in de booten geland waren, zich om hem heen schaarden, plantte hij den
standaard van Kastilië en Aragon op het strand, en verklaarde plechtig
het land in bezit te nemen voor Zijne Majesteit Koning Ferdinand en
Hare Majesteit Koningin Isabella.
Dat Columbus met al zijne tochtgenooten in de stellige overtuiging
was, dat hij de Indiën langs den westelijken weg bereikt had, weten
we. Dat men nog verscheidene jaren daarna dit geloofde, en niet wist,
dat men Plato's fabelachtig Atlantis gevonden had, weten mijne lezers
uit dit boek nog niet, maar toch is het zoo.
Volgens de nauwkeurigste onderzoekingen, was het eiland, dat Columbus
het eerst ontdekte, het eiland Watling, dat behoort tot die groep
eilanden, die zich boogvormig uitstrekt ten Noorden van Cuba en Haïti
en bekend is onder den naam van Bahama-eilanden. Op sommige atlassen
staat er ook de naam Guanahani bij, en wordt er bij vermeld, dat het
voorheen San Salvador heette, en het eerst ontdekte eiland van
Columbus was.
Van de inboorlingen, die vol aandacht de handelingen der vreemde
mannen gadesloegen, vernam Columbus, zoo goed en kwaad dit met de
gebarentaal ging, dat het eiland door hen »Guanahani« genoemd werd.
Hij echter, bezield met het voornemen, den Christelijken godsdienst
over de heele Indiën te laten prediken, noemde het San Salvador, wat
in onze taal beduidt: »Heilige Verlosser«.
Vreemd moet het ieder schijnen, dat de inboorlingen zoo weinig vrees
aan den dag legden, en bij de landing niet vol angst voor die
zonderlinge wezens in hunne bosschen vloden. Hiervoor bestond echter
eene oorzaak, die de Spanjaarden eerst later vernamen. Er was onder de
inboorlingen van Mejico, dat later door Cortez ontdekt werd, eene oude
voorspelling in omloop, waarover we bij de geschiedenis van Cortez
breedvoeriger spreken zullen. Het zij voldoende hier te melden, dat de
Mejicanen de komst dier »kinderen van de zon« verwachtten. Dat geloof
was zelfs zóó sterk, dat een voornaam inboorling eens aan een'
Spanjaard vroeg, hoe ze uit den hemel neergedaald waren, op vleugels
of op wolken? Hoogstwaarschijnlijk was die voorspelling ten deele ook
doorgedrongen tot de eenvoudige bewoners der Bahama-eilanden.
Eenvoudig, ja, dat waren ze, en wel tot groote teleurstelling der
Spanjaarden. Om goud te verkrijgen, hadden ze zich tot het doen van
dezen gevaarlijken tocht verbonden; aan goud dachten ze elken dag van
hunne lange reis. Het woord »goud« was instaat, de vrees in moed te
veranderen. Vertellingen, waarin goud eene hoofdrol speelde, hadden
het eentonige leven aanboord eenigszins verlevendigd; van goud
droomden ze. En zie, de inboorlingen liepen bijna naakt, en van
paleizen en tempels, gedekt met gouden platen, was niets te zien.
Alleen hadden sommigen den neus doorboord, en droegen in die opening,
als sieraad, kleine gouden staafjes. Wapenen van metaal kenden ze zóó
weinig, dat een hunner in Columbus' zwaard liep, en zich daardoor
deerlijk verwondde.
Waarlijk, de teleurstelling was al te groot, waar de verwachting zoo
buitengewoon gespannen was. Toch, de menschen hadden goud, al was het
weinig, en toen men, natuurlijk steeds met gebaren, hun gevraagd had,
vanwaar ze dat goud hadden gekregen, wezen ze naar het Zuiden.
Zoodra men dit vernomen had, wilde Columbus niet langer op dat kleine
eiland blijven, en reeds twee dagen later verliet hij het, om zijne
ontdekkingen voort te zetten. Met het doel hun op den verderen tocht
eenig Spaansch te leeren, opdat ze dienst zouden kunnen doen als
tolken, nam hij zeven inboorlingen mede, en zette koers naar het
Zuiden. Hij zag nu verscheidene eilanden en eilandjes, doch daar geen
dezer het gezochte »Zipangu« kon zijn, deed hij er slechts drie aan,
en zeilde de andere voorbij. Ook op de drie eilanden, die hij bezocht,
vond hij dezelfde, onbeschaafde, arme, doch goedige inboorlingen, die,
als sieraad, een gouden staafje door den neus droegen, en op zijne
vraag, vanwaar ze dat goud hadden, hun antwoord, door gebaren,
geregeld deden luiden: »Uit eene streek ten Zuiden van hier!«
In den vroegen morgen van den achtentwintigsten October, kreeg men
echter eene kust in het gezicht, welke niet aan een eilandje, als de
reeds ontdekte, kon behooren. Het moest de kust zijn van een zeer
groot eiland, of van het vasteland. De monding eener rivier ziende,
liep Columbus deze binnen, niet alleen met het doel om dit land in
bezit te nemen voor Spanje of het te laten onderzoeken, maar ook om de
schepen, die op den tocht veel geleden hadden, eens goed te laten
herstellen.
Bij het naderen der schepen, waren twee kano's hun te gemoet geroeid,
doch toen Columbus de zeilen liet strijken en de ankers liet vallen,
namen ze de vlucht.
Zoodra men aanwal was, werd het land op de gebruikelijke wijze in
bezit genomen, en door Columbus »Juana« genoemd. Thans draagt het den
naam van Cuba. Het is nog altijd in het bezit der Spanjaarden, en voor
hen, wat Java voor de Nederlanders is, hoewel het voor Spanje zoo vele
voordeelen niet oplevert. In grootte ontloopen deze twee eilanden
elkander zoo heel veel niet, daar Java slechts tweehonderd vierkante
geographische mijlen meer oppervlakte heeft. Het binnenland is
bergachtig, en de hoogste top heeft eene hoogte van
vijfentwintighonderd Meters. Tal van rivieren, die uit den aard der
zaak niet groot kunnen zijn, stroomen naar de kusten, en maken den
vruchtbaren grond zeer geschikt voor den landbouw. Suiker, koffie,
katoen, tabak, cacao, indigo, maïs, rijst, ananassen, bananen,
allerlei zuidvruchten en kostbare houtsoorten zijn de tegenwoordige
voortbrengselen uit het plantenrijk. Als men echter weet, dat slechts
het elfde deel van de heele oppervlakte des eilands vrij goed bebouwd
wordt, en dat de overige tien elfde deelen zoo goed als geheel
verwaarloosd worden, dan springt het terstond in het oog, dat de
Spanjaarden van deze heerlijke bezitting al heel weinig voordeel
trekken.
De vraag der eerste ontdekkers: »Is er goud?« besliste over het
toekomstige lot van alle landen, die door de Spanjaarden ontdekt
werden.
Op eene vraag, die men eens aan Cortez deed, waarom de Spanjaarden
toch zoo altijd naar goud verlangden, luidde het antwoord: »Wij lijden
aan eene ziekte, waartegen goud het eenige geneesmiddel is.« En zóó
was het. De goudkoorts was Spanjes ziekte, en het scheen, dat zij zich
verhief, naarmate men het geneesmiddel meer vond.
»Is er goud?« Men kon die vraag nu niet aan de inboorlingen doen, want
dezen lieten zich aanvankelijk niet zien. Nu stuurde Columbus eenige
gewapende mannen, vergezeld van een paar eilanders van San Salvador,
het binnenland in.
De mannen drongen meer dan zestig mijlen landwaarts in, en toen ze
terugkwamen, deelden ze aan hunne nieuwsgierige makkers mede: »Het
land is buitengewoon vruchtbaar, zeer goed bebouwd, en vol prachtige
bosschen. Wij zijn op een dorp geweest, en werden daar niet alleen
vriendelijk ontvangen, maar men kuste ons zelfs de voeten, als wilde
men ons goddelijke eer bewijzen. Zij gaven ons volop te eten, en wel
een soort van wortels, die, als ze gekookt waren, in smaak veel
geleken op kastanjes. Het brood, dat we kregen, was uitnemend om te
eten, en gebakken van een meel, dat ze »cassave« noemden. Wilde dieren
hebben we nergens gezien, ja, we ontdekten zelfs geene andere
viervoetige dieren dan eene soort van honden, die niet kunnen blaffen,
en diertjes, die wel wat op konijnen geleken.«
»»En is er goud?««
»De inwoners van het dorp liepen niet zoo naakt, als die van San
Salvador, maar hunne hutten waren zeer eenvoudig, ja, bijna armoedig
ingericht. Slechts door den neus droegen velen een gouden staafje. Wij
hebben eenigen van hen overgehaald, om ons te volgen. Daar zijn de
lieden; oordeelt nu zelf!«
De medegebrachte inboorlingen werden voor Columbus gebracht, en nadat
deze, met behulp der tolken, wat evenwel nog zeer gebrekkig in zijn
werk ging, hun een en ander gevraagd had, wees hij op de gouden
neusstaafjes, en vroeg: »Vanwaar krijgt gij dat goud?«
De inboorlingen antwoordden: »Uit Cubanacan,« wat beteekende: »Uit het
binnenland van ons eiland.«
Columbus, die niet beter wist, dan dat hij werkelijk de eilanden, die
ten oosten van Azië lagen, bereikt had, en die Cuba voor Zipangu
hield, meende nu uit »_Cubanacan_« te moeten verstaan: »_Groot-Khan_«.
Thans was, indien hij nog bestond, alle twijfel opgeheven. Dit eiland
wás Zipangu, en ten zuiden lag het goudland. Dat kon niet anders zijn
dan Kataï, want daar woonde immers de »Groot-Khan«?
Al heel spoedig echter werd Columbus tot eene andere dwaling gebracht.
Drie der tolken, die aanboord van de »Pinta« waren, herkenden het land
zeer goed, en nu zeiden ze tot Martin Alonzo Pinzon, dat achter de
kaap, die daar voor hen lag, eene rivier was, en slechts vier
dagreizen daarvan verwijderd was het zoogenaamde »Cubanacan«.
Pinzon gaf hiervan aan Columbus terstond bericht, en nu redeneerde
deze: »Als vier dagreizen van deze rivier Cubanacan gevonden wordt,
dan is dat niet het eiland Zipangu, maar dan hebben we het vasteland
van Azië vóór ons, en bevinden we ons in de nabijheid van het machtige
Tataarsche rijk Kataï.«
Hij vatte het plan op om er heen te zeilen en dan een Gezantschap naar
den Groot-Khan te zenden, doch hoe men zocht, nergens werd eene
geschikte ankerplaats gevonden, zoodat de reizigers weder den steven
wendden naar de plaats, die ze verlaten hadden.
Onder den ruilhandel, die andermaal gedreven werd, vernam Columbus,
dat de Vorst van het land vier dagreizen ver in het binnenland woonde,
en nu besloot hij, er toch een Gezantschap heen te zenden.
Bij hem aanboord diende Louis De Torres, een bekeerde Israëliet, die
niet alleen Hebreeuwsch en Chaldeeuwsch, maar zelfs Arabisch verstond.
Aan het Hof van den »Groot-Khan« zouden er stellig zijn, die ook
Arabisch spraken, en daarom werd De Torres met nog een' anderen
Spanjaard uitgezonden om den »Groot-Khan« de komst bekend te maken van
een' Afgezant van den machtigen Koning van Aragon en de Koningin van
Kastilië. Voor de zekerheid gaf Columbus echter ook een' der tolken
mede.
Na verloop van eenige dagen keerde De Torres terug, met het
teleurstellende bericht, dat hij den Vorst gezien had, maar dat hij
niet met hem had kunnen spreken. Dit had de tolk moeten doen, en het
was geen wonder, want van den »Groot-Khan« was geene sprake. Inplaats
van de groote stad »Quin-sai«, waar alles van goud, zilver, diamanten
en parelen moest blinken, hadden ze een dorp gevonden van hoogstens
vijftig ellendige hutten. De bewoners, ten getale van ongeveer duizend
zielen, liepen ook bijna geheel naakt, en de Koning van het land was
een alledaagsch man, zonder eenige uiterlijke teekenen van zijne hooge
waardigheid. Het merkwaardigste, dat ze gezien hadden was, dat de
inboorlingen droge bladeren, die ze »tobacco« noemden, in elkander
rolden, in den mond en dan inbrand staken om den rook in wolken uit te
blazen. Zij waren met allerlei eerbewijzen ontvangen, dat was waar;
men had hen, als boden des hemels of zonen der goden vereerd, dat was
óók waar. Het land was verder overal even schoon, en vruchtbaar, vol
prachtige boomen, bloemen, vruchten en veldgewassen, het kon niet
tegengesproken worden, maar--van goud, zilver, diamanten of parelen
was geene sprake. Om Columbus te overtuigen van de waarheid van
hetgeen ze zeiden, hadden ze drie mannen uit het dorp medegebracht.
Dit was dus eene nieuwe teleurstelling, en daar de nachten koel
begonnen te worden, vreesde hij, dat hij in den winter vervallen zou,
zoo hij in bijna noordelijke richting voortzeilde. Men keerde dus
terug, en voer naar het Oostzuidoosten zonder het eiland ergens aan te
doen. Op dien tocht had Columbus met veel tegenwind te worstelen, en
toen hij eindelijk ten oosten van Cuba weer aan alle kanten de zee
had, ontdekte hij ver in het Zuidoosten land. Hopende dat dit het
verlangde rijk van den »Groot-Khan« zijn zou en dat daar het goudland
was, zeilde hij er heen, doch een sterke tegenwind dreef hem ver van
den koers. Opeens ook ontdekte hij, dat de »Pinta« afhield, en hoe er
ook geseind werd, niet terugkwam. Intusschen viel de avond, doch toen
den volgenden dag de zon opkwam, was de »Pinta« verdwenen.
Columbus zeide, dat Martin Pinzon niet tegen wind en zee had kunnen
opwerken, en nu, ver van het land geslagen, misschien wel verloren
was.
Hij vergiste zich echter. Een der tolken had op zijne manier zoo
duidelijk het goudland aangewezen, dat Martins hebzucht overhand kreeg
over de vriendschap. Hij had besloten op eigen gelegenheid, en zonder
Columbus, dat goudland op te zoeken.
Andere geschiedschrijvers stellen het zóó voor, alsof Columbus zeer
goed wist, wat zijn Onder-bevelhebber in het schild voerde. Hij
vreesde evenwel, zoo zegt men, dat mogelijk ook Vicente het voorbeeld
zijns broeders zou volgen, als hij wist, dat Martin het waagde, den
Admiraal ongehoorzaam te zijn. Mogelijk zou zelfs het volk van de
»Santa Maria« daardoor oproerig durven worden. Door nu te vertellen,
dat de »Pinta« door storm en hooge zeeën uit den koers geslagen en
denkelijk verloren was, kon hij die ongehoorzaamheid voorkomen. Toen
later Martin weer bij Columbus kwam, liet de laatste echter niet
blijken, dat hij hem wantrouwde, hoewel dit toch wel degelijk het
geval was. Dit bleek later uit Columbus' daden.
Pas den vijfden December kwam Columbus bij dat nieuwe land aan. Het
duurde lang eer hij eene geschikte plaats kon vinden om er te ankeren,
en op dien tocht langs de kust zag hij dat het ook een schoon en
vruchtbaar land was met bergen, die met verbazend groote en trotsche
wouden overdekt waren.
Eindelijk zag hij eene kleine baai, die hij binnenliep. De enkele
inboorlingen, die men af en toe gezien had, hadden allen de vlucht
genomen, doch ten slotte wisten de matrozen zich meester te maken van
eene jonge vrouw, die ze bij Columbus brachten.
De Admiraal begreep dat hij door middel van deze vrouw met de
inboorlingen misschien vertrouwelijk zou kunnen worden. Hij vroeg haar
niet veel, doch gaf haar eenige glazen koralen en een paar andere
kleinigheden en liet haar toen weer teruggaan.
Dat middel had geholpen, want nu kwamen de bewoners spoedig van alle
kanten opdagen om ruilhandel te drijven. Met de meeste vriendelijkheid
en gastvrijheid boden ze den Spanjaarden cassave-brood, visschen en
vruchten. Zij waren blanker en schooner van gestalte dan alle
inboorlingen, die men tot op dit oogenblik gezien had, doch ze liepen
ook bijna naakt, en schenen niet alleen zeer onwetend, maar ook zeer
arm te zijn, en het gebruik van het ijzer kenden ze niet, want hunne
wapenen bestonden slechts uit eene soort van lansen, die aan de punt
van eene scherpe, doch groote vischgraat voorzien waren.
Op de vraag hoe hun land heette, gaven ze ten antwoord: »Haïti«.
Columbus nam er weer plechtig bezit van, en noemde het »Hispaniola« of
»Klein Spanje«. Later gaf hij het den naam van »San-Domingo«.
Hoe vriendschappelijk ook door de inboorlingen ontvangen, er ontbrak
wat aan. Hoe schoon het eiland, van de kusten gezien, ook schijnen
mocht, er haperde wat aan.
Men vond slechts weinig goud.
Blijkbaar waren de bewoners zeer vredelievende menschen, die tevreden
en gelukkig leefden te midden van eene onuitputtelijk rijke natuur, en
onder het bestuur van een' Vorst, die den titel van Kazike droeg, en
die geen tiran of dwingeland, maar een zachtzinnig en goed man was.
Wat wilde men meer?
Ja, dat die onnoozele menschen tevreden en gelukkig waren, wilden de
Spanjaarden wel aannemen, zulke onbeschaafde wezens hadden ook zooveel
niet noodig, en de staat van onbeschaafdheid, waarin zij leefden,
maakte ook de behoeften zeer gering. Maar zij, de beschaafde
Spanjaarden, hadden een heel ander begrip van het woord _behoefte_, en
om aan die behoeften te voldoen, hadden ze goud, zilver, parelen of
diamanten noodig. En juist dát alles vonden ze hier niet, en daarom
togen ze steeds verder langs de kust, overal zoekende, overal vragende
naar goud en naar niets anders dan goud.
Op dien tocht liepen ze eene kleine, natuurlijke haven binnen, en
hoewel de bewoners aanvankelijk zeer schuw waren, gelukte het den
Spanjaarden toch ook met hen vertrouwelijk te worden. Columbus kreeg
zelfs een bezoek aanboord van een' jongen Vorst of Kazike, en deze
vereerde den Admiraal een' sierlijk afgewerkten gordel en twee stukken
goud. Inruil hiervoor gaf Columbus hem een' lap laken, een paar
schoenen van gekleurd leder, eene flesch met water van oranjebloesem
en eenige glazen koralen. Meer dan elders lachte deze schoone streek
den Spanjaarden toe, zoodat ze besloten er eene soort van vestiging te
bouwen, waar men vertoeven kon, als men niet aanboord was. Midden op
het dorpje, als men de verzameling van huizen althans zóó noemen mag,
maakten ze bovendien een zeer groot houten kruis, en zoowel aan het
woonhuis, als aan het kruis, arbeidden de inboorlingen trouw mede. Ja,
toen het kruis klaar was, en de Spanjaarden er voor nederknielden,
bogen ook de goedhartige en eenvoudige inwoners de knieën. Was het
wonder, dat Columbus, dit ziende, overtuigd was, dat de prediking van
het Evangelie hier in vruchtbare aarde vallen zou?
Eenige dagen daarna, het was op den tweeëntwintigsten December,
ontving Columbus een bezoek van Guacanagari, blijkbaar den
voornaamsten Vorst van het heele eiland. Vooraf echter kwam de eerste
dienaar van dien Vorst en gaf den Admiraal, uit naam van den Kazike,
eenige geschenken. Tot die geschenken behoorde een gordel, waaraan
gekleurde balletjes en kunstig bewerkte beentjes waren, en verder was
er ook bij een houten menschenhoofd, met ooren, neus en tong van goud.
Na deze geschenken te hebben overgereikt, verzocht hij Columbus aan
het verzoek van den Kazike te willen voldoen, door met zijne schepen
een weinig oostelijker eene baai binnen te loopen.
Columbus voldeed hieraan, en zoodra hij binnen de bedoelde baai lag,
zond hij eenigen van zijn volk naar de plaats waar de Kazike
waarschijnlijk zijne residentie had en de Afgezanten wachten zou.
De Spanjaarden werden met allerlei bewijzen van eerbied en hoogachting
ontvangen, en toen de Kazike aan ieder hunner een katoenen kleed
gegeven had, kwamen ook de inboorlingen aandragen met eene groote
menigte van de heerlijkste vruchten.
De Kazike had de Afgezanten gaarne bij zich willen houden, doch dezen
waren verplicht om naar hunne schepen terug te keeren. Bij hun vertrek
gaf hij hun voor den Admiraal eenige tamme papegaaien en een paar
stukken goud mede.
Terwijl de Afgezanten op bezoek bij den Kazike waren, kwamen talrijke
kano's langszij de schepen van Columbus, en alle inboorlingen, die hem
het een of ander aanboden, verzekerden hem, dat het land niet alleen
schoon en vruchtbaar, maar ook buitengewoon rijk aan goud was. Zij
hadden bij het noemen van goud naar het Oosten gewezen, en den naam
»Cibao« genoemd.
Later bleek het, dat dit Cibao eene streek in het midden van hun
eiland was, welke ten oosten van deze baai lag. Columbus echter bracht
alles, wat hij hoorde of zag, in verband met de Indiën, en de namen
van volken, landen en steden, welke genoemd werden in de
reisbeschrijving van Marco Polo. Zoo verwarde hij »Cibao« met
»Zipangu«, en die verwarring ontstond nog te eer, omdat de eenvoudige
Haïtiërs hem mededeelden, dat de Kazike van dat land gouden huizen en
gouden banieren had.
Wie zich over de onnoozelheid van Columbus verbaast, waar deze van
Cibao,--men spreekt de _ao_ uit als onze _ou_,--eenvoudig Zipangu
maakte, vergeet, dat het spreken met deze menschen nog zeer gebrekkig
ging, daar men in een paar maanden tijds geene vreemde taal leert in
een land, waar zelfs, voor de bezoekers, kunst- en
natuurvoortbrengselen vreemd zijn.
Dit land Cibao, of zooals hij dan dacht, Zipangu, wilde hij opzoeken,
en daartoe verlieten de schepen weer de baai. Nauwelijks echter was
men buiten, of de Stuurman van de »Santa-Maria«, die met de klippen en
riffen van het vaarwater onbekend was, liet zijn schip op eene blinde
klip loopen. Het zat muurvast, en tot overmaat van smart bleek het
weldra, dat het ook gebroken was. Thans was het »haast-je, rep-je,« om
alles, wat aanboord was, op de »Nina« over te brengen, en daar de wal
gelukkig nog gemakkelijk te bereiken viel, zoo werden daar tal van
voorwerpen gebracht, waarvoor op de »Nina«, die zeer klein was, niet
zoo dadelijk plaats kon gevonden worden. De goedige Haïtiërs, die
getuigen van de ramp waren geweest, bewezen, bij het bergen, met hunne
kano's goede diensten.
Het verlies van de »Santa Maria« was voor Columbus bijna eene
onherstelbare ramp, vooral nu de »Pinta«, die bijna even groot als het
verloren Admiraalsschip was, hem verlaten had.
Hoe Columbus over de Haïtiërs dacht, vooral na deze schipbreuk, blijkt
uit hetgeen hij schreef in het Journaal, dat hij aan Ferdinand en
Isabella wilde geven.
»Zoo liefderijk, zoo meegaande en zoo vreedzaam zijn deze eenvoudige
lieden, dat ik aan Uwe Majesteiten de plechtige verzekering geef, dat
er op heel de aarde geene betere menschen zijn, en dat er nergens
eenig land is, dat beter zou kunnen genoemd worden. Zij hebben hunne
naasten lief, als zichzelven, en uit al hunne gesprekken straalt
liefelijkheid en zoetheid. Hun mond heeft steeds een' vriendelijk
lachenden trek, en al loopen ze ook bijna naakt, toch zijn ze in al
hunne manieren onberispelijk en betamelijk.«
Zeer neergedrukt door het verlies van de »Santa-Maria« zat den
achtentwintigsten December Columbus in de kleine kajuit van de »Nina«,
toen de goedhartige Kazike Guacanagari hem kwam bezoeken, en deze had
zooveel medelijden met het leed des Admiraals, dat hij zijne tranen
niet weerhouden kon.
Terwijl beide mannen daar bij elkander zaten, kwamen er matrozen in de
kajuit, die zeiden dat er inboorlingen uit het Zuiden des lands
gekomen waren, om stukjes en klompjes goud te verruilen tegen kleine
valken-belletjes. Deze belletjes had Columbus vóór dien tijd al eens
gegeven, en het scheen wel, dat de Haïtiërs hierop zeer gesteld waren;
men zegt, dat ze op de maat van die belletjes godsdienstige dansen
uitvoerden.
Op het hooren van dit belangrijke bericht verhelderde Columbus'
gelaat, en de verbaasde Guacanagari vroeg waardoor dit kwam.
Columbus deelde het hem mede, en eenigszins minachtend haalde nu de
Kazike de schouders op, en zeide, dat er op grooten afstand in het
gebergte zooveel goud te vinden was, dat men er weinig waarde aan
hechtte. Gaarne wilde hij zorgen, dat de Admiraal hiervan een' goeden
voorraad kreeg. Ook Guacanagari noemde dat land »Cibao«, en natuurlijk
was het, dat Columbus nu alweer aan Zipangu dacht. Maar in alle
gevallen, Columbus sloeg dat aanbod niet af, en beloofde den Kazike
den volgenden dag bij hem een bezoek te zullen brengen. Dit geschiedde
ook, en toen de overvloedige maaltijd afgeloopen was, en de Kazike
door zijne onderdanen eenige spelen liet uitvoeren, gaf Columbus bevel
aan een' der zijnen om vanboord een' Moorschen boog met pijlkoker te
halen, en dan meteen den Kastiliaan mede te brengen, van wien het
bekend was, dat hij een uitnemend boogschutter was. Toen deze voor den
Vorst en zijne onderdanen de noodige proeven geleverd had van hetgeen
er met dit wapen kon gedaan worden, waren de Haïtiërs opgetogen van
verbazing en verwondering, en de Kazike zeide, dat, als zijne
onderhoorigen ook zulke wapenen hadden, die dan menigmaal te pas
zouden komen.
»Of ze dan zooveel oorlog voerden?« vroeg Columbus.
»Nooit,« antwoordde Guacanagari. »Maar ver uit het Zuiden komen vaak
de Caraïben, in kano's, van hunne eilanden om ons hier te vangen, te
slachten en te verslinden. Wij kunnen geene tegenweer bieden en niets
anders doen dan in onze bosschen vluchten.«
Thans werd het Columbus duidelijk waarom de Cubanen en ook de Haïtiërs
zoo schuw waren en van het strand vluchtten, zoodra ze de schepen
zagen. Men zag hen aan voor Caraïben. Dat de bewoners van Guanahani
heel anders gehandeld, en veel minder vrees betoond hadden, kwam
zeker, omdat de Caraïben het niet waagden met hunne kano's zich zoo
ver in zee te begeven.
Intusschen bracht de geheel argelooze mededeeling van den Kazike den
Admiraal op een denkbeeld.