liet men het anker vallen en begaf een deel der schepelingen zich aan
wal, om het eiland nader te verkennen. Zoodra de Spanjaarden in booten
den wal naderden, hadden de bewoners met zooveel overhaasting de
vlucht genomen, dat ze zelfs eenige kinderen achterlieten. Het volk,
aan den wal gekomen, deed den kinderen geen leed, integendeel, men gaf
hun allerlei snuisterijen, vooral belletjes, waarop de Indianen verzot
waren. Men hoopte door deze kleine geschenken de Ouders te winnen,
doch dit mislukte. De Spanjaarden zagen evenwel, dat de bewoners van
dit eiland beschaafder moesten zijn dan die van de eilanden, welke
Columbus op zijne vorige reis gevonden had. De bouworde der woningen
was veel doelmatiger, en ook de inrichting van binnen bood meer
gemakken aan. Tot hunne verbazing vonden ze in eene dezer woningen
een' achteroploop of hekbalk van een schip van Europeesche makelij.
Hoe dit hier gekomen was, scheen velen een raadsel, doch Columbus
vermoedde, dat het afkomstig was van de »Santa-Maria«, die hij, zooals
we weten, op de eerste reis door schipbreuk verloren had. Zeer wel
mogelijk kan het ook zijn, dat een Portugeesch schip, door storm
afgedwaald, hier in de nabijheid van dit eiland vergaan was, en die
mogelijkheid wordt er grooter op, als we weten, dat de Spanjaarden in
een der huizen ook een' ijzeren pot vonden. Intusschen bleek uit
alles, dat de bewoners dezer eilanden menscheneters waren, want
behalve dat men in de woningen vele bekkeneelen vond, ontdekte men op
tal van plaatsen ook deelen van menschelijke geraamten. Dat de
Caraïben menscheneters waren, valt niet tegen te spreken, maar of ze
het wel in die mate waren, als ze door de Spanjaarden, zelfs van veel
lateren tijd, afgeschilderd werden, mag betwijfeld worden. Vele
oorspronkelijke bewoners van Amerika hadden de gewoonte om het
stoffelijk overschot van bloedverwanten en vrienden in hunne
onmiddellijke nabijheid te bewaren. Dit kan ook de gewoonte der
Caraïben geweest zijn. De Spanjaarden hadden echter geene moediger
tegenstanders dan juist deze Caraïben, en--van zijn' vijand vertelt
men immers zelden wat anders dan kwaad?
Vruchtbaar was Guadaloupe in hooge mate, doch dat, wat de meesten naar
de Indiën gedreven had, was er niet. Men vond geen goud. Columbus vond
dat niet zoo heel erg; want goud zouden ze in overvloed vinden, als ze
bij het fort La Navidad aangekomen waren. De achtergelaten Kolonisten
zouden gedurende den tijd zijner afwezigheid van de goedige en
hartelijke inboorlingen, op de gemakkelijkste wijze, groote schatten
verzameld hebben. Dat La Navidad trok hem zóó machtig aan, dat hij er
niet aan dacht om, nu hij de Caraïbische Eilanden gevonden had, ook
dat groote vasteland op te zoeken, dat volgens de mededeelingen van
Guacanagari en zijne vrienden in het Zuiden lag. Niet te verwonderen
is het dus, dat hij zoo spoedig mogelijk het fort wilde opzoeken, en
zeer ontstemd was, toen hij tegen zijn' zin bij Guadaloupe eenige
dagen opgehouden werd. Diego Marque, een Kapitein van eene karveel,
was met acht man aan wal gegaan en niet teruggekomen. Stellig was hij
in de dichte bosschen van het eiland verdwaald, en hem met de zijnen
achterlaten, dat kon niet. Na een paar dagen te vergeefs gewacht te
hebben, bood Alonzo De Hojeda zich aan om met veertig man de vermisten
op te sporen. Columbus nam dat aanbod aan, en onder de schepelingen
behoefde men niet lang te zoeken naar veertig man, die onder De Hojeda
het eiland wilden doorkruisen. Alonzo De Hojeda was de moedigste,
krachtigste, dapperste en onverschrokkenste avonturier van geheel
Spanje. De daden van dezen Ridder, die, als knaap, in den oorlog tegen
de Mooren reeds de sterkste proeven van zijne vermetele dapperheid
gegeven had, grenzen bijna aan het ongeloofelijke. Vol moed begaven de
dapperen zich op weg, doch keerden ze terug met allerlei berichten
over de schoonheid en vruchtbaarheid van dat eiland, de vermisten
brachten ze niet mede. Nu besloot men de mannen aan hun lot over te
laten en de ankers te lichten, doch juist terwijl men hiermede bezig
was, verschenen de verlorenen op het strand, en in een' deerlijken
toestand, het gevolg van al de ellende, die ze geleden hadden, keerden
ze op de vloot terug. Voor de overtreding der krijgstucht waren ze
door al de ellende, waaraan ze dagen lang overgegeven waren geweest,
stellig genoeg gestraft, maar ze hadden Columbus door het veroorzaakte
oponthoud verbitterd, en daarom werd Kapitein Diego Marque in arrest
gesteld, en de acht mannen, die hem vergezeld hadden, werden gestraft
door het inkorten van hun rantsoen.
Thans echter werd niet langer vertoefd, en vol moed nu spoedig de
Kolonie te bereiken, richtte men den steven noordwaarts. Talrijke
eilanden werden nog op die vaart ontdekt, en ieder kreeg een' naam.
Bij een van die eilanden, door de inboorlingen »Ayay« genoemd,
geraakten eenige matrozen in een bloedig gevecht met zes Caraïben,
vier mannen en twee vrouwen. Zelfs toen hunne kano door de boot der
Spanjaarden overzeild was, zett'en de mannen zoowel als de vrouwen den
strijd nog voort, en niet dan met groote moeite werden er vijf
gevangengenomen. Een der Caraïben was gesneuveld. In dit gevecht
maakten de Spanjaarden ook kennis met de vergiftigde pijlen der
inboorlingen, want een matroos, die er door gekwetst was geworden,
stierf korten tijd daarna onder de vreeselijkste pijnen. Vele eilanden
latende liggen, zette Columbus de reis voort en kwam eindelijk bij een
groot en schoon eiland, dat door de gevangenen »Boriquen« genoemd
werd, doch dat van den Admiraal den naam ontving naar Johannes den
Dooper: »San Juan Baptista«, bij welken naam later nog gevoegd werd
»de Puerto Rico«, dat zeggen wil: »Van de Rijke Haven«. Tegenwoordig
kent men het alleen onder den naam van Portorico. Op den tocht van
Deseada tot hier had men op enkele eilanden eenige vrouwen aanboord
gekregen, die de vlucht naar de schepen genomen hadden. Door de
Caraïben gevangengenomen, ontkwamen ze zóó het treurige lot, dat haar
wachtte. De meeste vrouwen waren van dit eiland afkomstig, en van haar
vernam Columbus, dat het niet alleen schoon en vruchtbaar, maar ook
rijk en machtig was, en dat het door één' Kazike bestuurd werd. Eene
goede ankerplaats gevonden hebbende, ging men er aanwal, en kwam heel
spoedig bij een dorp, dat er buitengewoon net en welvarend uitzag. Het
was blijkbaar de verblijfplaats van een Opperhoofd, misschien wel van
den Kazike. Niemand echter kon hun inlichtingen geven, want bij hunne
nadering waren de bewoners naar het binnenland gevlucht, en de
vrouwen, die aanboord waren, schenen niet te weten welk volk er
woonde. Slechts twee dagen vertoefde Columbus daar, en na eenigen
levensvoorraad ingenomen te hebben, werd de tocht weer voortgezet. Den
tweeëntwintigsten November zag men de kusten van een groot eiland, en
weldra bleek het, dat het Hispaniola was. De grootste vreugde
heerschte op de vloot, want dat was immers het eiland, dat men als zoo
schoon, en zoo rijk, zoo groot en zoo machtig had afgeschilderd? Hier
zouden nu mannen als De Hojeda hunne begeerte naar krijgsroem en
avonturen kunnen bevredigen. Hier weer zouden ze, als in den strijd
tegen de Mooren, zich door heldendaden onderscheiden! Hier zouden ze
het echte leven eens Ridders kunnen leiden! Voor mannen, die gekomen
waren om hunne verwarde financiën te herstellen, of eenvoudig, om van
doodarm, schatrijk te worden, zonder er veel voor te doen, was het in
het gezicht komen van het eiland niet minder eene bron van vreugde. In
hunne verbeelding zagen ze reeds het blinkende goud bij stapels voor
zich, en bouwden ze reeds in hunne gedachten kasteelen in Spanje.
Voor hen, die vol vromen ijver medegegaan waren om het Evangelie onder
de Heidenen te brengen, was de nadering van het eiland eene bron van
het hoogste genot. Hier zouden zij kerken bouwen, trotsch als de
Kathedraal van Sevilla! Hier zouden ze, aangehoord door gedoopte
Christenen, de gewijde gezangen laten weerklinken, en duizenden,
duizenden door het geloof in de Leer des Kruises tot God brengen.
Wat al verschillende redenen tot blijdschap!
En samen hadden ze nog dezelfde reden. Ze zouden weer voet aan land
kunnen zetten, niet in een onbekend land, waar verbleekte bekkeneelen
en doodsbeenderen van afschuwelijke gewoonten vertelden, maar in een
land, bewoond door landgenooten en eene bevriende bevolking.
Geene verwachting kon ooit stouter, geene verbeelding ooit sterker,
geene hoop ooit grooter zijn dan hier het geval was.
En--alles, alles viel zóó tegen, dat ons Nederlandsch: »kasteelen in
de lucht bouwen«, mogelijk dààrom wel in het Fransch luidt: »Bâtir des
Chateaux en Espagne.«
Zacht voor den wind langs de kust voortzeilende, zond Columbus eene
sloep naar den wal om den matroos, die ten gevolge van de wonde, door
den vergiftigden pijl aangebracht, overleden was, te laten begraven.
Door de inboorlingen werden ze in deze plechtigheid niet bemoeielijkt
en zelfs kwamen eenigen hunner op de vloot, om, uit naam van den
naburigen Kazike, Columbus uit te noodigen aan den wal te komen, daar
er veel goud was. Zij wisten dus, wat zoo velen herwaarts dreef, en
dat het woord »goud« op hen eene tooverachtige uitwerking had.
Columbus gaf aan die uitnoodiging geen gehoor, en stevende verder.
Drie dagen later werd in eene geschikte baai geankerd, doch toen het
volk aan den wal ging, vond het daar de geraamten van een' man en een'
jongen. De man had een koord om den hals, en de armen waren geboeid.
Men twijfelde eraan of het geene Spanjaarden waren, doch zekerheid had
men er niet voor. Den volgenden dag evenwel vond men weer twee lijken,
en nu zag men aan den knevelbaard van het eene lijk, dat men hier de
overblijfselen van Spanjaarden voor zich had.
Treurige vermoedens rezen op. Wat kon er gebeurd zijn?
»Naar La Navidad! Dan weten we het! Dan zal men ons daar mededeelen,
wat er met enkele Kolonisten geschied is.«
Zoo dacht men, en vol belangstellende nieuwsgierigheid kwam men den
zevenentwintigsten November, toen de nacht al ingevallen was, voor La
Navidad ten anker. Te laat om nu nog aan den wal te gaan, liet
Columbus door twee kanonschoten aan de Kolonisten bericht geven.
Met koortsachtig ongeduld hoopte men van het fort nu antwoord te
ontvangen, en iedereen op de vloot luisterde naar het schot, dat van
den wal moest komen.
Stil bleef het echter, stil als de tropische nacht, die hen omringde,
en die zelfs de klotsende golfjes inslaap scheen gewiegd te hebben.
Geen enkel seinlicht werd van het fort gegeven.
Niet één op de heele vloot, die niet in angstige spanning verkeerde;
niet één, die gerust ter kooi ging. Men waakte op bijna alle schepen.
Wanneer het gemoed zoo gejaagd is, slaapt men niet.
Eindelijk, stil, daar ziet men wat naderen!
Het is eene kano met inboorlingen bemand, en een dezer vraagt naar den
Admiraal, en als men hun de »Marie Galante« heeft aangewezen,
verdwijnt de kano in de duisternis om het Admiraalsschip te bereiken.
Columbus staat op het dek, en laat door den eenigen tolk, dien hij nog
aanboord heeft, vragen wat het doel hunner komst is.
»Wij willen den Admiraal spreken,« luidt het antwoord, en als Columbus
zegt, dat hijzelf de Admiraal is, gelooven ze hem niet, vóór de
bemanning toortsen ontsteekt om zijn gelaat te verlichten.
Thans herkennen ze hem, en deelen ze mede welke de redenen van hunne
komst zijn. De tolk verstaat hen slechts gebrekkig, doch Columbus komt
toch te weten, dat van La Navidad niets meer over, en dat er van de
Spanjaarden niet één meer in leven is. Ziekten hadden enkelen ten
grave gesleept; in onderlinge twisten waren velen gestorven, en ten
slotte had de machtige Kazike Caonabo de zwakke sterkte met de gedunde
bezetting overvallen, en gedood, wie van de Kolonisten, na ziekten en
twist, nog in het leven gebleven waren. Maar trouw was de Kazike
Guacanagari den Spanjaarden gebleven tot het einde, en zelfs was hij
in den strijd tegen Caonabo zoo gewond geworden, dat hij onmogelijk
komen kon om zijn' vriend, den Admiraal, welkom te heeten en alles te
vertellen.
Treuriger tijding hadden de Spanjaarden wel niet kunnen ontvangen, en
slechts één lichtpunt was er in dit alles voor Columbus, dat de
inboorlingen en de Kazike, waarmede hij vriendschap gesloten had, hem
niet ontrouw geworden waren, of aan laag verraad zich hadden schuldig
gemaakt.
Had hij niet in het reis-journaal van den eersten tocht, hetwelk voor
de Monarchen bestemd was, geschreven: »Deze lieden zijn zoo
liefderijk, zoo handelbaar en zoo vreedzaam, dat ik voor Uwe
Majesteiten zweer, dat er geene betere menschen op de wereld zijn, en
geen beter land is. Zij beminnen hunne evenmenschen als zichzelven.«?
Hoewel Columbus van grootspraak en oppervlakkigheid in dat journaal
niet vrij te pleiten is, had hij deze woorden toch naar waarheid en
stellig met zijn heele hart geschreven.
Wat de Afgezant van Guacanagari mededeelde, bevestigde hem in zijn
geloof aan de oprechte trouw van den Kazike en de zijnen. La Navidad
mocht dan verwoest, de Kolonisten mochten gedood zijn, niet alles was
verloren, en veel kon nog goed gemaakt worden.
Des morgens vroeg liet Columbus zich aan den wal brengen, waar hij van
de waarheid der mededeeling dadelijk overtuigd werd, doch hoe alles in
zijn werk gegaan was, vernam hij natuurlijk niet. Eerst later, als hij
Guacanagari,--die denkelijk zich maar hield, alsof hij gewond was, om
bij Columbus niet in verdenking te komen,--zelf gesproken had, zou hij
weten, dat de achtendertig mannen, die hij onder bevel van Don Arada
achtergelaten had, al heel spoedig na het vertrek van den Admiraal
toonden, dat men het ongebonden leven, hetwelk men in Spanje geleid
had, wilde voortzetten. Dat kon gemakkelijk immers? Guacanagari en
zijne onderdanen waren toch de goedheid zelven? Ja, dat waren ze,
zoolang de Spanjaarden zich gedroegen als »hoogere wezens«, waarvoor
de eenvoudige inboorlingen hen aanvankelijk hielden. Maar toen ze door
hun laaghartig gedrag, hun ongestoord toegeven aan dierlijke driften
en hunne onverzadelijke begeerte naar goud toonden, dat ze in deugden
verre beneden de Indianen stonden, verloren ze den stralenkrans der
heiligheid en verhevenheid, die bij de onnoozele bewoners tot eerbied
en ontzag gedwongen had, en vonden ze in iederen Indiaan een' vijand,
die hen slechts onderdanig bleef, omdat hij wel wist, dat ze door
hunne geweldige oorlogswapenen de overmacht hadden. Anders dacht
Caonabo, de fiere en dappere Kazike van Cibao, er over. Hij liet de
Spanjaarden, die in driesten overmoed rondzwierven, den een na den
ander overvallen en worgen, en toen ziekten de gedunde gelederen der
bezetting teisterden, en Don Arada, òf reeds gesneuveld, òf ziek was,
en dus geene macht meer kon uitoefenen, liet hij La Navidad
overrompelen, uitmoorden en vernielen.
Zóó treurig was het uiteinde van de eerste Kolonie in de Nieuwe
Wereld.
Allerminst mocht men Columbus hiervan een verwijt maken. Men kon geene
vijgen van distelen lezen, en iedereen, die nadacht, zou tot de
overtuiging komen, dat alleen het lage, zedelijke gehalte van het
volk, waarvan hij zich had moeten bedienen, de oorzaak van alles was.
Toch besefte Columbus al te goed dat die ongelukkige afloop van zijne
eerste onderneming koren op den molen zijner tegenstanders was, en dat
zij er wel wapenen uit zouden weten te smeden, om hem bij de Monarchen
in gunst te doen dalen. Maar, klagen hielp niet; hij moest handelen.
Hij moest, wilde hij niet in ongenade vallen en daardoor het heele
doel van zijn leven voor goed verliezen, zich met kracht boven de
slagen van het noodlot verheffen. Hij deed dit, maar, niet altijd
waren de middelen om zijn gezag staande te houden, en zich in zijne
hooge betrekking te handhaven, edel te noemen.
Zijn eerste werk was nu aan den wal te gaan om zijn' trouwen vriend en
bondgenoot Guacanagari een bezoek te brengen. Deze lag, door zijne
vrouwen omringd, in een hangbed, en was op het gezicht van den
Admiraal zeer bedroefd. Hij betuigde alles gedaan te hebben, wat in
zijn vermogen was, om den noodlottigen afloop te keeren, en om te
bewijzen hoe genegen hij den Admiraal was, liet hij hem mooie steenen,
eene gouden kroon en eenige kalebassen vol stofgoud geven. Een der
Spanjaarden, die Arts was, drong er nu op aan om de wonde van het
been, dat geheel omwikkeld was, te onderzoeken, doch toen men de
windselen losgemaakt had en geene enkele wonde vond, vertelde de
Kazike, dat hij niet gewond was geworden, maar dat men een' steen
tegen zijn been gesmeten had. Toen hij de plek waar de steen hem trof,
had aangewezen, en de Arts dat plekje, waar ook niets te zien was,
aanraakte, schreeuwde hij het uit van pijn.
Pater Boyle, een der aanwezige Spanjaarden, beschouwde de heele
handelwijze van den Kazike, en denkelijk niet ten onrechte, als
komedie-spel, en stelde Columbus voor, op Guacanagari en al de
inboorlingen eene bloedige wraak te nemen. Columbus echter wilde in
Guacanagari's gedrag geen komedie-spel zien en bleef hem zijn
vertrouwen schenken. Dit zette bij Pater Boyle en de meeste
Spanjaarden kwaad bloed. Als vreemdeling was hij met de gevallenen
niet verbroederd; hun treurig uiteinde liet hem koud; hij was geen
man, die wat gevoelde voor Castiliaansche eer! En--toch waren ze
verplicht hem, den vreemdeling, den »Liguriër«, te gehoorzamen! Ja,
men zou hem gehoorzamen, zoo lang ongehoorzaamheid gevaarlijk was,
langer niet.
Merkwaardig genoeg vergezelde Guacanagari Columbus nog denzelfden dag
naar de vloot, zonder, naar het scheen, eenig ongemak van zijn been te
hebben. Een' grooten indruk van de Spaansche macht gaven hem de
gevangen Caraïben, want een volk, dat deze gevreesde vijanden durfde
wederstaan en kon overwinnen, was machtiger dan iemand anders. En dan
die paarden daar aanboord der schepen! Nog nimmer had hij zulke groote
dieren gezien! Toch waren ze onderworpen aan die Blanken! Hoe groot
moest niet hunne macht zijn! Maar trots dat alles, de Kazike had te
veel van de Kolonisten gezien, om nog te gelooven, dat de Blanken
bovenaardsche wezens waren, en mocht hij vroeger ook al getoond
hebben, dat hij den Christelijken godsdienst niet ongenegen was, nu
dacht hij er anders over, en niet zonder tegenstand geboden te hebben,
liet hij zich door Columbus een Heiligen-beeldje om den hals hangen.
Die handelwijze van den Kazike verbitterde allen, die gekomen waren om
de leer des Evangelies te prediken, en niet het minst Pater Boyle.
Gaarne had Columbus den Kazike dien nacht aanboord willen houden, doch
dit gelukte hem niet, hoewel het Opperhoofd buitengewoon aangetrokken
werd door de schoonheid van Catalina, eene der vrouwen, die op de
Caraïbische Eilanden bescherming op de vloot gezocht en ook gevonden
hadden, doch die geheel als gevangenen beschouwd en behandeld werden.
Toen de Kazike het Admiraalsschip verlaten had, bleven de Spanjaarden
in een soort van besluiteloosheid ook aanboord, en toen ze den
volgenden morgen aanwal gingen, bemerkten ze onder de inboorlingen,
die zich vertoonden, volstrekt niets van de hartelijkheid, die
Columbus zoo hoog geprezen had. Er was blijkbaar te veel gebeurd, dat
den eenvoudigen Indianen vrees voor de Spanjaarden inboezemde. Tegen
den avond kwam de broeder van Guacanagari weer aanboord bij Columbus
en onderhield zich geruimen tijd met Catalina en hare medegevangenen.
Hij verliet op de gewone wijze het schip en des nachts wisten de
vrouwen overboord te springen en zwemmende den wal te bereiken. Toen
Columbus den volgenden dag bij Guacanagari de vluchtelingen wilde
laten opeischen, vond men den Kazike nergens. Hij was, althans voor
het oogenblik, den Spanjaarden ontweken, en velen, die met Columbus
hem aanvankelijk voor onschuldig hielden aan de gepleegde gruwelen,
begonnen hem nu ook te verdenken. Guacanagari, wiens gedrag tegenover
de eerste Kolonisten nimmer opgehelderd is, kan aan den moord
onschuldig geweest zijn, doch niet tegen te spreken valt het, dat hij
handelde, alsof zijn geweten niet zuiver was, en eenigszins te
bevreemden was het, dat Columbus, trots dit alles, geen oogenblik het
volste vertrouwen in hem verloor.
Dit vertrouwen belette evenwel niet, dat de Admiraal besloot om eene
nieuwe sterkte niet op de plaats van het verwoeste La Navidad te
bouwen. Niet al de Kolonisten toch waren vermoord, maar velen waren
gestorven aan ziekten, die aan deze streek eigen bleken te zijn,
vooral ook, omdat ze vrij laag en moerassig was. Er werd dus eene
betere gelegenheid gezocht, en deze vond hij oostelijk van de oude
nederzetting aan eene ruime baai, die eene vrij hoog gelegen
landstreek bespoelde, welke bovendien in de nabijheid lag van Cibao,
welk binnenland hem reeds op de eerste reis aangewezen was, als het
land, waar veel goud te vinden was.
Zoodra Columbus nu besloten was, hier eene stad te bouwen, liet hij de
schepen lossen en met het medegebrachte werkvolk begon hij den arbeid.
Het werk vorderde bijzonder goed, maar--het klimaat bleek voor zwaren
arbeid niet geschikt, en elken dag kwamen er onder het werkvolk nieuwe
zieken. Columbus zelf werd door overspanning ook ziekelijk, en toen
hij, om de stad klaar te krijgen, bijna iedereen bevel gaf om te
arbeiden, ondervond hij van alle kanten zooveel tegenwerking en
ontevredenheid, dat hij er zwaarmoedig onder werd. Die tegenstand en
ontevredenheid waren te verwachten geweest. Van het oogenblik af, dat
de twee kanonschoten door La Navidad niet beantwoord werden, was de
teleurstelling gekomen, en niets werkt de ontevredenheid en het verzet
meer in de hand dan juist teleurstelling.
En nu moeten gaan werken! In Spanje had geen enkele Ridder ooit het
werk van een' ambachtsman, of den arbeid van een' werkman verricht.
Een Ridder was een man van het zwaard, niet een man van het
gereedschap. Het laatste was voor een' Ridder eene vernedering.
Om schop en spade te hanteeren, daarvoor was de berooide koopman, die
zich even goed een' Hidalgo gevoelde als de voornaamste Edelman, niet
over zee gegaan. Hij was er heen getrokken om goud te verzamelen en
hiermede zijne verwarde geldmiddelen te herstellen.
Om te arbeiden, als een daggelder, was ook de Geestelijke niet naar
die onbekende streken getogen. Hij was gekomen om het Kruis onder de
Heidenen te prediken. Het was er verre af dat men dit doen kon.
Maar, voorloopig zweeg Ridder, Koopman, Geestelijke. Er werd gearbeid,
doch onder voortdurend mokken, en niemand deed iets meer dan hij
moest. Eindelijk was de stad, door Columbus naar zijne Beschermster
»Isabella« genoemd, zoo goed als voltooid. Er was niet alleen eene
kerk, maar ook een paleis voor den Onderkoning en er waren magazijnen
voor levensmiddelen, kleederen en oorlogsbehoeften. Vooral met het oog
op de levensmiddelen, die niet door de inboorlingen aangebracht
werden, diende men ook den vruchtbaren grond te bebouwen. De
inboorlingen zelven leefden buitengewoon matig, en maakten zeer weinig
werk van den landbouw. Dit voorbeeld schenen ook de Spanjaarden te
willen volgen, althans er werd aan het zaaien niet veel gedaan, en,
eerlijk gezegd, daarvoor stonden hunne handen geheel verkeerd. Men had
er, bij het uitzenden der vloot, niet aan gedacht om boerenarbeiders
te laten medetrekken. Dat was immers ook niet noodig, want de bodem
was ongekend vruchtbaar en de inboorlingen waren de vriendelijkheid en
behulpzaamheid in persoon? De treurige gevolgen van die zorgeloosheid
bij het uitrusten der vloot en de volslagen lusteloosheid, die thans
onder de nieuwe Kolonisten, die door koortsen en ziekten verzwakt
waren, heerschte, zouden niet achterblijven.
Intusschen werd het ook meer dan tijd dat de schepen, die hunne lading
gelost hadden, voor een deel terugkeerden naar Spanje. Die schepen,
dat begreep ieder, en niet het minst Columbus, werden in de Spaansche
havens terug verwacht met een ongeduld, dat evenredig was aan de
geestdrift, waarmede zij uitgezonden waren. Columbus zelf had in die
blijde verwachting gedeeld. Te La Navidad de Kolonisten vroolijk
begroeten, de schepen lossen en terstond weer bevrachten met den
onnoemlijk grooten voorraad van goud en zeldzaamheden, door diezelfde
Kolonisten verzameld, dit was zijn plan. De rijkdommen en
heerlijkheden der ontdekte landen zouden in Spanje iedereen uit het
vol geladen scheepsruim tegenblinken.