wien voorspeld werd: »hij zal een woudezel zijn,« doch dit komt
alleen, omdat wij dit dier niet kennen. Nergens, in Bijbel, Koran of
een Oostersch verhaal, wordt minachtend van dit dier gesproken, en
ieder, die eenmaal in het Oosten den ezel gezien heeft, moet erkennen,
dat dit dier daar niet alleen een mooi, maar bovenal een nuttig dier
is. De ezel behoort niet thuis in ons vochtig en guur klimaat, en wie
een' ezel houdt, houdt hem gewoonlijk op een koopje, en laat hem
paardewerk verrichten, terwijl men voor zijne verzorging zich bijna
nimmer eenigen tijd gunt. Hoe anders is dat in het Oosten. Geen paard
wordt hier beter verzorgd dan ginds een ezel. Het dier is daar
bovendien in zijn Vaderland, en bezit er heel andere eigenschappen.
Ismaël zou als een woudezel worden.
Een woudezel is een wilde ezel, die de tegenwoordigheid der menschen
niet opzoekt, maar ontvliedt. De eenzaamste plaatsen zoekt hij bij
voorkeur op. Hij is schuwer dan eenig ander dier, doch omzichtig in
hooge mate. Hij beklimt met de meeste zekerheid steile rotsen, en
siddert niet wanneer hij aan zijne voeten een' gapenden afgrond ziet,
en met wellust kan hij, staande op eene rotspunt, den koelen bergwind
opsnuiven.
Of hij nu in alles het beeld van den voormaligen en tegenwoordigen
Arabier is?
Neen, niet in alles, maar toch in veel.
De echte Arabier van onzen tijd, op wien de geest der eeuwen zóó
weinig invloed gehad heeft, dat hij bijna nog dezelfde zeden en
gewoonten heeft, als de Arabier ten tijde van Job, haat nog immer den
Fellah, die zich een verblijf binnen de muren der steden gekozen
heeft. Hij is een merkwaardig man. Hij is nimmer zwaar van
lichaamsbouw, doch van statige, iets meer dan middelmatige lengte,
sterk en gespierd. Zijne behoefte aan spijs en drank voldoet hij, maar
in het gebruik ervan is hij altijd matig. Een Arabier, die dronken is,
werd nimmer gevonden, en evenmin een, die een zwelgend leven leidde.
Zijn lichaam, nimmer vertroeteld, is gehard tegen alle vermoeienissen,
en meest altijd heeft hij een opgeruimd humeur en eene dichterlijke
verbeeldingskracht. Gewoon in de woestijn om te dwalen en dus altijd
eene uitgestrekte vlakte voor zich te zien, wordt zijn gezicht zóó
scherp, dat hij op verren afstand reeds het aantal naderende ruiters
telt, als een ander nog niets ziet. De sobere omgeving waarin hij
leeft, doet hem acht geven op alles, en alles kennen tot in de
kleinste bijzonderheden. Hij ziet aan het voetspoor in het zand der
woestijn, of het van een' vriend of wel van een' vijand is, hij ziet
er aan of de voetganger vermoeid of niet vermoeid was, of hij een'
last droeg of niet. Zonder kompas vindt hij den weg door de woestijn,
die in hare eentonigheid _ons_ geen enkel herkenningsteeken geeft,
maar _hem_ honderden. Bij nacht is de heldere hemel met al zijne
sterren hem een boek, waarin hij altijd leest, zonder ooit aan de
laatste bladzijde te komen. Die sterren geven aan zijne dichterlijke
verbeeldingskracht elken avond eene hoogere vlucht. Geboren jager of
herder, is hij ook geboren koopman, altijd er op uit om zijn eigen
voordeel te behartigen. Zijne scherpzinnigheid doet hem bij alles
rekenen; zijne hebzucht doet hem zelfs onder vrienden, vijanden
vinden. En te midden van dit volk, zóó berekend, zóó scherpzinnig, zóó
hebzuchtig en zóó strijdlustig, kwam Mohammed met zijne nieuwe leer,
wier grondstellingen zoo volkomen pasten bij het karakter van die
woestijn-bewoners niet alleen, maar ook bij dat van de Fellahs of
steden-bewoners. Het loon, aan den strijd voor het geloof verbonden,
deed hen naar de wapenen grijpen om den geloofsstrijd te voeren; en
daar het Christendom in dien tijd in het Oosten zeer in verval was,
zoo verspreidde de nieuwe leer, gepredikt door mannen, die vol
geestdrift het zwaard in de rechter-, en den Koran of Mohammedaanschen
bijbel in de linkerhand droegen, zich buitengewoon snel. De nieuwe
leer deed den woudezel zijne woestijn, en den Fellah zijne steden
verlaten om de wassende maan, het symbool waaronder zij streden, tot
waarheid te maken. De aarde moest vol worden van den Islam, alle
monden moesten getuigen: »Er is maar één God, en Mohammed is zijn
Profeet.«
Wat Mohammed zelf wel nimmer zal vermoed hebben, is, dat zijne leer de
Arabieren maken zou tot veroveraars, reizigers en landontdekkers, ja,
tot mannen, die in dichtkunst, geneeskunde, wijsbegeerte, wiskunde,
sterrenkunde, en bouwkunde, ver boven de Westersche volken stonden.
Een machtig Oostersch rijk, dat der Kaliefen, ontstond, hetwelk naar
alle zijden zich ontwikkelde, naar alle kanten zijn' invloed deed
gelden. Door de Arabieren gesticht, was het na verloop van eene eeuw
grooter dan het Romeinsche Keizerrijk ooit geweest was. Sommige
Kaliefen waren zeer bekwame Regenten, en moedigden de kunsten en
wetenschappen op alle mogelijke wijzen aan. Handel en nijverheid
bereikten eene verbazende hoogte, en bijna alle streken der Oude
wereld werden door de Arabieren bezocht. Zij kwamen in China; ze
kenden zelfs Japan; zij bereisden Voor- en Achter-Indiën, ze kwamen op
Sumatra en Java. Niet alleen Egypte en Afrika's noordkust bezochten
ze, maar ze drongen zelfs dieper in het »Zwarte werelddeel« door, dan
iemand vóór hen ooit gedaan had. En overal waar ze kwamen, predikten
ze den Islam. Bleef China ook grootendeels voor hen gesloten, Voor- en
Achter-Indië, de Indische Archipel, Egypte en Noord-Afrika bleven dat
niet, en bijna overal verdrong daar de Islam den heidenschen
godsdienst. Aan de uitgestrekte macht der Arabieren kwam evenwel
spoedig een einde, want het rijk werd door binnenlandsche twisten
verdeeld, en in onderscheidene Staten gesplitst, welke ieder van
elkander onafhankelijk waren. Eén stam heeft zich zeer bekend gemaakt
door den stoot, dien ze gaf aan de opwekking van den Europeeschen
handel en de zeevaart. De bewoners van Toeran of Toerkistan, een woest
volk, hadden in de achtste eeuw reeds den Islam omhelsd. Dit belette
echter niet, dat zij jegens de Arabieren zeer vijandig gezind waren,
en, bij de verzwakking van het Kalifaat, maakten zij zich ook meester
van het Heilige Land, dat in handen der Arabieren was. Ook Jeruzalem
viel in hunne handen.
Jeruzalem! Wie kent niet Da Costa's:
»Aan Babels wateren gezeten,
denk ik aan Sion en verteer.
Jeruzalem, hoe zoude ik U vergeten?
mijn' rechterhand vergeet' zichzelf veeleer.«
Roerend en treffend schoon is Da Costa's klaagzang; maar eindelijk
gaat het klaaglied langs Golgotha over in een' juichtoon, en jubelend
klinkt het:
»Maar neen! Gij zult weer ademhalen.
Maar neen! Jeruzalem sterft nooit.«
Da Costa had gelijk! Hoe ook door de Romeinen verwoest en bijna ledig
gelaten, hoe ook door de Turken veroverd, uitgemergeld en verarmd,
Jeruzalem leeft nog, Jeruzalem sterft nooit, zoolang er nog één
Christen of één Israëliet leeft, want voor beiden is het oude Sion de
stad der steden. Nog altijd weent er de Israëliet bij den ouden muur
van Salomo's tempel, nog altijd knielt en bidt de Christen bij het
graf van zijn' Heiland.
Dat Israëlieten ter bedevaart opgaan naar de stad hunner Vaderen mag
eene zeldzaamheid heeten, maar dat de Christenen het doen naar het
Heilige graf, is eene vrome gewoonte, die bijna op denzelfden tijd
ontstond toen de Paaschgang der Israëlieten naar Salomo's tempel
ophield.
Men noemde zulke Christenen bedevaartgangers of pelgrims naar het
Heilige Land. Aan zulke tochten waren evenwel groote moeielijkheden
verbonden, doch wie telde in die tijden moeielijkheden waar het den
godsdienst betrof? Een Duitsch schrijver zegt: »Tot de scherpst
uitkomende karaktertrekken dier eeuwen mag wel in de eerste plaats
genoemd worden eene godsdienst-overtuiging, die bijna tot dweperij
oversloeg, een gloeiend leven van het hart. Ze vervulde den geest, ja,
die geloofs-overtuiging was de ziel der menschheid zelve.«
En van het Heilige Land heet het bij dezen schrijver: »Heilig was daar
iedere voetbreed gronds, en van aanbidding stroomde over het hart des
pelgrims, die dezen grond betreden mocht. Zijn geestelijk oog zag de
poorten des hemels daarbij geopend.«
Zouden zulke geloovigen angstvallig eerst alle moeielijkheden wikken,
alle zwarigheden wegen, alle gevaren tellen? Neen, men ging zonder dat
alles te doen; men bestreed vol vreugde de moeielijkheden; men
trotseerde vol verlangen alle zwarigheden; men tartte vol geloofsmoed
alle gevaren, als men maar in het Heilige land komen mocht en als men
maar bidden kon aan het graf van zijn' Heiland en Heer.
Maar, waar de Arabieren die bedevaarten geduld hadden, ook omdat ze
vele voordeelen aanbrachten, daar begonnen de woeste en dweepzieke
Turken de Pelgrims te mishandelen, te plunderen en soms te dooden.
Wat moesten de Christenen van Europa doen?
Ze duldden jaren lang den smaad hun door de Turken aangedaan; de tijd
scheen nog niet rijp voor een' grooten geloofsstrijd.
Maar in het jaar 1094 verscheen te Jeruzalem, als Pelgrim, een
voormalig krijgsman uit Normandië, die het strijdveld verwisseld had
met de kluizenaarshut, en deze alweer had verlaten om den pelgrimsstaf
op te nemen.
Hij was een klein en onaanzienlijk man, die »Peter de Kluizenaar« of
»Peter de Heremiet« heette. Maar in die eeuw van ijzer, staal,
mannenkracht en dapperheid, zou deze eenvoudige man, alleen gewapend
met eene wegsleepende welsprekendheid en een' brandenden geloofsmoed,
de heele Christenwereld in beweging brengen en bezielen tot een'
strijd op leven en dood tegen de overweldigers van alles, wat den
Christen dierbaar was. Toen hij in Jeruzalem zag, wat de Christenen
van de Turken te lijden hadden, vatte hij een grootsch plan op. Hij
keerde naar zijne Vaderstad Amiens, terug, doch nam zijn' weg over
Rome, waar hij, toegelaten tot Paus Urbanus II, met de treffendste
kleuren den ellendigen toestand der Christenen in Palestina schetste,
en hij wist met zulke bezielende woorden te spreken over de
noodzakelijkheid, dat alle Christen-vorsten de wapenen moesten
opnemen, ter verovering van het Heilige Land, dat de Paus hem terstond
zijne medewerking beloofde. Hij hield die belofte ook trouw, en begon
met Peter aanbevelingsbrieven te geven aan de voornaamste Vorsten van
Europa. En Peter ging van land tot land, van het eene Vorstenhof naar
het andere, en overal predikte hij met eene wegsleepende kracht, die
allen bezielde, die alle harten deed ontbranden, het lijden en de
verdrukking der Christenen. Hij was onweerstaanbaar, en vol geestdrift
togen Vorsten, Edelen, Bisschoppen en voorname Heeren naar Clermont,
waar de Paus eene groote Kerkvergadering houden zou. Daar was het, dat
de Paus met eene welsprekendheid, welke misschien die van Peter de
Heremiet nog overtrof, voor duizenden eene toespraak hield en den
Kruistocht predikte.
O, het moet een oogenblik geweest zijn, zooals de heele
wereldgeschiedenis maar enkele oogenblikken telt, toen door die
duizenden den kreet aangeheven werd: »God wil het! God wil het!«
Bij die uitroepen bleef het niet; men ging over tot daden, en onder
aanvoering van Godfried van Bouillon, Hertog van Lotharingen, werd den
vijftienden Juli van het jaar 1099 Jeruzalem ingenomen, nadat over en
weer door zwaard en ziekten duizenden en nogmaals duizenden gevallen
waren. Het Christen-koninkrijk Jeruzalem werd gesticht, en daar naast
ontstonden de Christen-graafschappen Tripolis en Edessa, benevens het
Vorstendom Antiochië.
Slechts achtentachtig jaar bleef dit Koninkrijk Jeruzalem bestaan, en
in 1291 ging met Tyrus, dat de Christenen aan hunne vijanden moesten
overgeven, de laatste Christen-vestiging in het Heilige Land verloren.
Ruim zes millioen Christenen waren bij die Kruistochten, men rekent er
meest altijd zeven, omgekomen, en schatten gelds hadden ze verslonden,
maar--de gevolgen waren onberekenbaar groot.
Vindt men nu nog op sommige plaatsen enkele menschen, die hun dorp of
hunne stad nimmer verlaten, en dus eene zeer bekrompen
wereldbeschouwing hebben, ze worden toch met den dag zeldzamer, en men
wijst hen bijna aan, als eene merkwaardigheid, met: »Kijk, die man
daar, hij is, zoo oud als hij is, nooit verder geweest dan zijn dorp
of zijne stad.«
Maar in die eeuwen was de toestand aanvankelijk juist omgekeerd, en
hij, die het gewaagd had, ver van huis te gaan, werd als eene
merkwaardigheid met den vinger aangewezen.
De Kruistochten brachten hierin eene verbazend groote verandering. Men
deed verre tochten; men kwam in een heel ander land, in een heel ander
klimaat; hier zag men dit, daar dat; hier merkte men het eene, daar
het andere op. De blik werd verruimd, en men leerde nieuwe behoeften
kennen. Vooral de mannen van den derden stand, de poorters en dorpers,
door het deelnemen aan een' Kruistocht van Lijfeigenen in Vrijen
herschapen, begonnen zulk een krachtig leven te ontwikkelen, dat ze,
in macht en rijkdom, Vorsten en Edelen boven het hoofd wiesen.
Overal ontwaakte onder hen een ondernemingsgeest, die voor geene
gevaren terugdeinsde, en die geest was de grondvester van machtige
steden, van Venetië en Genua bovenal. Die ondernemingsgeest, hoewel
hoofdzakelijk tendoel hebbende, eigen voordeel te bevorderen, dwong
echter ook om niet alleen vreemde talen te leeren, maar ook om de
aardrijkskunde en sterrenkunde te beoefenen.
Zoo iets van: »Er is maar één God en Mohammed is Zijn Profeet«, paste
vóór de Kruistochten elk land ook op zichzelf toe. Men wist het, ja,
dat er nog andere landen waren, doch ze kwamen bij het eigen land zoo
goed als niet in aanmerking. Na de Kruistochten was dat evenwel anders
geworden; de volkeren van Europa hadden elkander leeren kennen, en die
kennismaking leidde tot handelsbetrekkingen. Men begon gewassen te
verbouwen en voorwerpen te maken, met het doel om uit te voeren;
nieuwe handwerken, andere kunsten werden beoefend. De strijd om het
bestaan, vroeger tot de bewoners van elk land beperkt, werd nu
gestreden tusschen de volken onderling, en hij bracht leven en
beweging. Die strijd scherpte het verstand, spitste het brein en
maakte de hand vaardig. Werkelijk, de Kruistochten hebben het
dommelende Europa wakker geschud; ze zijn oorzaak geweest, dat van de
vijf werelddeelen, Europa _het_ werelddeel werd, en meteen de zetel
van beschaving, wetenschap en welvaart.
We noemden zoo even twee namen van steden, en wel Venetië en Genua.
Beide steden hebben door haren handel en hare macht in de
Middel-eeuwen eene te groote rol gespeeld om er hier niet van te
spreken.
Venetië ligt ten noorden van de Adriatische Zee, aan eene golf, die
denzelfden naam als de stad draagt. Bij den inval der Hunnen namen
vele bewoners van het vasteland de vlucht naar de menigte eilanden,
die in deze zee gelegen zijn. Waren dezen eerst afhankelijk van het
Grieksche en later van het Duitsche Keizerrijk, ze wisten voor een
groot deel zich daarna onafhankelijk te maken, en vormden eene
Republiek. Het hoofd van die Republiek droeg den naam van Doge, en de
Republiek zelve heette weldra, naar hare grootste stad, Venetië. Reeds
lang vóór de Kruistochten dreven de Venetianen een' levendigen handel
op Azië, doch het toppunt van bloei bereikte de Republiek eerst tegen
het einde der veertiende eeuw. Zij dreef vooral handel op Alexandrië
en Joppe in producten, die daar met karavanen aangebracht werden uit
de Indiën, en ze had zelfs, vooral door de bemoeiingen van den
beroemden Venetiaanschen reiziger Marco Polo, die diep in het rijk der
Mongolen drong, en de gunst wist te verwerven van den Khan of
Oppervorst der Tataren, handelsbetrekkingen aangeknoopt met het
tegenwoordige China. Door de reistochten van Marco Polo, diens Vader
Niccolo en neef Maffeo, werd vooral de aardrijkskundige kennis van
Azië zeer uitgebreid, en men ontwierp zelfs kaarten waarop, behalve
het bekende deel van Europa, bijna heel Azië voorkwam. Wel had,
volgens de Venetiaansche kaarten, dit werelddeel een voorkomen,
hetwelk in latere tijden bijna geheel gewijzigd moest worden om met
den waren toestand overeen te komen, maar veel vindt men er toch ook
op waaruit blijkt, dat men bij het vervaardigen ervan niet enkel op
overleveringen of phantastische verhalen vertrouwde, maar zelf
waargenomen had.
Niet minder dan vierentwintig jaar duurde hunne reis, en onnoemelijk
rijk keerden ze alle drie terug. Zóó rijk was Marco, dat de Venetianen
hem den bijnaam gaven van »Meester Millioen.«
Verwondering kan het niet baren, dat Marco Polo met zijne schatten den
lust bij anderen opwekte om ook in die verre landen der Tataren zaken
te gaan doen, en nog meer werd die lust opgewekt toen de beroemde man
zijn reisverhaal liet te boek stellen. Hij stierf echter in 1323, dus
vóór de uitvinding der boekdrukkunst, en deze alleen was instaat om
die reisbeschrijving algemeen te maken. En hoe prettig wist hij te
vertellen!
In zijn' tijd was de tegenwoordige Chineesche stad Hang-Chow-Foe aan
de rivier Tsien-Tang, de hoofdstad van het Chineesche of Tataarsche
rijk. Nu nog telt zij meer dan één millioen inwoners, doch Marco
zeide, dat hare bevolking toen één millioen zesmaal honderdduizend
_huisgezinnen_ bevatte; bovendien gaf hij aan deze stad den naam van
Quin-sai.
Om mijn' lezers eenig denkbeeld te geven, niet alleen van Polo's
verhaaltrant, maar ook over den toestand van China in onze
middeleeuwen, wil ik een gedeelte van zijn verhaal hier laten volgen.
»Quin-sai, de hoofdstad, verdient haar' naam: »Stad des Hemels«, ten
volle door hare grootte, schoonheid, rijkdom en welvaart. Zij is een
Paradijs op aarde. Naar mijne schatting heeft ze een' omvang van
vierenveertig Kilometers, dat is acht uur gaans. Zij ligt dicht bij de
zee aan eene groote rivier, wier wateren door tallooze kanalen in alle
richtingen door de stad stroomen, en alle vuilnis medevoeren naar zee,
zoodat er de grootste zindelijkheid heerscht, en de lucht er steeds
frisch is. Wel twaalfduizend bruggen verbinden de verschillende
stadsdeelen met elkander, en naast de kanalen heeft men breede
straten. De meeste bruggen hebben zulke groote bogen, dat de schepen
er onderdoor kunnen varen zonder de masten te strijken. Er zijn
verscheidene groote pleinen tot markt ingericht, en elk plein is
omgeven door steenen gebouwen, waarvan de beneden-verdiepingen als
winkels in gebruik zijn. De verschillende straten loopen alle op de
marktpleinen uit, en overal vindt men inrichtingen tot het nemen van
koude of warme baden, waarvan ieder van zijne jeugd af, gebruik maakt
eer hij aan den maaltijd gaat. Op tien groote plaatsen wordt driemaal
in de week markt gehouden, en ongeveer vijftigduizend menschen begeven
zich telkens naar iedere markt om daar het noodige tot levensonderhoud
te koopen. Wild en gevogelte vindt men er in overvloed en tegen
billijke prijzen. Zoo betaalt men voor een paar ganzen met nog vier
eenden slechts tien penningen. Ander vleesch kan de werkman niet eten,
want het vleesch van runderen, schapen en geiten is zóó duur, dat
alleen de rijken het betalen kunnen. Onverschillig in welk jaargetijde
men de markten bezoekt, altijd vindt men er een' rijken voorraad van
het heerlijkste ooft. Visch is er steeds in overvloed te vinden. Welk
een omzet op deze markten is, kan blijken uit de opgaaf van één
artikel, dat verhandeld wordt, namelijk peper, waarvan de Tataren
groote liefhebbers zijn. Elken dag zet men meer dan tienduizend pond
van deze specerij om.
»De inwoners hebben eene blanke gelaatskleur, en kleeden zich steeds
in zijde, die hier in den omtrek veel gewonnen wordt. Er zijn twaalf
hoofdambachten, en iedere zoon is verplicht het ambacht van zijn'
Vader te leeren. De rijke werkbazen doen niets anders dan op het werk
wat rondloopen om toezicht te houden. De vrouwen pronken den heelen
dag met hare prachtige zijden kleederen en schitterende juweelen, of
brengen in sierlijk ingerichte vertrekken, den dag met nietsdoen door.
»De huizen, die gewoonlijk van hout zijn, hebben sierlijke voorgevels,
voorzien van mooi snijwerk en beschilderd met allerlei wonderlijke
figuren. Van oorlogvoeren weten de bewoners van Quin-sai niet, en
zelfs oproer en rooverij behooren bijna tot de onmogelijke
gebeurtenissen.
»De uitspanningen op het water overtreffen alle andere, en de stad met
haar onnoemelijk groot aantal paleizen, tempels, villa's, tuinen en
boomen, allen aan het water gelegen, biedt daardoor, den ganschen dag
door, eene bonte afwisseling.
»Is de dagtaak afgeloopen, dan denkt niemand aan wat anders dan aan
uitspanning. Met schuiten en wagens begeven de mannen zich in
gezelschap hunner vrouwen of kinderen naar tuinen, die alleen voor
openbare uitspanningen bestemd zijn.
»In elke straat is stellig één steenen gebouw, in den vorm van een'
toren. Het is zeer groot, en wanneer nu een brand uitbreekt, wat met
die houten huizen niet zelden het geval is, dan vluchten al de
bewoners van die straat met hunne kostbaarste have binnen dit steenen
gebouw.
»Op de voornaamste bruggen staat een wachthuis, dat steeds door tien
man bezet is. In elk wachthuis is een wateruurwerk, en het is nu de
hoofdtaak van die mannen, om aan het einde van elk uur met een houten
blaas-instrument en een metalen voorwerp, hiervan aan de bewoners
kennis te geven.
»Gedurende den nacht trekken wachters door alle straten. Hunne taak is
het, minder tegen diefstal te waken, dan wel te zorgen, dat iedere
bewoner op den bepaalden tijd in zijn huis geen licht of vuur meer
brandt, en dat niemand zich meer op straat begeeft.
»Elk hoofd van een gezin is verplicht om boven den ingang zijner
woning eene naamlijst van de bewoners te hangen. Sterft er een, dan
wordt de naam doorgestreept, en wordt er een geboren, dan wordt zijn
naam terstond onder de lijst geschreven. Zelfs zij, die vreemdelingen
en reizigers herbergen, zijn verplicht in een boek, niet alleen de
namen hunner gasten te schrijven, doch er moet tevens bij vermeld
staan wat ze zijn, wat ze komen doen, wanneer ze kwamen, wanneer ze
heengaan, en wáár ze heengaan.
»De inkomsten van den Groot-Khan,--thans noemt men hem
Keizer,--bedragen, alleen nog maar van het zout, niet minder dan zes
millioen vierhonderd duizend dukaten, en zijn heele inkomen wordt
berekend op ruim drieëntwintig millioen dukaten.
»Komt men eenmaal buiten de eigenlijke stad Quin-sai, dan zou men
wanen nog in de stad te zijn, ja, het is zelfs zóó, dat, vele
dagreizen afstands om Quin-sai, alles slechts ééne stad gelijkt.«
Van Japan, dat Marco Polo den naam gaf van Zipangu of Nipon, verhaalt
hij het volgende:
»De inwoners van Zipangu hebben eene heldere gelaatskleur en zijn zeer
beschaafd. Ze worden geregeerd door een' Koning, die geheel
onafhankelijk is van den Groot-Khan. Goud wordt er in overvloed
gevonden, doch het mag niet uitgevoerd worden. Het paleis van den
Koning is zoowel van binnen als van buiten, en van onder tot boven,
geheel met gouden platen belegd, ja, eenige meubelen zijn zelfs van
massief goud. Het heele Koninkrijk bestaat uit zeker meer dan
zevenduizend eilanden, die alle bewoond zijn, en specerijen en goud in
overvloed opleveren.«
Onze reiziger kwam ook in den Indischen Archipel. Hij vertelt van
Groot-Java, Klein-Java en Zeylan of Ceylon, welke eilanden alle rijk
zijn in goud en specerijen. Zelfs het tin-eiland wordt evenmin
vergeten, als de parelvisscherijen. Hij spreekt van afstanden over zee
in mijlen, en honderd, zevenhonderd, ja, vierentwintighonderd mijlen
afstands worden door hem genoemd. Maar trots die verbazende afstanden
kwamen de Tataren met hunne schepen daar bijna overal, en brachten
ongehoorde schatten in hun land terug.
Men begrijpt lichtelijk hoe deze reisbeschrijving, toen ze meer
algemeen bekend werd, de gemoederen in Europa in beweging, en de
hoofden tot denken bracht.
Wat er met schepen gedaan kon worden, bewezen de Tataren dat niet, die
honderden mijlen ver er zich mede waagden op zeeën, waarvan men niet
beter wist of er was geen einde aan?
En wat nu de Tataren konden doen, zouden dat de Europeanen niet
kunnen?
Ja, Marco Polo kon overdreven hebben, en waarom zou hij dat niet? Het
lag immers geheel in den geest van zijn' tijd om aan het fabelachtige
de voorkeur te geven boven het wetenschappelijke?
Wie kende niet de reisbeschrijving van den Missionaris Oderich van
Portenau? Veel van hetgeen Marco Polo verteld had, werd door Oderich
bevestigd, maar hoeveel fabelachtigs haalde deze Oderich er niet bij?
Had ook niet Marignola, Huis-kapelaan van Keizer Karel IV, als
Zendeling, zijne reistochten beschreven? Het boek, dat eigenlijk eene
Kroniek van Bohemen heeten moest, begon, omdat de schrijver
waarschijnlijk van Bohemen niet veel wist, van Adam en Eva in het
Paradijs af, en het wemelde van allerlei fabelachtige verhalen.