zouden hem alweer »Stoffel« noemen, wat eene verkorting is van
Christoffel. De Latijnsche naam _Columbus_ eischt Christophorus, en de
Spaansche naam _Colon_ eischt Christoval. De naam beteekent
»Christusdrager«, en zie, dat wenschte de man werkelijk te zijn. Hij
wilde niets liever dan als een wereldlijk Missionaris overal het
Evangelie verkondigen.
Hoe eenvoudig en arm zijn Vader ook ware, toch gaf deze Christophorus
eene zeer goede opvoeding, ja, we zouden haast geneigd zijn te zeggen:
hij gaf hem eene opvoeding boven zijn' stand.
Al heel vroeg toonde de knaap, dat de zee en verre landen hem meer
aantrokken dan de eenvoudige wolkammerij des Vaders, en daarom liet
deze den jongen onderwijs geven in de Latijnsche taal, en in de wis-,
aardrijks-, sterren- en teekenkunst. In het schrijven maakte hij zulke
verrassende vorderingen, zegt Las Casas, Bisschop van Chiapas in
Mejico, wiens Vader een reisgezel van Columbus was, dat hij, als hij
niet op eene andere wijze door de wereld gekomen was, hiermede zijn
brood had kunnen verdienen. Zelfs zou hij, volgens denzelfden
schrijver, ook instaat geweest zijn om met schilderen, of het geven
van onderricht in het rekenen en teekenen zich in het dagelijksch
onderhoud te kunnen voorzien. In hoever dit waarheid is, durf ik niet
verzekeren. Misschien, dat dankbaarheid hier wel wat overdreef, want
Columbus was oorzaak geweest, dat Las Casas te Salamanca kon
studeeren.
Behalve onzen Christophorus had Vader Columbus nog twee zoons,
Bartholomeus en Giacomo, welke laatste door de Spanjaarden in hunne
taal Diego genoemd wordt. Ter eere van onzen Christophorus mag het
gezegd worden, dat hij later voor die twee broeders uitnemend zorgde.
Ook had hij eene zuster, doch hiervan lezen we niets anders, dan dat
ze gehuwd was met een eenvoudig burger, die Giacomo Varello heette.
Dat Christophorus, of, zooals ik hem voortaan liever noem, Columbus,
op jeugdigen leeftijd zooveel lust toonde te hebben voor de
aardrijkskunde en alle aanverwante vakken, kan niemand bevreemden. De
aardrijkskunde was toen de wetenschap bij uitnemendheid, en in alle
plaatsen, die zeehandel dreven, en vooral in de kloosters, stond ze
zóó hoog aangeschreven, dat vele kloosterlingen van dat vak hunne
lievelings-studie maakten. Menig beroemd aardrijkskundige was van
beroep wat anders, en vooral onder de Artsen telde men vele
beoefenaars van deze wetenschap.
Zoo heel laag stond die wetenschap ook niet meer. Wel bewaarde men
eene groote globe, die Behaim te Neurenberg gemaakt had, als een
wonderstuk van vernuft, en bevatte ze menige dwaasheid, maar Arabische
geleerden, te Sennaar vergaderd, verstonden reeds de kunst om een'
lengtegraad te meten, en op de uitgestrekte vlakten van Mesopotamië
berekenden zij den omtrek der aarde. Neemt men hierbij in aanmerking,
dat de handelssteden, aan de Middellandsche Zee en in Spanje en
Portugal, begrepen, dat haar eigenbelang medebracht om andere
handelswegen te zoeken, dan zal ieder het natuurlijk vinden, dat
Columbus zoo vroeg mogelijk trachtte, zich in de aardrijkskunde te
bekwamen, en het geluk diende hem, dat hij een' bloedverwant had, die
Admiraal was.
Op zijn veertiende jaar ging hij naar zee, en als hij tot dien tijd
school gegaan heeft, dan kan hij, want zijn hoofd was buitengewoon
helder, als een wel ontwikkeld jongeling aanboord gekomen zijn. Al
dadelijk dient echter gezegd, dat zijn eerste Kapitein niet zijn
bloedverwant was.
Zijne eerste tochten deed hij in de Middellandsche Zee, doch weldra
maakte hij grootere reizen, en niet alleen naar Engeland, misschien
ook Antwerpen, maar zelfs naar IJsland, dat toen Thule genoemd werd.
Hoe lang hij daar in het hooge Noorden bleef, is niet bekend, doch de
IJslanders van dien tijd waren zeer beschaafde menschen, en stellig
zal Columbus daar wel wat vernomen hebben van het fabelachtige
»Wijnland«, dat hunne Voorvaderen eenmaal bezocht hadden, doch dat
daar nu ver in het Zuiden geheel vergeten lag. Van IJsland werd de
reis zelfs nog noordelijker voortgezet, zoodat hij eenige graden over
den Noordpool-cirkel kwam. Handelsbelangen kunnen hem daar niet heen
gevoerd hebben, zoodat we aannemen mogen, dat deze Noordpool-tocht
alleen in het belang der wetenschap, en een gevolg van de Pauselijke
bul aan Portugal was.
Van die groote reis teruggekeerd, trad hij in dienst van zijn'
bloedverwant, den Admiraal Columbus, die evenwel alweer niet veel
verder kwam dan de Middellandsche Zee, om de Genueesche koopvaarders
tegen de Venetianen en de Noordafrikaansche of Barbarijsche zeeroovers
te beschermen.
Eens echter bevond hij zich met de vloot in de Spaansche Zee, in de
nabijheid van de Portugeesche kust. Daar raakte men met eenige
Venetiaansche schepen, die uit Nederland kwamen, slaags. Columbus
gedroeg zich dapper, doch zijn schip werd in brand geschoten, en om
zijn leven te redden, sprong hij in zee. Met behulp van een
losgeslagen roer wist hij de Portugeesche kust te bereiken, en nu hij
daar eenmaal was, besloot hij naar Lissabon te gaan, waar hij zeker
was, landgenooten te vinden, want door het verloopen van den
Genueeschen handel, zochten velen elders hun geluk. Hij bleef daar
geruimen tijd, en geraakte in kennis met eene schoone, Felipa Monnis
de Palestrello. Haar Vader was een Italiaansch Edelman, die zich te
Lissabon gevestigd had. Dat Donna Felipa, niettegenstaande zij eene
adellijke Jonkvrouw was, zich zóó tot den Genueeschen zwerver
aangetrokken gevoelde, dat zij met hem in het huwelijk trad, is wel
verklaarbaar. »Columbus,« zoo zegt Las Casas alweer, »was een lang en
kloek gebouwd man, met eene edele en waardige houding. Zijn langwerpig
rond gelaat was niet bol, maar eer mager; het had eene heldere kleur,
en tusschen de lichtblauwe oogen, die van fierheid glinsterden, had
hij een' schoonen arendsneus. Wat hem vooral van zijne landgenooten
onderscheidde, was, dat hij blond hoofdhaar had, dat in rijke lokken
zijn sprekend gelaat omlijstte.« Als eene groote bijzonderheid merkt
dezelfde schrijver aan, dat »de zorgen des levens en eene gestadige
studie hem op zijn dertigste jaar reeds geheel grijs deden zijn.«
Indien dit waar is, dan zullen de zorgen des levens hiervan wel niet
de oorzaak geweest zijn, want tot op den dag van zijn huwelijk kon hij
waarlijk niet klagen, dat zijn leven zoo stormachtig en onrustig was.
Alleen de gedwongen zeereis op een drijvend scheepsroer, was het
ergste, wat hem wedervaren was, doch dit was voor een goed zeeman toch
geene reden, om het zich zóó aan te trekken, dat hij wit werd als eene
duif. Eer is het te denken, dat èn zijn naam »Duif«, èn zijn blond
haar, door de zuidelijke zwartharigen met elkander in verband gebracht
zijn, en dat de »blonde Columbus«, heel dichterlijk, »wit als eene
blanke duif« zal genoemd zijn.
Na het overlijden van zijn' Schoonvader kwam Columbus in het bezit van
eene plantage op het eiland Porto-Santo. Hij vestigde er zich
metterwoon, en het scheen dus, dat hij als een eerzaam planter zijn
leven zou eindigen, zonder dat hij nog nieuwe zeereizen gedaan had.
Dit scheen echter maar zoo, want het verbouwen van suikerriet en
wijnstokken, in eene aangename luchtstreek, op een vruchtbaar eiland,
mocht anderen aantrekken en behagen, Columbus was er de man niet voor,
om in zulke landelijke bezigheden zijn genoegen te vinden.
Dikwijls liep hij langs de kust van zijn betrekkelijk klein eiland, en
meestal vergenoegde hij zich niet uitsluitend met het gezicht op het
heerlijke Madeira, dat hij heel in de verte, als eene nevelstreep, kon
zien liggen. Hij woonde hier aan het uiterste einde der wereld, zeide
men. En daar ginder in het verre Westen, achter de plaats waar de zon
onderging, was het land of de zee der eeuwige duisternis. Ja, dat had
men hem ook geleerd, maar, was het wel zoo? Zag men, als men in de
Middellandsche Zee was, ook niet de zon ondergaan in de golven van
dezelfde zee? En wanneer men op eene groote vlakte stond, zag men dan
de zon ook niet ondergaan op dezelfde vlakte? En lag er achter de
avondplek der Middellandsche Zee, of achter de avondplek van de
vlakte, niet nog menige streek waar het toch niet duister was, en waar
men morgen en avond had, evenals te Genua, te Alexandrië, te Lissabon,
en hier op het afgelegen Porto-Santo? Bevond de mensch zich niet
altijd in het middelpunt van een' cirkel, en was de afstand van de
plaats waar hij zich bevond tot de morgenplek, niet even groot, als
die tot de avondplek? Was er niet iets, iets, nu ja, iets dat men
gezichts-einder noemt? En--de aarde was rond. Velen, en daaronder
groote geleerden, noemden dien ronden vorm der aarde eene hersenschim,
maar Thales van Milete had twintig eeuwen geleden toch al geleerd, dat
de aarde rond was, en de beroemde Florentijner Arts, Paolo Toscanelli,
had immers duidelijk bewezen, dat Behaims globe wel niet goed
geteekend was, maar dat er aan den vorm, dien hij aan de aarde gaf,
niets ontbrak! Had niet diezelfde Toscanelli verklaard, dat het vaste
land der aarde veel breeder was dan de zee, die ten Westen van Europa
en Afrika lag, en het vasteland doorsneed? Was dat zoo, wat zochten de
Portugeezen dan een' langen zeeweg naar de Indiën om Afrika's zuidpunt
heen? Die weg moest toch veel langer zijn, dan die door het Westen? En
áls de aarde rond was, en hij _was_ overtuigd, dát ze het was, welnu,
dan _moest_ men óók in de Indiën komen, als men steeds westelijk voer.
Dat kon niet anders.
Maar, had die Toscanelli wel gelijk? Was langs de zee de afstand
tusschen Europa en Afrika aan de eene, en Azië, met het reusachtig
groote rijk Kataï, benevens Zipangu, aan den anderen kant, wel zoo
gering? Was die weg niet veel langer?
Zoo dacht en peinsde de planter Columbus, als hij van zijn eiland af,
in westelijke richting zijne blikken langs den uitgestrekten Oceaan
liet gaan.
Een schipper, die wat ver het westen ingezeild was, zoo vertelde men,
had, midden in zee, een kunstig besneden stuk hout opgevischt. Vanwaar
was dat gekomen, en waar woonde de man, die dit hout bewerkt had?
Op Madeira's en Porto-Santo's westkust, had men menigmaal ongemeen
zwaar riet zien aandrijven. Vanwaar kwam dat?
Een ander had hem verteld, dat er zelfs wel eens heele boomen
aandreven. Dit verbaasde Columbus niet, want op Thule en in de
Noordelijke IJszee had hij zoo menigmaal drijfhout gezien. De
stroomingen der zee, ook dat had hij ondervonden, liepen niet steeds
in dezelfde richting, zoodat een stuk hout, een boom of een riet, al
eene heel vreemde reis langs het water konden gedaan hebben, eer ze
hier op de kusten aanspoelden.
Daar kwam zijn Zwager Dom Pedro Correa, die ook op Porto-Santo woonde,
hem een besneden stuk hout brengen, hetwelk hij op de westkust van het
eiland gevonden had.
Het was merkwaardig, dat toch alles op die westkust aankwam,--zeer
merkwaardig. En dat hij hier te doen had met het werk van eene
geoefende hand, dat bewezen de kunstige figuren en lijnen. Dat moest
het werk zijn van een bewoner van Kataï of van de Indiën. Hij had
immers de reisbeschrijvingen van Marco Polo niet gelezen, maar
verslonden, en wist dus op welk een' hoogen trap van beschaving die
volken stonden!
Een nieuw gerucht kwam onzen peinzenden planter ter oore. Er waren op
de westkust van Madeira twee menschenlijken aangespoeld.
Matrozen van een Europeesch vaartuig waren het niet, en evenmin waren
het negers van Afrika's westkust. Geel als de Tataren of Mongolen
waren ze ook niet, en evenmin blauwachtig als de Indiërs. Ze hadden
lange, sluike, zwarte haren, en hun gelaat en hunne huid waren
roodachtig of koperkleurig geverfd.
Alweer en alweer maar die westkust, en nu geen stuk gesneden hout,
geen boomstam, geen riet, neen, menschenlijken, en dan nog wel lijken
met vreemdgeverfde huid en vreemde hoofdharen!
Wat moest hij ervan denken?
Zou dan soms het verhaal van dien Plato niet maar zoo eene phantasie
van den dichter geweest zijn? Vertelde hij niet van een eiland
»Atlantis«, grooter dan Azië en Afrika samen? De goden hadden dat
eiland verdelgd, luidde het verhaal, maar hier en daar waren er toch
nog eilandjes overgebleven.
Was dan Plato's verhaal wel enkel verdichting, en waren die lijken
niet afkomstig van afstammelingen van de bewoners van dat eiland
»Atlantis«? En was dit eiland »Atlantis« wellicht niet hetzelfde, als
het groote »Goudland«, waarvan Marco Polo vertelde, dat het ten Oosten
van Kataï lag, en Zipangu heette?
Al deze vragen bestormden den planter van Porto-Santo, en ze lieten
hem nimmer met rust. Ze vervolgden hem overal, des daags bij het werk,
des nachts in den droom.
Ten slotte kwam hij er toe, om op al die vragen slechts één antwoord
te geven, een antwoord vol overtuiging: »Daar in het Westen liggen de
Indiën, en ze liggen dichter bij dan men vermoedt.«
Hij kon niet langer het kalme en eentonige plantersleven op zijn
afgelegen eiland blijven leiden. Hij moest, of hij wilde of niet, dien
westelijken tocht naar de Indiën gaan maken.
Maar hoe? Aan zulk eene onderneming waren verbazend groote kosten
verbonden, en hijzelf had slechts over zeer beperkte middelen te
beschikken. Het was ook geene onderneming voor één' man, maar voor een
volk.
Hij dacht aan zijn geliefd Genua, hoe machtig het eens was, en hoe
vervallen nu. Maar rijkdommen waren er toch nog te vinden, en hoe zou
hij zich verheugen, als hij dat geliefde Genua weer eens tot vroegeren
luister brengen kon! Vroegeren luister? Dwaasheid! Als hij den
Genueezen den westelijken weg naar de Indiën wees, en men kreeg dan
van den Paus dezelfde voorrechten voor het Westen, die Prins Hendrik
voor Portugal in Afrika voor het Oosten verkregen had, dan zou Genua's
voormalige grootheid niet in de schaduw kunnen staan van de grootheid,
die haar binnen luttelen tijd wachtte.
Bezield met dit heerlijke denkbeeld verliet Columbus zijne plantage en
zijn eiland, en begaf zich naar Genua, waar bijna niemand den zwerver
meer kende. Hij zocht de rijkste kooplieden op, doch dezen waagden het
niet, om aan een plan, dat in de lucht hing, als het dichterlijkste
luchtkasteel, zooveel geld te besteden. De Regeering van Genua had er
nog minder ooren naar. Men mocht immers het Gemeenebest, dat toch al
zoo verarmd was, geene grootere lasten opleggen, om een' avonturier in
de gelegenheid te stellen, eene hersenschim na te jagen?
Helaas, de achteruitgang van den handel had Genua's oude veerkracht
verlamd, haar' ondernemingsgeest gedood. Columbus bleef aan
doovemans-deuren kloppen; niemand deed hem open.
Columbus was vervuld van bitterheid, en wij, die nu leven, en weten
welk een prachtig werelddeel Amerika is, wij lachen misschien om de
domheid der Genueezen, en van allen, die later geene ooren hadden voor
Columbus' voorstel. Toch, ik mag het niet verzwijgen, verraadt ons
lachen juist _onze_ domheid, en de ontdekking van Amerika is een
bewijs, dat Columbus' tegenstanders groot gelijk hadden, met hem op
wetenschappelijke gronden te bewijzen, dat hij niets anders dan eene
hersenschim najoeg. Columbus moge een oogenblik gedacht hebben aan een
eiland »Atlantis«,--aan een eiland, dat grooter was dan Azië en Afrika
samen, geloofde hij niet; hij bracht Plato's eiland slechts in verband
met de Indiën, Kataï en Zipangu, en zijne grootste fout was wel deze,
dat hij aan den Oceaan, die de Indiën van Europa scheidde, slechts
honderdtwintig graden breedte gaf. De geleerden, die Columbus'
tegenstanders waren, geloofden niet aan die geringe breedte, en ze
beweerden, dat Toscanelli in zijne voorstellingen volkomen onwaar was,
en dat die afstand veel, zeer veel grooter was.
En hadden ze ongelijk?
Wanneer we de globe voor ons nemen, dan zien wij, dat de afstand
tusschen het vasteland van Europa en dat van Azië nog meer dan
tweehonderdvijfentwintig graden is. De tegenstanders hadden derhalve
gelijk.
Ik geef terstond toe, dat de tegenstrevende geleerden dit ook niet zoo
precies wisten, maar Columbus vergiste zich, door Toscanelli's
uitspraken, deerlijk, zoodat de partijen volkomen gelijk stonden, en
Columbus het niet beter wist dan zijne tegenstanders. Had Columbus
Amerika niet ontdekt, ware dat werelddeel er niet geweest, hij en de
zijnen zouden op hunne westelijke vaart ongetwijfeld omgekomen zijn,
eer Azië bereikt was.
Columbus' fout is vereeuwigd in den naam van de eilanden van Amerika,
welke »West-Indië« genoemd worden. Zijne fout is ook vereeuwigd in den
naam der oorspronkelijke inwoners van Amerika. Men noemt hen immers,
altijd nog, volgens hem, »Indianen«?
Ik voer dit alles niet aan om Columbus' roem te verkleinen, want hij
_was_ een groot, een ondernemend man, doch men plaatse hem niet op den
top van een »Wijsheids-berg«, en geve aan zijne tegenstanders geene
plaats op den diepen bodem van den »Domheids-afgrond«. Columbus en
zijne tegenstanders zijn daar geheel misplaatst.
Ze staan samen even hoog, doch hij _met_, en de anderen _zonder_
eenige energie.
In Genua geen gehoor vindend, besloot Columbus zich te wenden tot de
Portugeezen. Hij kende den koenen ondernemingsgeest van dat volk, en
hij wist ook, hoe hun Koning, Johan II, geene gelegenheid liet
voorbijgaan om de ontdekkingstochten uit te breiden. Daar zou men zijn
plan niet afwijzen; daar zou men zijne voorstelling geene hersenschim
noemen.
Gewapend met Toscanelli's aanbeveling, begaf hij zich naar het
Portugeesche Hof, en ontmoette waarschijnlijk in die dagen aldaar
Martinus Behaim, den man, die bij den Koning zoo hoog aangeschreven
stond.
Tot zijne verbazing, vond zijn plan bij den Koning niet dien bijval,
welken hij gewacht had.
Het is natuurlijk ook; want al valt het moeielijk te bepalen, in welk
jaar Columbus met zijne plannen in Lissabon kwam, wij weten toch, dat
hij daar Behaim leerde kennen, en dat Koning Johan dezen aanstelde tot
lid van den Raad, die eene nieuwe sterrenkaart ontwerpen moest. De
Portugeezen hadden in Afrika derhalve de Linie al overschreden, en den
Congo zelfs reeds bereikt, zoodat men meende nu goed op weg te zijn,
om langs de ontdekte wateren in de Indiën te komen. De kansen stonden
goed, waarom nu nog nieuwe onkosten te maken voor een ander plan, dat
nog geheel in de lucht hing?
Toch was de Koning verstandig genoeg, om zelf geene beslissing in die
zaak te nemen, hoewel hij door het schrijven van aardrijkskundige en
sterrenkundige werken bewijzen had gegeven, dat het hem aan geene
bekwaamheden ontbrak. Niemand zou hem dan ook van verwaandheid
beschuldigd hebben, zoo hij in deze zaak beslissend opgetreden was.
De Koning gevoelde echter, dat de zaak zeer gewichtig was, en
beschouwde hij den Genuees nu ook al als een soort van dweper, toch
had diezelfde man steun in den beroemden Toscanelli, die, jaren
geleden, aan den geleerden Kanunnik Ferdinand Martinez van Lissabon
zijne zeekaart van den Oceaan tusschen Europa en Azië gezonden had. En
bij deze kaart was een brief, die luidde:
»Aan den Kanunnik Ferdinand Martinez te Lissabon, zendt de
Natuurkundige Paolo Toscanelli zijn' groet.
»Het bericht, dat ik ontving van uw' vertrouwelijken omgang met Zijne
Majesteit den Koning, was mij des te aangenamer, omdat ik u reeds
vroeger gesproken heb over een' korteren weg naar de Specerij-landen,
dan die is, welke langs Guinea leidt. De Koning begeert nu van mij
eene meer overtuigende opheldering, zoodat zelfs de eenvoudigste man
instaat is, ze te begrijpen. Hoewel ik weet, dat men dit door een'
bol, die de aarde voorstelt, duidelijk aantoonen kan, zoo heb ik,
omdat er minder kennis voor noodig en minder moeite aan verbonden is,
besloten, dezen weg door eene kaart duidelijk voor te stellen. Ik zend
daarom aan Zijne Majesteit eene kaart, die ik zelf ontworpen en
geteekend heb. Op die kaart vindt ge nauwkeurig aangegeven al uwe
kusten en eilanden, vanwaar de weg begint, welken men altijd in de
richting naar de avondzijde des hemels volgen moet, benevens de
landen, waar men dan zal aankomen. Verder is er op aangewezen, hoever
men van de Pool en van den Evenaar afwijken moet, terwijl ook in
mijlen de afstanden bepaald zijn om te komen in die landen, welke zulk
een' onuitputtelijken voorraad van edelgesteenten en specerijen
bezitten. Verwonder er u niet over, dat ik die landen »Westelijk
gebied« noem, daar men de »Specerij-landen« altijd beschouwt als
»Oostelijk« gelegen. Ik doe dat uit overtuiging, dat men ook door eene
westelijke vaart vinden zal, wat men voortdurend oostelijk zoekt.
Derhalve beduiden de lijnen, die ik op de kaart rechtuit van het
Oosten naar het Westen teekende, den afstand, terwijl daarentegen de
transversale (overdwarse) lijnen, den afstand van het Zuiden naar het
Noorden aanwijzen. Ik heb op de kaart verscheidene landen geteekend,
waar men, volgens de nauwkeurigste berichten, welke de reizigers ons
verschaft hebben, komen kan, al is het ook, dat men door tegenwind of
andere omstandigheden, in eene geheel andere streek komt, dan die,
welke men zich voorgesteld had. Ik deed het ook, om den inwoners te
toonen, dat de zeevaarders, die langs dezen weg komen, reeds met hun
land bekend waren, eene omstandigheid, welke hun aangenaam zijn moet.
Op die eilanden wonen evenwel geene andere menschen dan kooplieden.
Men verzekert, dat alleen in de haven van Zaïton zulk eene groote
menigte koopvaardijschepen is, dat er meer zijn, dan op al de overige
deelen der wereld te zamen. Men beweert, dat jaarlijks uit de genoemde
haven meer dan honderd schepen vertrekken, welke met peper geladen
zijn, en dan komen er nog die bij, welke andere specerijen vervoeren.
Dat land is dicht bewoond, en bevat zeer vele provinciën, staten en
tallooze steden. Het staat onder het bestuur van een' Vorst, die tot
titel heeft »Groot-Khan«, wat hetzelfde beteekent als: »Koning der
Koningen«. Meestal houdt hij zich op in zijne residentie, die in de
provincie Kataï gelegen is. Zijne Voorvaderen wenschten met de
Christenen in onderling verkeer te komen, en reeds voor tweehonderd
jaar vroegen ze den Paus om geleerden, die hun onderricht in de
Christelijke leer konden geven. Die geleerden ontmoetten evenwel op
hunne reis zooveel moeielijkheden, dat ze terugkeerden. Ook ten tijde
van Paus Eugenius«--(Paus Eugenius IV van 1431 tot 1447)--»kwam een
Afgezant van den Groot-Khan binnen Rome, en bevestigde de
welwillendheid van den Vorst jegens de Christenen. Ikzelf heb met dien
Gezant een langdurig gesprek gevoerd over de uitgebreidheid van de
Koninklijke paleizen, over de ontzaglijk lange en breede stroomen, en
over de menigte steden, die aan hunne oevers liggen. Aan één' stroom
liggen ongeveer tweehonderd steden, en marmeren bruggen, met zuilen
versierd, en van eene verbazende lengte en breedte, verbinden in groot
aantal de oevers met elkander. Dit land is waard, dat het door de
Latijnsche volken opgezocht wordt, en dat niet alleen om de
fabelachtige schatten van goud, zilver en allerlei edelgesteenten, die
daar gevonden worden, niet alleen ook om den onnoemelijken voorraad
van specerijen, maar ook om de vele geleerde mannen, wijsgeeren en
sterrenkundigen, die er wonen, en om te zien, met welk eene wijsheid
dat land geregeerd wordt, en hoe men er oorlog voert.
»Van Lissabon naar het Westen, in eene rechte lijn tot de prachtige en
buitengewoon groote stad Quin-sai, zijn op de kaart zesentwintig
ruimten of afstanden aangebracht, en elke ruimte beslaat
tweehonderdvijftigduizend roeden.--De stad Quin-sai heeft een' omtrek
van honderdduizend roeden en tien bruggen. De naam »Quin-sai« beduidt:
»Stad des Hemels«. Van de menigte der kunstenaars, die men daar vindt,
en van de rijkdommen dier stad wordt zóóveel verhaald, dat het aan het
ongeloofelijke, ja, aan het wonderbare grenst.--Deze afstand bedraagt
ongeveer het derde gedeelte van den heelen omtrek der aarde. De stad
Quin-sai ligt in de provincie Mangi, in de nabijheid van Kataï, in
welk gewest de Groot-Khan zijne residentie heeft. De afstand van het
bekende eiland der oudheid: »Antilia«, naar het beroemde eiland
Zipangu bedraagt tien ruimten. Dat eiland Zipangu is buitengewoon rijk
aan goud, parelen en edelgesteenten, en met zuiver goud zijn de
paleizen en tempels gedekt. Zóó moet men langs onbekende, doch niet
lange wegen de ruimte van den Oceaan doorsnijden.
Florence, 25 Juni 1474.«