hij het voornemen om de grenzen van het betrekkelijk kleine Koninkrijk
zijns Vaders uit te breiden. Daarom vroeg hij aan den Paus eene
oorkonde, waarin deze verklaarde, dat al het land in Afrika, van kaap
Non tot in de Indiën, voor zoo ver het door de Portugeezen ontdekt
werd, tot Portugal behooren zou. Deze oorkonde werd verleend, en was
van zeer veel gewicht, want ook bij andere volken was de lust ontstaan
om op ontdekkings-tochten uit te gaan. Daar men evenwel nu zulk een'
verbazend langen weg moest afleggen, eer men aan eene streek kwam,
waar de Portugeezen nog niet geweest waren, en omdat men, vóór dien
tijd, nergens aan wal mocht komen, om reden de Paus het verboden had,
zoo zett'en ze die gedachten uit het hoofd, en peinsden ze op andere
ontdekkingstochten. Dat men dit vooral deed in Genua, welks handel
door Venetië dreigde ten gronde gericht te worden, is duidelijk, en
niet te stout is het beweren, dat dezelfde Pauselijke oorkonde, die
aan de Portugeezen zoovele voordeelen verschafte, ook eene voorname
oorzaak is geweest van de ontdekking van Amerika. Vandaar dus dat ik
zoo even de daad van Prins Hendrik van zulk eene wijde strekking
noemde.
Toen de man, die de ziel van alle ondernemingen geweest was, in zijn
zeeslot Agres, den laatsten adem uitgeblazen had, scheen ook de
Portugeesche ondernemingsgeest met hem gestorven te zijn. Gelukkig was
die geest slechts schijndood. De voormalige tegenstanders van den
Prins wisten echter te bewerken, dat Koning Alfonsus V, die van 1438
tot 1481 over Portugal regeerde, zich om dien schijndooden geest niet
veel bekommerde. Wel draagt hij in de geschiedenis den bijnaam van »de
Afrikaan«, doch dit is alleen daaraan toe te schrijven, dat onder
zijne regeering zulk een groot deel van Afrika ontdekt werd, waaraan
hij, ronduit gezegd, part noch deel had. Hijzelf deed niets anders,
dan in het noorden van Afrika oorlog voeren tegen de Saracenen. Ook
met Spanje lag hij telkens overhoop, en hij liet zich zelfs tot Koning
van Kastilië en Leon uitroepen. Van deze eigenmachtige verheffing
beleefde hij evenwel niet veel vreugde, want in 1476 werd hij bij Toro
geslagen, en na nog een vrij avontuurlijk leven geleid te hebben,
stierf hij in 1481. Deze oorlog in Spanje heeft meer met de
ontdekkings-tochten te maken dan men misschien wel denkt. De Edelen en
Ridders wilden veel liever roem behalen te land dan ter zee. Een
_paard_ was een' Ridder en Edelman waard, maar een _schip_ niet. Een
schip was voor een' matroos, voor een' koopman, en niet voor een'
Edelman. De Edelen verachtten de zee, en dit belette Portugal reeds
vroeger te worden, wat het later gedurende eenigen tijd werd: het
brandpunt van den Europeeschen handel.
Toch had onder Koning Alfonsus' regeering een zeer merkwaardig feit
plaats. De schijndoode geest was, zonder dat de Koning het wist,
ontwaakt, en vervolgde Prins Hendriks werk door de ontdekkingen langs
de Afrikaansche kust voort te zetten. In 1471 passeerde een
Portugeesch schip de Linie, en eenige graden ten Zuiden ervan ging men
aan wal.
Dit was eene gebeurtenis van buitengewone beteekenis, wat ieder
duidelijk zijn zal, als hij zich herinnert, wat we op de 42ste
bladzijde zeiden omtrent die onoverkomelijke grens tusschen het
Noordelijke en Zuidelijke halfrond van de Aarde.
Men had die hitte-lijn nu niet alleen bereikt, men had haar zelfs
overschreden.
Waar was nu het land waar alles verschroeid en verbrand was? Waar was
de verdampte zee? Had men ergens door eene pekelmassa, als door eene
zoutwoestijn, moeten varen? Was niet het land schoon en heerlijk als
een Paradijs? Was niet de zee, even als overal, vloeibaar?
Wat zouden nu de ongeluks-kraaiers, die zóóveel verschrikkelijks van
die grens tusschen Noord en Zuid hadden verteld, zeggen? Wat zouden ze
anders doen dan zwijgen of ruiterlijk bekennen, dat ze gedwaald
hadden?
Waarlijk, het overschrijden der Linie was een buitengewoon feit, en
met verbazing hoorde men, bij den terugkeer der schepelingen, in
Portugal het verslag van hun' merkwaardigen tocht aan. Er was dus
uitgemaakt dat het Noordelijke en Zuidelijke deel der aarde met
elkander volkomen één waren, en het is geen wonder, dat nu opeens
iedereen al zijne gedachten op dat onbekende Zuiden richtte. Zelfs de
Edelen en Ridders moesten er aan denken, maar evenmin als vroeger
wilden ze nu het oorlogspaard verwisselen met het schip; ze wilden het
zwaard niet prijsgeven voor het roer. Alle pogingen wendden zij aan,
om den Koning te bewegen, geen gehoor te geven aan dien drang naar
ontdekkingen. Zij bereikten hun doel, zeer tegen den zin van Prins
Johan, die zijn' Vader eens opvolgen zou, doch die nu nog machteloos
was.
Toen echter Koning Alfonsus overleden, en zijn zoon Johan II Koning
was, besloot deze het grootsche werk van Prins Hendrik voort te
zetten, doch wilde hij dat goed doen, dan moest er eerst een zeer
gewichtig werk verricht worden.
Ten Zuiden van de Linie toch waren andere sterrenbeelden zichtbaar
geworden, dan die, welke men ten Noorden ervan kende, en daar de
sterrenbeelden, met het kompas, zooals men dat toen had, de gidsen van
den zeeman op den Oceaan moesten zijn, zoo diende men in de eerste
plaats eene nieuwe sterrenkaart te maken.
Nu wilde het geval, dat zich in 1480 te Lissabon een zekere Duitscher
bevond. Hij heette Bohemus Behaim of, zooals anderen hem noemen,
Martinus Behaim. Hij was, zooals hij zelf beweerde, van geboorte een
Edelman uit Bohemen, doch had zich in Neurenberg aan den handel
gewijd. Om zich hierin meer te bekwamen, begaf hij zich naar Mechelen,
en legde zich daar vooral op den lakenhandel toe. Hij was evenwel geen
alledaagsch koopman, want in zijne vrije uren oefende hij zich in de
studie van aardrijks-, wis- en sterrenkunde, en weldra ontstond ook
bij hem de begeerte om reizen te gaan doen. Zoo ging hij van Mechelen
naar Antwerpen en van Antwerpen naar Lissabon, waar hij zich
inscheepte naar Afrika's westkust. In 1585 weer in Lissabon
teruggekeerd, sloeg Koning Johan II hem, ter belooning voor zijne
aardrijkskundige verdiensten, tot Ridder, en benoemde hem tot lid
eener Junta of Raad, die door den Koning belast was, met het
vervaardigen van eene nieuwe sterrenkaart.
Inmiddels waren de tochten langs Afrika's westkust voortgezet, en in
1484 had zekere Diago Câno de rivier de Congo ontdekt, en aan den
zuidelijksten mond van dezen machtigen stroom een' steenen grenspaal
opgericht. Die palen moesten geplaatst worden, opdat andere dan
Portugeesche zeevaarders, die hier kwamen, weten zouden tot hoever het
gebied van Portugal zich uitstrekte.
Men bevond dat de bewoners van den Congo geregeerd werden door een'
Koning, die over een machtig en zeer uitgestrekt gebied te bevelen
had. Hiervan wilden de Portugeezen gebruik maken door eenige
handels-verbintenissen met dezen Vorst aan te gaan, wat werkelijk ook
gelukte. Tegelijk hiermede begon men ook het bekeeringswerk, doch dat
maakte minder goede vorderingen, dan men wel gehoopt had.
Toen men eindelijk in Lissabon met de sterrenkaart klaar gekomen was,
besloot de Koning er onverwijld gebruik van te maken. Veel was er
indertijd ook verteld geworden, dat ergens in Afrika, en in de
nabijheid der Roode Zee, te midden van Mohammedanen en Heidenen, een
Christelijk Koninkrijk lag, dat geregeerd werd door een' Koning, die
den naam droeg van »Aartspriester Johannes«, en die een fabelachtig
man was, want sommigen plaatsten zijn Koninkrijk in Azië, te midden
der Tataarsche landen, en bijna ieder hield hem voor den Apostel
Johannes, die nog altijd op aarde leefde.
Later bleek het, dat dit Christelijke rijk er werkelijk was. Het was
het tegenwoordige Abessinië, dat bevolkt was met zoogenaamde Koptische
Christenen, die wel de Christelijke leer beleden, doch zóó vermengd
met allerlei Heidensche en Mohammedaansche begrippen, dat die leer in
de oogen der Europeesche Christenen volstrekt geene genade kon vinden.
Nu was men door de ontdekkingen te weten gekomen, dat Afrika, naarmate
men zuidelijker kwam, in breedte afnam, wat juist tegen het algemeene
gevoelen in was, want ieder, die zich eenigszins met de aardrijkskunde
inliet, geloofde dat Afrika steeds breeder werd. Daar het nu gebleken
was, dat men hierin verkeerd gezien had, zoo vormde Koning Johan II
het plan om Afrika te laten omzeilen. Kon men dat gedaan krijgen, dan
moest men dat Christelijke rijk op Afrika's oostkust opzoeken, en
vervolgens trachten, om, in verbinding met die Christenen, Indië te
bereiken.
Eene kleine vloot werd nu uitgerust, en het bevel hierover ontving een
zeeman, die zich door zijne vroegere reizen reeds een' grooten naam
gemaakt had. Hij heette Bartholomeus Diaz.
In 1486 verliet Diaz met zijne drie schepen, en begeleid door de beste
wenschen en zegenbeden van den Koning, de haven van Lissabon.
Hij had den tijd van afreis evenwel slecht gekozen, want al spoedig
werd hij door stormen overvallen, en was hij genoodzaakt, wilde hij
geen gevaar loopen op de kusten schipbreuk te lijden, de ruime zee te
kiezen.
Was dit zeer tegen den zin der bijgeloovige bemanning, weldra dacht
deze nu bovendien, dat het voor goed met haar gedaan was.
Een storm stak op, een storm, zóó hevig en langdurig, als niemand er
nog een beleefd had. Drie dagen en drie nachten vlogen de logge
vaartuigen, met eene ongekende snelheid, langs den woedenden Oceaan.
Wat al doodsangsten stond men uit! Altijd en altijd maar door joeg men
het Zuiden in. Het verbrande land en de pekelzee begonnen weer in hun
ontsteld brein te spoken, tot een der matrozen tot de ontdekking kwam,
dat het water niet warmer, doch wel koeler werd. Dat stelde wat
gerust, en toen eindelijk de storm ging liggen, en men de aangebrachte
schade zoo goed mogelijk hersteld had, kwam men ook tot nadenken. Wat
moest er nu gedaan worden? Men raadpleegde sterrenkaart en kompas, en
eindelijk werd besloten den steven in oostelijke richting te wenden,
ten einde zoo doende Afrika's westkust te bereiken.
Het was evenwel om moedeloos te worden. Dagen aaneen zeilde men in die
richting voort, doch Afrika's kust, zoo vurig begeerd, doemde niet aan
de kimmen op.
Wat moest men ook niet ver van de heete luchtstreek verwijderd zijn!
Inplaats van last van de warmte te hebben, waren de matrozen soms zoo
verkleumd van koude, dat ze het werk in het scheepswant en op het dek
bijna niet verrichten konden.
Het is moeielijk te bepalen, hoe ver Diaz op dien tocht, waarop hij,
veertien dagen lang, op geene honderden mijlen na wist, waar hij zich
bevond, wel geweest is.
Gedwongen door zijn volk van koers te veranderen, richtte hij nu den
steven noordwaarts, en thans smaakte men na eenige dagen zeilens de
onbeschrijfelijke vreugde van in het gezicht der kust te komen.
Men had Afrika weer teruggevonden.
Op welke breedte?
Wat gaf dat? Afrika was het, en meer behoefde men niet te weten.
Hoe zullen die mannen te moede geweest zijn, toen ze weer den vasten
bodem onder hunne voeten voelden!
Maar,--het land was veranderd, want hier heerschte niet die
ondraaglijke warmte van Guinea en van de Congokust. De plantengroei
was ook een heel andere, en de bewoners, die ze terloops gezien
hadden, doch die met hunne koeien, die ze bij zich hadden, vol vrees
het land in gevlucht waren, neen, dat waren niet de kroesharige Negers
van het warme gedeelte van Afrika.
Al deze gegevens versterkten Diaz in zijn geloof, dat men hier dicht
aan de zuidelijkste punt van Afrika moest zijn, en dat men deze maar
om te zeilen had, om in de Indiën te komen.
Met groote moeite kreeg hij het van zijn volk gedaan om nog wat
zuidelijker te stevenen.
Al dieper en dieper kromp de kust naar het Oosten in. Hij zou er
komen! Hij zou zijn doel bereiken!
Daar ontdekte hij eene buiging naar het Zuiden.
Het was bij eene kaap, en--wat was daar aan de andere zijde?
Maar vreeselijke stormen beroerden ginds de wateren; de matrozen
wilden niet verder. Ze waagden niet andermaal hun leven op dien
woesten Oceaan, om daar te verdrinken of van koude om te komen. Ze
zouden en ze moesten terug.
Diaz was overtuigd, dat hij Afrika's zuidpunt gezien had, en noemde
die kaap »Cabo de todos los Tormiëntos«, dat is »Voorgebergte der
Kwellingen« of »Stormkaap«.
De terugreis werd thans aangenomen, en na eene afwezigheid van zestien
en eene halve maand kwam hij in het Vaderland terug, waar hij den
Koning verslag van zijne gewichtige reis deed.
Koning Johan was verrukt van blijdschap, en vol hoop dat men thans den
zeeweg naar de Indiën om Afrika heen vinden zou, veranderde hij den
naam van »Stormkaap« in dien van »Cabo de Buéna Esperanza« of »Kaap de
Goede Hoop«, en zóó heet Afrika's zuidelijkste punt nóg altijd.
De hoop van den Koning, om, met medewerking van de Christenen uit het
rijk van den »Aarts-priester Johannes«, de Indiën te kunnen bezoeken,
was niet vervuld, en thans besloot hij een' anderen weg in te slaan.
Hij zond twee ondernemende mannen, Covillam en Payva, die beiden met
het Arabisch bekend waren, uit, om over land dat Koninkrijk te
bezoeken. Beiden kwamen te Caïro en scheidden daar van elkander. Payva
had genoeg inlichtingen verkregen om er niet aan te twijfelen, of dat
Christenrijk lag ten Zuiden van Egypte. Hij ging er heen, doch keerde
nimmer weder. Covillam daarentegen scheepte zich naar de Indiën in, en
kwam op die reis niet alleen te Calicoet, maar ook te Goa. Hij keerde
nu naar Caïro terug, en liet vandaar den Portugeeschen Koning bericht
geven van alles, wat hij in de Indiën gezien had. En dat bericht was
zóó gewichtig, dat de Koning besloot om er nu met alle krachten naar
te streven, over zee die rijke gewesten te laten opsporen. Wanneer hem
dát gelukte, dan waren Venetië en Genua ten ondergang gedoemd, en zou
Lissabon hare plaats vervangen! Welk eene schoone toekomst lachte hem
tegen!
De grootste voordeelen van den handel genoten immers de gehate
Mohammedanen, die zich met het goud en zilver der Christenen
verrijkten! Gelukte het hem, den weg over zee naar de Indiën te
vinden, dan verkregen de Portugeezen, dus de Christenen, alle zoo
vurig begeerde Oostersche producten uit de eerste hand. Schatten
zouden dan Portugal, en, ja, ook Europa binnenstroomen. De macht van
het goud zou in handen der Christenen komen, en den val van den Islam
bewerken.
Arme Koning!
Te midden zijner schoone droomen werd hij uit het leven gerukt. En die
droomen waren nog niet eens altijd even schoon geweest, want de angst
van te laat te komen, deed hem er telkens uit wakker schrikken.
De Spanjaarden immers hadden, onder aanvoering van een' Genuees,
zooals men beweerde, de Indiën gevonden op eene westelijke vaart?
Koning Johan twijfelde eraan.
Had men de rijke Indiën wel gevonden? En zoo ja, wie kon zeggen hoe
oneindig groot dat rijk was, en of het voordeel niet aan de zijde der
Portugeezen zijn zou, wanneer ze de Indiën bereikten door het Oosten
in te slaan.
Het was een tijd van spanning, zooals men er op het Pyreneesche
schiereiland nog nimmer een beleefd had.
Te midden van die spanning, die worsteling liever, legde Johan II voor
goed het hoofd neder, en werd opgevolgd door den verlichten en
geleerden Dom Emanuel, die in de geschiedenis den bijnaam draagt van
»de Groote«, of ook wel »de Gelukkige«.
Na de regeering van het land verbeterd te hebben, was thans zijn
eerste werk om het plan van zijn' wakkeren en ondernemenden voorganger
uit te voeren.
Vier schepen werden uitgerust, en het bevel ervan droeg hij op aan
Admiraal Vasco de Gama. Een der Onderbevelhebbers was de welbekende
Bartholomeus Diaz.
Gelukkiger keuze had Koning Emanuel wel niet kunnen doen, want meer
nog dan Diaz, was Gama van een doorzettend en onbevreesd karakter,
terwijl hij ook, als zeeman, zeer veel ondervinding opgedaan had.
Hij zeilde den achtsten Juli 1497 uit, doch ook deze tijd had beter
kunnen zijn, evenals die van Diaz, want kort na het vertrek hadden de
schepen, die met honderdzestig koppen bemand, en zeer goed bewapend
waren, met tegenwind te kampen, ja, het duurde niet lang, of ook zij
werden door stormen aangegrepen, en buitengewoon ver uit den koers
geslagen. Hij kwam zelfs zóó ver het Westen in, dat enkele
geschiedschrijvers niet alleen melden, dat hij Brazilië ontdekte, maar
dat hij het zelfs op de gebruikelijke wijze voor zijn' Koning in bezit
nam.
[Illustratie: VASCO DE GAMA. (Geb. omstr. 1469, overl. 1524.)]
Na een' moeielijken tocht vol gevaren, die het volk alweer bewogen om
oproerig te worden, kwamen de schepen eindelijk aan Kaap de Goede Hoop
aan, en--den twintigsten November 1497 had men Afrika omgezeild, en
kon men den koers noordelijk richten.
Merkwaardig was deze reis in alle opzichten, want welk eene verbazende
uitgestrektheid lands bracht men nu niet aan de kroon van Portugal!
Wat maakte men niet al kennis met voortbrengselen van allerlei aard,
voortbrengselen, die uitmuntten door hunne hooge waarde, en
voortbrengselen, die zich vooral kenmerkten door de buitengewone
voordeeligheid in de dagelijksche samenleving.
Merkwaardig was deze reis vooral, omdat men thans de Indiën bereiken
zou langs een' heel anderen weg dan de Spanjaarden. En door schepen,
die Portugal reeds aan de kusten der Roode Zee had laten uitrusten,
was men verzekerd geworden, dat de rijke Indiën dáár lagen, waarheen
men den koers richtte. Die wetenschap gaf zelfs den morrenden matroos
moed, en den twintigsten Mei 1498 liet de moedige en volhardende
Admiraal het anker vallen voor de groote en rijke handelsstad Calicoet
in Voor-Indië.
Gaarne zouden wij deze reis zoo uitvoerig beschreven hebben, als zij
het verdient, maar wij moeten naar Europa terug om te vernemen, wat
daar is voorgevallen met de Spanjaarden, die reeds zes jaren vroeger,
zooals zij meenden, de Indiën gevonden hadden.
[Illustratie: CHRISTOPHORUS COLUMBUS. (Geb. te Genua? 1446?-Overl. te
Valladolid 1506.)]
DE ONTDEKKING VAN AMERIKA.
HOOFDSTUK V.
DE DAGERAAD DER NIEUWE GESCHIEDENIS.
In het vorige hoofdstuk spraken we met een paar woorden van zekeren
Martinus Behaim, die te Lissabon vertoefde, en daar door den Koning,
om zijne vele verdiensten tot Ridder geslagen werd, terwijl hij tevens
zitting kreeg in de Junta, die eene nieuwe sterrenkaart ontwerpen zou.
Met opzet verzuimden we te melden met wien de Koning onzen Behaim daar
in kennis bracht, daar we den naam van één' man nog niet wilden
noemen, omdat de noodzakelijkheid zou medegebracht hebben dan ook een
en ander van hem te zeggen. Nu we echter gereed staan om van dezen man
zeer veel mede te deelen, kunnen we zeggen wie er door den Koning aan
Behaim voorgesteld werd.
Die man was Christophorus Columbus.
Er zijn zoo enkele personen in de geschiedenis, van wien bijna ieder
mensch wat gehoord heeft, en al brengen grondige nasporingen en
nauwgezet onderzoek ook al aan het licht, dat men den bewusten persoon
te veel verheerlijkt heeft, en dat hij veel minder deed dan men
geleerd had, toch wischt al het water van de zee zijne daden niet uit,
welke van hem in het boek der geschiedenis staan aangeteekend, en
geene reuzenmacht is instaat den invloed te keeren, door hem op de
geheele wereldgeschiedenis uitgeoefend.
Zulk een man was Christophorus Columbus, de ontdekker van Amerika, of,
zooals we uit de reizen der Noormannen gelezen hebben, de
weder-ontdekker van dat werelddeel.
Het zal iedereen wel eens opgevallen zijn, dat men van de jeugd van de
meeste beroemde mannen zoo weinig zekers weet mede te deelen. Dit is
echter zeer natuurlijk. Van Vorstenkinderen weten we vooraf, dat ze,
als volwassenen, reeds door geboorte zoowel als door afkomst, zich
boven alle andere menschen zullen verheffen, al maken zij zich ook
niet door hunne daden beroemd. Heel anders is dat met een kind, wiens
Ouders tot de gewone burgers of volksklasse behooren. Dat kind leeft
geheel met andere kinderen mede, en niemand denkt er aan om
aanteekeningen van zijne jeugd te maken, ten einde later in de
gelegenheid te zijn, om eene volledige levensbeschrijving te kunnen
geven.
Een kind zulk eene opleiding geven, dat het een beroemd man _moet_
worden, is ten eenenmale onmogelijk, want het karakter en de aanleg
van het kind, benevens de omstandigheden waaronder het opgroeit,
hebben een' beslissenden invloed. Geene duizend Professoren waren
instaat, Piet Hein er toe te brengen, dat hij de Spaansche Zilvervloot
nam, dat De Ruyter den Vierdaagschen Zeeslag won, dat Rembrandt zijne
»Anatomische les« wist te scheppen, dat Cromwell een' Koning op het
schavot kon brengen, dat Washington de machtigste Republiek der Nieuwe
Geschiedenis grondvestte, en dat Napoleon zich eene Keizerskroon op
het hoofd drukte.
Nu is het met Columbus op dezelfde wijze gegaan, als met al de
beroemde mannen hier zoo even genoemd. Van de kinderjaren weten we van
hem zelfs nog minder, want nog altijd zoekt men naar het jaar en de
plaats zijner geboorte.
Als geboortejaren van Columbus worden vermeld 1435, 1436, 1446, 1447
en 1456. De meeste schrijvers van onzen tijd houden het er voor, dat
hij omstreeks 1446 geboren werd. Als zijne geboorteplaats noemt men
meestal Genua, doch zonder hieromtrent eenige zekerheid te kunnen
bijbrengen. De beroemde Engelsche geschiedschrijver William Robertson
zegt eenvoudig, dat hij »een onderdaan uit het Gemeenebest Genua« was.
Anderen zoeken zijne geboorteplaats op Corsica. De Spanjaarden, die
hem haatten, gaven hem den scheldnaam van »Liguriër«, en daar Genua in
de landstreek ligt, die oudtijds Liguria heette, zou men lichtelijk er
toe kunnen overgaan, te gelooven, dat de Spanjaarden hem althans voor
iemand hielden, die in Genua geboren was. Maar die scheldnaam is ook
al geen bewijs, want het eiland Corsica, dat door de Genueezen
veroverd werd, schijnt ten tijde der Romeinen, en ook nog later, door
Liguriërs bewoond geweest te zijn.--Robertson echter, die geene
plaats, maar alleen een land noemt, houdt zich stellig het dichtst bij
de waarheid, want dat schijnt dan toch onomstootelijk waar te zijn,
dat de beroemde man in het gebied van Genua geboren werd. Hij was dus
een Genuees, en heeft bovendien in de stad Genua gewoond.
Zijne Ouders?
Robertson deelt mede, dat hij afstamde van een' aanzienlijk geslacht,
dat tot armoede vervallen was.
Washington Irving zegt, dat Fernando, een zoon van Columbus, schreef:
»Het zou naar mijne meening voor mij niet zoo vereerend zijn, wanneer
mijne Voorouders tot een adellijk geslacht behoorden, dan dat ik de
zoon van zulk een' Vader ben.«
Irving zelf beweert: »Columbus' Vader was een wolkammer, die geruimen
tijd in de stad Genua heeft gewoond.«
Columbus zelf heeft echter gezegd, zoo lees ik bij een Duitsch
schrijver van onzen tijd: »Men mag mij eene afkomst geven, welke men
wil. David was eenmaal schaapherder, en ik ben een dienaar van
denzelfden God, die hem tot den troon verhief. Of mijn stamboom
adellijk of niet adellijk is, daarop komt het al heel weinig aan.
Genoeg, mijn bloedverwant of Stamvader Columbus stamde met mij van de
oudste familiën der aarde af, en zonder mij te bedenken, durf ik mijn'
stamboom bij Adam beginnen.«
Winkler Prins zegt in zijne Encyclopædie, dat hij een bloedverwant van
Admiraal Domenico Columbus was, doch als we lezen, dat een kleinzoon
van Admiraal Piet Hein aan den Amsterdamschen Magistraat zich bekend
maakte, als een »spellebaas«, die om een plaatsje voor zijne tent
vroeg, dan zegt de bloedverwantschap van Admiraal Columbus al heel
weinig. Admiraal de Ruyter, die als Hertog stierf, kan wel neven gehad
hebben, die in lompen door 's heeren straten gingen.
Maar wat doet die afkomst er ook toe? Als een bierdragers-jongen een'
Vierdaagschen Zeeslag kon winnen, dan kon ook een wolkammers-zoon wel
een werelddeel ontdekken.
»Gij zijt van geene edele afkomst,« duwde een trotsch en zeer voornaam
Athener den wijsgeer Socrates toe.
»Daarom verdien ik ook meer eer,« antwoordde Socrates »omdat mijn
adeldom bij mijzelven begint.«
Ook Columbus had zulk een fier, maar hooghartig antwoord kunnen geven.
Maar zijn naam? Hoe heette hij toch?
Als Italiaan heette hij Colombo; de Spanjaarden zett'en zijn' naam in
hunne taal over, en noemden hem Colon; waar men zijn' familie-naam in
de Latijnsche taal gebruikt, heet hij Columbus, en wanneer hij een
Nederlander van geboorte was, zou zijn familie-naam »Duif« zijn.