"Dat is alles goed en wel, maar ik wil dien Engelschman niet gekwetst

hebben--juist nu niet. Maar enfin... jelui hebt je best gedaan. Ik

hoop maar, dat ik niet te laat kom..."

"We zijn zoo even een half dozijn manschappen tegengekomen, die

urenlang hier hebben gepatrouilleerd."

"Nu...? En?"

"Die hebben ook geen vreemdeling gezien."

"Hij moet toch ergens zitten, in een kar of tusschen struiken... We

mogen geen oogenblik verliezen. Hoe ver is die hut hier van daan?"

"Zoo wat een paar mijl, burger."

"Kan je die hut weer terugvinden?--Ineens?--Het voetpad naar den rand

van het rif?--Zelfs in 't donker?"

"De nacht is zoo donker niet, burger, ik ken mijn weg," zei de soldaat

op beslisten toon.

"Kom dan nu maar achter ons aan. Laat je kameraad de twee paarden

naar Calais terugbrengen. Jullie hebt die niet noodig. Blijft naast

den wagen loopen en geeft den Jood order rechtuit te rijden; laat

hem vervolgens stilhouden zoowat een kwart mijl vóór het voetpad;

zorg ervoor, dat hij den naasten weg neemt."

Terwijl Chauvelin sprak, kwam Desgas met zijn manschappen

opdagen. Marguerite kon hun voetstappen een honderd meter achter

zich duidelijk vernemen. Ze achtte het ongeraden te blijven, waar

zij zich bevond, en onnoodig was dit bovendien, want ze had genoeg

gehoord. Plotseling scheen ze het vermogen, om te lijden, als het

ware te hebben verloren, haar zenuwen en hersens waren als verdoofd

na zooveel uren van nameloozen angst.

Er was nu zelfs geen flauwe straal meer van hoop. Op geen twee

mijlen afstand waren de vluchtelingen hun bevrijder wachtend. Hij

was in aantocht, hier of daar op den weg, en moest weldra bij hen

zijn. Maar zij zouden allen gevangen worden genomen. Armand zou,

volgens Chauvelin's gegeven woord, haar worden teruggegeven, doch

haar echtgenoot moest in handen vallen van een onmeedoogenden vijand.

Zij hoorde den soldaat eenige korte aanwijzingen geven aan den Jood,

daarop retireerde ze haastig naar den kant van den weg en verschool

zich tusschen het struikgewas, toen Desgas met zijn manschappen

kwam aanzetten.

Allen sloten zich, zonder eenig rumoer, achter het voertuig aan, en

langzaam ging het weer voort in de duisternis. Marguerite wachtte,

totdat het geluid hunner voetstappen was weggestorven; toen sloop

ook zij geruischloos voort in den donkeren nacht.

ZEVEN EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

DE HUT VAN VADER BLANCHARD.

Als in een droom volgde Marguerite den stoet; het net werd ieder

oogenblik nauwer toegehaald. Het eenige wat haar nu voor oogen zweefde,

was haren echtgenoot weer te zien, hem te zeggen, wat ze had geleden,

wat zij had misdaan en hoe zeer zij hem had miskend. Alle hoop hem

te redden, had ze laten varen.

Het verwijderd geruisch der branding deed haar sidderen, de rauwe

schreeuw van een nachtvogel vervulde haar met onuitsprekelijken angst.

Haar voeten veroorzaakten haar pijn. Haar knieën knikten van

vermoeienis. In drie nachten had ze geen rust genoten. Ze had nu

ongeveer twee volle uren zich voortgesleept op een ongebaand pad,

en toch wankelde zij geen oogenblik in haar vast besluit. Zij wilde

Percy ontmoeten, hem alles zeggen, en zoo hij bereid was haar vergeving

te schenken voor het wanbedrijf, dat ze in blinde onwetendheid had

begaan, zou zij zich toch gelukkig gevoelen aan zijn zijde te sterven.

Plotseling, als bij ingeving, gevoelde ze, dat de wagen stilstond en

de soldaten met het afzetten der geweren halt maakten. Zij hadden hun

bestemming bereikt. Geen twijfel of rechts af, dicht in haar nabijheid,

lag het voetpad, dat leidde naar den rand van het rif--en naar de hut.

Het gevaar niet achtend, kroop ze dicht naar de plek, waar Chauvelin

stond, omringd door zijn kleinen troep; hij was van de kar gestegen

en deelde eenige orders aan de manschappen uit.

De plaats, waar zij halt hielden, moest zoowat een honderd meter van

de kust verwijderd zijn, het geraas der branding liet zich op eenigen

afstand hooren. Chauvelin en Desgas, gevolgd door de soldaten, hadden

een scherpen hoek gemaakt, rechtsaf van den weg, waarschijnlijk naar

het voetpad, dat naar de klippen leidde. De Jood was met kar en paard

op den breeden weg blijven staan.

Met uiterste behoedzaamheid, letterlijk op handen en voeten kruipend,

was Marguerite ook rechtsaf geslagen. Om dit te doen, moest zij zich

een weg banen door het doornig struikgewas, zich moeite gevend niet

het minste gerucht te maken, een poging, waarbij ze aan gezicht en

handen geen kwetsuren kon vermijden. Gelukkig was--zooals het in dit

gedeelte van Frankrijk voorkomt--het voetpad aan beide zijden met een

heg omzoomd, waarachter een droge sloot. Daarin hield Marguerite zich

schuil, aan alle bespiedende blikken onttrokken, zoodoende gelukte

het haar tot op drie meter afstand de plek te naderen, waar Chauvelin

zich bevond, bezig met instructies aan zijn trawanten uit te deelen.

"En nu,"--sprak hij op zachten, maar niet minder gebiedenden toon--"zeg

me nu eens, wààr is de hut van Vader Blanchard?"

"Zoo wat een achthonderd meter van hier, langs het voetpad," antwoordde

de korporaal, die het peloton had aangevoerd, "ze ligt halfweg,

hier beneden het rif afloopend."

"Heel goed. Jij zult ons geleiden. Alvorens wij afdalen, kruip jij

naar de hut, zoo stil als een slang kan schuifelen, en ga je na,

of die Koningsgezinde verraders erin zijn. Begrepen?"

"Ik begrijp het, burger."

"Luistert nu allen goed," ging Chauvelin voort, tot de gezamenlijke

soldaten het woord richtend, "want hierna zullen we geen gelegenheid

meer hebben van gedachten te wisselen, let dus op ieder van mijn

woorden, alsof jelui leven ermee gemoeid is, wat je geheugen

betreft. En dat zou wel eens het geval kunnen zijn," voegde hij er

droogjes bij.

"Wij luisteren aandachtig, burger," zei Desgas, "een soldaat der

Republiek vergeet nooit een gegeven bevel."

"Jij, die voortkruipt tot aan de hut, moet trachten goed erin te

gluren. Als de Engelschman er is met die verraders, een kerel lang als

een boonenstaak, of zoo een, die bukt om zijn lengte te verbergen,

dan fluit je scherp, als een signaal voor je kameraden. Jelui met

zijn allen," ging hij voort, de soldaten gezamenlijk weer toesprekend,

"snelt de hut in en ieder grijpt zijn man aan, voordat een ervan den

tijd heeft een schot te lossen, of zich te weer te stellen; zoo een het

al doet, dan schiet je hem in beenen of arm, maar den langen kerel zul

je bij alle duivels! niet het licht uitblazen. Verstaan jelui me goed?"

"We verstaan, burger."

"De vent is waarschijnlijk heel sterk, er zullen wel vier of vijf

man van jelui minstens noodig zijn om hem de baas te worden."

Er ontstond een kleine pauze. Chauvelin vervolgde:

"Zoo de royalisten nog zonder hun leider zijn, wat hoogst

waarschijnlijk het geval zal wezen, dan waarschuw jij je kameraden,

die op den loer liggen en jelui verschuilt je met je allen achter

de rotsen om de hut. Je wacht daar in doodsche stilte den langen

slungel van een Engelschman af; dan val je gezamenlijk op de hut

aan, maar niet, voordat de kerel goed en wel er binnen is. Denkt er

vooral wel om, dat jelui stil moet te werk gaan, als de wolf, die

's nachts een schaapskooi binnensluipt. Het afvuren van een pistool,

een schreeuw of iets van dien aard, zou een waarschuwing zijn voor

het lange heerschap, om de klippen en de hut te mijden, en"--voegde

hij er met nadruk bij--"het is jelui plicht den rijzigen Engelschman

vannacht een been te lichten."

"U zult stipt gehoorzaamd worden, burger."

"Gaat nu zoo stil mogelijk aan jelui werk, ik volg in de achterhoede."

"Wat moet er met den Jood, burger?" vroeg Desgas, toen de soldaten

één voor één, zwijgend als schimmen, langs het hobbelig, eng voetpad

begonnen te kruipen.

"Dat is waar ook! Ik zou den Jood heelemaal vergeten," zei Chauvelin,

en zich in de richting wendend waar deze nog altijd stond:

"Hei daar..." riep hij... "Aaron, Mozes, Abraham, of hoe je vervloekte

naam moge luiden... waar ben je?"

"Benjamin Rosenbaum, Edelachtbare... Benjamin Rosenbaum," herhaalde

de oude man in allen deemoed.

"Het is me minder aangenaam je geluid te hooren, maar wel heb ik je

eenige wenken te geven, die je wel zoo verstandig zijn zult blindelings

op te volgen."

"Al naar het UEdelachtbare behaagt..."

"Hou je brabbeltaal voor je. Je blijft hier staan, hoor je? met kar

en paard tot we terugkomen. Geen kik of mik zul je geven, versta

je? En ook ga je niet van je plaats, tenzij ik je verlof geef. Heb

je me begrepen?"

"Maar Edelachtbare--" protesteerde de Jood erbarmlijk.

"Geen kwestie van "maren" of argumenteeren," zei Chauvelin op een toon,

die den stakker deed sidderen van het hoofd tot de voeten. "Als ik

bij mijn terugkomst je niet hier vind, ik verzeker je, dat, waar je

ook schuilvinkje mocht spelen, ik je toch zal snappen en een parate

executie je deel zal zijn. Je hebt me verstaan?"

"Maar Excellentie..."

"Ik vraag of je me verstaan hebt!"

De soldaten waren allen weggekropen; de drie mannen stonden alleen

op den donkeren eenzamen weg. Marguerite bevond zich tusschen het

struikgewas, luisterend naar Chauvelin's bevelen, die haar als een

doodvonnis in de ooren klonken.

"Ik heb UEdelachtbare verstaan," protesteerde de Jood, opnieuw

een poging doende Chauvelin wat dichter te naderen, "en ik zweer

bij Abraham, Izaak en Jacob, dat ik de bevelen van UEdelachtbare

stipt zal opvolgen... maar als er nu eens roovers komen zwerven op

dezen eenzamen weg, die... dan zou het kunnen gebeuren, dat ik moet

schreeuwen of wegloopen in mijn angst. Moet er dan een vreeselijke

straf over mij komen voor iets, dat ik niet kan beletten?"

Chauvelin dacht een oogenblik na.

"Denk je, dat je paard en kar hier veilig alleen kunnen staan?" vroeg

hij barsch.

"Ik geloof, burger," bracht Desgas in het midden, "dat ze zonder hem

veiliger zullen zijn."

"Maar wat moet ik met dien ezel dan uitvoeren?"

"Zoudt u hem maar niet naar Calais terugsturen, burger?"

"Neen, want we zullen hem noodig hebben om straks de gekwetsten te

vervoeren," zei Chauvelin met grimmigen grijns.

Andermaal een pauze--Desgas het besluit afwachtend van zijn chef,

de oude Jood jammerend naast zijn versleten knol.

"Komaan, sloomig, laf, oud wammes," zei Chauvelin ten laatste,

"je moet maar achter ons aansloffen. Hier, burger Desgas, bind den

kerel dezen zakdoek stevig voor den mond."

Desgas deed zooals hem werd bevolen. Als een lam, dat ter slachtbank

wordt geleid, liet Benjamin Rosenbaum zich muilbanden; het had er

veel van, of hij aan deze minder aangename positie den voorkeur

gaf boven het alleen achter blijven op den donkeren, eenzamen

St. Martinsweg. Kort daarop liep het trio achter elkaar aan.

De veerkrachtige stap van Chauvelin en zijn handlanger, zoowel als

het schoorvoetend geslof van den Jood, loste zich weldra op in de

stilte van den nacht.

Geen enkel woord van Chauvelin's tirannieke bevelen was Marguerite

ontgaan.

Schrikkelijk kwam dit net haar voor, zooals het gespannen werd in

een cirkel, in het holst van den nacht aan het eenzame zeestrand,

om eenige weerlooze menschen, weerloos, omdat zij op niets verdacht

waren; en onder dezen was één haar echtgenoot, de ander haar broeder!

Voor het oogenblik schoot haar niets anders over dan Chauvelin en diens

soldaten te volgen. Zoo ze niet vreesde op een dwaalweg te geraken, ze

zou vooruit gesneld zijn, de houten hut hebben gevonden en misschien

bijtijds zijn gekomen, om de vluchtelingen en hun onversaagden

beschermer uit de klauwen van een bloeddorstig roofdier te redden.

Een oogenblik kwam de gedachte bij haar op, de doordringende kreten te

uiten, door Chauvelin zoo gevreesd, als een mogelijke waarschuwing

voor den Rooden Pimpernel en zijn vrienden--zich vleiend met de

hersenschimmige hoop, dat zij dien noodkreet zouden hooren en nog

tijd konden hebben om te ontsnappen, voor het te laat was. Maar

zij wist niet, hoe ver zij zich nog bevond van den rand der klip;

zij kon niet nagaan, of haar kreten zouden doordringen tot hen,

die ten doode waren opgeschreven. Men zou ook háár den mond stoppen,

evenals den Jood, om als weerlooze gevangene, verraderes der ééne en

ondeelbare Republiek te worden meegesleept.

Zij had zich ontdaan van haar schoeisel, haar kousen hingen aan

flarden, maar geen pijn gevoelde ze, geen moedeloosheid maakte zich

van haar meester; een onverzettelijke wil, om, in weerwil van een

listigen tegenstander tot haren echtgenoot te geraken, maakte haar

gevoelloos voor iedere lichamelijke smart, verhoogde het bewustzijn

van haar heerlijken plicht.

Niets trof haar oor, behalve de zachte en afgemeten voetstappen van

Percy's vijanden vóór haar uit; haar geestesoog ontwaarde niets anders

dan de houten eenzame hut, waarheen Blakeney op dit oogenblik zijn

schreden richtte en zijn verderf tegemoet liep.

Plotseling kwam de maan, die tot dusver, door achter een wolkenmassa

verscholen te blijven, haar toeleg had begunstigd, in al den luister

van een koelen herfstnacht te voorschijn en deed het eenzame landschap

baden in een glans van schitterend licht.

Daar ginds op nog geen tweehonderd meters afstand, bevond zich de

rand der klip, en daar beneden, naar het vrije en gelukkige Engeland

haar golven stuwend, rolde plechtstatig en kalm de zee.

Een oogenblik rustten Marguerite's blikken op het flikkerend zilveren

water, en heete tranen ontwelden aan haar oogen; geen drie mijlen

verder, zijn hagelwitte zeilen bijgezet, wiegelde een bevallige

schoener op de deining, de vervolgden afwachtend aan zijn gastvrij

boord.

Dat was de Day Dream, Percy's geliefkoosd jacht, met den ouden Briggs,

zijn kapitein, en de heele bemanning, alle Britsche matrozen; zijn

blanke zeilen glinsterden in het maanlicht en schenen Marguerite

een boodschap te verkonden van blijdschap en hoop, maar zij vreesde,

dat die nooit meer in vervulling kon gaan.

Het gezicht van den schoener scheen de arme, afgetobde vrouw

de bovenmenschelijke kracht te schenken, die de wanhoop soms kan

verleenen. Zij zag den rand van het rif, daaronder de hut, waar haar

echtgenoot den dood zou vinden. Doch de maan stond nu aan den hemel,

bij haar schijnsel kon ze den weg wel vinden, zij zou naar de hut

toesnellen, hen waarschuwen zich gereed te houden, hun leven liever

duur te verkoopen, dan zich als ratten in een val te laten vangen.

Hortend en stootend snelde ze voort achter de heg, door het welig

gras van de sloot. Ze moest al heel hard hebben geloopen, want ze had

Chauvelin en Desgas achter zich gelaten en was nu den rand genaderd

van de rots; duidelijk klonken de voetstappen der soldaten achter

haar. Het maanlicht bescheen haar nu ten volle, haar gestalte stak

duidelijk af tegen den zilveren achtergrond der zee.

Maar dit was slechts voor een oogenblik; ze hurkte aanstonds neer;

als een egel, die zich oprolt bij naderend gevaar, trachtte zij zich

onzichtbaar te maken. Van de groote riffen keek ze naar de diepte--het

afdalen zou wel geen bezwaar opleveren, daar ze niet steil waren en de

ontzaglijke steenblokken een steun boden voor den voet. Opeens, terwijl

ze rondgluurde, zag ze op eenigen afstand linksaf, halverwege beneden

de klippen, een ruwe houten stulp, door welker zijwanden een klein

rood lichtje schemerde als een sein. Haar hart scheen stil te staan.

Zonder aarzelen begon ze af te dalen, voortkruipend van blok tot blok,

zich niet bekreunend om de vijanden achter haar, die waarschijnlijk

allen zich verdekt hadden opgesteld, nu de rijzige Engelschman nog

niet was opgedaagd.

Voort bleef ze kruipen, den doodsvijand, die haar op de hielen zat,

vergetend, nu eens loopend, dan struikelend, met pijnlijk gekwetste

voeten, half verdoofd van zinnen, maar altijd voort... toen plotseling,

een steen of afglijdend rotsblok haar geweldig deed neertuimelen. Met

moeite richtte zij zich weer op, snelde andermaal voort, om hun een

tijdige waarschuwing te brengen, hun te smeeken ijlings de vlucht te

nemen vóór zijn door hen verbeide komst, en hem te verstaan te geven

zijn doodvonnis niet te gemoet te gaan. Maar nu bemerkte ze, dat andere

voetstappen, sneller dan de hare, haar dicht op de hielen zaten. In

het volgend oogenblik voelde ze, dat een hand haar rok vastgreep en

ze plofte op haar knieën, terwijl iets om haren mond werd gewonden,

ten einde haar te beletten een kreet te uiten.

Half dolzinnig door de bittere teleurstelling, zag ze hulpeloos

om zich heen, en door het nevelig waas, dat haar oogen omfloerste,

bespeurde ze een paar scherpe oogen, die haar aanstaarden.

Zij lag in de schaduw van een rotsblok; Chauvelin kon haar

gelaatstrekken niet onderscheiden, maar hij streek met zijn dunne

bloedlooze vingers over haar gelaat.

"Een vrouw!" fluisterde hij, "bij Gods alle lieve Heiligen! We kunnen

haar niet hier laten, dat is zeker," mompelde hij bij zichzelf. "Het

zal me benieuwen..."

Hij zweeg plotseling, en na eenige seconden van doodelijke stilte gaf

een eigenaardig geluid tusschen zijn tanden een bijzondere tevredenheid

met een mengeling van verbazing te kennen.

"Neen maar, neen, neen, dat is nu waarlijk een onverhoopte

verrassing!" en in hetzelfde oogenblik voelde Marguerite dat hare

hand, die geen weerstand kon bieden, door Chauvelin naar zijn lippen

werd gebracht.

Zij verloor het bewustzijn; bijna stikkend onder het hevig verband om

haren mond, bezat ze geen kracht om zich te bewegen of eenig geluid

te kunnen uitbrengen.

Chauvelin scheen eenige aanwijzing te hebben gegeven, die zij niet

bij machte was te vernemen, want zij voelde, dat men haar optilde,

nadat de doek voor haar mond steviger was aangetrokken, en een paar

krachtige armen haar heenvoerden naar het zwakke roode seinlicht, dat

zooeven nog voor haar de laatste schemering van hoop had uitgemaakt.

ACHT EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

GEVANGEN.

Zij kon er zich geen rekenschap van geven, hoe lang men met haar

voortsolde, want zij had alle begrip van tijd en ruimte verloren.

Zij gevoelde, dat men haar na een poos op een mantel neerzette,

met haar rug tegen een rotsblok. De maan was wederom achter wolken

verscholen. De zee bruiste een paar honderd voeten onder haar, en

terwijl ze haar oogen liet ronddwalen, kon ze de flikkering van het

kleine roode licht niet meer bespeuren.

Dat het doel van den tocht was bereikt, leidde zij af uit het snelle

kruisverhoor, dat vlak in haar nabijheid fluisterend plaats greep.

"Er zijn vier mannen ginds in die hut, burger; ze zitten bij het vuur

en schijnen geduldig te wachten."

"Hoe laat is het?"

"Bij drieën."

"De vloed?"

"Is aan 't opkomen."

"De schoener ginds?"

"Bepaald een Engelschman, een drie kilometer uit den wal. Maar we

kunnen zijn sloep niet gewaarworden."

"Hebben de manschappen zich verdekt opgesteld?"

"Ja, burger."

"Ze zullen zich toch niet vergissen?"

"Ze verroeren zich niet, voordat de lange Engelschman komt aanzetten,

dan zullen ze de hut omsingelen en het viertal inrekenen."

"Goed zoo. En de dame?"

"Ligt nog te soezen, denk ik. Ze is dicht bij u, burger."

"En de Jood?"

"Is gemuilband, met de beenen vastgebonden. Hij kan geen vin verroeren,

niet kikken of mikken."

"Goed. Houdt nu de geweren op aanslag, voor het geval, dat je moet

vuren. Gaat dicht bij de hut en laat de lady maar aan mij over."

Marguerite kon nagaan, hoe Desgas langs de rots voortkroop. Daarop

voelde ze haar beide handen eensklaps gekneld als in een stalen greep.

"Alvorens de doek van uw mondje wordt weggenomen, schoone dame,"

fluisterde Chauvelin haar in het oor, "acht ik het zaak u een

waarschuwend woordje toe te spreken. Wat mij de eer verschaft heeft

over het Kanaal door zulk een bekoorlijke reisgezellin gevolgd te

worden, kan ik natuurlijk niet nagaan. Maar, zoo ik me niet vergis,

geldt deze streelende attentie niet mijn persoon, en vrees ik, dat,

zoodra de band is weggenomen, het eerste geluid, door uw lieve lippen

voortgebracht, een waarschuwend woord zou zijn voor den sluwen vos,

wiens spoor ik met zooveel moeite gevolgd heb."

Hij zweeg een poos, terwijl de ijzeren greep haar polsen nog steviger

scheen te omknellen; daarop vervolgde hij, haastig fluisterend als

te voren:

"Binnen die hut daarginds, zoo ik me niet vergis, wacht uw broer

Armand St. Just, in gezelschap van den Graaf de Tournay en nog

een paar u onbekende heeren, de komst af van den vermetelen Rooden

Pimpernel. Geen twijfel of er zal, als u uw mondje open doet, een

worsteling volgen, er zullen schoten vallen, maar dan kan het ook

gebeuren, dat dezelfde lange beenen, die hem hier hebben gebracht,

hem even spoedig naar een veiliger plaats kunnen wegvoeren, en ik

zou dan een heel vergeefsche reis, mijlen ver, hebben gedaan. Van

den anderen kant hangt het maar van u zelf af, uw broer Armand nog

dezen nacht veilig naar Engeland te doen reizen, of waarheen u denkt,

dat hij een goed heenkomen kan vinden."

Marguerite was niet in staat eenig geluid te geven, zoo vast knelde

haar het verband om den mond, maar in de duisternis keek Chauvelin

haar strak in het gezicht, en hij vervolgde op zijn snijdenden toon:

"Wat ik verlang, dat ge doen zult, om Armand's veiligheid te

verzekeren, is doodeenvoudig, waarde lady. Het is--hier te blijven

op deze plek, zonder eenig geluid te geven, totdat ik u het spreken

vergun. Ach! maar ik geloof wel, dat u zult gehoorzamen, want laat

me u zeggen, dat zoo ge schreeuwt, of ook maar kikt of mikt, of een

poging waagt deze plek te verlaten, mijn manschappen--ik heb er dertig

onder mijn bevelen--St. Just, de Tournay en hun twee vrienden zullen

aangrijpen en hier doodschieten vóór uw oogen."

Met steeds toenemenden schrik had Marguerite de woorden van haar

onmenschelijken beul aangehoord. Ze zag al het vreeselijke in van

het zielsvernietigend "Of dit--of dat", hetwelk hij haar andermaal

voorhield, een dilemma, dat duizendwerf verschrikkelijker was dan wat

hij haar in den noodlottigen nacht van het bal had voor oogen gehouden.

Ditmaal had het de bedoeling, dat zij zich niet zou verroeren en met

lijdelijk verzet aanzien, hoe haar echtgenoot zijn verderf tegemoet

liep, of dat zij, door hem--ook al even vruchteloos--te waarschuwen,

het sein zou geven voor den dood van haren broeder en van het drietal

niets argwanende deelgenooten in het dreigend gevaar.

"Neen, schoone lady," vervolgde hij, "gij kunt in niemand anders

belang stellen dan in St. Just, en al, wat ge voor diens behoud te

doen hebt, is, te blijven waar ge zijt en u stil te houden. Mijn

manschappen hebben strenge bevelen hèm in ieder geval te sparen. Wat

dien Rooden Pimpernel aangaat, wat kan hij u schelen? Geloof me, geen

waarschuwing uwerzijds kan hèm bij eenige mogelijkheid redden. En nu,

mijn waarde lady, vergun me dit onaangenaam verband van uw aanvalligen

mond te verwijderen. U ziet, dat ik u volkomen vrij laat in uw keus."

Chauvelin bevrijdde haar van den doek. Neen, ze schreeuwde niet. Ze

bezat op dit oogenblik geen kracht iets anders te doen dan in rechte

houding te blijven en te trachten haar gedachten te verzamelen.

O! te denken! denken! denken! wat ze zou doen! De minuten vloden

heen; in deze angstwekkende stilte kon ze niet nagaan, hoe spoedig

of hoe langzaam de tijd verliep; zij hoorde niets, zij zag niets;

zij werd de geurige herfstlucht niet gewaar, vermengd met den zilten

reuk van de zee; zij hoorde het geraas der branding niet meer, noch

het toevallig afrollen van een rotssteen naar den oever.

Waarom kon ze niet, als het ware met een bovennatuurlijken gil,

dien de echo's zouden herhalen van strand tot strand, haar Percy

waarschuwen terug te keeren op zijn schreden? Een paar malen steeg haar

zoo iets naar de keel... maar dan daagde het vreeselijk alternatief,

die ontzettende keus voor haar op: haar broeder en de drie mannen

doodgeschoten vóór haar oogen, in werkelijkheid door haar toedoen;

zij als hun moordenares!

Zij kon dat sein niet geven.--Zij was maar een zwakke vrouw. Hoe kon

ze in koelen bloede bevel geven Armand in haar tegenwoordigheid dood

te schieten, zijn kostbaar bloed te laten komen over haar hoofd. En de

vader der kleine Suzanne, ook hij, een grijsaard! en de anderen!--Neen,

neen... dat alles was te, te afschuwelijk?

Wachten! wachten! wachten! Hoelang! De uren vloden heen, en toch

daagde de morgen nog niet.

Daar klonk plotseling, op geringen afstand, een vroolijke, krachtige

stem, die het Engelsche volkslied aanhief: "God save the King!"

NEGEN EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

DE SCHOENER.

De Roode Pimpernel · 第 12 / 14 段