roer was gebroken, en Columbus meende, dat twee mannen, die de
eigenaars van deze karveel waren, en die de reis tegen hun' zin
medemaakten, opzettelijk die averij aangebracht hadden, om daardoor
een voorwendsel te kunnen vinden om terug te keeren. De wind woei te
hevig om de »Pinta« ter hulp te komen, doch Martinus Pinzon, die een
ervaren en stoutmoedig zeeman was, wist zich te redden, door, zoo goed
en kwaad het ging, het roer met touwen te bevestigen. Columbus begreep
zeer goed, dat men zóó den Oceaan niet kon oversteken. Hij hield dus
op de Kanarische Eilanden aan, en liet op het eiland Gomera het schip
herstellen, toen alle pogingen vergeefsch bleken te zijn, om een ander
te vinden. Men bleef daar tot den zesden September, en in dien tijd
had de bemanning gelegenheid om eene uitbarsting van den vulkaan op
het eiland Teneriffe te zien, iets waardoor de mannen zeer beangst
geworden waren, want niettegenstaande ze wisten, dat er een Etna en
Vesuvius was, hielden ze hier rekening met de vreeselijke verhalen,
die omtrent de groote, onbekende zee in omloop waren.
Op Zondag den negenden September verdween Ferro, het laatste der
Kanarische Eilanden aan den oostelijken horizon, en men zag nu,
volgens zeemans-uitdrukking, niets dan lucht en water.
De kaart van Toscanelli was thans voor Columbus de eenige wegwijzer
voor de richting, die men volgen moest, om het eiland Antilia, en
daarna Zipangu te bereiken.
Zonder het te weten, bevond Columbus zich in den gordel van den
Noordoost-passaat, en was er niet zooveel kunst aan, den koers steeds
westelijk te houden. Uit vrees echter, dat de drie scheepjes, door
storm of stroom, elkander uit het oog zouden kunnen verliezen, gaf hij
den beiden Pinzons last, om in dit geval geen oogenblik den
westelijken koers te verlaten. Hadden ze zóó zevenhonderd uur
voortgezeild, dan moesten ze bijleggen, doch naar zijne stellige
meening, zouden ze lang vóór dien tijd reeds land ontdekt hebben. De
schepen bleven evenwel zonder veel moeite bij elkander, en dat was
nog eenige troost voor de manschap, die al begon te vreezen, dat er
geen einde zou komen aan die zee, en ook geen einde aan dien
onveranderlijken wind. Vooral die wind maakte hen beangst. Zeilden ze
nu zonder bezwaar steeds westelijk, hoe zouden ze terug kunnen keeren,
als de wind steeds uit die streek bleef waaien?
Den dertienden September, toen men reeds meer dan tweehonderd uur van
Ferro verwijderd was, bemerkte Columbus des middernachts, dat de stand
van de Poolster niet in de richting was, waarin het kompas wees. Ook
op de beide andere schepen was dat opgemerkt, en al hadden Columbus en
de Pinzons het aanvankelijk ook voor het volk verzwegen, het kwam er
toch achter, en de angst nam met elk oogenblik toe. Gelukkig wist
Columbus het volk gerust te stellen, met eene uitlegging, die
eigenlijk niet veel anders heeten mocht, dan er zich met een Jantje
van Leiden af maken, doch de mannen waren te onervaren om te beseffen,
dat hun Admiraal hen met een kluitje in het riet stuurde.
Dat niet alleen het volk, maar ook Columbus met de Pinzons op die
eentonige vaart van alles notitie namen, is natuurlijk, en dat ze van
hetgeen ze zagen, allerlei uitleggingen gaven, kon wel niet anders. Nu
eens namen ze een' drijvenden mast nauwkeurig op, en berekenden zelfs,
dat hij afkomstig moest zijn van een schip van honderdtwintig ton. Dan
weer verblijdden ze zich over het zien van een' grooten vogel, die
veel op een' reiger geleek, en maakten ze de gevolgtrekking, dat ze
dicht bij land waren. Op een' nacht zagen ze groote vuurvlammen uit de
zee opstijgen, althans, ze maakten er vuurvlammen van, en de
vreeselijke verhalen van den onbekenden, donkeren Oceaan, rezen weer
in hunne ontstelde verbeelding op. Langzamerhand kwamen onze reizigers
nu meer onder den rechtstreekschen invloed van den Noordoost-passaat,
en meteen ook meer in de heete of verzengde luchtstreek. De lucht was
zóó zacht warm, en zóó heerlijk om in te ademen, dat men, zooals
Columbus zich uitdrukte, »zich in Andalusië waande, en het gezang der
nachtegalen slechts ontbrak.«
Ook het scheepsvolk was weer wel te moede en opgeruimd, doch toen men
de zee, zoo ver als men zien kon, overdekt vond met een groen gewas,
dat zóó dicht in elkander groeide, dat de vaart der schepen er door
belemmerd werd, verloor men opnieuw den moed. Aanvankelijk dacht men,
dat er land in de nabijheid zou zijn, en toen het maar al te ras
bleek, dat dit niet waar was, kwam de vrees boven, dat men zich op de
plek bevond, waar eenmaal het groote eiland Atlantis gelegen had, dat,
volgens het oude verhaal, door de Goden verdelgd was. Het dieplood,
dat uitgeworpen werd, bereikte echter op tweehonderd vademen nog geen'
grond, zoodat er geene vrees bestond, dat de schepen hier aan den
grond zouden geraken. Columbus herinnerde zich een verhaal van
Aristoteles, waarin voorkwam, dat eenige schepen, bij Cadiz zeilende,
door een' storm waren aangegrepen, en zóó ver in den Oceaan geslagen
werden, dat ze eindelijk gekomen waren bij eene plek, waar de zee zóó
begroeid was met groene planten, dat ze wel een weideveld van
oneindige uitgestrektheid scheen. Zij gaven er den naam van »Wier-zee«
aan, en hadden het geluk om den koers te wenden, zoodat ze behouden in
Europa terug kwamen. Men had dit verhaal tot de fabels gerekend, doch
thans zag Columbus, dat het waarheid bevatte. Vreemde vogels, die zich
aan hunne oogen vertoonden, deden het volk weer eenigen moed vatten,
en in de hoop, van nu heel spoedig het gezochte land te zullen zien,
werd er veertien dagen lang, zonder dat er gewanhoopt werd, tegen deze
waterweide geworsteld.
Nog altijd bevindt zich in den Atlantischen Oceaan, tusschen negentien
en vierendertig graden Noorder-breedte, en vierendertig en zesendertig
graden Westerlengte van Greenwich, deze Planten-zee. Men heeft haar
den naam gegeven van »Sargasso-zee«, doch omtrent de oorzaak, dat de
soort van wierplant, die deze zeeweiden vormt, hier in zulk eene
verbazende hoeveelheid aangetroffen wordt, verkeert men in het
onzekere.
Nog altijd kwam de wind, die hen voortdreef, uit dezelfde streek, en
toen men na zooveel dagen worstelens, nog in het geheel geen land
ontdekte, was de angst van het scheepsvolk verklaarbaar, dat men
nimmer zou kunnen terugkeeren. Steeds voort, altijd voort, het verre,
het oneindig verre Westen in! Was de plek er dan niet, waar, in den
Oceaan, de zon in de baren dook? De kusten van het vasteland hadden ze
steeds voor hunne oogen zien wijken, en eindelijk zien verdwijnen! Zoo
was het ook gegaan met het eiland Ferro. En nu! Zestien dagen en
zestien nachten was men ongestoord het Westen ingezeild, en nog altijd
bleef de afstand van de ondergaande zon even groot. Dat moest wel, het
kon niet anders. Columbus wist dat ook wel, en hij trachtte zijn volk
duidelijk te maken, dat de aarde een bol was, en dat de zon nergens in
den Oceaan dook, maar op elk punt van de aarde steeds op denzelfden
afstand van den beschouwer bleef ondergaan.
Ach ja, men geloofde hem wel, men begreep dat het zóó wel zijn moest,
maar--die wetenschap bracht het land, waarnaar met brandend verlangen
uitgezien werd, toch niet in het gezicht, dat moede werd van het
vruchtelooze staren.
En als men geen land vond, dan zou men van honger en dorst moeten
omkomen, want de voorraad verminderde sterk, en het stond te bezien,
of dit toch niet het geval zou zijn, wanneer men nu den steven wendde,
en met dezelfde snelheid van vaart terugkeerde.
Terugkeeren? Kon dat wel? Was de wind dan voor de terugreis niet
tegen?
De angst en ongerustheid namen steeds toe, totdat op den
tweeëntwintigsten September de wind van richting veranderde.
Geen »Land vooruit!« had op dit oogenblik meer blijdschap kunnen
verwekken, dan het zien, dat de wind omgeloopen was. Het was, in
waarheid, voor allen een groot pak van het hart.
Men was in een heel ander deel der wereld, dan men ooit geweest was,
dat bleek uit alles; en opnieuw werd de angst opgewekt, toen, bij
geene verheffing van wind, de zee opeens hol begon te staan.
Geslingerd van hot naar haar, werd het volk elken dag, elk uur. Nu
eens vol moed, dan weer vol vrees.
Den vijfentwintigsten September kwam Alonzo Pinzon, die meestal met
zijn schip vooruit voer, omdat de »Pinta« hoe oud en bouwvallig ook,
toch de beste zeiler was, bij den Admiraal aanboord met het bericht,
dat hij land gezien had. Anderen bevestigden dit.
Columbus was op het vernemen van dit bericht diep ontroerd, en door
een dankbaar gevoel aangedreven, viel hij op de knieën, en zong vol
innige vroomheid het heerlijke lied, dat hij zoo dikwijls in de kerk
onder de Mis had hooren klinken: »Gloria in excelsis Deo, et in terra
pax hominibus bonae voluntatis. Laudamus te! Benedicimus te! Adoramus
te! Glorificamus te!« dat is: »Glorie aan God in den allerhoogste, en
vrede op aarde, den menschen van goeden wil! Wij loven U! Wij zegenen
U! Wij aanbidden U! Wij verheerlijken U!«
Maar--Pinzons blijde tijding liep op eene groote teleurstelling uit,
want het land, dat men meende te zien, werd niet gevonden. Wolken en
nevelen hadden hun bedrieglijk spel gespeeld.
Om den moed van het volk levendig te houden, schijnt Columbus reeds
eenige dagen vroeger eene lijfrente van zesentwintig dukaten
uitgeloofd te hebben aan hem, die het eerst land zag, en Alonzo
Pinzon, die gehoopt had de belooning te zullen ontvangen, zag zich nu
natuurlijk zeer teleurgesteld.
Toen den volgenden morgen de zon opkwam, en nog velen de kooi
verlieten om het land te aanschouwen, zag men--water en lucht, wat men
nu al zoovele dagen gezien had.
Gelukkig was het weder bij uitstek schoon, en de zee was zóó kalm, dat
menig matroos, zonder aan haaien te denken, overboord sprong om wat
rond te zwemmen. De eentonigheid werd ook dikwijls afgebroken door het
visschen naar dolfijnen, of het vangen van vliegende visschen, die op
de schepen nedervielen.
Neen, eerlijk moest het scheepsvolk toch erkennen, dat het hier veel
anders was, dan eenige dagen geleden bij die Wier-zee, waaraan men nog
wel niet geheel ontkomen was, maar die toch minder moeielijkheden
opleverde. Nu eens zag men groote vogels in scharen aan den
gezicht-einder verdwijnen, en dan weer ontdekte men enkele vogels, die
te klein waren om ver van het land in zee te kunnen vliegen.
Aan den morgen van den zevenden October meenden de wachthebbende
matrozen van de »Santa Maria«, in het Westen land te zien, doch ze
waagden het niet, om er den Admiraal kennis van te geven.
Opeens echter klonk een kanonschot langs de stille wateren.
De »Nina«, die nu vooruit voer, had het gelost, en tot overmaat van
vreugd zag men, dat de vlag aan den mast geheschen werd, en dit was
het teeken voor de »Santa Maria« en de »Pinta«, dat men »Land
vooruit!« had.
Met luid gejubel werden kanonschot en vlag begroet. Allen zagen uit,
en ontdekten land. Maar--het land verdween, loste zich in de blauwe
lucht op, en--men zag zich weer door eene wolk bedrogen.
Op deze nieuwe teleurstelling volgde groote ontevredenheid, en
Columbus zag zeer goed, dat zijn volk op het punt stond, alle hoop te
verliezen. Dat ze hem dwingen zouden om terug te keeren, hij begreep,
dat dit niet gebeuren zou; want voor eene lange terugreis naar het
verlaten land, was er geen voorraad van levensbehoeften genoeg. Maar
door wanhoop gedreven, kon men hem te lijf gaan en dooden. En dan? Ja,
dan was ook voor hen alles verloren, want hij alleen had het logboek
gehouden, doch hier en daar een paar onwaarheden vermeld, om het volk
niet al te wijs te maken. Hij wist echter volkomen, hoe hij gevaren
was, en kon ook den terugweg vinden. Zijn volk daarentegen, zou met
het logboek verkeerd uitkomen.
Toch gaf hij den moed niet verloren, en althans voor het oog van zijn
volk was hij vol hoop en blijde verwachtingen.
Steeds kalmer en rustiger werd de zee, zoodat Columbus den achtsten
October uitriep: »God zij geloofd! De lucht is zoo zacht, als in April
te Sevilla. Met wellust ademt men haar met volle teugen in, want zij
is doortrokken van de heerlijkste geuren!«
Weer gingen drie dagen in onafgebroken kalme, westelijke vaart
voorbij, en was het Donderdag, de elfde October.
Daar komt Alonzo Pinzon bij den Admiraal aanboord, en toont hem een
riet en een' gesneden stok aan. Zijn volk had die voorwerpen
opgevischt, en men had ook een' boom zien drijven.
Iets nieuws was voor Columbus nòch boomstam, nòch riet, nòch gesneden
stok, want dat alles had hij jaren geleden reeds op Porto-Santo
gezien. Toch greep hij deze gelegenheid aan, om daardoor den
wankelenden moed van zijn volk op te beuren.
Het was in waarheid eene reis, zóó vol moeielijkheden en
teleurstellingen, dat men Columbus bewonderen moet, dat hij den moed
niet verloor, en eerbied dienen wij te hebben voor zijne sterke
overtuiging, voor zijn ongeschokt vertrouwen en voor zijne vastheid
van wil. Zoo we Columbus groot noemen, nergens was hij grooter dan op
die eerste ontdekkingsreis.
Maar, wat is dat?
Daar nadert Vicente Pinzon in eene boot, die zoo pas de »Nina«
verlaten heeft. Wat reppen die roeiers zich! Wat is er eene haast!
Oproer aanboord soms? Weigert men langer het Westen in te gaan? Men
buigt zich over de verschansing. Vicente komt aanboord en--van onder
zijn kleed haalt hij een soort van rozetak met nog half gave bloemen
te voorschijn. Zijn volk heeft dien tak opgevischt, en thans biedt hij
den Admiraal de eerste, frissche, levende bloemen der Indiën aan.
Boomstammen, rieten, gesneden stokken, ja, zelfs menschenlijken kunnen
van zeer verre komen aandrijven, maar eene zwakke rozebloem is niet
tegen den golfslag bestand; ze moet vernield worden, zelfs door de
nauw merkbare rimpelingen van de wateren dezer lauwe zee.
Als de duif, die in de Ark aan Noach een' olijftak bracht, is Vicente
Pinzon, nu hij Columbus levende bloemen komt aanbieden.
Het volk op de drie schepen verkeert in eene ongekende spanning.
Het staart met brandende blikken naar den gezicht-einder.
Maar, als gisteren en eergisteren, en, ach, als zoovele dagen terug,
ging de zon ver, ver in het Westen onder,--stevenden de schepen het
Westen in--en viel de nacht.
Columbus echter bleef uitstaren. Het »Land der Bloemen« kon niet ver
af zijn.
Door de duisternis boren zijne, blikken heen en ...
Zag hij daar geen lichtschijnsel?
Eene ster mogelijk! Misschien een werkende vulkaan op mijlen afstands!
Neen, geene ster, geen vulkaan, want zie, het verandert van plaats.
Hij roept Pedro Gutierrez, een' Edelman van het Koninklijke Hof, bij
zich, en wijzend naar de plaats, waar hij het bewegende licht ziet,
vraagt de Admiraal gejaagd, en met kloppend hart: »Wat ziet gij daar?«
»Niets, Senor! Ik zie niets!«
»Ziet gij dan geen licht, geen licht dat zich beweegt?«
»Ja, ja, ik zie het! Ik zie licht!« luidt het antwoord.
Anderen worden er bij geroepen. De een ziet het; de ander ziet het
niet.
Men hoort die woorden, haalt de schouders op, doch gelooft het niet.
Men is immers in deze zee vol vreemde verschijnselen reeds zoo
menigmaal teleurgesteld, zoo menigmaal bedrogen!
Zonder eenige merkbare spanning doen de matrozen van de »eerste wacht«
hun' dienst, en wekken de »mannen van de »hondenwacht.««--Zij gaan
slapen, en met loomen tred komt de »hondenwacht« boven.
De »eerste wacht« is van des avonds acht uur tot middernacht. De
»hondenwacht« is van middernacht tot vier uren in den morgen. De
»dagwacht« duurt van vier tot acht uren in den morgen.
De zandlooper wijst aan, dat het vier uren in den morgen is. Het volk
van de »hondenwacht« vindt er geen behagen in om op te blijven. Zij
wekken de mannen van de »dagwacht«, die op hunne beurt ongaarne de
kooi verlaten en op het scheepsdek komen.
Columbus waakt. Geen slaap is op hem neergedaald. Dat hamerende hart
vol onrust belette hem in te sluimeren. Geen wonder! Hij gevoelt, dat
hij op het punt staat zijn doel te bereiken, zijn doel, waarvoor hij
alles, alles opgeofferd heeft, waarvoor hij als bedelaar, om brood en
water aan de poort van een klooster klopte.
Hoe dacht hij op dat oogenblik aan den bedeltocht, die hem tot voor
dat klooster bracht, waar hij slechts brood en water voor zijn zoontje
vroeg, en niet alleen dàt kreeg, ook voor zich zelven; maar nog veel
meer. De vriendelijke Prior had hem zijne hulp aangeboden ter
bereiking van het doel, dat hem, den voormaligen planter, tot den
bedelstaf gebracht had.
Wel lag er tusschen het oogenblik, dat hij het klooster binnentrad, en
dat waarop hij van Palos uitzeilde, een lange tijd met veel moeite en
teleurstelling, maar toch had hij gezegevierd; hij mocht aan zijn plan
uitvoering geven.
En nu, hij gevoelde het, en zijne borst zwol van gelukkigen trots, nu
stond hij op het punt, dat hij heel de wereld zou kunnen toeroepen:
»Waar zijn ze nu, die mijn plan nog de hersenschim van een' dweper
durven noemen?«
Neen, het fel bewogen gemoed van den koenen, vurig geloovenden man,
ontnam hem de behoefte aan slaap. Hij kon niet anders dan waken.
De »dagwacht« echter telde niet één' dweper; ze bestond uit half
onverschillige, half moedelooze mannen, die hunne taak op de gewone
wijze volbrachten. Waarom zouden zij het ook op buitengewone wijze
doen? Er was immers toch niets bijzonders?
Dat beweeglijke licht? Ei kom, wat zou dat? Een spel der verbeelding
was het geweest, en niets anders.
De »hondenwacht« had wel wat gemompeld van eene donkere plek, die heel
wat anders leek dan eene wolk, maar wat beduidde dat? Zij zagen
dezelfde donkere plek ook, doch het kon niets anders zijn dan een
nevel aan de kimmen, of eene laaghangende wolk, waaruit de verbeelding
van Admiraal, Kapiteins en Volk, zoo dikwijls reeds land getooverd
had!
Onverschillig liep men langs het dek heen en weer, en verlangde maar
naar de opkomst der zon, die hare komst in de landen tusschen de
keerkringen niet met zulk eene lange schemering aankondigt, als in de
gematigde luchtstreek het geval is.
Reeds aanboord der »Pinta« had men even na middernacht het geroep van
»Land! Land vooruit!« gehoord, doch geheel overgegeven aan eene doffe
onverschilligheid, hechtte men er geene waarde aan.
Eindelijk braken de eerste lichtstralen der schemering door, en
nauwelijks werd het donker van den nacht eenigszins verdreven, of een
matroos, Rodrigo de Triana, die niet steeds als de anderen het Westen
inkeek, ontdekte ten Noorden van de »Santa Maria« land. Vol vreugde
snelde hij naar den Admiraal, om hem de blijde tijding te brengen, ten
einde daardoor in de gelegenheid te zijn, om de uitgeloofde belooning
te ontvangen van zesentwintig dukaten, benevens het zijden wambuis,
dat de Admiraal een paar dagen vroeger nog uitgeloofd had aan hem, die
het eerst land zag.
Waaraan het ligt, weet ik niet, doch over die uitgeloofde belooning
wordt zeer verschillend gesproken. De een zegt, dat het een jaargeld
of lijfrente was, en de ander, dat het eenvoudig eene belooning was,
welke ineens, maar ook niet meer dan eens uitgekeerd werd. Volgens den
een was die belofte reeds schriftelijk gegeven door Ferdinand en
Isabella, en volgens den ander deed Columbus die belofte in zijne
betrekking als Onder-koning van al de landen, die hij ontdekken zou,
in naam van zijne Meesters. Volgens den een was het eene som van
tienduizend maravedis, wat dan zooveel zou wezen, als vijfendertig
gulden van onze munt. Een ander spreekt van dertien escados of
zoogenaamde schilddaalders, wat ongeveer veertig gulden zou bedragen
hebben. Die sommen ontloopen elkander niet veel, maar over het
toekennen ervan verschilt de eene schrijver aanmerkelijk met den
ander. Er zijn schrijvers, die beweren, dat Columbus dat jaargeld, of
die belooning voor één keer en aan zichzelven uitbetaalde, omdat hij
de eerste was geweest, die het beweeglijke licht ontdekt had, hetwelk
blijkbaar van het land kwam. Een ander schrijver spreekt wel van de
uitgeloofde belooning, doch rept er met geen enkel woord van, wie ze
kreeg, terwijl weer een derde zegt, dat Rodrigo de Triana ze ontving,
doch inplaats van dezen matroos deel te laten uitmaken van de
bemanning der »Santa Maria«, plaatst hij hem op de »Pinta«, en is hij
de man, dien hij even na middernacht het geroep van »Land vooruit!«
laat aanheffen. Zeker is het, dat als aan iemand de belooning moest
uitgereikt worden, deze niet toekwam aan Columbus, want hij had zich
wel gewacht om stellig te verklaren: »Land vooruit!« Ook aan het volk,
dat bij hem aanboord was, kwam die belooning niet toe, want het volk
der »Pinta« was hun voor geweest.
Behalve over die belooning, loopen de schrijvers ook zeer uiteen,
omtrent het gedrag van het scheepsvolk op die moeielijke en langdurige
reis. Volgens sommigen sloegen de matrozen meer dan eens tot oproer
over, en was Columbus zelfs genoodzaakt, om, wilde hij het leven
behouden, de belofte af te leggen, dat ze zouden terugkeeren, indien
men na drie dagen nog geen land gevonden had.
Later zullen we nog dikwijls genoodzaakt zijn, om achter eene daad van
Columbus een vraagteeken te zetten, en de oorzaak hiervan laat zich
hieruit verklaren.
Columbus was een vreemdeling, die hooge eischen stelde. Als
vreemdeling was hij in Spanje reeds gehaat, en telde men de hooge
eischen, die hij stelde, niet, omdat men er toch aan twijfelde of hij
den weg naar de Indiën wel vinden zou. Maar toen hij dien weg beweerde
gevonden te hebben, en er bijna niemand was, die aan de waarheid
twijfelde, bracht men die eischen wèl in rekening. Columbus schijnt
verder iemand geweest te zijn, die gaarne zijn gezag liet gelden, doch
die geen overleg bezat om dat op eene verstandige en omzichtige wijze
te doen. Hoe het zij, hij had in Spanje veel meer vijanden dan
vrienden. Zijne vijanden berokkenden hem veel kwaads, en wisten
allerlei minder goede dingen van hem te vertellen, om hunne houding
tegenover hem te rechtvaardigen. Zijne vrienden, hierover gebelgd,
aarzelden niet om Columbus' deugden breed uit te meten en zijne
gebreken òf te bewimpelen, òf te verzwijgen, òf wel te loochenen.
Nemen we verder in aanmerking, dat zijn logboek niet in den haak was,
en dat het dagboek, hetwelk hij aangelegd en zorgvuldig bijgehouden
had om het Ferdinand en Isabella terhand te stellen, natuurlijk eigen
fouten verzweeg, dat verder zijne levensgeschiedenis, die het meest
aangehaald wordt, naar het heet, geschreven werd door zijn eigen zoon,
dan zullen we ons niet zoo zeer verwonderen, dat de berichten omtrent
zijn persoon en zijne handelingen, zoo zeer uiteen loopen.
Zoodra Columbus de blijde tijding vernam, snelde hij naar het dek,
en--hij ook, hij zag het land!
Welk eene algemeene vreugde er aanboord van de drie scheepjes
heerschte, kan niet beschreven worden. Zelfs de ruwste zeerobben, die
zich wellicht zouden schamen om in hun eigen land te laten zien, dat
ze nog tranen hadden, weenden van blijdschap en omarmden elkander. Het
was geen wonder ook. De vele teleurstellingen, die ze ondervonden, en
de angsten, die ze uitgestaan hadden, maakten de blijdschap des te
grooter, en vol dankbaarheid hieven ze, doch nu niet in het gezicht
van eene wolk, die ze voor een eiland hielden en zich in de lucht
oploste, maar in het gezicht van een echt land, een »Te Deum laudamus:
Te Dominum confitemur. Te aeternum Patrum, omnis terra veneratur« aan,
dat is: »U, o God, loven wij! U, o Heer, belijden wij! U, o Eeuwige
Vader, vereert de gansche aarde!«
Neen, het was nu geen gezichtsbedrog, want zie, toen de zon geheel
boven de kimmen verrezen was, en de schepen het land naderden, wemelde
het strand van inboorlingen, die vol verbazing de schepen zagen
naderen.
Zij wisten niet, wat zij zagen, want de zeilen deden hen denken aan
vleugels, en de rompen der schepen werden daardoor in hunne oogen tot
vogels herschapen.
[Illustratie: Op Vrijdag-morgen, 12 October 1492, aan de kust van het
Watlings-eiland.]
Vrijdag, de twaalfde October van het jaar 1492, is en blijft, hoe men
ook over Columbus denken moge, een dag die een der merkwaardigste in
de wereld-geschiedenis heeten mag. Die drie scheepjes, met hunne
honderdtwintig mannen, deden hier meer dan zelfs een Godfried van
Bouillon voor Jeruzalem deed. Was deze, door zijne grootsche daad, bij
machte om aan Europa's maatschappelijke instellingen eene andere
richting te geven, Columbus met zijne mannen gaf aan de heele
maatschappij, zooals ze over de Oude, en nu ook de Nieuwe wereld
verspreid was, een' ruk, die haar niet alleen van koers deed
veranderen, maar ook in eene heel andere stelling bracht.
Na het eindigen van den lofzang, werden de booten uitgezet, om, op
Portugeesche wijze, bezit van het land te gaan nemen.