Ridder John Mandeville. Ook deze volbracht eene langdurige wereldreis,
want, in 1327 vertrokken, keerde hij pas in 1355 terug. Zijn
geschreven reisbericht gaf hij aan Koning Eduard III van Engeland, en
zelden verscheen er een boek, waarin zooveel zotternijen, die voor
waarheden moesten doorgaan, verteld werden.
Een ander reiziger, Johannes Schiltberger uit München, deed eene reis,
die van 1394 tot 1427 duurde. Als jong soldaat was hij in den slag bij
Nikopolis, in 1396, door de Turken gevangengenomen. Sultan Bajazid
liet al de gevangenen onthoofden, doch Schiltbergers leven bleef
gespaard, omdat hij nog maar zestien jaar oud was. Hij kwam in dienst
van den Sultan, en deze werd later op zijne beurt verslagen door
Tamerlan, waardoor onze gewezen soldaat, als slaaf, in dienst kwam van
dezen beruchten en wreeden Khan der Mongolen. Waar Tamerlan of Timoer
kwam, daar kwam ook Schiltberger, zoodat hij, eindelijk in zijn land
terugkomende, zeggen kon, dat hij in Klein-Azië, Egypte, Perzië,
Indië, de landen van de Kaspische Zee en in Zuid-Rusland geweest was.
Het ligt voor de hand, dat deze man, die in eene zeer ondergeschikte
betrekking, en tegen zijn' zin, die reizen makende, landen en volken
weer anders bekeek en beschreef dan Marco Polo en de Missionarissen
dit gedaan hadden. In vele opzichten kwamen echter allen met elkander
overeen. Het Oosten was een schoon en rijk land, met bewoners, die er
eene heel andere beschaving op nahielden dan de Christenen in Europa.
Het was onnoemelijk groot, en op sommige plaatsen buitengewoon
vruchtbaar, op andere weer woest en dor. De bewoners waren, óf
Heidenen, óf Mohammedanen, en sommigen woonden in steden, grooter dan
menig Vorstendom in Europa.
Dat alles was bij alle schrijvers te lezen, en het wekte hier de zucht
op van den koopman om schatten te gaan verdienen, en dáár de begeerte
om onder Mohammedanen en Heidenen het Kruis te gaan prediken. In beide
gevallen werd de aardrijkskundige kennis uitgebreid, en hiermede ook
menige andere wetenschap. Wanneer wij enkel oordeelen naar hetgeen de
Missionarissen der Middel-eeuwen _schreven_, dan zouden wij een zeer
verkeerd oordeel over hun gewichtig werk vellen. Doch ook zelfs zij
brachten veel tot stand, en helderden op, wat onduidelijk was. Hun
werk was het, dat de Genueezen een' handels- of karavanenweg kregen,
van de rivier de Don naar Peking, en hun werk was het ook, dat men
ophield te gelooven, dat de Kaspische Zee met de IJszee in verbinding
stond en derhalve geene open zee was. En, vóór een Marco Polo met de
zijnen in het land der Tataren en in hunne hoofdstad kwam, waren er al
Missionarissen geweest, zoodat men niet te veel beweert, als men zegt,
dat China, òf, zooals het door de Tataren genoemd werd, Kataï, ontdekt
werd door de Missionarissen.
Trouwens, zelfs in onzen tijd wordt het werk van Zendelingen en
Missionarissen maar al te veel zeer scheef beoordeeld. Ik gebruik hier
twee woorden, die eigenlijk hetzelfde beteekenen, alléén, omdat de
Protestant steeds van Zendelingen, en de Katholiek van Missionarissen
spreekt.
Terecht zegt de Duitsche schrijver Löwenberg, waarlijk geen man wien
men verwijten kan, dat zijne clericale gevoelens hem de zaak doen
overdrijven: »De ontdekker is de voorlooper van den zendeling, de
zendeling zelf dikwijls weder, ontdekker. Waar handelsverbintenissen
aangeknoopt worden, daar vestigt zich de Zendeling, en waar men
Zendelingsposten vestigt, daar ontstaat de handel.«
Willens blind moet men wel zijn, als men het werk van mannen, die in
onze eeuw leefden, zooals: Gutzlaff, Huc en Gabet in China, of van
Livingstone in Afrika, van weinig beteekenis voor de wetenschap
beschouwt. Maar ook reeds in de Middeleeuwen dreef het bevel van den
Heer Jezus: »Gaat dan henen, onderwijst alle volkeren, ze doopende in
den naam des Vaders, des Zoons en des Heiligen Geestes, leerende hen
onderhouden alles, wat ik u geboden heb,« tal van ernstige en vrome
mannen aan, om naar verre en onbekende landen te trekken, teneinde
daar het Evangelie te prediken, en, zonder dat ze het wilden, dienden
ze daardoor wetenschap en beschaving meteen. Het een _moest_
noodwendig met het andere samengaan.
Veel zoude er van die zendelingsreizen te verhalen zijn, doch daar het
mijn doel is, een boek te schrijven over de ontdekking van Amerika,
mag ik met de inleiding tot dit werk niet te uitvoerig zijn. Te meer
mag ik dit niet, omdat ik later toch op die Missies noodwendig wijzen
moet.
Wij verlaten dus voor een oogenblik de Lagunen-stad, zooals Venetië
ook wel eens genoemd wordt, om met enkele woorden te schetsen, wat
Genua voor den zeehandel, en daarmede voor de aardrijkskundige
wetenschap geweest is.
In het jaar 774 kwam Genua onder het rijk der Franken, doch toen na
den dood van Keizer Karel den Grooten, diens machtig gebied verdeeld
werd, bekwam Genua hare onafhankelijkheid. Haar heerlijk klimaat, maar
veel meer nog hare gunstige ligging voor den zeehandel, waren oorzaak,
dat zij in uitgebreidheid, aanzien en macht steeds toenam, en niet
weinig werd ze bevoordeeld door de Kruisvaarders, die zich het liefst
in hare havens voor den tocht naar het Heilige Land inscheepten.
Gaandeweg breidde zij dan ook hare macht uit, en veroverde niet alleen
het eiland Corsica, maar ook een groot deel van het eiland Sardinië.
De Keizer van het Byzantische rijk gaf hun zelfs in twee voorsteden
van Constantinopel vrijdom van tollen, en verleende hun de vrije vaart
op de Zwarte Zee. De Genueezen stichtten nu volksplantingen aan de
kusten dier zee, en maakten zich zelfs van het heele schier-eiland »De
Krim« meester. In gemeenschap met kooplieden uit Florence en Pisa
brachten ze ook langs een' karavanenweg, goud, edelgesteenten,
verfsoorten, vernis, vuurlak, porselein, thee, rabarber, zijden
stoffen, katoen, pelswerk, ja, ook Indische specerijen uit China naar
Europa, waar al deze waren buitengewoon veel aftrek vonden. Nog
grooter werden de voordeelen, welke de Genueezen behaalden, toen
Alexandrië en Joppe voor de Venetianen niet langer de stapelplaatsen
konden zijn van de Indische producten, omdat beide steden, na den val
van het Koninkrijk Jeruzalem, bijna altijd in handen der Turken waren.
Wel sloot Venetië menigmaal met de Mohammedaansche Vorsten een
handelsverbond, doch maar al te vaak werd dit alweer verbroken. Dat
hierdoor tusschen deze twee machtige handelssteden een naijver
ontstond, welke tot botsingen, ja, zelfs tot oorlogen aanleiding gaf,
is te begrijpen. Toch zou het te bezien gestaan hebben, wie op den
duur overwinnaar bleef, indien er niet heel wat anders gebeurd ware.
Tamarlan of Timoer, van wien we reeds gesproken hebben, maakte aan de
handelsbetrekkingen tusschen China en de Zwarte Zee een einde. Hij
veroverde in 1406 de landen om deze zee gelegen, en--Genua, beroofd
van haren voornaamsten handelsweg, moest nu vanzelf onderdoen voor
Venetië. De Venetianen, die altijd buiten de Zwarte Zee gehouden
waren, sloten nu andermaal verbonden met de Saracenen, en den Sultan
van Egypte en Syrië. Dezelfde voordeelen, die de Genueezen eenmaal te
Constantinopel verkregen, genoten nu de Venetianen te Alexandrië.
Verbazend is de macht, die Venetië ontwikkelde. Hare schepen bezochten
alle Europeesche havens, en omgekeerd bezochten Engelschen, Vlamingen,
Duitschers, Franschen, Portugeezen en Spanjaarden de havens der
beroemde Republiek, die, gesteund door haren rijkdom, voor heel Europa
het brandpunt werd van kunsten, wetenschappen en beschaving. Hoe ver
de Venetianen het in de aardrijkskunde gebracht hadden, bewijzen de
wereldkaarten, die ze maakten. Vooral zijn de twee kaarten van Fra
Mauro beroemd geworden. Eene ervan wordt nog altijd te Venetië
bewaard, en de andere kwam te Lissabon in handen der Portugeezen.
Natuurlijk zijn op die kaarten alleen Europa, Azië en Afrika
afgebeeld, en wanneer wij die afbeeldingen vergelijken met de
tegenwoordige, dan ontbreekt er zeer veel aan, maar voor dien tijd
waren ze zóó uitstekend, dat men niets beters wenschen kon.
Hoe die eene wereldkaart van Fra Mauro in Lissabon kwam, weet ik niet,
maar de Venetianen hadden wel mogen wenschen, dat dit niet gebeurd
ware, want de Portugeezen maakten er zulk een gebruik van, dat het de
ondergang, niet alleen van Genua, maar ook van de oppermachtige
Republiek Venetië ten gevolge had. Hoe dit geschiedde, zullen we in
een volgend hoofdstuk zien.
HOOFDSTUK IV.
DE PORTUGEEZEN.
Alvorens tot de beschrijving van de ontdekkingsreizen der Portugeezen
over te gaan, dien ik even te wijzen op de algemeene verarming van
Europa aan goud en zilver. Eeuwen lang had Azië in Europa ingevoerd,
en dit zou natuurlijk ook in het voordeel van Europa geweest zijn, als
dit maar naar Azië had kunnen uitvoeren. Dit was evenwel het geval
niet, want de Europeesche producten vonden onder de Aziaten bijna
geen' enkelen afnemer.
Men had in Europa ook goud- en zilvermijnen, doch deze waren ten
laatste zoo goed als geheel uitgeput, en het gevolg daarvan was, dat
alles, wat in ons werelddeel verbouwd of gemaakt werd, in prijs
daalde, en de volksarmoede hand over hand toenam. Zelfs de ongekende
weelde, die in de Brabantsche en Vlaamsche gewesten, in Genua, en
vooral in Venetië heerschte, kon den eenvoudigen blik van iemand, die
wat verder keek dan zijne naaste omgeving, niet bedriegen. Bleef die
staat van zaken bestendigd, dan zou ten slotte zelfs de weelde in de
genoemde landen verdwijnen, en het Christelijke Europa arm, ellendig
en van alles beroofd, zou nederig het hoofd moeten buigen voor
Heidenen en Mohammedanen, die meester van den handel waren, en prijzen
bedongen, die nergens naar geleken. Door hoevele handen gingen niet de
Oostersche producten eer ze in Europeesche schepen overgeladen waren!
Van handelswaren uit de tweede hand hebben, er was geene sprake van;
men kreeg ze misschien wel uit de twintigste hand.
Zoo was men te weten gekomen, dat de Indische specerijen, te
Alexandrië driemaal duurder waren dan te Calicoet, dat in Voor-Indië
ligt en toen de stad was, waar men de specerijen uit den Archipel
aanvoerde. Wilde men wierook, te Mecca betaalde men er vijfmaal minder
voor dan te Alexandrië. Zoo ging het met alles, en het kon niet
anders, zóó moest de welvaart van Europa ten gronde gaan.
Dit zagen ook twee Genueesche Edellieden, Thedisio Doria en zijn'
broeder Vivaldo, in, en daarom wilden zij beproeven of men niet langs
de zee, om Afrika heen, in de Indiën komen kon. Vol moed scheepten zij
zich in, doch nimmer keerden ze weder.
Dat was koren op den molen van de half-wetenschappelijke klagers.
Europa was er slecht aan toe, zoo redeneerden zij. Zag men niet
iederen avond de zon in zee ondergaan? Wat hielp het, al durfde men,
als de Tataren, honderden mijlen ver zich op den Oceaan wagen? Ging
men het Westen in, men kwam dan immers achter de zon en in eene
streek, waar steeds volslagen duisternis heerschte, en die
waarschijnlijk door afschuwelijke wezens bewoond werd. Voer men het
Zuiden in, dan zou men ten laatste in een land komen, waar de
zonnewarmte alles verbranden deed, en waar de hitte zóó groot was, dat
al het zeewater verdampte, en slechts het zout achterliet. Kwam men op
het land, men zou er alles verschroeid en verbrand vinden.
Hoogstwaarschijnlijk zullen er wel geweest zijn, die het er ook voor
hielden, dat de Aarde eene bolronde gedaante had, en die redeneerden:
»Gaat men op de aarde van het Noorden naar het Zuiden, dan wordt ten
laatste de hitte zóó groot, dat alles er door verteerd wordt. Het
omgekeerde moet echter ook waar zijn, als men van het Zuiden naar het
Noorden gaat.« Die redeneering hielp evenwel zoo goed als niets, want
Noordelijken en Zuidelijken konden nimmer bij elkander komen. De hitte
wierp tusschen beiden eene grens op, welke niet te overschrijden was.
Die hittelijn, die we nu kennen onder den naam van Aequator,
Evennachtslijn of Linie was toen dus wel bekend, maar--als eene lijn
der verschrikking, die niet overschreden kon worden.
Of er meer waren, die aan de waarheid ervan sterk twijfelden, weet ik
niet, maar de geschiedenis wijst ons op iemand, die er niets van
geloofde, en alle krachten inspande, om aan die dwaze
veronderstellingen een einde te maken.
[Illustratie: PRINS HENDRIK DE ZEEVAARDER. (Geb. 1394, overl. 1460.)]
Hij heette Dom Henrique, of, zooals wij hem noemen zouden, Prins
Hendrik, en was de vierde zoon van Johan I, Koning van Portugal. Deze
Prins, geboren den vierden Maart van het jaar 1394, onderscheidde zich
reeds in zijn' knapen-leeftijd boven al zijne makkers. Geen als hij
was zoo vlug en stout in het behandelen der wapenen, en hierin was hij
dan ook geheel een kind van zijn' tijd. In een ander opzicht was hij
dat evenwel volstrekt niet, want als lans, zwaard en schild hunne taak
gedaan hadden, zocht hij geene andere uitspanning bij wijnbeker en
dobbelkroes, maar in de boeken, en het liefst van al studeerde hij in
aardrijks-, wis-, sterren- en zeevaartkunde. Eene ridderlijke figuur,
die door schoonheid, gepaard met dapperheid, de harten van alle
schoonen veroverde, als hij in het tornooi alle tegenstanders overwon,
was hij evenmin. Om lof der vrouwen bekommerde hij zich zóó weinig,
dat hij van zichzelven getuigde, dat hij van den dag af, dat er een
scheermes op zijn gelaat gebruikt was, nimmer aan eene vrouw een' kus
gegeven had. Nu, de schoonen waren er niet boos om, want zijn
vierkant, hoekig gelaat, met oogen, die nimmer eenige warmte
verrieden, trok niemand, althans geene vrouw aan. En dan, waar een
ander Ridder den beker ledigde, ter eere der Edelvrouwen, daar zag men
Prins Hendrik het hoofd met walging van den wijn afwenden. Bovendien
was hij ook nog half Geestelijke. Toen in 1312 de Orde der
Tempelridders opgeheven werd, stelde Dionysius, Koning van Portugal,
de Christus-orde in, en Paus Johannes XXII keurde ze goed. Deze Orde
verving die der Tempelridders, en bezat in Portugal groote schatten.
Door zijn' Vader werd Prins Hendrik er tot Grootmeester van
aangesteld.
Het doel der Christus-orde was, uitbreiding van de Christelijke Kerk,
en om dat te bereiken, sloeg de Vorstelijke Grootmeester het oog op
Afrika's westkust, waar hij voor zijn' werkkring een uitgestrekt veld
meende te zullen vinden. Dat in dit geval de prediking van het
Evangelie met het zwaard moest vergezeld gaan, was zóó geheel in den
geest van dien tijd, dat we er ons niet over verbazen moeten. Het moge
ons onmogelijk schijnen, de leer der hoogste Liefde ingang te doen
vinden langs den weg van bloed en tranen, toen meende men dat het zoo
goed als de eenige weg was. Een, die anders dacht, zou eenvoudig
aangeduid worden, als iemand, die het onmogelijke wilde.
Op eenentwintigjarigen leeftijd veroverde hij, in 1415, de sterke stad
Ceuta in Afrika, bij de Straat van Gibraltar gelegen, op de Mooren.
Thans behoort deze stad nog altijd aan Spanje, doch reeds kort nadat
hij ze ingenomen had, hadden de Mooren haar belegerd, en stellig zou
de zwakke bezetting haar hebben moeten overgeven, als niet Prins
Hendrik, aan het hoofd eener vloot, haar was komen ontzetten.
Koning Johan ziende, hoe het hart zijns dapperen zoons brandde van
verlangen, om de Saracenen of Mooren in Afrika te bestrijden, en hoe
hij de heele westkust van dit werelddeel, zelfs tot in onbekende
streken, beschouwde als het tooneel zijner werkzaamheid, droeg hem de
behartiging van Portugals belangen in dat werelddeel geheel op.
Om hierin beter te kunnen slagen bouwde de Prins aan een' zeeboezem,
die eene uitnemende, natuurlijke haven met reede aanbood, in Algarvië,
dus ten zuiden van Portugal, een kasteel, dat den naam kreeg van Villa
de Iffante, en later dien van Sagres. Hier stichtte onze Grootmeester
nu eene school, waar jongelieden onderwijs in de zeevaart konden
ontvangen, en behalve een arsenaal, verbond hij er eene sterrenwacht
aan. Vooral bestemde hij deze school voor de jonge Portugeesche
Edellieden, want hij begreep zeer goed, dat voor het kleine Portugal
de wijde zee een beter veld was om eer en wapenroem te behalen dan het
land. Genua en Venetië, ook klein in Europa, waren immers door de zee
machtig geworden? Hij deed dus alles, wat hij kon, om den lust voor de
zeevaart aan te moedigen, en op kosten der Orde, mogelijk ook uit
eigen middelen, rustte hij ieder jaar een schip uit, om hiermede
ontdekkingsreizen te gaan doen.
Tristam Vaz en Gonsalves Zargo, twee Portugeesche Edellieden, op zulk
een' tocht uitgegaan zijnde, werden door een' storm aangegrepen en
geheel uit den koers geslagen. Ze waren dus, wat men toen als een veeg
teeken beschouwde, »buiten westen«, doch zie, in dien hoogen nood
ontdekten zij het eiland Porto Santo, en daarna Madeira. Dit laatste
was reeds, zooals we weten, door de Phoeniciërs bezocht geworden,
zoodat het ons niet bevreemden moet, dat men op eene kaart van 1351,
ter plaatse waar nu Madeira ligt, een eiland vindt met den naam van
Isola di Legname, dat is »Houteiland«. Waarschijnlijk is het niet, dat
men nog bij overlevering van de Phoeniciërs wist, dat dit eiland zoo
houtrijk was, en denkelijk zal een Spanjaard, Portugees of Italiaan er
nog wel eens geweest zijn, doch zeker is het, dat niemand er aan
gedacht had om zich hier te vestigen. Prins Hendrik, alles vernomen
hebbende, besloot om het voor Portugal in bezit te nemen en te
bevolken. Het kreeg den naam van Madeira of »Woud-eiland«, omdat het
bijna over zijne heele uitgestrektheid met een bosch bedekt was. Door
onvoorzichtigheid van de Kolonisten, ontstond er evenwel een
boschbrand, die negen jaar aanhield, en bijna al het houtgewas van het
eiland vernielde. Het heerlijke klimaat, en de vruchtbaarheid van den
bodem waren oorzaak, dat het eiland de ramp spoedig te boven kwam. Hoe
schoon en vruchtbaar het eiland ook mocht zijn, toch meenden de
Portugeezen, dat al die zoogenaamde ontdekkingsreizen van Prins
Hendrik tot niets konden leiden, dan tot verarming van het land en
achteruitgang van den landbouw, waaraan nijvere handen onttrokken
werden. De Prins, hoe ook tegengewerkt, hield wakker stand, en wist
van geen wijken, hoewel hij verscheidene jaren moest laten
voorbijgaan, zonder wat meer te kunnen doen, dan Madeira en Porto
Santo zoo winstgevend mogelijk maken.
Eerst in 1431 begon men de eigenlijke ontdekkingen weer voort te
zetten. De Edelman Gonsalvez Velho Cabral ontdekte in dat jaar de
Formigas-eilanden, en een jaar later het eiland Santa Maria, dat het
eerste was van een' kleinen Archipel, later bekend onder den naam van
Azorische Eilanden, die achtereenvolgens van 1444 tot 1453 ontdekt
werden. Op een dezer eilanden vestigde zich eene Vlaamsche kolonie,
waarom de Nederlanders en Belgen dan dezen Archipel ook wel den naam
van Vlaamsche Eilanden geven.
We zijn thans evenwel onzen tijd vooruitgeloopen, en moeten weer
eenige jaren terugkeeren.
Langs de westkust van Afrika maakte men geene groote vorderingen, want
men kwam niet verder dan eenige graden ten zuiden van de Kanarische
Eilanden. Daar ligt op het vaste land Kaap Bojador. Zij is een
voorgebergte, en wel het westelijke gedeelte van het gebergte
Dsjebel-el-Aswad. Zij strekt zich vrij ver in zee uit, en tot op
grooten afstand van de kust is er de zee vol rotsen, riffen en
ondiepten, waar eene vreeselijke branding staan kan, welke voor de
scheepvaart zeer gevaarlijk is.
Hier was, volgens het gevoelen der Portugeesche kustreizigers, het
zuidelijkste punt der wereld, dat te bereiken viel, en hoewel deze
kaap reeds in 1291 door de Genueesche broeders Thedisio en Vivaldo
Doria omgezeild was, en tusschen de jaren 1364 en 1365 Fransche
zeelieden de Goudkust bereikt hadden, zoo was er in den tijd van Prins
Hendrik niets meer van bekend, en telkens als de Portugeezen tot deze
kaap genaderd waren, keerden ze terug.
Toen echter in 1432 de Portugees Gil Eanes, of, zooals hij algemeen
genoemd wordt, Gilianes, hier kwam, nam deze het stoute besluit, de
kaap om te zeilen, en tot verbazing van zijne manschappen, die slechts
met groote moeite en allerlei beloften over te halen waren geweest, om
hem te gehoorzamen, gelukte de poging. Gilianes behaalde met deze
koene onderneming wel roem, maar om roem alleen was het niet, dat men
zijn leven waagde en schatten van geld aan die ontdekkingstochten
besteedde. Men wilde er ook voordeelen van genieten, en deze waren al
zeer gering. Slechts wat robbenvellen en meer niet, bracht men van de
reis mede, zoodat de ondernemende Grootmeester steeds meer
tegenwerking ondervond.
Maar, men was zoo gelukkig om twee handels-artikelen te vinden, welke
ook de hebzucht konden tevreden stellen. Eén voornaam artikel was
stofgoud, dat men eens van eene reis medebracht, en we zagen het
reeds, goud had men in Europa meer dan noodig, en de hoop, dat men van
deze begeerde stof nog veel meer zou vinden, gaf alweer nieuwen moed.
Toch was stofgoud niet het voornaamste der twee artikelen.
Men was begonnen, Negers, die geen kwaad vermoedden, en met goede
bedoelingen bezield, de Blanken ontvingen, die op hunne kusten
landden, op te vangen, en mede te nemen als slaven. Zoo één flinke
Neger was dan ook heel wat waard, want gaarne werd er in Portugal eene
som van veertig lires voor betaald, dat ongeveer vijfhonderd gulden in
onzen tijd zou zijn.
Prins Hendrik staat algemeen bekend als een werkelijk vroom en edel
man. Hem moesten die slavenjachten dus zeer tegen de borst stuiten,
maar zijn verbieden zou gelijk gestaan hebben met een laten varen van
al zijne ontdekkings-plannen, welke niet mogelijk waren, als hij de
hebzucht er geene rol in liet spelen. Men dient ook wel in acht te
nemen, dat de algemeene geest van dien tijd heel anders was dan nu.
Waren die Negers wel menschen, die evenals de Blanken eene ziel
hadden? Stonden ze in het rijk der Schepping niet veel lager dan de
Christenen? Wat meer is, deed men er geen goed werk mede, met de aarde
van die zwarte monsters te verlossen?
Weet ge wat een zekere Azoerasa schreef?
Dit.
»God, Die alle goede daden beloont, behaagde het eindelijk om voor al
de ellende in Zijn' dienst geleden, hun,«--den schepelingen
namelijk--»een' roemrijken dag te verschaffen, en eene ruime
vergoeding te verleenen, voor al de onkosten, die gemaakt waren, want
men ving niet minder dan honderdvijfenzestig mannen, vrouwen en
kinderen!«
De arme Negers, die tegen de vuurwapenen der Portugeezen alleen hunne
vergiftigde pijlen konden gebruiken, waren nu op hunne hoede. Zij
zett'en wachters uit, en wanneer dezen in de verte een schip
ontdekten, waarschuwden zij hun' stam, en terstond werd dan de vlucht
genomen, diep in de bosschen ten Oosten, of verder langs het strand
het Zuiden in.
De Portugeezen werden dit gewaar, en ze begrepen zeer goed, dat aan
een najagen in de bosschen of langs het strand niet te denken viel, en
daarom besloten ze, heel wat verder het Zuiden in te zeilen, en dan op
eene plaats te landen, waar de vluchtelingen nog niet konden zijn, en
de bewoners derhalve niet gewaarschuwd waren voor het dreigende
gevaar.
De slavenjachten waren derhalve de eenige oorzaak, dat Prins Hendrik,
die in 1460 stierf, het nog beleven mocht, dat niet alleen Kaap Verd
werd omgezeild, want dit geschiedde in 1445, of dat men de rivieren de
Senegal en de Gambia ontdekte, want dit had plaats in 1445 en 1446,
maar dat men ook de kusten van Guinea bereikte, waar men peper en goud
vond.
Het voorname doel, dat de Grootmeester gemeend had te bereiken, van om
Afrika heen een' zeeweg naar de Indiën te vinden, was hem dus slechts
tendeele gelukt. Men was op weg om hem te vinden, doch nog een half
menschenleven zou moeten verloopen eer men Afrika's zuidelijkste punt
bereikte.
Eer we verder gaan, moet ik evenwel nog eene daad van onzen
ondernemenden Prins mededeelen, omdat ze eene zeer wijde strekking
had.