Het is bekend, dat aardbevingen en uitbarstingen van vulkane

Produced by Branko Collin and the Online Distributed

Proofreading Team at http://www.pgdp.net (This file was

produced from images generously made available by The

Internet Archive)

+-------------------------Regelnummer 1------------------------+

| |

| OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER: |

| |

| De tekst in dit bestand wordt weergegeven in de originele, |

| verouderde spelling. Er is geen poging gedaan de tekst te |

| moderniseren. |

| |

| Bladzijde-nummering is verwijderd. Afgebroken woorden aan |

| het einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld. |

| |

| De illustraties zijn alleen beschikbaar in de html-versie |

| van dit boek. (zie http://www.gutenberg.org) |

| |

| In dit boek worden lage en hoge aanhalingstekens gebruikt. |

| Deze zijn respectievelijk aangegeven als »aanhalingstekens«. |

| |

| Overduidelijke inconsistenties, druk- en spelfouten in het |

| origineel zijn gecorrigeerd. Inconsistent gebruik van |

| verbindingsstreepjes is behouden. |

| Aan het eind van het boek volgt een overzicht van de |

| aangebrachte correcties met bijbehorend regelnummer. |

| |

+--------------------------------------------------------------+

Vóór vier Eeuwen.

[Illustratie: CHRISTOPHORUS COLUMBUS.]

Vóór vier Eeuwen.

EEN VOLKSBOEK

OVER

DE ONTDEKKING VAN AMERIKA,

DOOR

P. LOUWERSE.

Met Portretten en verschillende Illustraties.

SNEEK.

J. F. VAN DRUTEN.

HOOFDSTUK I.

INLEIDING.

De aardappel is oorspronkelijk een Amerikaansch gewas, tenminste, men

houdt Chili of Mejico voor het vaderland ervan, en met zekerheid weet

men, dat deze plant vroeger in heel Europa niet te vinden was. In 1565

was er echter een Engelschman, John Hawkins geheeten, die het

dagelijksch brood, en waarschijnlijk wel meer dan dat, als

slavenhandelaar verdiende. Daar, door eene langdurige reis, zijn

scheepsvoorraad aan levensmiddelen in Amerika noodwendig moest

aangevuld worden, zoo nam hij te Santa Fé, eene stad in de nabijheid

van de Rio la Plata, bij gebrek aan wat beters, een soort van knollen

aanboord, welke daar groeiden en door de inlanders gegeten werden. Van

deze knollen had hij nog over toen hij eene Iersche haven binnenliep.

Deze knollen waren niets anders dan aardappelen. Ze schenen evenwel

niet bevallen te zijn, want aan het poten van de vrucht dacht de Ier

niet. Negentien jaar later bracht de Engelsche Admiraal Walter Raleigh

dezelfde knollen, als wat nieuws, uit Virginia, een' van de Vereenigde

Staten van Noord-Amerika, in Engeland, en in 1589 wist Clusius,

Hoogleeraar te Leiden, eenige knollen te bekomen, welke zorgvuldig in

den Hortus werden aangekweekt. Langzamerhand verspreidde dit gewas

zich over geheel Europa. Van een algemeen gebruik was evenwel nog zóó

weinig sprake, dat Frederik II, de Groote, Koning van Pruisen, de

koppige boeren met geweld moest dwingen om aardappelen te teelen. Men

vond dit bevel een' dwang gelijk.

En hoe is het tegenwoordig gesteld met het verbouwen der aardappels?

In jaren van misgewas worden in ons land duizenden Hectoliters uit

Saksen ingevoerd. En wat zou Ierland, het arme Ierland, zijn zonder

aardappelen?

Moesten bijna twee eeuwen na het bekend worden dezer plant nog

dwangmaatregelen genomen worden om haar te verbouwen, thans is hare

vrucht over een groot deel van Europa het hoofdvoedsel van millioenen

menschen.

Doch waarom een boek over de ontdekking van Amerika begonnen met eene

korte geschiedenis van den aardappel?

Hierom. Ik wist met geen beter voorbeeld uit het dagelijksch leven te

beginnen, om aan te toonen, hoe lang het dikwijls duurt eer eene

ontdekking of uitvinding van algemeen nut wordt.

Een voorbeeld, op het gebied der uitvindingen, levert de geschiedenis

van den stoom.

Ja, het is waar, de stoom is eigenlijk niet uitgevonden, want het was

iets, dat bestond, maar de toepassing van den stoom op fabriekswezen,

scheepvaart en middelen van vervoer is wél eene uitvinding, en wel

eene, die zulke groote afmetingen in hare gevolgen heeft, dat de

toestand der heele maatschappij er door gewijzigd is geworden, en nog

veel meer wijzigingen noodig heeft. Welk eene tijdruimte ligt er

tusschen het heden, waarin de stoom als wereldkoning heerscht, en het

oogenblik waarop de beroemde wis- en natuurkundige Hero van

Alexandrië, die anderhalve eeuw vóór onze tijdrekening leefde, de

aeolipile of dampkogel uitvond! Zonder volkomen bekend te zijn met de

kracht, die door den stoom uitgeoefend wordt, was het niet mogelijk

zulk een' dampkogel uit te vinden. Zelfs de Celtische heidenpriesters

schijnen met de kracht van den stoom bekend geweest te zijn. En lezen

we ook niet van Blasco de Garay, een' zeeman, die ten tijde van Keizer

Karel V, dus drie eeuwen geleden, in de haven van Barcelona eene

openbare proef gaf van het voortstuwings-vermogen van schepen door

middel van stoom? Door geleerde onderzoekers wordt deze toepassing van

stoomkracht door Blasco de Garay tegengesproken, doch een feit is het,

dat Papin reeds in 1681 een werk uitgaf, waarin hij de mogelijkheid

aantoonde, dat schepen door stoomkracht konden voortbewogen worden. Om

de proef op de som te geven, voer hij langs het riviertje de Fulda van

Cassel naar Münden met eene raderstoomboot, die volgens zijne

aanwijzingen gemaakt was. Bekend is het ook, dat de schippers, woedend

dat men hun met deze uitvinding het brood uit den mond nemen zou,

zijne eerste stoomboot vernielden. De proef was geleverd, wat

stoomkracht vermocht, doch het moest toch 1787, dus ruim eene eeuw

later worden, vóór zekere Patrick Miller in Schotland, op de Firth of

Forth, stoom op zijn vaartuig gebruikte. Langzaam, zeer langzaam begon

men nu ook in andere landen de stoomkracht op de scheepvaart toe te

passen. Wanneer bij ons te lande van de eerste stoomboot gebruik

gemaakt werd, ben ik niet te weten kunnen komen, doch het is ons allen

bekend genoeg, hoe ook bij ons het aantal stoombooten, zoowel voor de

zee- als binnenvaart, met het jaar toeneemt. En dan, welk eene

uitbreiding heeft de toepassing van den stoom op de nijverheid

verkregen!

Is het nu met den stoom niet gegaan als met de aardappelen?

Dat eene uitvinding soms eeuwen noodig heeft eer ze voor de heele

maatschappij beteekenis gekregen heeft, bewijst niet enkel de

geschiedenis van den stoom. Ook het kompas heeft ongeveer dezelfde

geschiedenis doorloopen. Wanneer het kompas bekend is geworden, is bij

geene mogelijkheid te bepalen, want het mannetje, dat de Tataren en

Chineezen op hunne tochten in de woestijnen gebruikten, eeuwen vóór

een zekere Flavio Gioia, van het Italiaansche stadje Amalfi, leefde,

was toch ook een soort van kompas. Het was eene magnetische pop op

een' wagen geplaatst, welke pop steeds met de eene hand het zuiden

aanwees. Maar Flavio Gioia, de wakkere Italiaansche zeeman, die in de

laatste helft der dertiende eeuw stierf, moge al »_onschuldig_ zijn«

aan de _uitvinding_ van het kompas, toch bracht hij er verbeteringen

aan, en juist die verbeteringen waren het, welke voor de zeevarende

volken van Europa langzamerhand een einde maakte aan het gevaar van

»buiten westen zijn«.--Die kleine verbetering,--welke het geweest is,

is onbekend,--bracht, maar alweer na verloop van vele jaren, zulk eene

verandering in den toestand der menschelijke maatschappij, dat er een

nieuw tijdperk aanbrak, welk tijdvak den naam draagt van »Nieuwe

Geschiedenis«.

Men zegt wel eens, dat de Nieuwe Geschiedenis in 1492 een' aanvang

neemt, en wel met de ontdekking van Amerika. Wáár, ontegenzeggelijk

wáár is het, dat het vinden van een nieuw werelddeel op den toestand

der heele maatschappij van onberekenbaar grooten invloed was, maar dat

alleen de ontdekking van Amerika aan de Middel-geschiedenis een einde

maakte en de nieuwe deed beginnen, is toch wat al te boud gesproken.

De Nieuwe Geschiedenis, met al hare veranderingen, begon met den

geest, die in dien tijd alle zeevarende volken bezielde, om hunne

kennis van de aarde uit te breiden. Er was eene behoefte naar weten,

een dorst naar kennis ontstaan. Die begeerte en die dorst breidden

zich steeds meer en meer uit; zij brachten de Portugeezen, om Kaap de

Goede Hoop heen, in den rijken Oostindischen Archipel; zij voerden de

Spanjaarden naar de landen, waar goud en zilver opgetast lagen.

Die behoefte naar weten en die dorst naar kennis maakten aan de

Middel-geschiedenis, met al hare ruwheid, dichterlijk als eene woeste

bergpartij, een einde. Eene nieuwe maatschappij moest ontstaan; ze was

niet meer te keeren.

Zóó zullen misschien eenmaal de geschiedschrijvers ook het tijdvak der

Nieuwe Geschiedenis in deze eeuw doen ophouden, om eene »Nieuwste

nieuwe« te stellen. Die krijgt dan wellicht den naam van

»Stoom-Geschiedenis«.

Eigenlijk is die Nieuwste-nieuwe geschiedenis er al een vijftig jaar,

want de maatschappelijke toestand der volken van den tegenwoordigen

tijd, gelijkt zoo goed als niets op dien van het einde der vijftiende

eeuw.

Over den stoom en zijne gevolgen willen we evenwel niet schrijven; een

ander moge dat doen, als de stoom afgedaan heeft, zooals nu eene

zeereis met een zeilschip bijna tot het verleden behoort. Toch blijven

ook die eerste groote zeereizen merkwaardig genoeg om er vier eeuwen

later nog eens op terug te komen. Over al die zeereizen kunnen we

echter niet spreken, en daarom zullen we enkele maar terloops

aanstippen, en ons bepalen bij die reizen, welke ten gevolge hadden:

de ontdekking van Amerika, het werelddeel, dat voorbestemd schijnt te

zijn in den zoogenaamden »cirkelgang der beschaving« aan de beurt te

komen om uit de schatkameren van den menschengeest schooner en rijker

schatten te voorschijn te roepen, dan hare rijke goud- en zilvermijnen

eenmaal in edele metalen den Spanjaard aanboden.

Eer we echter de ontdekking van Amerika gaan beschrijven, willen we

even stilstaan bij de zeevaart der oude volken en die van de volken

der Middel-geschiedenis.

HOOFDSTUK II.

DE ZEEVAART DER OUDE VOLKEN.

Wie zou toch wel het eerste schip gebouwd hebben en de eerste schipper

geweest zijn?

De Bijbel spreekt ons van den Zondvloed, en laat Noach met zijn gezin,

en van de dieren des velds elk een paar, in de ark aan de algemeene

verdelging van het menschen- en dieren-geslacht ontkomen.

In de godsdienst-geschriften der Chaldeërs wordt een zekere Xisuthrus

met vrouw, kinderen, bloedverwanten, vrienden en eenige dieren, bij

een' vloed, die de heele wereld overdekte, behouden.

Op steenen, die George Smith, een Engelschman, in de bouwvallen van

Ninivé vond, las men, na de ontcijfering van het schrift, dat er in

gekrast of gehouwen was, dat Bel besloten had om de heele wereld door

een' watervloed te verdelgen. Een andere God, Aö geheeten, die als

geest over de wateren zweefde, kreeg, toen hij het besluit van God Bel

vernam, medelijden met een' zekeren Sisithrus. Hij waarschuwde hem

voor Bels plannen, en gaf hem den raad om vóór dien tijd een houten

huis te bouwen van verbazende afmetingen, en zich daarin met zijn

gezin en eenige dieren te begeven, als de overstrooming begon.

De Indiërs spreken van een' man, die Manoe heette, en die door een'

visch gewaarschuwd wordt voor een' wereldvloed. Hij krijgt ook den

raad om lijf en leven van zichzelven en zijn gezin in eene drijvende

woning te redden. Manoe hoort naar dien raad; de vloed komt, en hij en

de zijnen blijven behouden.

De Grieksche godenleer, ook mythologie genoemd, houdt Deukalion voor

den stamvader der Grieken of Hellenen, en deze Deukalion en zijne

vrouw Phyrrha waren de eenigen van al de menschen, die bij een hoogen

watervloed het leven behielden, door op raad van zijn Vader Prometheus

zich te begeven in een vaartuig, dat vooraf opzettelijk gebouwd was.

Maar nóch Noach, nóch Xisuthrus, Sisithrus, Manoe of Deukalion was de

eerste, die met een soort van schip de wateren bevoer. Wanneer wij nu

nog de onbeschaafde volken in een' uitgeholden boomstam de rivieren,

ja, soms de zee langs de kust zien bevaren, dan komen we er als

vanzelf toe om het er voor te houden, dat de menschen lang vóór Noach

of een' der andere genoemde mannen, ook in uitgeholde boomstammen al

gevaren hebben, en vóór men werktuigen had, was wellicht slechts een

stam met takken en al het eenige vaartuig.

Uit dit alles blijkt, dat het met geene mogelijkheid op te geven is,

niet alleen wie de kunst van varen uitvond, maar zelfs niet welk volk.

Dat het met de kennis onzer aarde in de grijze oudheid al zeer vreemd

gesteld was, laat zich begrijpen, doch hiervoor behoeven we nog niet

tot de oudheid terug te gaan, want zelfs vijftien eeuwen na het begin

van onze tijdrekening hadden de menschen nog de vreemdste denkbeelden

van den vorm en de grootte onzer aarde. Dit zullen we later zien, en

liever dan ons in allerlei fabelen te verdiepen, welke toch nog wel

eens zullen genoemd worden naast gissingen, die men geopperd heeft,

willen we met elkander eens een' volksstam bezoeken, welke zich eene

woonplaats gekozen had aan de Oostkust der Middellandsche Zee. Dit

kustland droeg den naam van Phoenicië of Purperland, en zijne bewoners

heetten Phoeniciërs.

Wat de Engelschen in onzen tijd zijn, dat waren de Phoeniciërs in de

oudheid. Reeds elf eeuwen vóór onze tijdrekening durfden ze met hunne

schepen de tegenwoordige Straat van Gibraltar uitzeilen. Zij stichtten

volkplantingen op de eilanden der Middellandsche Zee en de noordkust

van Afrika. Het beroemde Carthago, waarvan we later zullen spreken,

was ook door hen gesticht. Zij bezochten met hunne schepen niet alleen

Engeland, de Noord- en de Oostzee om tin, barnsteen, mogelijk ook hout

en graan te halen, maar ze kwamen zelfs op het eiland Madeira, en de

Kanarische Eilanden. Dit nu weet men zeker, maar men gist nog veel

meer, en die gissingen mogen thans bijna waarheden genoemd worden.

In den eenvoudigen bijbelstijl heet het: »En zij,« namelijk de

Koningin van Scheba, »gaf den Koning Salomo honderdtwintig talenten

gouds en zeer veel specerijen en kostelijk gesteente. Als deze

specerij, die de Koningin van Scheba den Koning Salomo gaf, is er

nooit meer in menigte gekomen. Verder ook de schepen van Hiram, die

goud uit Ophir voerden, brachten uit Ophir zeer veel almuggimhout en

kostelijk gesteente.«

Wie die Koningin van Scheba was, en waar Scheba lag, weten we niet

zeker. Maar Hiram was Koning van de Phoenische stad Tyrus en zeer met

Salomo bevriend. En het goudland Ophir? Moest men enkele jaren geleden

nog zeggen, dat de ligging van dat land met geene zekerheid te bepalen

was, de tochten in Afrika, welke in onzen tijd zulk eene groote

uitbreiding verkregen, hebben omtrent Ophirs ligging, zoo al geene

zekerheid, dan toch een sterk vermoeden van waarschijnlijkheid

gebracht. Dat steenen spreken kunnen, zagen we reeds, waar we gewag

maakten van Smiths nasporingen in de ruïnen van Ninivé; en de

bouwvallen in Zuid-Afrika, door de bewoners, als iets heiligs, lang

voor Europeanen verborgen gehouden, doch nu gevonden, spreken in deze

ook. De Phoeniciërs moeten ook hier geweest zijn.

Herodotus, de beroemde Griek, die ook wel »Vader der geschiedenis«

genoemd wordt, en die in het jaar 484 vóór Chr. geboren werd, verhaalt

het volgende:

»De Phoeniciërs voeren uit de Roode Zee af en kwamen in de Zuidzee.

Toen het herfst werd, gingen zij aan land en begonnen eenige akkers te

bezaaien, en eerst toen ze geoogst hadden, zett'en zij hunne reis

voort, zoodat ze, na eene afwezigheid van twee jaren, in het derde

jaar door de »Zuilen van Hercules« weder in Egypte kwamen. Zij

vertelden, dat zij om Libye gezeild waren en de zon aan den

rechterkant gehad hadden, wat ik evenwel niet gelooven kan.«

Deze tocht geschiedde omstreeks 600 jaar vóór Chr. op bevel van Necho,

Koning van Egypte. Afrika heette toen Libye, en de zeeëngte van

Gibraltar droeg den naam van »Zuilen van Hercules«.

Hoe naïef klinkt Herodotus' gezegde: »wat ik evenwel niet gelooven

kan.« En na hem verliepen eeuwen aan eeuwen, en die tocht der

Phoeniciërs werd steeds als eene fabel beschouwd. »Hoe kon men nu de

zon aan den rechterkant, dat is in het Noorden, hebben? Dat was toch

onmogelijk. Hoe hoog des zomers de zon ook klimmen mocht, zoodat ze

bijna in het toppunt kwam, de zon in het Noorden zien, dát behoorde

tot de verzinsels, waarin de Phoenicische zeelieden zeer sterk waren.«

Zoo redeneerde men eeuwen lang, en eerst de Nieuwe Geschiedenis moest

komen om met zekerheid te kunnen zeggen, dat Herodotus het gerust had

kunnen gelooven, want dat het waar was.

Zoo hebben dus de Phoeniciërs Afrika omgezeild, en denkelijk zullen ze

nog wel verder gegaan zijn ook, doch dit vertelden ze niet graag. Ze

begrepen zeer goed, dat andere volken eveneens gebruik konden maken

van de ligging huns lands aan zee, om ook handel in allerlei vreemde

waren te gaan drijven. Wanneer ze dit deden, dan zou Phoenicië

ophouden de stapelplaats van den handel te zijn en de welvaart zou

afnemen. Dit nu moest men voorkomen, en dat deden ze door allerlei

vreeselijke ontmoetingen te vertellen. Daar buiten die »Zuilen van

Hercules«,--»ze waren er geweest, ze kwamen er nòg, omdat ze wel

moesten, maar anders ... neen, liever bleven ze dichter bij honk.

Verbeeldt u ook, hoe vreeselijk! Niet zoo heel ver het Westen in was

er niets anders dan water en zwarte duisternis. De verschrikkelijkste

gedrochten leefden daar, en men zag er zelfs geene sterren meer

waarnaar men den tocht richten kon!«

Waarom zouden de andere volken dit niet geloofd hebben? Verdween de

zon dan niet in het Westen in zee, en als zij zich in de wateren

gedompeld had, kon ze immers geen licht meer geven?

Dat de aarde rond was, niemand kon dat gelooven, en dat er steeds

evenveel oppervlakte der aarde door de zon beschenen werd, als er in

duisternis lag, geen mensch, die er aan dacht.

Hoe stelde men zich de aarde voor?

Homerus stelde de aarde voor als een schijf.

Anaximander » » » » » » rol.

Heraclitus » » » » » » boot.

Anaximenes » » » » » » tafel.

Pythagoras » » » » » » kubus.

Xenophanes » » » » » » kegel.

Leucippus » » » » » » trommel.

Eudoxus van Cnidus » » » » » » langwerp. vierk.

Doch onverschillig welken vorm men aan de aarde gaf, allen stelden

zich voor, dat de aarde op het water dreef. Slechts de beroemde Thales

van Milete, die zeshonderd jaar vóór Chr. leefde, geloofde dat de

aarde een bol was, welke met water en land één geheel vormde. Zelfs

vermoedt men, dat hij reeds eene zonsverduistering voorspeld heeft.

Het kan evenwel zeer goed zijn, dat de Chaldeërs, de Arabieren, de

Indiërs of de Chineezen met Thales van hetzelfde gevoelen waren, want

dat de wetenschappen in die oude tijden hooger stonden dan wij wel

vermoedden, is zeker. Alleen de gebrekkige middelen van verkeer, welke

oorzaak waren, dat de volken in afzondering van elkander leefden,

waren oorzaak, dat kennis en beschaving tot één land beperkt bleven en

geen gemeen goed werden zooals ze het nu zijn.

Doch keeren we tot onze zeevaarders terug.

Eene der volkplantingen van de Phoeniciërs was Carthago. Ongeveer op

dezelfde plaats waar nu Tunis ligt, werd, zoo luidt de overlevering,

door Dido of Elissa, de dochter van een' Koning van Tyrus, eene

volkplanting en meteen eene stad gesticht, welke den naam van Carthago

kreeg. Dit geschiedde ongeveer acht eeuwen vóór onze tijdrekening.

Bezield met denzelfden ondernemingsgeest, als hunne stamgenooten in

Phoenicië, trachtten de Carthagers door scheepvaart de welvaart huns

lands te bevorderen. De scheepvaart van dit volk, dat geen land, maar

slechts eene stad bewoonde, nam eene verbazende vlucht, en gerust kan

men in den bloeitijd van Carthago de bevolking dezer stad op meer dan

zevenhonderdduizend inwoners stellen. Meer nog dan de Phoeniciërs

dreven ze handel op Afrika's westkust, maar wie zal ons zeggen hoevele

schepen wel heengingen, doch nimmer wederkeerden? Wie zal bewijzen,

dat al de schepen, waarvan men later nooit meer hoorde, vergingen?

Kunnen er geene schepen steeds verder en verder in het Westen gevoerd

zijn om eindelijk in ontredderden toestand in het land te komen,

hetwelk wij thans Amerika noemen?

[Illustratie: WERELDKAART van Toscanelli.]

Men beweert, dat de uitdrukking »buiten westen zijn«, welke beteekent:

»in stervenden toestand buiten kennis liggen«, haren oorsprong heeft

in het gevaar, dat de schepelingen dreigde, wanneer ze met hunne

schepen zoo ver van de kust gingen, dat ze het land niet meer zagen.

Maar geloofden de Phoeniciërs, en na hen de Carthagers, daaraan ook?

Het is niet aan te nemen, want om op Madeira te komen moesten ze zóó

ver het Westen in, dat er van de Afrikaansche kust niets meer te zien

was. Hoe kwam Toscanelli, een beroemd Italiaansch sterrenkundige, die

in de vijftiende eeuw ná Chr. leefde, er aan om op zijne wereldkaart,

hoe gebrekkig die ook ware, in de zee tusschen Europa en Azië een

eiland te leggen, hetwelk hij Antilia noemde? Hij zelf, arts van

beroep, was nimmer in dezen Atlantischen Oceaan geweest, en hij moest

dus alleen bij overlevering bekend zijn met dit eiland. Van wie die

overleveringen kwamen, is niet moeielijk te gissen. Ze kwamen van de

Phoeniciërs, de Carthagers, de Romeinen of Noormannen. Had niet reeds

Plato, de beroemde Grieksche dichter, die in het jaar 420 vóór Chr. te

Athene geboren werd, een dichterlijk verhaal opgesteld van een eiland

Atlantis, dat, ver buiten de »Zuilen van Hercules«, in den

Atlantischen Oceaan had gelegen? En Plato's Atlantis was maar niet een

eilandje, neen, hij beschreef het, als grooter dan Azië en Afrika

samen, en dichtte er eene beschaving aan toe, zoo aanzienlijk en hoog,

dat hij ze »De gouden eeuw« noemde. De bewoners waren evenwel zeer

boos en slecht, en daarom was het door de goden verdelgd. Zij riepen

eene aardbeving te voorschijn, en bijna heel Atlantis verdween, en

eenige eilandjes bleven er alleen over. Dit eiland Atlantis bestond

niet enkel in de dichterlijke verbeelding van Plato, want hij had een

oud Egyptisch verhaal in poëzie oververteld.

Dit berijmde verhaal van Plato, of liever die oud Egyptische sage, is

wel zeer merkwaardig, want als wij later in Mejico en Peru komen,

zullen we daar eene beschaving vinden, welke ons onwillekeurig denken

doet aan de beschaving der Egyptenaren, waarvan de overblijfselen nog

zoo duidelijk spreken. Ze zal ons verbaasd doen vragen: »Van waar toch

bij zooveel verschil nog zooveel overeenstemming?« Ze zal ons doen

stilstaan, en onze gedachten terugvoeren in den grijzen voortijd. De

menschen hebben al zoo lang geleefd, en de beschaving is niet van

gisteren. Het bekende Salomo's gezegde: »Er is niets nieuws onder de

zon«, is zoo onwaar niet, als men wel eens beweert. Menigeen vindt wat

nieuws uit, dat eigenlijk wat ouds is en er vroeger al was, doch zóó

verloren ging, dat niemand het meer kende. Dat eene kunst en eene

wetenschap verloren kunnen gaan, behoeft niet bewezen te worden.

Iedereen toch weet op welk een' hoogen trap van beschaving de Grieken

en Romeinen stonden bij den aanvang van onze tijdrekening. Toch wil ik

één voorbeeld noemen, waaruit duidelijk blijkt, hoe eene wetenschap

kan verloren gaan. Ik zeide reeds, dat Thales van Milete 600 jaar vóór

Chr. leerde dat de aarde rond was, en dat hij ook waarschijnlijk eene

zonsverduistering berekende. Welnu, in het hartje der Middel-eeuwen,

dus bijna tweeduizend jaar na Thales, was er een Aartsbisschop van

Salzburg, die beweerde, dat er op aarde menschen moesten wonen, wier

voeten tegen de onze gekeerd zijn. Die zoogenaamde »Tegenvoeters«

werden natuurlijk ook door Thales aangenomen en het kon dus geene

nieuwe vinding van onzen Aartsbisschop zijn. Toch had onze

middeleeuwsche denker om deze leer allerlei aanvallen te verduren, en

was hij genoodzaakt haar in te trekken. Hoe was dit nu mogelijk?

Het is bekend, dat aardbevingen en uitbarstingen van vulkanen zulke

geweldige omkeeringen in de natuur te weeg gebracht hebben, dat de

oppervlakte der aarde, na zulke vreeselijke gebeurtenissen, er heel

anders uitzag dan vóór dien tijd. Het is evenwel niet alleen in het

rijk der natuur, dat die omkeeringen kunnen plaats hebben, maar ook in

het rijk van beschaving en wetenschap. Aan de beschaving van Grieken

en Romeinen werd een einde gemaakt door den inval van de ruwe en

onbeschaafde Hunnen, die heel Europa overdekten, en, òf de toenmalige

bewoners, arm en berooid, van de eene landstreek naar de andere

dreven, òf hen tot zulk een' staat van dienstbaarheid en slavernij

brachten, dat er aan beschaving en wetenschap niet meer gedacht werd.

Geene sprinkhanenplaag heeft in Egypte aan den oogst ooit grooter

verwoesting aangebracht, dan de Hunnen-plaag bracht aan de Europeesche

beschaving.

Toch ontbrak het in die woeste tijden niet aan menschen, die, zonder

dat ze dit wilden, in dienst der wetenschap waren. Het waren de

Noormannen en Denen, die, gedreven door roofzucht, stoute zeetochten

ondernamen. En al gingen hunne ontdekkingen ook alweer verloren, toch

brachten ze aan de scheepvaart die verbeteringen aan, welke later

noodig waren, om andere volken instaat te stellen op hunne beurt

stoute zeetochten te ondernemen. Men bedenke ook wel dat de

scheepvaart in die tijden bijna het eenige middel was om het eene volk

met het andere in aanraking te brengen. Dat onderlinge verkeer

bevordert beschaving en wetenschap, zoodat ieder, die de scheepvaart,

al was het ook met een slecht doel, verbeterde, in dienst van beiden

stond.

De tochten der Noormannen zijn te merkwaardig om er ook niet een en

ander van te vertellen.

De Noormannen waren bewoners van Zweden, Noorwegen en Denemarken. Zij

waren oorspronkelijk Germanen, en omdat het land, dat zij bewoonden,

bij hunne gebrekkige kennis van landbouw, niet genoeg opleverde om hen

van het noodige te voorzien, zoo trachtten ze het te kort door roof

aan te vullen. Onder aanvoering van Earls, Jarls en Zeekoningen deden

ze, onder den naam van »Wikingers« dat »Strijders« beteekent, stoute

strooptochten ter zee, en overal waar ze kwamen, brachten ze schrik en

ontsteltenis met ellende. Een Zeekoning, Earl of Jarl, was dus niet

veel anders dan een rooverhoofdman ter zee, die er roem op droeg, den

drinkhoorn nooit aan den huiselijken haard, maar steeds aanboord

geledigd te hebben, en die liever onder de berookte balken van zijn

klein, maar sterk vaartuig sliep, dan aanwal, onder een gezellig

huisdak. Hunne vaartuigen waren aanvankelijk zoo klein, dat er wel

drie- of vierhonderd noodig waren, om eene bende van een paar duizend

man naar het eene of andere land te voeren. Vele scheepjes hadden

zelfs geen dek, en vaak zag men de Noormannen, om van de eene rivier

in de andere te komen, de vaartuigen, die ze in hunne dichterlijke

taal »met schuim bedekte golvenberijders« noemden, op de schouders

nemen en wegdragen. Met zulke scheepjes waagden ze zich niet alleen op

de Noordzee, neen, ze voeren er mee door het Kanaal, door de Bocht van

Frankrijk, door de Spaansche Zee, door de Straat van Gibraltar, en

waagden zich zelfs in de Middellandsche Zee. Nog verder gingen ze. Na

eerst Ierland veroverd te hebben, trokken ze noordwaarts, namen de

Shetlands-eilanden in bezit en daarna de Far-öer, om ten slotte ook

IJsland aan te doen en zich daar te vestigen. Deze tochten waren

evenwel niet in den tijd van eenige jaren afgeloopen; ze duurden een

paar eeuwen. En hoe onbeschaafd die mannen ook waren, ja, met welke

minachting zij neerzagen op alles, wat naar beschaving geleek, ze

hadden toch oogen in het hoofd om te zien, dat er bij die beschaving

voor hen heel veel bruikbaars was. Het noodzakelijk gevolg hiervan

was, dat een Wiking, die onder Keizer Karel den Grooten een inval in

ons land deed, een heel ander man was, dan een Wiking van twee eeuwen

later, die van Wodan-dienaar zelfs Christen geworden was.

De stoutste tochten van deze Noormannen waren niet enkel die, welke

naar IJsland ondernomen werden. Toen ze dit eiland gekoloniseerd en

daar eene maatschappij gevormd hadden, deden ze van hier uit reeds

verre tochten naar het Zuiden.

In Noorwegen regeerde een zekere Koning Harald Haarfager of

»Schoonhaar« niet naar den zin van zijne Wikingers; misschien wel,

omdat hij te veel gewoonten van andere Europeesche vorsten aannam.

Een der Jarls, die het in het geheel niet met hem kon vinden, een

zekere Ingolf, nam met de zijnen en een groot aantal ontevredenen de

wijk naar IJsland, en vestigde zich daar. Merkwaardig is het, hoe

langzamerhand daar op dat afgelegen en koude eiland eene bevolking

kwam, welke in vele opzichten beschaafder en reiner van zeden werd,

dan menig volk in Europa. Een der IJslandsche kolonisten, Gunnbjörn

geheeten, was, kort na Ingolfs vestiging, uitgezeild om in eenig ander

naburig land te halen, wat op IJsland niet was, en wat men toch noodig

had om daar te kunnen leven. Een enkele blik op de wereldkaart zal

ieder doen zien, dat, westelijk van IJsland zich een verbazend groot

land bevindt, waarvan we nu nog niet weten, of het zich tot aan de

Noordpool uitstrekt of niet. Dit land heet Groenland, en wordt

gerekend te behooren tot Amerika. Natuurlijk was men in dien tijd met

het bestaan van dit land nog niet bekend. Maar wat gebeurde?

Gunnbjörn, die mogelijk wel naar de Far-öer wilde, werd door den storm

naar het Westen geslagen, en kwam op de kust van dat onbekende land

terecht. Hij gaf er den naam van »Gunnbjörns rots« aan, en keerde

terug, bevindende, dat de afstand tusschen het nieuw ontdekte land en

IJsland zóó klein was, dat men op de helft der zeeëngte, die beide

landen van elkander scheidt, op een' helderen dag, zoowel Groenlands

hoogten, als IJslands bergen zien kon. Thuis gekomen deelde hij zijne

ontdekking mede, doch daar het gevonden land al even arm en

onvruchtbaar scheen te zijn als IJsland, zoo stelde men er geen belang

in, en eene eeuw verliep, zonder dat het iemand in het hoofd kwam,

»Gunnbjörns rots« op te zoeken.

In 985 kwamen er nieuwe bewoners op IJsland. Een Jarl, Erik geheeten,

en bijgenaamd »de Roode«, had, óók voor eene overtreding, met zijne

Wikingers het Vaderland moeten verlaten. De bodem van IJsland leverde

nu niet zoo heel veel op om onder de kolonisten de komst van nieuwe

bewoners met blijdschap te begroeten, en toen nu Erik hoorde, dat er

ten westen van IJsland nog een ander land was, besloot hij er met de

zijnen heen te trekken. Hij bleef er drie jaar, en toen eens naar

IJsland teruggekeerd, vertelde hij van het nieuwe land zóóveel goeds,

dat de arme IJslanders veel lust kregen om te gaan verhuizen, naar het

land, dat Erik den mooien naam van »Groenland« gaf, omdat er

uitgestrekte weidevelden gevonden werden. Geheel overdreven had Erik

niet, want aan de hellingen der hooge bergen bevonden zich werkelijk

weidevelden, en daar het bekend is, dat IJsland in vroegere eeuwen een

warmer klimaat had dan het tegenwoordig heeft, zoo kan het ook best

zijn, dat het Groenland van toen er aantrekkelijker uitzag dan het er

in onzen tijd uitziet.

In alle gevallen werkten de vertellingen van Erik dit op de IJslanders

uit, dat hij kort daarna met vijfentwintig scheepjes vol kolonisten

zich naar Groenland begaf. Men had alles medegenomen, wat voor een

vast verblijf daar noodig was, doch slechts vier scheepjes kwamen er

aan. De overige schijnen teruggekeerd of vergaan te zijn.

Tot de Wikingers, die het geluk hadden te landen, behoorde ook

Heerjolf, een der stoutste zeevaarders, die zijn zoon Bjarni evenwel

op dien tocht niet mede genomen had, omdat deze op reis naar Noorwegen

was. Toen nu Bjarni op IJsland terugkwam, en daar vernam, dat zijn

vader met Erik den Rooden naar Groenland vertrokken was, besloot hij

om er ook heen te gaan, en dat wel onmiddellijk, zonder zijne lading

te lossen. Geheel onbekend met het vaarwater en den koers, dien hij

nemen moest, duurde het evenwel verscheidene weken eer hij bij zijn'

vader aankwam. Op dien langen tocht had hij wel telkens land gezien,

doch daar het niet overeenkwam met hetgeen men hem op IJsland ervan

verteld had, was hij er niet aanwal gegaan, niettegenstaande zijn volk

graag gewild had. Hoewel Vader Heerjolf zich vrij goed ingericht had,

beviel het onzen Bjarni al heel weinig in dat land, en sprak hij ervan

om weer zoo spoedig mogelijk naar Noorwegen terug te keeren. Het kan

echter zijn, dat Bjarni nog andere redenen had om niet hier te

blijven, want iedereen vond het verkeerd van hem gedaan, dat hij in

die landen niet aanwal gegaan was. Blijkbaar waren deze streken immers

veel vruchtbaarder dan Groenland?

Er werd in de Kolonie veel over de zaak gesproken, en het kwam er

zelfs toe, dat Erik een' familieraad belegde, om hierin uit te maken,

of men het land, door Bjarni gezien, opzoeken zou, ja of neen. Er werd

besloten het te doen, en nu was het eerste werk der familie om

Bjarni's schip, dat vrij groot en een uitmuntend zeevaarder was, voor

dien tocht te koopen.

Vijfendertig stoere gezellen, waaronder ook Bjarni was, begaven zich

aanboord, en Erik zelf zou aanvoerder van den tocht zijn. Toen Erik

evenwel naar de haven reed, struikelde zijn paard en hij viel er af.

»Dat is een wenk van de Goden om thuis te blijven,« zeide hij. »Mijn

oudste zoon Leif zal uw Jarl zijn! Gehoorzaamt hem!«

Hoewel Leif liever gewild had, dat zijn Vader het bevel op zich

genomen had, aanvaardde hij evenwel den tocht.

Wanneer we nu eene kaart van Noord-Amerika raadplegen, dan vinden we

tusschen eene menigte eilanden, die ten Noorden van het vaste land

liggen, en Groenland, eene breede zeestraat, onder den naam van Straat

Davis. Ook deze straat, was Bjarni op zijn' tocht naar Groenland

overgestoken, toen hij zag dat die landen niet de kusten waren waar

hij zijn' vader kon vinden. Het land dus, dat Bjarni het laatst gezien

had, zag men nu het eerst.

Men ging aanwal en vond er achter de rotsen, die den oever omzoomden,

eene groote vlakte met bosschen overdekt, doch hier en daar

afgewisseld met uitgestrekte, eentonige heidevelden.

Leif noemde dit land, om die groote vlakten, Helluland, omdat het als

een vlakke steen was, en het woord »hella« ook »vlakke steen«

beduidde.

Dit Helluland was niets anders dan het groote eiland New-Foundland,

dat eene oppervlakte heeft driemaal grooter dan ons land, en gelegen

is op ongeveer dezelfde breedte. Het klimaat is er echter op den duur

veel guurder dan bij ons.--Dit nam echter niet weg, dat het toch veel

beteer bewoonbaar was dan Groenland.

Bjarni had zuidelijker evenwel nog andere landen gezien, en daarom

beval Leif het anker te lichten, en verder te stevenen.

Na eenigen tijd zag men weer land, en daar aanwal gegaan, scheen het

heele land niets anders te zijn dan een groot bosch. Om deze reden

noemde Leif het »Waldland«. Op de kaart vindt ge het tegenwoordig

geteekend, als een schier-eiland met den naam van Nieuw-Schotland.

Met een' stevigen noordoosten wind verlieten de wakkere Wikingers dat

Waldland, en voeren twee dagen lang in zuid-oostelijke richting voort,

totdat ze nogmaals eene kust ontdekten. Daar het weder inmiddels zeer

ongunstig geworden was, ging Leif met de zijnen op een eilandje aan

den wal om beter weer af te wachten. Zoodra dit kwam, werd de reis

langs de kust voortgezet, en eindelijk voer men eene rivier op. De

ankers werden uitgeworpen en men besloot hier te overwinteren.

Welk een land was dit! Hoe vruchtbaar was het er! Welke schoone

bosschen! Welke heerlijke weiden! Welk een plantengroei! Deze ruwe

mannen, die in hun geheele leven nog niet veel anders gezien hadden

dan ijs, sneeuw, naakte rotsen en schrale weilanden, waren vol

verrukking. En nog hooger steeg hunne vreugde, toen één hunner, in de

bosschen dwalende, heerlijke, rijpe wijndruiven in overvloed vond. Vol

vreugde begonnen zij ze te verzamelen; men at er van zooveel men

lustte, doch de voorraad was te groot, en daarom werd er besloten, ze

te drogen en dan naar Groenland mede te nemen. In het voorjaar begon

men met rijke lading de terugreis. Behouden kwamen de moedige

ontdekkers in Groenland aan, en het is te begrijpen hoe gretig men

luisterde naar de vertellingen van de wonderen waaraan »Wijnland«, zoo

noemden ze deze streek, zoo rijk was.--De Kolonisten van Groenland

bleven altijd nog met die van IJsland in voortdurende gemeenschap, en

ook op hunne beurt onderhielden de IJslanders nog de betrekking met

het moederland Noorwegen, waar men, na eenige jaren, van bijna niets

anders sprak dan van »Wijnland« en van den ontdekker »Leif den

Gelukkige.«

Of Leif voor en na nog meer tochten naar Wijnland deed, vertelt de

geschiedenis niet. Wel deelt ze mede, dat Leif naar Noorwegen

terugkeerde, en er het Christendom aannam, wat de oude Erik, die aan

den Wodansdienst getrouw bleef, minder aangenaam vond. Hij stierf

echter kort daarop, en nu werd Leif in zijn Vaders plaats Jarl.

Waarschijnlijk vond hij het nu beter om, volgens de wijze van

Christen-vorsten, thuis te blijven om zijn volk te besturen, dan dat

hij altijd op zee was. Hij gaf daarom zijn schip aan zijn' broeder

Thorwald, en deze ging nu in Wijnland overwinteren om met het voorjaar

nog verder te trekken, en kwam op een schoon en vruchtbaar eiland, in

eene groote baai gelegen. Het eiland waar hij overwinterd had, was

eigenlijk een schier-eiland, en het kan wel niets anders geweest zijn

dan het schier-eiland, dat nu Rhode-Island heet. Het eiland in de

groote baai ligt er nóg, en heet Long-Island. Tegenover dit eiland

ging Thorwald met de zijnen aan den wal, en deze landstreek moet

geweest zijn, waar tegenwoordig New-York ligt.

Terwijl men hier alles voor een vrij langdurig verblijf gereed maakte,

vonden enkele Noormannen drie booten, die met huiden overtrokken

waren. Ze waren als tenten opgesteld, en hieronder vonden ze slapende

... menschen. Ja, menschen waren het, en wel Eskimo's, maar naar de

meening van de Noormannen konden er alleen menschen in de »wereld«

wonen, en het land, dat ze nu tijdelijk bewoonden, lag immers buiten

de wereld in en aan de streek der eeuwige duisternis? Nu wil het

geval, dat de lichaamsbouw en het aangezicht van de Eskimo's juist

voor Europeanen niet schoon te noemen zijn, en het is dus geen wonder

dat de Noormannen hen niet »Menschen« maar »Skrällings« noemden, wat

zoo veel beduidt als »wangedrochten«, »uitschot van de menschen«. De

Noormannen meenden dan ook eene zeer goede daad te doen door de

wereld, al was het ook de buitenwereld, van die gedrochten te

verlossen en doodden hen. Eén evenwel had het geluk te ontkomen, en

dit was Thorwalds ongeluk.

Zonder er aan te denken dat die »wangedrochten« ook eene taal hadden

waarmede ze aan hunne broeders konden mededeelen, wat gebeurd was,

bleven de Noormannen hun lui en gemakkelijk leven leiden, en zett'en

zelfs geene enkele wacht uit.

Midden in een' nacht dat allen rustig lagen te slapen, naderden opeens

honderden Skrällingers en overvielen, onder een afgrijselijk

geschreeuw en gehuil, het kamp der Noormannen, die met achterlating

van alles, wat ze aan den wal hadden, naar hun schip vloden, en zich

daar achter de verschansing verscholen om veilig te zijn voor de

hagelbui van pijlen, die op hen afgeschoten werden.

Eindelijk gelukte het den Noormannen om de kust te ontvluchten.

Slechts één hunner was gewond, doch die eene was Jarl Thorwald. Hij

trok zich den pijl uit de wonde en zeide: »Dat is mijn dood!«

Toen ze nog op Rhode-Island waren, had hij, verrukt door den

heerlijken aanblik van het land, uitgeroepen: »Hier zou ik wel een

huis willen bouwen om er te blijven wonen.«

Zoodra hij nu voelde, dat de wonde van den pijl, die zeker vergiftigd

was, zijn' dood ten gevolge zou hebben, beval hij, dat men hem naar

dat land brengen zou, en zoodra hij er voet aanwal gezet had, sprak

hij zacht: »Het is wel een voorspellend woord geweest toen ik zeide,

dat ik hier een huis zou willen bouwen om er te wonen. Thans zàl ik er

blijven voor immer en altijd. Men zal er mij begraven; op mijn graf

zal men een kruis planten en den naam van dit land zal zijn:

»Krossanes«, dat is »Kruis«.«

Alles geschiedde zooals Thorwald voorspeld had. Hij stierf er, werd

begraven onder de dennen op een' heuvel; een kruis werd op zijn graf

geplaatst, en deze landstreek heette onder de Noormannen voortaan

»Krossanes.«

De Noormannen keerden in treurige stemming terug, doch Thorstein,

Eriks jongste zoon, begaf zich weldra aanboord van zijn schip om zijn

broeders lijk van »Kruis-kaap« of »Krossanes« te halen, en het dan

dicht bij dat van Erik te begraven. Zijn tocht was echter vergeefsch,

en tot de zijnen weergekeerd, had hij geene begeerte meer om Wijnland

of een der andere ontdekte landen op te zoeken. Hij werd evenwel

hierin ook door den dood verhinderd, die hem kort na zijne thuiskomst

overviel.

Erik had ook eene dochter Freydis nagelaten, die gehuwd was met

Thorward, een' Noorman geheel van den ouden stempel. Deze liet zich

niet afschrikken door hetgeen zijn' zwager wedervaren was. Hij sloot

een verbond met den rijken koopman Thorfin Karlsafna, die met Gudrid,

de weduwe van zijn' broeder Thorstein gehuwd was, en deze twee

familiën scheepten zich naar Wijnland in. In 1007 verlieten ze

Groenland met twee welbemande schepen, die van alles voorzien waren om

eene Kolonie te kunnen stichten. Hoogstwaarschijnlijk kwamen zij op

dien tocht nog veel zuidelijker dan New-York ligt. Zij schijnen

evenwel teruggekeerd te zijn, en zich gevestigd te hebben in de

omstreken van New-York. Men heeft in den Staat Massachusetts een'

mark- of grenssteen gevonden, waarop in het Noorsche runenschrift

staat: »Nam Thorfin«, wat beduidt: »Grond van Thorfin«. Die steen kon

door Skrällingers daarheen gebracht zijn, zoodat hij nog geen bewijs

kan wezen, dat de Noorman Thorfin daar eenmaal grondbezit had. Een

ander bewijs evenwel maakt duidelijk dat die steen daar best kan

gestaan hebben, want Leif teekende aan, dat daar ter plaatse, waar hij

overwinterde, de zon om half acht opkwam en om half vijf onderging. En

wat nu op aarde veranderen moge aan de oppervlakte, de lengte van dag

en nacht bleef eeuw in en eeuw uit dezelfde, zoodat men met die

aanwijzing der daglengte er vanzelf toe komt, om met zekerheid te

kunnen bepalen waar het Wijnland der Noormannen lag.

Maar wat gebeurde met de nieuwe Kolonisten?

De Skrällingers kwamen hen, en thans met geene kwade bedoelingen, maar

wel om ruilhandel te drijven, opzoeken. Het scheen dat de Noormannen

begrepen, dat die wezens geene »wangedrochten«, maar menschen waren

als zijzelve, doch van een ander ras. De ruilhandel bracht den

Noormannen bovendien veel voordeel, want een Skrällinger gaf voor een

stuk van een' rooden doek gaarne eenige kostbare pelzen, en toen de

Noormannen geene roode doeken meer hadden, ruilden de Skrällingers

kostbare huiden voor een' schotel melkpap. Voordeeliger zaken kon men

waarlijk niet doen, en het liet zich aanzien, dat de Noormannen met

het koloniseeren van Wijnland op weg waren om schatten te verzamelen.

Een klein ongeval maakte evenwel aan dien gunstigen toestand een

einde.

Eens dat de baai, waaraan de Kolonie lag, weer overdekt was met

kano's, wier eigenaars aan den wal handel dreven, brak een der stieren

van Karlsafna los, en viel onder woest gebrul te midden der vreedzame

pelsjagers. Verscheidenen werden gedood en de anderen gingen op de

vrucht. Ze bleven echter niet weg. Meenende dat die »Witgezichten« met

opzet den stier op hen losgelaten hadden, keerden ze bij duizendtallen

terug, en overvielen de Kolonie, die geen kwaad vermoedde. In den

vreeselijken strijd, die nu volgde, moesten de Noormannen het

onderspit delven. Stellig zouden alle Noormannen omgekomen zijn, zoo

niet Freydis, als eene echte Wikinger-dochter, een zwaard gegrepen, en

zich te midden der Skrällingers geworpen had. Dezen hierdoor

verschrikt, sloegen nu op hunne beurt op de vlucht, en de overgebleven

kolonisten waren behouden. Ze waren evenwel zoo verzwakt, dat ze

besloten, de Kolonie te verlaten, en naar Groenland terug te keeren.

Thorfin vestigde zich weer op IJsland, en besteedde daar zijne

rijkdommen om aanzienlijke goederen te koopen. Zijne vrouw Gudrid

echter, ging naar Rome, bleef er eenigen tijd en keerde toen naar

IJsland weder als Non. Haar zoon Snorro Sturleson, die in Wijnland

geboren was, werd naderhand een beroemd geleerde. Natuurlijk is het,

dat Gudrid, toen ze in Rome was, wel verteld zal hebben van dat

wonderland aan gene zijde der wateren, en de herinnering aan die

vertellingen kan aan Toscanelli aanleiding gegeven hebben om aan

Plato's dichterlijk eiland »Atlantis« eenig geloof te hechten, zoodat

hij midden in de groote zee tusschen Europa en Azië het eiland Antilia

plaatste.

Dat die ontdekkingen der Noormannen zoo geheel vergeten werden, en

alleen in allerlei dwaze vertellingen hier en daar nog eenigszins

herinnerd werden, mag vreemd schijnen, doch er zijn redenen voor.

De IJslanders zelf lieten heel Wijnland varen, en onderhielden alleen

gemeenschap met de Kolonisten van Groenland, die allen tot den

Christelijken godsdienst overgegaan waren. Omstreeks het jaar 1350

heerschte evenwel in heel Europa eene vreeselijke ziekte, »Zwarte

Dood« geheeten, welke in alle landen duizenden slachtoffers eischte.

Zij woedde ook op IJsland, stak naar Groenland, raapte daar de heele

Kolonie door den dood weg, of maakte haar zóó klein, dat men er later

niets meer van hoorde.

Nog eene andere oorzaak is er.

Zien we niet dagelijks, dat eene zaak, die eerst niet gewild was en

een armzalig leven voortsleepte, later een ongekende vlucht nam? Dat

die zaak aanvankelijk niet opnam, kwam omdat het volk nog niet rijp

was om er de waarde van te beseffen. Eerst dán, als duizenden door één

gevoel gedreven worden, komt dat, wat eerst niet geacht werd, opeens

tot aanzien. De Bijbel noemt die onverklaarbare, algemeene

volksbegeerte zoo kernachtig »de volheid der tijden«.

Phoeniciërs vonden den weg om Afrika, en die weg werd vergeten;

Noormannen ontdekten een aanzienlijk deel van Amerika en dat land werd

onbekend. Eerst eeuwen later, toen er een geest naar onderzoek bij

alle volken ontwaakte, en men niet meer bij toeval, maar langs

wetenschappelijken weg, wat trachtte te vinden, kon men zeggen, dat er

behoefte ontstond om een' zeeweg naar de rijke Indiën op te sporen.

Die behoefte deed Kaap de Goede Hoop ontdekken, en een nieuw

werelddeel vinden. En juist omdat, èn ontdekking, èn vinding aan eene

behoefte voldeed, juist omdat het toeval of goed geluk niet voorop

stond, behield men, wat men ontdekte of vond.

Ik schreef boven dit hoofdstuk »De zeevaart der oude volken« en

handelde het breedvoerigst over de ontdekkingen der Noormannen, die

men bezwaarlijk tot de oude volken rekenen kan. Ik deed dit echter,

omdat hunne ontdekkingen even goed verloren gingen als die van

Phoeniciërs en Carthagers. Thans echter dien ik een volgend hoofdstuk

te beginnen, om reden we van een volk zullen hooren, dat hield, wat

het gevonden en veroverd had, tot het op zijne beurt door een ander,

en wel door een beschaafd Christenvolk, verdrongen werd.

HOOFDSTUK III.

DE ISLAM EN HET CHRISTENDOM.

Een van de merkwaardigste landen, niet alleen van Azië, maar zelfs van

heel de wereld, is Arabië, een groot schiereiland aan de Roode Zee,

den Indischen Oceaan en de Golf van Perzië gelegen.

Zooals men uit de gewijde verhalen weet, had de Aartsvader Abraham bij

zijne dienstmaagd Hagar een' zoon, Ismaël geheeten, van wien God tot

de Moeder zeide: »Hij zal een woudezel van een mensch zijn; zijne hand

zal tegen allen zijn, en de hand van allen tegen hem.« En tot Abraham

sprak dezelfde stem van dezen zoon: »Twaalf Vorsten zal hij gewinnen,

en ik zal hem tot een groot volk stellen.«

Deze Ismaël nu werd, naar men beweert, de stamvader der Arabieren.

Vóór vier Eeuwen: Een Volksboek over de Ontdekking van Amerika · 第 1 / 26 段