weer terug te keeren, niet alleen om verslag van zijne ontdekkingen te
doen en de belooningen te ontvangen, welke hij geëischt had, maar ook
om nieuwe schepen te krijgen. Met de kleine »Nina« kon hij niets van
belang uitvoeren, en bovendien, waar moest hij al het volk bergen en
wáár alles laten, wat op de »Santa-Maria« geweest was?
Als hij hier eens eene sterkte liet bouwen en een deel van de
bemanning achterliet, als bezetting? De kanonnen, het kruit, de kogels
en de wapenen, die op de »Santa-Maria« geweest waren, konden dan in
het fort blijven, en de »Nina« kreeg daardoor laadruimte vrij, en deze
had hij hard noodig. Hij wilde toch aan Ferdinand en Isabella een en
ander uit die vreemde wereld laten zien. Ze zouden hem dan beter
gelooven, en zijn' tegenstanders zou hij er het zwijgen door opleggen.
Hij deed Guacanagari dit voorstel en vol vreugde nam deze het aan,
waarop men terstond aan het bouwen ging van het houten fort. De
onnoozele Haïtiërs, door den Kazike onderricht, welk een groot
geschenk de »Zonen der zon« hun geven wilden, hielpen met alle macht
aan den bouw mede, en binnen een paar dagen was het fort, dat van
Columbus den naam van »La Navidad« kreeg, voltooid. Om te laten zien
welk eene uitwerking het geschut had, liet Columbus een paar kanonnen
afschieten. Doodelijk verschrikt zagen de Haïtiërs welke vreeselijke
verwoestingen de kogels konden aanrichten, maar ze begrepen ook, dat
ze onder bescherming van zulke wapenen tegen de Caraïben volkomen
bestand waren.
Zoo ongemerkt had de »Nina« toch nog al eene vrij rijke lading
ingekregen, welke lading nog in waarde won door het vreemde waaruit ze
bestond, want wat Columbus ook van de Westkust van Afrika te Lissabon
had zien binnenkomen, en wat hij ooit in Genua gezien had, dat uit de
Indiën aangevoerd was, nooit had hij gezien, wat hij aanboord had, en
zijn volk ook niet.
Toch bleef Columbus standvastig in zijn geloof, dat hij de Indiën
gevonden had, al weersprak dit ook bijna de heele lading. Het moet
inderdaad vreemd genoemd worden, dat Columbus zelf dat niet inzag.
Veertig mannen, die zichzelven daartoe vrijwillig aangeboden hadden,
liet hij als bezetting van »La Navidad« achter, en den vierden Januari
van het jaar 1493 verliet de »Nina«, onder het gebulder der
saluutschoten, het heerlijke eiland Haïti of Hispaniola, met zijne
hartelijke bewoners.
Twee dagen na zijn vertrek ontmoette Columbus de »Pinta«, die, zooals
later bleek, een' vruchteloozen tocht gedaan had. Columbus deed, alsof
hij de verontschuldigingen van Martin Pinzon aannam, en zeilde langs
Haïti verder, hier en daar nog eenige baaien binnenloopende, om
ruilhandel te drijven, en ten slotte om zich van een' goeden voorraad
cassave-brood en water te voorzien.
Den zestienden Januari staken de »Nina« en de »Pinta« den Oceaan in,
doch nu op eene hoogere breedte dan ze gekomen waren, zeilden ze het
Oosten in.
Aanvankelijk was de wind voor den terugkeer niet gunstig, doch daar
het weder voortdurend goed en zonnig was, maakte niemand zich
ongerust. Langzaam stak men de breede wateren over, en reeds had men
de Azorische Eilanden in het gezicht, toen de twee schepen door een'
woedenden storm overvallen werden. Dagen lang werden de vaartuigen
heen en weer over de baren geslagen. De »Nina«, een oud en slecht
schip, liep het grootste gevaar, en, alsof het werk sprak, van de
»Pinta« was geene hulp te verwachten, want die was alweer verdwenen.
Vergaan was ze niet, dat wist ieder van Columbus' mannen, die evenwel
geen van allen gissen konden, dat Martin Alonzo Pinzon ten tweeden
male opzettelijk de »Nina« verlaten had.
Columbus echter doorgrondde dien man volkomen. Martin zou beproeven,
met zijn sterk schip Spanje te bereiken, want de »Nina« moest, naar
zijne meening, stellig vergaan. Dan zou Martin ten Hove ijlen, en daar
mededeelen, dat hij, en niet Columbus, de Indiën op de westelijke
vaart gevonden had.
Nu, _moest_ de »Nina« vergaan, dan zou ook de Admiraal zijn graf in de
golven vinden, en hij zou er geene schade bij kunnen hebben, als een
ander de eer der ontdekking zich toeëigende.
Maar Columbus was bij al zijne deugden zeer eerzuchtig, en hij wilde,
dat ook na zijn' dood zijn' naam met eere zou genoemd worden door
Spanjaard en vreemdeling, door vrienden en tegenstanders.
Of die eerzucht alleen sprak?
Columbus was ook Vader, en hij had te Cordova op eene der
kloosterscholen zijne twee zoons achtergelaten om hen op te voeden en
te onderrichten in alle wetenschappen, en wanneer nu een ander de eer
kreeg, de Indiën gevonden te hebben, wat zou er dan van zijne kinderen
worden?
Neen, bij al de eerzucht, die hem beheerschte, sprak ook de
Vaderliefde, die hem bezielde, en die Vaderliefde denkelijk nog wel
het meest.
Hij haalde het Journaal, dat hij voor Ferdinand en Isabella zoo trouw
bijgehouden had, nam er, onder het schommelen en slingeren van het
machtelooze schip, een afschrift van, en schreef daaronder een roerend
slot, een afscheid aan de wereld. Hij deed dit op perkament, wikkelde
het in eene waterdichte stof en verzegelde het. Daarop liet hij het in
eene ton kuipen en--het werd aan de golven toevertrouwd. Het
origineele Journaal werd op dezelfde wijze ingepakt en in eene ton
gedaan, welke aanboord bleef. Verging de »Nina«, deze ton zou óók
drijven, en waar uit de »Indiën« zoo menigmaal voorwerpen op Madeira
of Porto-Santo waren aangedreven, daar zou toch wel ééne van die twee
tonnen ook in handen van Europeanen komen.
Deze maatregelen van voorzorg waren evenwel niet noodig geweest. De
storm bedaarde, en hoewel met zware averij, de »Nina« bleef behouden.
Ze kwam op het eiland Santa-Maria aan, en velen der bemanning
verlieten daar het schip, om in de Kerk God voor hunne redding te
danken. De Portugeesche Gouverneur, meenende, dat de Spanjaarden naar
Guinea geweest waren, waar ze volgens het besluit van den Paus niet
mochten komen, liet deze mannen gevangennemen, doch toen Columbus de
zaak opgehelderd had, werden ze weer vrijgelaten en de terugreis werd
voortgezet. Andermaal werd echter, den derden Maart, de »Nina« door
een' vreeselijken storm aangevallen, en de Admiraal was genoodzaakt de
Taag binnen te loopen. Zoo was hij dan andermaal te Lissabon, waar
zijne komst alle gemoederen in beweging bracht, vooral toen men zag,
niet alleen welke waren en handels-artikelen, maar ook welke vreemde
menschen en dieren hij aanboord had.
Al heel spoedig ontwaarde Columbus, dat de Portugeezen heel ontstemd
waren, dat de Spanjaarden den weg door het Westen naar de Indiën
gevonden hadden. Eenige aanzienlijke mannen sloegen Koning Johan II
zelfs voor, den gehaten Columbus te overvallen en te dooden, doch de
Koning, hoeveel spijt hij ook mocht hebben, dat hij indertijd
Columbus' voorstel niet aangenomen had, wilde van zulk eene
laaghartige handelwijze niets weten. Integendeel hij vereerde den
moedigen en stouten ontdekker eene som van twintig ducaten, die hij
aan den Stuurman der »Nina« moest uitkeeren, en den dertienden Maart
vertrok Columbus uit Lissabon. Twee dagen later kwam hij te Palos aan.
Het was de vijftiende Maart van het jaar 1493, en ontegenzeglijk mag
deze datum een der merkwaardigste uit de Spaansche geschiedenis
genoemd worden. Niet zoodra was het schip in het gezicht, of het heele
stadje liep naar de haven.
Nauwelijks lag het schip aan den wal gemeerd, of Columbus gaf gehoor
aan den aandrang van zijn vroom gemoed. Gevolgd door zijne
schepelingen begaf hij zich terstond naar de kerk om God voor Zijne
bescherming te danken. Spoedig was bekend geworden, dat Columbus de
Indiën werkelijk ontdekt had, en de heele stad werd vervuld van het
gejuich der opgetogen bewoners. Alle werkzaamheden werden gestaakt; de
handelaars sloten hunne winkels, en, als op een' hoogen feestdag,
werden alle klokken geluid. Geen' Koning kon meer eer bewezen worden
dan Columbus tendeel viel.
Het eerste werk van den Admiraal, welke titel hem nu ten volle
toekwam, was te vernemen, waar het Hof zich thans ophield, en toen hem
gezegd was, dat de Koning en de Koningin zich te Barcelona bevonden,
was hij aanvankelijk van voornemen om met de »Nina« er heen te zeilen.
Daar het vaartuig op de reis echter veel geleden had, zag hij van dat
plan af, en besloot hij, de reis naar de residentie over land te
maken. Aan den avond van denzelfden dag kwam ook de »Pinta« te Palos
aan. Voortgejaagd door den storm, of met opzet Columbus
vooruitgezeild, was Martin Alonzo Pinzon toch zóó afgedwaald, dat hij
te Bayonne in Frankrijk aangekomen was. Terstond stuurde hij eene
boodschap naar Koning Ferdinand om dezen bekend te maken, dat de
Indiën gevonden waren, en hem meteen te vragen of hij aan het Hof
komen mocht om verslag van de ontdekking te doen. Of Pinzon nu
werkelijk geloofde, dat Columbus en de zijnen in den storm omgekomen
waren, dan wel of hij de eer der ontdekking zich wilde toeëigenen, is
nog altijd de vraag. De vreemde handelwijze van dezen Pinzon doet
evenwel het vermoeden aan de hand, dat hij Columbus onderkruipen
wilde. Koning Ferdinand, die waarlijk den Genuees niet al te zeer
genegen was, schijnt ook begrepen te hebben, dat Pinzons handelwijze
niet in den haak was, want hij liet hem weten, dat hij wel aan het Hof
verschijnen mocht, doch alleen in het gevolg van den Admiraal. Zoo nu
deze Pinzon hoopte toch nog voor den Koning te zullen verschijnen, als
ontdekker van de Indiën, omdat Columbus omgekomen was, dan zal die
hoop wel dadelijk verdwenen zijn, toen hij des avonds te Palos kwam,
en daar niet alleen de »Nina«, maar ook den Admiraal vond. Hij trok,
naar het schijnt, zijn' tegenspoed zich zóó aan, dat hij kort daarop
stierf.
Nauwelijks van de vermoeienissen uitgerust, begaf Columbus zich nu
over Sevilla op reis naar Barcelona. Dat moet voor den man een
onvergetelijke tocht geweest zijn, want overal waar hij doortrok, werd
hij als een machtig Koning ontvangen. Niet te ontkennen is het, dat
Columbus zelf aan zulk eene ontvangst medewerkte, want al wat hij in
die vreemde gewesten gevonden en naar Spanje medegebracht had, werd
voor hem uitgedragen. Zelfs zes Indianen openden den tocht, en hadden
met hunne beschilderde of gekleurde huid, en hun hoofdtooisel van
vogelvederen buitengewoon veel bekijks.
[Illustratie: Ontvangst van Columbus in Barcelona.]
Het is eigenaardig, dat men zich altijd vergist heeft met te beweren,
dat de oorspronkelijke bewoners van Amerika geboren roodhuidige
menschen zijn. Dr. H. F. C. Ten Kate Jr. zegt in zijn »Reizen en
onderzoekingen in Amerika«: »Eens en voor al moet ik hier wijzen op de
onjuistheid der benaming »Roodhuiden«, eene benaming, die niet alleen
zeer populair is, maar die zelfs haar' weg in wetenschappelijke werken
heeft gevonden. De Indianen hebben geene roode huid, evenmin als
Hindoes, Javanen, Maleiërs of Polynesiërs, en ik geloof, dat men
veilig kan aannemen, dat de Noord-Amerikaansche Indianen al de
huidschakeeringen hebben van de zoo even genoemde rassen, en dikwijls
zelfs lichter van kleur zijn. Bij de Moqui- en Zuïn-Indianen heb ik
vrouwen gezien, die eene lichtere gelaatskleur hadden dan menige van
hare zusters in Zuid-Europa. Het is echter de gewoonte, die bij zeer
vele Indiaansche stammen bestaat, om zich het gelaat gedeeltelijk met
eene roode kleurstof in te smeren, die den onjuisten naam »Roodhuiden«
in zwang heeft doen komen.«
Wie zou na het lezen van Coopers en Aimards werken gedacht hebben, dat
er geene geboren »Roodhuiden« waren!
Met dat al verschilden de Indianen toch zooveel van de Spaansche
bevolking, dat ze iedereen terstond in het oog vielen, en dat ze zelfs
hem, die nu nog niet gelooven kon, dat Columbus vreemde landen in het
Westen gevonden had, terstond overtuigden, dat het land, dat zulke
menschen zag geboren worden, een onbekend land moest zijn. Dat bewezen
ook de dieren, die in den optocht waren, en vooral de bonte papegaaien
verkondigden door hunne prachtige vederen, dat ze uit vreemde streken
kwamen.
Eindelijk naderde Columbus met zijn gevolg Barcelona, en zoodra dit
den Koning en de Koningin bericht was, begaven ze zich naar het groote
marktveld, waar men alles voor Columbus' plechtige en schitterende
ontvangst had laten gereedmaken. Het Vorstelijk paar nam op eene
tribune plaats, en ten aanschouwe van duizenden nieuwsgierigen mocht
Columbus zich bij Ferdinand en Isabella neerzetten om verslag van
zijne reis te doen. Hoogere eer kon Columbus al niet bewezen worden,
dan te mogen _zitten_ in het bijzijn van zijne Monarchen. Geen wonder
dat dit eerbewijs onzen Columbus onder de trotsche Spaansche
Edellieden nog meer vijanden bracht dan hij reeds had. Tegenover dien
vreemdeling te moeten erkennen dat men zich vergist had, toen men zijn
plan eene hersenschim noemde, was al erg genoeg, en dan nog te moeten
zien, dat hem een voorrecht vergund werd, hetwelk den meesten onder
hen nimmer verleend zou worden, dat was om de ergernis ten top te doen
stijgen. Columbus' vijanden waren evenwel zoo wijs om in die eerste
dagen van algemeene geestdrift te zwijgen. Ze begrepen, dat ze hem dan
nog meer tot den man van den dag zouden maken. Ze kenden Koning
Ferdinand ook te goed, om niet te weten, dat diens geestdrift voor den
Genuees spoedig genoeg bekoeld zou zijn, en daarom zouden ze hun' tijd
wel afwachten. De latere lotgevallen van Columbus zullen bewijzen, dat
zijne vijanden volkomen hun doel bereikten. Ze mochten nu ook al niet
doen, als de vereerders van den »Liguriër«, en hem op alle mogelijke
wijzen vleien en verheerlijken, ze mochten hem zelfs zoo nu en dan in
het geheim doen gevoelen, dat ze hem haatten en minachtten, in het
openbaar hielden ze zich, alsof zij volkomen eenstemmig over Columbus
dachten, als alle anderen. Of Columbus zich door hen liet verschalken,
het is niet te denken. Maar hij trok er zich niets van aan, want de
Koning en de Koningin hadden hem in al de bedongen waardigheden
bevestigd. Hij was »Admiraal van den Oceaan« en »Onder-koning van de
Indiën«. En zóó hoog geplaatst, zóó dicht bij den troon staande, en
zóó gesteund door duizenden en duizenden uit het volk, gevoelde hij
zich tegen alle aanslagen bestand. Dat wie hoog geklommen is, laag
vallen kan, bedacht hij niet, en hieraan kon hij ook niet denken. Niet
door vleierij, niet door slaafsche onderworpenheid, maar door
grootsche daden had hij dat hooge standpunt bereikt, en--deze daden en
die, welke hij nog verrichten zou, ze zouden hem handhaven in zijne
waardigheden, want daden vielen niet weg te cijferen. De geschiedenis
meldt die gedachten van Columbus niet, maar uit alles, wat hij een
tijdlang deed, blijkt het dat hij aan geen »laag vallen« dacht.
Het groote nieuws dat de weg naar de Indiën door Columbus gevonden was
door het Westen in te zeilen, verspreidde zich als een loopend vuurtje
door al de landen van Koning Ferdinand en Koningin Isabella. Had het
plan van Columbus bijna allen onverschillig gelaten, nu het bleek, dat
het plan uitgevoerd was, en dat men, het Westen inzeilende, werkelijk
in de Indiën kwam, zag men die onverschilligheid opeens verdwijnen en
plaats maken voor de begeerte om in die verre landen Ridderlijke
avonturen na te jagen, of zich te verrijken met het goud, dat er in
overvloed was. Vooral de Spaansche Edelen, die eeuwen lang in een'
voortdurenden strijd, of, als er geen oorlog was, in veete met de
Mooren geleefd hadden, waren geboren »mannen van wapenen«. Nu waren de
Mooren geheel onderworpen, en de meeste Ridders liepen zich op hunne
landgoederen vervelen. De Indiën brachten uitkomst; dáár konden ze den
wapenroem van zichzelven en hun geslacht door nieuwe heldendaden
vermeerderen en verhoogen.
»Wapenroem? Bah!« zoo dachten de kooplieden, wier zaken in wanorde
waren, of zij, die zonder veel moeite en bijna zonder werken,
schatrijk wilden worden. Het woord »goud« bracht hen in verrukking, en
deed bij hen de begeerte ontstaan om te trekken naar die vreemde
gewesten.
Overal kwam leven, overal beweging, overal een verlangen, om, onder
aanvoering van Columbus, naar de Indiën te gaan, om daar ridderlijk te
kampen, gemakkelijk rijk te worden, of om het Evangelie onder de
Heidenen te verkondigen. Geen wonder was het dus, dat er nu met spoed
aan eene nieuwe uitrusting gewerkt werd. En thans zouden het geene
drie scheepjes zijn, tendeele bemand met booswichten, dieven en
moordenaars! Neen, eene vloot zou men in zee brengen, en deze vloot
zou bemand worden met de keur van Castiliës Edelen, met de kundigste
zeelieden en met de meest berekende handelaars. Vrome en ijverige
Monniken en Geestelijken zouden medegaan, en misplaatste spaarzaamheid
zou niet aan het woord zijn, waar het gold de vloot van alles te
voorzien.
De slimme Koning Ferdinand echter trachtte ondertusschen zich van de
ontdekte landen niet alleen te verzekeren, maar ook alle andere volken
den pas af te snijden, om door het Westen heen naar de Indiën te gaan.
Een Pauselijke bul was daartoe voldoende, en daar Paus Alexander VI
Borgia, een geboren Spanjaard was, en op het oogenblik zelfs in Spanje
vertoefde, zoo repten Ferdinand en Isabella zich om van die schoone
gelegenheid gebruik te maken. De Paus, die als een groot Staatsman
bekend staat, begreep dat het verstandig was om zich naar de begeerten
van de beide Monarchen te schikken, en door eene bul van den derden
Mei 1493, en nog door eene andere van den volgenden dag bepaalde hij,
dat alle ontdekkingen, die door de Spanjaarden in het Westen zouden
gedaan worden, uitsluitend aan de Kroon van Spanje zouden behooren.
Eene denkbeeldige lijn, die op honderd Spaansche mijlen afstands ten
Westen van de Azorische Eilanden en van pool tot pool liep, zou de
grensscheiding zijn tusschen Oost en West, wat in dit geval beduidde:
tusschen Portugal en Spanje. Naar den zin van den Portugeeschen Koning
was dat niet. Het schijnt dat deze begreep, dat die lijn niets te
beduiden had, en er nog eene tweede noodig was. Immers, als hij het
Oosten ingaande ook de Indiën vond, en hij vertrouwde dat dit gebeuren
zou, dan moesten, het kon niet anders, Spanjaarden en Portugeezen op
een bepaald punt der ronde Aarde elkander naderen? Hij wendde derhalve
allerlei pogingen aan om die denkbeeldige grenslijn op te heffen. Dit
gelukte hem evenwel niet, en hij kreeg alleen gedaan, dat bij eene bul
van den zevenden Juni 1494 die grenslijn verlegd werd tot op
driehonderd zeventig Spaansche mijlen afstands ten Westen van de
Kaapverdische Eilanden.
Tot die beslissing hadden de Spaansche Monarchen echter niet gewacht
met het uitzenden van Columbus op een' tweeden ontdekkingstocht, en
toen die grenslijn verlegd werd, was Columbus reeds lang andermaal in
de Nieuwe wereld. Op die tweede reis willen wij hem volgen.
HOOFDSTUK VII.
LASTER EN NAIJVER.
Zoodra de eerste gunstige beschikking door den Paus genomen was, begon
men alle krachten aan het uitrusten der vloot te wijden, en weldra
lagen in de haven van Cadiz drie groote koopvaardijschepen en veertien
karveelen te wachten op--geschikte manschappen. Twaalfhonderd mannen
zouden medegaan, doch de aanvragen om mede te mogen trekken, waren zóó
talrijk, dat men er nog driehonderd man bij deed. Ongelukkig genoeg
waren onder die vijftienhonderd menschen slechts zeer weinigen, die
zeeman van beroep konden genoemd worden, en daar de matrozen zich niet
zoo gemakkelijk lieten vinden als de avonturiers, zoo werd het nog de
vijfentwintigste September 1493 eer Columbus kon uitzeilen. Gedurende
dien tijd had Columbus reeds menigmalen tegenwerking ondervonden.
Koning Ferdinand had Don Juan Rodriguez De Fonseca benoemd om toezicht
op de uitrusting te houden en meteen voor het welbesteden van het geld
te zorgen. Fonseca behoorde tot de geheime tegenstanders van Columbus,
en eer deze uitzeilde, was het over de bezoldiging van het
schitterende gevolg des Admiraals tot onaangenaamheden gekomen, daar
Fonseca en de Betaalmeester, Don Juan De Soria, die bezoldiging
weigerden uit te betalen. Koningin Isabella bleef hem in deze netelige
omstandigheden, die tot groote moeielijkheden aanleiding konden geven,
trouw ter zijde staan, zoodat Columbus triumfeerde, en zich machtig
genoeg gevoelde om zijn' tegenstanders trotsch het hoofd te bieden.
Terstond na zijn vertrek richtte Columbus den koers naar de Kanarische
Eilanden. Bij Gomera, op Groot-Kanarië, werd het anker uitgeworpen.
Men voorzag daar de vloot van versch water en brandhout, nam er
kalveren, geiten, schapen en varkens aanboord, en zorgde meteen om
zich te voorzien van allerlei zaden van planten, met het oogmerk, om
die dieren en planten naar de Indiën over te brengen. Toen de vloot
gereed was om het Westen in te stevenen, gaf Columbus aan iederen
Scheepsbevelhebber een' verzegelden brief, met last, dien slechts te
openen, wanneer zijn schip van de overige schepen afgedwaald was. In
dien brief zou hij dan kunnen zien hoe hij varen moest om op het
eiland Hispaniola aan te komen. Er ligt iets geheimzinnigs in deze
handelwijze van Columbus, dat eenige opheldering behoeft. Columbus
wilde de _wegwijzer_ blijven, om aan de Spanjaarden de gelegenheid te
ontnemen, op eigen hand op ontdekkingen uit te gaan en zich daardoor
bij de Monarchen verdienstelijk te maken. Deze mededingers zouden voor
het behoud zijner hooge waardigheid gevaarlijk worden, en dat er vele
Edelen aanboord waren, die hem gaarne den voet lichten zouden, wist
hij maar al te goed, en zijn broeder Diego, die hem op deze reis
vergezelde en die meer voor Geestelijke dan Krijgsbevelhebber geschikt
was, en daardoor bij velen in zekere minachting stond, kon vaak
ervaren, dat er tal van Edelen en Ridders op de vloot aanwezig waren,
die slechts gedwongen Columbus als hun' Opperbevelhebber beschouwden,
en zich aan zijn gezag zouden onttrekken, zoodra zij meenden, dat er
aan hunne waardigheid van Hidalgo te kort gedaan werd.
De tocht, die door Columbus thans veel zuidelijker gemaakt werd dan op
de eerste reis, in de hoop de eilanden der Caraïben te zullen vinden,
waarvan de inboorlingen hem verteld hadden, was vrij voorspoedig. De
schepen bleven steeds in elkanders gezicht, en den dag, na dien waarop
men op de heele vloot het feest van Allerheiligen gevierd had, werd
een eiland ontdekt. Het was het eerste der Caraïbische Eilanden. Men
ging er niet aan wal, en toen de vlotelingen, ongeduldig om toch aan
land te gaan, er bij hem herhaaldelijk op aandrongen, gaf hij dit
eiland den naam van »Deseada«, dat »Verlangen« beteekent. Op den
Zondag, die daarop volgde, ontdekte men opnieuw een eiland. Columbus
noemde het naar den dag waarop het ontdekt was, »Dominica«, doch daar
hij nergens eene geschikte plaats vond om te ankeren, zoo besloot hij
verder te zeilen, en vond nu achtereenvolgens de eilanden, die hij den
naam gaf van »Marie Galante« en »Guadaloupe«. Dezen laatsten naam gaf
Columbus aan dit schoone eiland, omdat hij den Abt van het klooster
Onze Lieve Vrouwe van Guadaloupe in Estramadura beloofd had, een nieuw
ontdekt deel der Indiën naar zijn klooster te noemen.