Spanje gezonden

werden. Deze laatste raad mishaagde Koningin Isabella, die bij het

vertrek van Columbus er ten sterkste op aangedrongen had, dat men de

inboorlingen op de liefderijkste en vriendelijkste wijze moest

behandelen en in de Christelijke leer onderwijzen. Elke Spanjaard, die

het waagde een' dezer menschen leed te doen of te benadeelen, moest

door Columbus streng gestraft worden. Dit bevel had hem sterk gemaakt

tegenover Pater Boyle en alle anderen, die van meening waren, dat de

dood der eerste Kolonisten voorbeeldig gewroken moest worden. De

bijvoeging van Columbus, dat die Caraïbische slaven tot heil hunner

ziel in Spanje tot Christenen konden bekeerd worden, redde zijn

voorstel niet, want hij kreeg er op ten antwoord, dat men over dit

voorstel nog eens moest nadenken, en Koningin Isabella schreef hem

zelfs, dat hij de bekeering der heidenen ter harte moest nemen, en wel

terstond in het land, waar hij ze vond. Verstond hij de taal dier

menschen niet, in Spanje verstond men deze immers evenmin?

Met over het antwoord te reppen, hetwelk Columbus op zijn' brief

ontving, loopen we de geschiedenis wel wat vooruit, maar het was

noodig om er hier over te spreken, omdat er uit blijkt, dat Columbus

zelf nu en dan maatregelen nam, welke niet te verdedigen waren, zelfs

niet in een' tijd toen men over den slavenhandel heel anders dacht dan

tegenwoordig.

De Kolonisten hadden met droefheid of ergernis de twaalf schepen zien

vertrekken. Wat zou hun lot worden? Velen hunner waren ziek, en zij,

die ziek geweest waren, konden niet op krachten komen. De Admiraal

zelf was ook dikwijls bedlegerig en ging onder de omstandigheden

gedrukt. De levensvoorraad minderde met den dag en van de zijde der

inboorlingen kwam geene toenadering. Zoo nam de ontevredenheid hand

over hand toe, en ten laatste werd er, onder aanvoering van Don Bernal

Diaz De Pisa, eene samenzwering gesmeed, welke ten doel had, zich van

de vijf andere schepen meester te maken, naar Spanje terug te keeren,

en Columbus, als een bedrieger, in staat van beschuldiging te stellen.

Vóór de samenzwering tot eene uitvoering kwam, werd ze ontdekt, en in

een der schepen vond men nu een schotschrift tegen Columbus, zóó vol

laster en leugen, dat men moeite had te gelooven, dat het door een'

der Kolonisten kon opgesteld zijn. En toch was dit wel degelijk het

geval. Don Bernal Diaz De Pisa, die aan het Hof van den Onderkoning

met het bestuur der geldmiddelen belast was, had het geschreven en

gebruik gemaakt van de leugens, die zekere Fermin Cado geliefde op te

disschen. Deze laatste was als essayeur medegegaan, doch zeer

onbekwaam in zijn vak. Hij zeide, dat er slechts zeer weinig goud op

Hispaniola was en dat de inwoners het weinige, dat er was, sinds

eeuwen wellicht, verzameld en telkens gesmolten hadden, om op die

wijze klompen van eenige grootte te verkrijgen.

Nu zulk eene gevaarlijke samenzwering ontdekt was, diende Columbus als

rechter op te treden. Hij deed dat ook, doch inplaats van streng te

straffen, vergenoegde hij zich met de twee hoofdaanleggers eenvoudig

gevangen te laten zetten, en om te voorkomen, dat men niet andermaal

eene dergelijke samenzwering smeedde en ten uitvoer bracht, liet hij

al den krijgsvoorraad en wapenen, benevens de zeevaartkundige

instrumenten van de vijf schepen op één schip overbrengen. Dit eene

schip werd bemand met personen, die volkomen te vertrouwen waren. De

straf was zacht, te zacht zelfs, want velen dachten nu dat Columbus,

aangeklaagd door zijn geweten, niet strenger straffen durfde, en dat

zelfs die zachte straf onrechtvaardig was.

Na de samenzwering verijdeld en de twee belhamels gevangen gezet te

hebben, besloot Columbus om, nu hij weer van zijne ziekte hersteld

was, zelf Cibao te gaan bezoeken. Hij stelde zijn' broeder Diego tot

zijn' plaatsvervanger in het bevel over de stad aan en vertrok aan het

hoofd van eene schitterende krijgsmacht van vierhonderd man het gebied

van Caonabo binnen. Die tocht was wel geschikt om den terneergeslagen

moed op te beuren. Men stond verstomd bij het aanschouwen van de

wondervolle natuurpracht der heele omgeving, die een Paradijs geleek.

»Vega Real«, dat is »Koninklijke Vlakte«, zoo noemde Columbus deze

streek, en niemand was er, die wat op dien naam af te dingen had, want

Koninklijk was alles, tot zelfs het met goud getooide rivierzand, dat

de leugens van den onbekwamen Fermin Cado ten duidelijkste liet

uitkomen. Na een' tocht van twee dagen, waarop men van de zijde der

inboorlingen, na vrees, niets dan hartelijke gastvrijheid ontvangen

had, kwam het leger in eene ruwe bergstreek. De natuur verloor hier

hare Paradijsachtige schoonheid en werd steenachtig, wat geheel in

overeenstemming was met den naam Cibao, die »steen« beteekent.

Opmerkelijk mag het heeten, dat Columbus' volk telkens zoo gauw den

moed verloor, want niettegenstaande men overal in het zand der beken

en rivieren stofgoud vond, wat een bewijs was, dat in het gebergte

zich goudaderen moesten bevinden, haalden de meesten ongeloovig de

schouders op, toen Columbus bevel gaf om hier eene houten sterkte te

bouwen, teneinde de goudmijnen en het volk, dat er in werken zou, te

beschermen. Naar dat ongeloof der zijnen noemde Columbus dat fort

zelfs »San-Thomas«. Terwijl hij toezicht hield op het bouwen van het

fort, zond hij Ridder Juan De Luxan met eenige mannen uit om het land

nader te verkennen, en gedurende dien tijd kwamen de inboorlingen van

alle kanten aan om ruilhandel met hem te drijven. Al spoedig wisten

ze, dat ze voor goud alles konden krijgen, wat in hun oog eenige

waarde had, en spoedig had Columbus nu eene vrij aanzienlijke

hoeveelheid stofgoud verzameld. De inboorlingen, die voor ééne

onnoozele valkenbel soms wel stukken goud gaven, die een ons zwaar

waren, verzekerden, dat er verder in de vallei ook stukken goud ter

grootte van een' oranje-appel, ja, van een kinderhoofd gevonden

werden. Toen De Luxan van zijn' tocht terugkwam, deelde hij den

Admiraal mede, dat overal waar hij geweest was, zich, te midden eener

vruchtbare en schoone natuur, sporen van goud vertoonden.

Thans wist Columbus genoeg, en besloot hij naar Isabella terug te

keeren, het fort San-Thomas, onder het bevel van zijn' gunsteling Don

Pedro Margarite met zesenvijftig man achterlatend.

Was Columbus op dezen tocht tot de overtuiging gekomen, dat De Hojeda

en Corvalan hem waarheid hadden medegedeeld, hij had meteen de

inboorlingen nader leeren kennen. Hij wist nu, dat ze niet zoo goedig

en vreedzaam waren, als hij gedacht had, en dat ze ook een soort van

godsdienst hadden, en dat de dansen, die ze zoo dikwijls hielden, een

godsdienstig karakter hadden. Nu wist hij ook waarom zij zoo verzot

waren op de onnoozele valkenbellen, omdat ze op het geluid daarvan

dansen konden. Later zou hij nog meer van hun' godsdienst leeren

kennen, en zou hij het volgende weten. Zij geloofden aan een

Opperwezen, dat onsterfelijk, onzichtbaar en almachtig was, doch dat

te hoog boven hen verheven stond om het rechtstreeks aan te roepen.

Door middel van halve Goden, die ze »Zemi's« noemden, hielden ze

gemeenschap met Hem. Bijna elke natuurkracht, elk

dampkringsverschijnsel, was het werk van zulk een »Zemi«, die ze soms

in gedrochtelijke afbeelding om den hals of op het hoofd droegen. Zij

wisten ook te vertellen van een' zondvloed, die bijna de heele aarde

had overstroomd, en aan een leven na dit leven geloofden zij ook. De

zielen der zalige afgestorvenen leefden in eene heerlijke vallei aan

de westzijde van het eiland. Overdag verborgen zij zich voor de

levenden, maar in de stilte van den nacht kwamen zij zich voeden met

de vruchten der velden en der boomen, welke daarom door de levenden

ook nimmer geoogst of geplukt werden. Hunne Priesters waren

getatoeëerd of beschilderd met afbeeldingen, zoo gedrochtelijk als

maar mogelijk was, van allerlei »Zemi's«. Priester en Medicijn-man of

Geneesheer zijn, was zoo ongeveer hetzelfde. In de geneeskundige

kracht der kruiden waren ze zeer bedreven, doch bij de ingetogen en

eenvoudige leefwijze der inboorlingen waren er maar zelden zieken.

Wanneer een Kazike op het punt van sterven stond, en de Medicijn-man

verklaarde, dat de zieke niet meer herstellen kon, dan zou het voor

het stervende Opperhoofd eene oneer geweest zijn, indien men hem niet

geworgd had, dat de dood er op volgde. Stond een voornaam inboorling

op het punt van sterven, dan droeg men hem vaak naar de woning van den

Kazike, en wanneer deze dan den lijder eene hooge eer wilde bewijzen,

gaf hij vergunning hem te worgen. Andere lieden, die den dood nabij

waren, gaf men brood en water aan het hoofdeinde en verliet hen dan,

om hen in eenzaamheid te laten sterven.

Werkzaam waren de inboorlingen geen van allen. Hunne behoeften waren

bij uitstek gering, zoodat de natuur, zonder dat zij veel werkten, hun

alles opleverde, wat ze noodig hadden. Door die weinige behoefte

leidden ze zulk een vreedzaam, kalm en gelukkig leven, dat wij er

onszelven, in onze eeuw van duizenden behoeften voor lichaam en geest,

geene voorstelling van maken kunnen. Petrus Martyr, een tijdgenoot van

Columbus, eindigde een zijner brieven over de Indianen van Haïti of

Hispaniola met de woorden: »Alles brengt er geluk en zegen aan.«

Columbus zag dat zeer goed, en daar hij inderdaad een man was, die een

goedig en liefderijk hart bezat, is het voor de inwoners eene ramp te

noemen, dat haat, naijver en laster hem daden konden doen bedrijven

waaraan zijn hart geen deel kon nemen.

Bij zijn' terugkeer te Isabella werd hij al dadelijk uit zijne

gelukkige stemming gebracht door den geest van ontevredenheid of doffe

onverschilligheid, dien hij er vond: een gevolg van de vele ziekten,

die er heerschten. Het was echter niet alleen het vochtige en heete

klimaat, dat die ziekten te voorschijn had geroepen. Velen leidden een

zedeloos en liederlijk leven, en allen leden onder het gebrek aan

goede levensmiddelen. Zelfs het eten, dat zoo goed als bedorven was,

moest bij porties, die steeds kleiner werden, uitgedeeld worden. Meel

had men niet meer, zoodat het weinige koren, dat men nog had, bij

gebrek aan watermolens, met handmolens moest gemalen worden. De

Admiraal begon terstond alles te doen, wat in zijn vermogen was, om

den algemeenen nood te bestrijden, doch pas was hij hiermede bezig, of

er kwam eene boodschap van San-Thomas. De Bevelhebber Margarite vroeg

om versterking, daar de inboorlingen vijandelijke gezindheden aan den

dag legden. De versterking werd gezonden, doch Columbus begreep, dat

het niet veel baten zou, want de oorzaak van die vijandelijke houding

der inboorlingen, zat in het wangedrag der bezetting, welk wangedrag

waarschijnlijk grooter afmetingen zou krijgen, waar de bezetting

talrijker werd. Dreigende vijanden in het binnenland, ziekten in de

stad en eene ontevredenheid onder de zijnen, welke weldra tot verzet

oversloeg, maakten den toestand van Columbus zeer hachelijk, en wilde

hij niet, dat de heele Kolonie andermaal te gronde ging, dan was hij

genoodzaakt als straffend Rechter op te treden. Hij deed dat ook, en,

ziedaar, alweer eene nieuwe reden om den gehaten vreemdeling, den

»huichelachtigen Liguriër«, nog meer vijandig te zijn. De ongunstige

gezondheids-toestand dwong hem ook om iedereen aan den arbeid te

zetten; hij stelde niemand vrij. Ridders en Priesters, die nimmer

handenarbeid geleerd hadden, dwong hij hetzelfde en evenveel werk te

doen, als een geboren werkman. Wanneer men niet genoeg werk verricht

had, werd dit niet aan onmacht om meer te doen, maar aan onwil

toegeschreven. Door deze handelwijze kreeg het verzet bij velen

redenen van bestaan, want eenige Edelen, die aan aanzienlijke

geslachten in Spanje verwant waren, stierven ten gevolge van

uitputting, en toen men hiervan in Spanje de tijding kreeg, rees, zeer

natuurlijk, de vraag: »Mag Columbus zoo willekeurig handelen?«

Aan dien ongelukkigen toestand moest op de eene of andere manier een

einde gemaakt worden en Columbus beraamde daartoe het volgende plan,

dat hij ook ten uitvoer bracht. Hij zelf zou met drie karveelen een'

nieuwen ontdekkingstocht gaan doen. De krijgslieden, die nog gezond

waren, zouden dan in dien tijd onder aanvoering van Don Margarite het

eiland in alle richtingen doorkruisen, en Don De Hojeda zou het bevel

over San-Thomas op zich nemen. Zijn broeder Diego zou met de zieken,

de oppassers en enkele soldaten in de stad blijven. De Geestelijken

zouden, òf het leger, òf hem vergezellen, en tendeele ook in de stad

blijven om de Kerk te bedienen. De Junta aan welks hoofd hij zijn'

broeder stelde, en die hij in Isabella achterliet, bestond uit Pater

Boyle, Pedro Fernandez Coronel, Alonso Sanchez Caravajal en Juan De

Luxan. Na dit alles geregeld te hebben, verliet hij de baai van

Isabella, doch met de drie kleinste schepen, omdat de twee andere,

waaronder het Admiraalsschip, te veel diepgang hadden voor de

onbekende wateren en kusten, die hij opzoeken wilde. Naar zijne

meening moest hij het rechte goudland vinden, waarheen de inboorlingen

hem telkens heengewezen hadden.

Het was den vierentwintigsten April van het jaar 1494 toen Columbus

Isabella verliet om een' nieuwen ontdekkingstocht te beginnen. Zijn

doel was om het eiland Cuba te naderen, op de hoogte, waar hij het bij

zijne eerste reis verlaten had. Vandaar zou hij dan oostelijker zeilen

om zich te overtuigen, dat zijn vermoeden zekerheid was, dat Cuba geen

eiland, maar het vasteland, en derhalve een deel van Kataï was. Vijf

dagen later had hij dat punt bereikt. De inboorlingen namen bij de

nadering der schepen de vlucht, doch de tolk van Guanahani wist hen

over te halen om met de Spanjaarden vriendschap te sluiten. Langzaam

werd de tocht voortgezet, en overal waar Columbus kwam, vond hij bij

de bevolking eerst vrees, doch daarna groote vriendelijkheid en

gastvrijheid. Natuurlijk werd al weer druk naar het goudland gevraagd,

en geregeld wees men hem naar het Zuiden. Columbus verliet daarom de

kust van Cuba, zeilde zuidelijk en weldra zag men hooge bergen zich

aan den horizon verheffen. Vol hoop dat dit het goudland was, naderde

men de nieuwe kust. Werkelijk scheen men hier met een heel ander volk

te doen te hebben, want de oevers wemelden van bont opgesierde mannen,

die in geregelde slagorde naar het strand kwamen, en onder het zwaaien

met lansen en een luidklinkend krijgsgeschreeuw plaats namen in

kano's, waarvan enkele keurig versierd waren. Eenige kleine geschenken

brachten de krijgers tot bedaren, doch Columbus achtte het minder

wenschelijk hier te landen en toog verder. Toen nu evenwel bleek, dat

zijn schip lek geworden was, zocht hij eene geschikte baai op om daar

het vaartuig te laten herstellen. De inboorlingen schenen besloten te

hebben, niet te dulden, dat de Spanjaarden landden. Eene groote

menigte van hen verzamelde zich, gewapend met werplansen, bogen en

pijlen op het strand, en scheen besloten, elke landing onmogelijk te

maken. Columbus liet zich echter niet afschrikken, want hij was

gedwongen te landen, niet alleen om zijn schip te laten kalefaten,

maar ook om versch drinkwater in te nemen. Hij liet dus eenige booten

bemannen en naar den wal roeien. Een oorverdoovend krijgsgeschreeuw

der Indianen weerklonk langs den oever, doch de Spanjaarden schoten

hunne kruisbogen af, wondden verscheidene vijanden, stapten aanwal en

vielen den troep aan. Tegen de Europeesche wapenen waren de

verdedigers van hun land niet bestand, en toen men ten slotte een'

bloedhond op hen aanhitste, werd de vlucht algemeen. Het gebruiken van

deze honden had hier voor het eerst plaats, en zou later op treurige

wijze herhaald worden. Op de gewone plechtige wijze nam Columbus voor

de Spaansche Kroon bezit van het land en al zijne bewoners. Hij gaf

het den naam van »San-Jago«, en later kreeg het dien van Jamaïca. Toen

de inwoners tot de ervaring gekomen waren, dat ze te doen hadden met

lieden, die veel machtiger waren dan zij, werden ze zeer handelbaar en

voorzagen, in ruil tegen kleine voorwerpen, de schepen ruimschoots van

levensmiddelen en vruchten. Goud vond men er niet meer dan elders, en

toen men zekerheid had, dat het een eiland was, begreep Columbus, dat

dit »San-Jago« niet het goudland zijn kon en hij stak weer naar Cuba

over om daar langs de kust nog meer westelijk te zeilen. Dagen

achtereen ging het steeds verder het Westen in; de moeielijkheden om

den tocht voort te zetten namen met elk oogenblik toe. Tal van

eilanden en blinde klippen belemmerden de vaart; stormen en onweders

schenen hier onafgebroken te woeden; de levensmiddelen verminderden

sterk en een groot deel der equipage begon te lijden aan koortsen.

Verscheidene malen deed men eene landing, doch niets wees er op, dat

men eene meer beschaafde streek naderde. Het waren steeds dezelfde

menschen, dezelfde onaanzienlijke woningen, dezelfde boomen en

vruchten. Vroeg men aan de bewoners of hun land een eiland was, dan

wisten zij het niet. Zij wisten alleen, dat de kust nog veel verder

doorliep. Het moest dus het vasteland zijn, het kon niet anders, zoo

meende Columbus, die nog moed genoeg bezat om den moeielijken en

gevaarlijken tocht voort te zetten. In zijne verbeelding zag hij zich

reeds in de Roode Zee. Hij zou eene bedevaart doen naar Jeruzalem, en

als eerste omzeiler van de wereld, triomfantelijk uit het Oosten

terugkeeren in Spanje, dat hij, het Westen ingaande, verlaten had. De

wil om dien tocht te doen, was bij hem aanwezig, maar zijn volk, door

ziekte en zwaar werk afgemat, werd oproerig, en Columbus was

genoodzaakt, zijne reis te staken en terug te keeren. Eer hij hiertoe

overging, wilde hij echter door allen erkend zien, dat Cuba niets

anders was dan het vasteland van Azië. Hij liet door een' beambte een

stuk opstellen waarin dat verklaard werd, en toen Columbus dit stuk

had, las hij het aan de heele bemanning voor. Wie niet geloofde, dat

dit het vasteland van Azië was, mocht nu nog zijne bedenkingen

inbrengen. Had men het stuk eenmaal, als waarheid, bezworen, dan zou

iedere Officier, die het tegensprak, gestraft worden met het verlies

van zijn' rang, en eene boete van drie dukaten. Waagde een der

minderen den bezworen inhoud tegen te spreken, dan zou hij honderd

geeselslagen ontvangen.

Vóór vier Eeuwen: Een Volksboek over de Ontdekking van Amerika · 第 11 / 26 段