De brief is niet in' sierlijken stijl geschreven, en onder het lezen

bemerkt men duidelijk, dat de reisbeschrijving van Marco Polo aan

onzen Florentijner Arts niet onbekend was. Maar niet om die

beschrijving van Quin-sai of Zipangu was het, dat die brief den Koning

van zooveel gewicht scheen. Het was om het kernachtige, maar

veelzeggende slot: »Zóó moet men langs onbekende, doch niet lange

wegen de ruimte van den Oceaan doorsnijden.«

Die uitdrukking: »zóó moet men«, gaf te denken, vooral in 1474, toen

men, voor zoover ik heb kunnen nagaan, nog niet tot den Congo gekomen

was. Jaren lang was die brief met die kaart in het bezit geweest van

den Koning, en als niet Diego Câno doorgedrongen was tot eenige mijlen

bezuiden de Linie, en een' grenssteen geplaatst had aan den

zuidelijken oever van den Congo, wellicht dat hij dan tot andere

gedachten zou gekomen zijn, en Toscanelli's raad opgevolgd had. Maar

toen Columbus in Lissabon kwam, had Diego Câno zijn' grenssteen al

geplaatst, en het was bewezen, dat Afrika naar het Zuiden steeds

smaller werd, zoodat de hoop om Afrika heen te kunnen zeilen, geene

hersenschim meer kon genoemd worden, maar veel kans had, vervuld te

worden.

Begrijpelijk is het derhalve, dat de Portugeesche Koning het voorstel

van Columbus niet met beide handen en terstond aangreep, maar dat hij

het in bedenking nam, en aan het oordeel van een' Raad van geleerden

onderwierp.

Dat Columbus veel van Toscanelli gehoord had, weten wij, doch brief en

kaart waren hem onbekend. Van den brief nam hij een afschrift en de

kaart teekende hij na; het een zoowel als het ander zou hem te pas

kunnen komen. Hier in Portugal echter zou hij er niets mede aanvangen.

De Junta of Raad, aan wien de Koning het voorstel van Columbus ter

beoordeeling voorlegde, had tot zijn' Voorzitter den Biechtvader des

Konings. Hij heette Diego Ortiz, doch naar de plaats in Spanje, waar

hij geboren was, voegde men meestal nog »de Cazadilla« bij zijn' naam.

Hij was bovendien Bisschop van Ceuta, en derhalve een man van invloed,

zoowel aan het Hof, als onder de voornaamste Edelen. Twee andere leden

van dien Junta waren de geschiedschrijvers Rodrigo en Joseph. Na

nauwkeurig en langdurig onderzoek bracht de Junta als zijne meening

uit, dat het voorstel van Columbus niet kon of mocht aangenomen

worden, daar de wetenschap er tegen opkwam. De Voorzitter ging zelfs

nog verder, en wilde, dat de Koning ook de ontdekkingstochten in

Afrika niet voortzette, doch hierop vatte Dom Pedro de Meneses, een

oud vriend van Prins Hendrik, vuur, en deze wist in eene welsprekende

rede den Junta en de Regeering te bewegen, om die ontdekkingen met

alle macht en kracht voort te zetten. Men verhaalt ook, dat men

Columbus op eene listige wijze wist te bewegen om zijne aanteekeningen

en kaarten af te staan, en toen men deze had, rustte men een schip

uit, om den weg, door het Westen naar de Indiën, te zoeken. Dit schip

bracht het echter niet verder dan eenige mijlen bewesten de

Kaap-Verdische eilanden, en keerde toen terug. De proef op de som was

geleverd, meende men, en Columbus' voorstel daarmede veroordeeld.

Denkelijk is dit verhaal niets anders dan een verzinsel.

Hoe lang Columbus in Lissabon vertoefd heeft, wordt niet vermeld, doch

wat anders verzwijgt de geschiedenis niet. In dien tijd overleed zijne

vrouw, en liet haar' man met zeer berooide geldmiddelen achter. Dit

laatste is zeer wel te verklaren, want voor zijn plan had hij zich

heel wat opofferingen getroost, terwijl hij bovendien op eigen kosten

zijne twee broeders te Genua had laten studeeren.

Met zijn zoontje Diego verliet hij nu Lissabon in het jaar 1484, en

zijn' broeder Bartholomeus, dien hij naar Lissabon had laten

overkomen, zond hij naar Engeland, ten einde daar te beproeven, of hij

Koning Hendrik VII kon overhalen tot het plan. Bartholomeus werd

echter op zijne reis derwaarts door zeeroovers overvallen, en zóó

uitgeplunderd, dat hij, toen hij in Engeland kwam, onmogelijk aan het

Hof verschijnen kon. Met kaarten-teekenen wist hij nu zooveel te

verdienen, dat hij het vier jaar later waagde bij den Koning gehoor te

vragen. Dit gehoor werd hem verleend, doch de Koning, die met allerlei

binnenlandsche staatkundige woelingen te worstelen had, wilde er niets

van weten.

Het voornemen van Columbus was geweest, om, nu zijn voorstel door

Portugal afgewezen was, zich naar Frankrijk te begeven. Hij schijnt er

evenwel niet heengegaan te zijn. Ik zeg »schijnt«, want gedurende

eenige jaren verliest de geschiedenis hem geheel uit het oog, en het

zijn niet veel meer dan gissingen, dat hij zelfs zijne plannen aan de

Regeering van Venetië voorgelegd heeft. Indien dit waar is, dan moet

hij wel bittere teleurstellingen ondervonden hebben, want Genua en

Venetië waren immers geslagen vijanden, en naarmate Genua's handel

meer en meer kwijnde, terwijl die van Venetië zich nog met groote

inspanning staande hield, nam de vijandschap, versterkt door naijver,

nog toe.--

Eindelijk echter komt de groote man weer te voorschijn.

In Andalusië ligt eene kleine stad; ze heet Palos de Moguer. Nog heden

ten dage bevindt zich in de nabijheid van dit plaatsje een oud

klooster. Dat klooster was er ook al in dien tijd, en werd door

Franciscaner monniken bewoond. Het was gewijd aan Santa Maria de

Rabida, en de Prior heette Juan Perez de Marchena.

Aan de poort van dat klooster nu, klopte op zekeren avond een schamel

gekleed man aan, die zijn zoontje bij zich had, en op de vraag van den

portier, wat hij begeerde, luidde het antwoord: »Wat brood en water

voor dit kind!«

Die bedelaar was Columbus; dat hongerige en dorstige kind was zijn

zoontje Diego.

De Prior, die in de nabijheid was, hoorde de stem van den man, en het

viel hem terstond op, dat hij de Spaansche taal, als een vreemdeling

sprak. Toen nu de portier hem de vraag van den armen man overbracht,

gaf hij last te onderzoeken, vanwaar hij toch wel kwam. Columbus, die

geene redenen had om zijn' naam te verzwijgen, vertelde den portier

een en ander, en het gevolg hiervan was, dat hem de poort van het

klooster geopend werd, en hij binnen mocht komen.

De Prior was een geleerd man, en had natuurlijk wel eens wat van

Columbus' plannen opgevangen, zoodat hij weldra met hem in een ernstig

gesprek verdiept was, en toen Columbus, na door spijs en drank

versterkt te zijn, aanstalten maakte om weer verder te gaan, wilde de

Prior hiervan niets weten, en zeide, dat een man als Columbus niet als

bedelaar van de eene plaats naar de andere mocht trekken, en althans

dezen nacht de gast van het klooster bleef.

In het stadje zelf woonde Garcia Fernandez, die Arts van beroep was,

doch meteen zich toegelegd had op de studie van de aardrijks- en

sterrenkunde, waarin hij zelfs grooten naam gemaakt had. De Prior, die

met dezen Arts zeer bevriend was, liet hem roepen, en weldra waren de

drie mannen nu in een zeer geleerd gesprek verdiept.

In dat klooster begon voor den armen zwerver het sterretje der hoop

weer door de nevelen der teleurstellingen te schijnen; want Prior Juan

Perez de Marchena droeg ook den titel van Biechtvader van Koningin

Isabella.

Spanje was toen een heel ander land dan tegenwoordig, dat wil zeggen,

op staatkundig gebied. Op het Pyreneesche schiereiland vond men toen,

behalve het Koninkrijk Portugal, ook de Koninkrijken Navarre, Kastilië

en Aragon, benevens het Mooren-gebied Granada. Over Aragon regeerde

Koning Ferdinand, en over Kastilië, Koningin Isabella. Deze twee

Vorstelijke personen waren met elkander gehuwd, zoodat na hun

overlijden de kronen van beide landen op één hoofd kwamen. In den tijd

evenwel waren beide rijken nog geheel gescheiden. In karakter

verschilden Koning Ferdinand en Koningin Isabella buitengewoon veel

met elkander, doch in ééne zaak stemden ze vrij wel overeen, en deze

was: »uitbreiding van het gezag der beide Koninkrijken door de

scheepvaart.« Den Prior nu, was die zucht zijner machtige biechtelinge

niet onbekend, en daar hij hoog bij haar aangeschreven stond, wist hij

te bewerken, dat Columbus aan haar Hof geroepen werd, om daar zijn

plan voor te leggen.

Het was stellig ver met den voormaligen planter gekomen, want, om in

eene eenigszins geschikte kleeding aan het Hof te kunnen verschijnen,

zond Isabella hem drieënvijftig dukaten.

Om te bewerken, dat Columbus voor Koningin Isabella verschijnen mocht,

schijnt Don Louis de la Cerda, Hertog van Medina Celi, die een

schatrijk Edelman was, eene groote rol gespeeld te hebben. Zelfs had

deze wel heel alleen Columbus willen helpen, doch hij vreesde daardoor

de Koningin in moeielijkheden met het Portugeesche Hof te zullen

brengen, wat hij liever niet wilde.

In 1486 verscheen Columbus voor Isabella, en met de geestdrift van

een' dweper, die reeds zijn geheele vermogen aan zijn plan opgeofferd

had, deelde hij haar alles mede. De Koningin hield toen haar Hof te

Cordova.

Isabella zelve had er wel ooren naar, maar--de uitvoering van het plan

kostte geld, en hierover had zij niet te beschikken, vooral nu niet,

daar ze in een' kostbaren oorlog met de Mooren gewikkeld was. Of het

uit geldgebrek was, dan wel om andere redenen, is alweer niet bekend,

maar zeker is het, dat Isabella het voorstel van Columbus aan het

oordeel van de geleerdste mannen van Salamanca onderwierp. Deze stad

had toen eene bloeiende hoogeschool, en was voor heel het Pyreneesche

schiereiland het brandpunt der wetenschappen.

De Voorzitter van den Raad, die over Columbus' plannen te beslissen

had, was Don Fernando de Talavera, Prior van Prado. Hij was een zeer

geleerd man, en had een edel karakter, doch het bleek al heel spoedig,

dat hij met de plannen van den Genuees niet bijzonder ingenomen was.

De beraadslagingen duurden lang, en gedurende dezen tijd kwam

Columbus, die zich in beschaafde en deftige kringen gemakkelijk wist

te bewegen, in kennis met vele voorname Edelen en Grooten. Een dezer

was Don Pedro Gonzalez de Mendoza, Aarts-bisschop van Toledo en

Groot-Kardinaal van Spanje, een man, die aan het Hof van Ferdinand en

Isabella niet alleen in hoog aanzien stond, maar er ook veel invloed

had. Bij dezen Kerk-vorst vond Columbus een luisterend oor, en eene

genegen hand om hem te helpen.

Met dat al kon de Groot-Kardinaal voor zijn' beschermeling in de

eerste jaren niets gedaan krijgen. De Mooren, tot in hunne laatste

sterkte verdreven, hielden hardnekkig stand, en zoolang deze oorlog

duurde, viel er niet aan te denken, om geld uit te geven aan een'

ontdekkingstocht.

Eindelijk moesten de Mooren het hoofd in den schoot leggen, en zich

aan Ferdinand en Isabella onderwerpen. Thans meenden Columbus'

vrienden, dat de tijd gekomen was, om aan zijn voorstel gevolg te

geven, en trots den tegenstand der geleerden, die niet moede werden te

bewijzen, dat men aan het Portugeesche Hof goed gezien had met het

heele plan slechts de hersenschim van een' dweper te noemen, zouden

Ferdinand en Isabella bereid geweest zijn, aan Columbus' voorstellen

gevolg te geven, als niet Columbus zelf zijne eigene zaak bedorven

had.

Hoe hij dat kon doen?

Toen dan het plan op het punt stond om aangenomen te worden, stelde

Columbus de volgende voorwaarden, die stellig niet pleiten voor zijne

nederigheid en liefde voor de wetenschap.

Vooreerst verlangde hij, als hij bewezen had, dat zijn plan geen

droombeeld geweest was, verheffing tot den Adelstand en tot Grande van

Spanje.--Een Grande werd als zulk een aanzienlijk persoon beschouwd,

dat hij met gedekt hoofd voor den Koning en de Koningin mocht

verschijnen.--Ten tweede eischte hij den titel van »Atlantisch

Admiraal«, eene waardigheid, die slechts één rang lager was dan

»Veldheer der Kroon«. Ten derde vorderde hij zijne benoeming tot

Onder-Koning in de landen, die door hem ontdekt, en voor Spanje in

bezit zouden genomen worden. Ten vierde wilde hij, dat die waardigheid

op zijne mannelijke nakomelingen zou overgaan. Ten vijfde stelde hij

de voorwaarde, dat een tiende deel van alle inkomsten der kroon in die

landen, hem, als geldelijke vergoeding, zouden uitgekeerd worden, en

ten zesde verlangde hij het achtste deel van het

monopolie,--uitsluitend recht om in een' Staat alleen handel te mogen

drijven,--dat in de ontdekte landen, als iets dat vanzelf sprak,

terstond zou ingevoerd worden.

Dat waren eischen, die zelfs velen zijner vrienden veel te ver gingen,

en zijne geheime tegenstanders, die in talrijkheid voor zijne openbare

vijanden niet onderdeden, wisten nu bij Koning Ferdinand gedaan te

krijgen, dat deze alleen om deze eischen, niets meer van het heele

plan wilde weten.

Hoe Columbus, die toch zoo menige teleurstelling ondervonden had, en

die gedurende zijn langdurig verblijf in Cordova wel had moeten

ontdekken, dat tal van Edellieden hem, den Genuees of den »Liguriër«,

zooals men hem smadelijk noemde, haatten; zulke verregaande en

trotsche eischen stellen kon, is onverklaarbaar. Alleen door aan te

nemen, dat het bij hem onwrikbaar vast stond, dat zijn plan _moest_

gelukken, kan men zijne houding eenigszins verklaren.

Nadat Koning Ferdinand zich aan de zaak geheel onttrokken had, zou

Columbus verder dan ooit van zijn doel gestaan hebben, indien niet Don

Louis de Sant Angel, die in de beide Koninkrijken de waardigheid

bekleedde, welke wij met »Minister van Financiën« zouden betitelen,

Koningin Isabella had weten te bewegen, om Columbus niet in de

noodzakelijkheid te brengen aan andere Hoven zijn geluk te beproeven.

De redeneering van dezen aanzienlijken Edelman sneed ook vrij goed

hout.

»Bereikt Columbus de Indiën niet,« zoo sprak hij, »dan is er niets

verloren, dan het geld aan de uitrusting voor den tocht bestemd, want

in dat geval vervallen al zijne eischen. Bereikt hij echter de Indiën

wel, dan is voor Spanje eene onuitputbare goudmijn geopend, welke

stellig waard is, dat men hem zijne eischen inwilligt. Bovendien zou

Spanje, indien de weg door het Westen naar de Indiën gevonden werd,

het machtigste Christenrijk van heel de wereld worden, en kon Koningin

Isabella, naar den vurigsten wensch van haar vroom hart, de leer des

Evangelies doen prediken van den op- tot aan den ondergang der zon.«

Isabella, die door alle geschiedschrijvers beschreven wordt, als eene

vrouw »van middelbare lengte, welgemaakt, vol Vorstelijke waardigheid

en lieftalligheid,« bezat, volgens hen, ook »een standvastig karakter,

en een innig, vroom hart.« De oorlogen tegen de Mooren, en de

tirannieke wijze, waarop zij hen behandelde, toen ze gedwongen waren

geworden, zich te onderwerpen, mogen de maatstaf niet zijn, waarmede

men haar karakter afmeet. Zij handelde in deze zaak geheel in den

geest van haar' tijd, welke geest sprak van: »dwing ze om in te gaan.«

Maar al te veel plaatsen we ons bij het beoordeelen van daden van

Vorsten, en voorname personen uit vroegere eeuwen op het standpunt van

onzen tijd, zonder een oogenblik te bedenken, hoe wij zouden gehandeld

hebben, indien wij in die dagen geleefd hadden. Een oordeel over een

karakter is niet zoo gemakkelijk uitgesproken, als men wel denkt. Er

behoort eene diepe kennis toe van de geschiedenis der beschaving en

der wetenschap. Dat er, zonder die diepe kennis, toch zoo menig

oordeel uitgesproken wordt, is zeker, maar het gevolg daarvan is, dat

ook zoo menig oordeel geheel verkeerd is.

Waarom ik dit hier zoo zeg?

Omdat we later met Cortez in Mejico, en met Pizarro in Peru zullen

zijn, en daar het Evangelie zullen zien prediken op eene wijze, die

ons, negentiende-eeuwers, tegen de borst stuit, en ook omdat we, met

het oog op dien voormaligen bekeerings-ijver der Katholieken, er zoo

gemakkelijk toe komen, om het werk der tegenwoordige Missionarissen er

mede gelijk te stellen.

De zachte wateren der zee ronden de scherpe kanten van den harden

steen wel af, en zou de beschaving van vier eeuwen niet de hoekige

uitwassen van het menschelijke hart afgerond hebben?

Isabella dan bleef Columbus, ook om zijn' bekeerings-ijver, dien hij

openlijk beleed, genegen, en de woorden van Don Louis de Sant Angel

vonden bij haar ingang, maar--de oorlog tegen de Mooren had de

schatkist uitgeput; ze had geen geld om de uitrusting te bekostigen.

Zij stelde nu voor, hare juweelen te verpanden, doch Don Louis

voorkwam dat. Hoogstwaarschijnlijk geholpen door den schatrijken

Hertog van Medina Celi, die nu was, waar hij zijn wilde, schoot Don

Louis haar al het geld voor. Columbus' eischen zouden, als hij

werkelijk langs den voorgestelden weg in de Indiën kwam, alle

ingewilligd worden. Den zeventienden Maart 1492 kwam de overeenkomst

volkomen tot stand, en Columbus repte zich nu zijn doel te bereiken.

Hij toog naar het zeestadje Palos, en rustte daar twee karveelen en

een transport-schip uit, doch stuitte nu op eene zwarigheid, die hij

niet verwacht had: het ontbrak aan mannen, die hem op dezen tocht

wilden vergezellen. Zelfs een Koninklijk besluit, dat ieder, die aan

dezen tocht deelnam, twee maanden na zijne thuiskomst voor geen enkel

misdrijf, ja, voor geene enkele misdaad zou gestraft worden, kon de

zeelieden niet bewegen, Columbus te volgen. Eindelijk had hij het

geluk, om in de gebroeders Pinzon, zoons van een aanzienlijk geslacht,

dat te Palos woonde, hulp te verkrijgen. Zij zelven zouden medegaan,

en hun voorbeeld vond zooveel navolging, dat de drie scheepjes

voldoende bemand waren. Honderdtwintig zeelieden zouden de reis

medemaken, en deze honderdtwintig mannen togen in den avond van den

tweeden Augustus naar het vredige Franciscaner-klooster van Santa

Maria de Rabida, om daar, na het gebruiken van het Heilige Sacrament

des Avondmaals, Gods zegen op de grootsche onderneming af te smeeken.

Den derden Augustus 1492 voeren de »Santa-Maria«, de »Pinta« en de

»Nina« de haven van Palos uit. Ze droegen den morgen van een' nieuwen

dag, den dageraad van de eeuwen der Nieuwe Geschiedenis op het broze

scheepsdek, den Atlantischen Oceaan in. Ze voeren den avond tegemoet,

en zouden den morgen brengen.

HOOFDSTUK VI.

EERSTE REIS VAN COLUMBUS.

Eer we met Columbus den tocht gaan medemaken, dienen we te zeggen, dat

Martinus Alonzo Pinzon, die het bevel over de »Pinta«, en Vicente

Yanez Pinzon, die de »Nina« kommandeerde, twee mannen waren, die als

kloeke en ervaren zeelieden bekend stonden, en Columbus niet alleen

hartelijk genegen waren, maar daarenboven ook dweepten met zijn

grootsch plan. Zonder de Pinzons, zou Columbus zijn doel stellig niet

bereikt hebben. Martin toonde echter later, dat hij eigenbelang ver

boven vriendschap en eerlijkheid stelde.

De kaart van Toscanelli had Columbus voorloopig niet noodig te

raadplegen, want zijn doel was om pas van de Kanarische Eilanden

westwaarts te zeilen. Van dit gedeelte des Oceaans bestonden toen

reeds zeer vele zeekaarten, en Columbus zelf had dezen weg zoo

dikwijls afgelegd, dat hij daarvoor ook geene kaarten behoefde.

[Illustratie: De drie schepen van Columbus.]

Alvorens met ons verhaal verder te gaan, moet ik u weer verzoeken eens

even eene wereldkaart voor u te leggen, of eene globe te raadplegen.

Beschouwen we den Atlantischen Oceaan, die de Oude van de Nieuwe

wereld scheidt, dan zien we, dat die Oceaan op de eene plaats veel

breeder is dan op de andere. Zijne grootste breedte is tusschen

Senegambië en Mejico; zij bedraagt daar niet minder dan 9000

Kilometers. De geringste breedte bevindt zich tusschen Noorwegen en

Groenland, want daar bereikt ze maar 1445 Kilometers. De breedte

tusschen Afrika en Georgië bedraagt 7225, tusschen Kaap de Goede Hoop

en Kaap Hoorn ook 7225, tusschen Brest en New-York 5550, en tusschen

Kaap San Roque en Sierra Leone 3100 Kilometers.--

In den Atlantischen Oceaan is het water natuurlijk ook aan eb en vloed

onderworpen, doch behalve deze beweging van het water, welke op

gezette tijden wederkeert, heeft men er ook verschillende stroomingen.

De voornaamste zijn de Noordelijke Aequatoriaal-stroom, de Zuidelijke

Aequatoriaal-stroom, de Guinea-stroom, de Benguela-stroom, de

Braziliaansche stroom, de Florida-stroom, de Groenland-stroom, de

Noordkaap-stroom, de Labrador-stroom, en de zeer merkwaardige

Golfstroom. Evenals het water eener rivier, nu eens snel, dan eens

langzaam, maar altijd in dezelfde richting vloeit, zoo vloeien de

zeestroomingen ook bijna altijd op bepaalde tijden in dezelfde

richting. Soms echter kunnen er aanmerkelijke storingen in plaats

grijpen. Den Golfstroom noemden we zeer merkwaardig, en wie zou dat

niet doen? Hij neemt een aanvang in de Golf van Mejico, en loopt in

noordoostelijke richting, doch na zich verscheidene malen verdeeld te

hebben, tot Nova-Zembla in de Noordelijke IJszee. Met eene snelheid,

die de snelheid van den Mississipi overtreft, stroomt hij voort, en

voert zijne warme wateren ver het Noorden in. Aan de hooge temperatuur

van het water van dezen stroom, welke hoogte natuurlijk afneemt,

naarmate de stroom meer het Noorden nadert, is West-Europa zijn

vochtig klimaat verschuldigd. Die vochtigheid houdt ook de felle koude

tegen. Vandaar komt het, dat het in den winter te New-York meestal

veel kouder is dan te Amsterdam, niettegenstaande New-York ruim tien

graden zuidelijker ligt. De stad Hammerfest in Noorwegen ligt op

zeventig graden noorderbreedte, en toch komen er menigmaal winters,

dat in hare havens bijna geen ijs te zien is, terwijl op dezelfde

breedte in Azië en Amerika eene koude heerscht, welke wij het best

kennen onder den naam van »Siberische koude.«

Behalve die geregelde zeestroomingen, vinden we op onze wereldkaarten

ook geregelde luchtstroomingen of winden aangeteekend. De voornaamste

zijn de Noordoost-passaat en de Zuidoost-passaat.

Van deze regelmatige stroomingen en winden, waarvan we, in een boek

als dit, geene verklaring kunnen geven, maken de zeelieden van den

tegenwoordigen tijd gebruik, om de reis aanzienlijk te bekorten, doch

al had Columbus op Porto-Santo en op zijne tochten in de Noordelijke

IJszee ook kunnen waarnemen, dat er regelmatige stroomingen in den

Oceaan waren, en dat sommige winden gedurende geruimen tijd vrij

regelmatig woeien, het was er verre af, dat hij er op zijn'

ontdekkings-tocht opzettelijk gebruik van maakte. Daar de heele zee

ten Westen van de Kanarische Eilanden onbekend was, kon hij ook met de

meerdere en mindere breedte van den Oceaan geene rekening houden.

De reis vorderde niet snel, wat met den lompen bouw der schepen,

zooals we op onze afbeelding kunnen zien, ook niet mogelijk was.

Daarenboven had Columbus ook niet de beste schepen, die er in dien

tijd te vinden waren. De beperkte, zelfs geringe middelen, waarover

hij te beschikken had, dwongen hem om in zijne keus niet al te

kieskeurig te zijn. Denkelijk had slechts één der drie schepen een

doorloopend dek, terwijl de beide andere alleen hooge voor- en

achterstevens hadden, waarin zich de hutten van de bemanning bevonden.

Niet zonder reden was het dus, dat Columbus zooveel moeite gehad had,

om de noodige manschap te vinden. Veel meer dan thans het geval is,

waren de zeelieden toen aan de grootste gevaren blootgesteld. Daarom

bleef men ook het liefst zoo dicht mogelijk bij de kusten, en dat

niet, omdat men de kompassen niet vertrouwde, maar wel, omdat de

schepen er niet op gebouwd waren, om de stormen en de golven te kunnen

trotseeren. En Columbus zou de eerste zijn, die opzettelijk zich van

de kust verwijderde, steeds verder, al door verder, op een' tocht, die

in het oog van de meesten toch niets anders was dan een zeer

avontuurlijke. Waarlijk, we dienen ons eer te verbazen, dat Columbus

zelfs nog eenige misdadigers vond, die met hem de reis wilden

meemaken, dan dat we verbaasd zijn, dat er geen fatsoenlijk zeevolk

voor zijne onderneming te vinden was.

Vóór vier Eeuwen: Een Volksboek over de Ontdekking van Amerika · 第 6 / 26 段