opgesnoven, kan zich eenig begrip vormen van den hopeloozen toestand,
waarin een dergelijk snuifje iemand brengen kan. Chauvelin kreeg een
gevoel, alsof zijn hoofd zou barsten--niesbui op niesbui scheen hem
te doen stikken; een oogenblik was hij blind, doof en stom, en dat
oogenblik nam Blakeney waar, om kalmpjes, zonder de minste haast,
zijn hoed te nemen, uit zijn zak eenig geld te halen en op de tafel
neer te leggen, waarop hij even bedaard, zonder Chauvelin met een
blik te verwaardigen, de gelagkamer verliet.
VIJF EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
DE JOOD.
Marguerite had eenigen tijd noodig om tot bezinning te komen. Het
laatste incident kon nauwelijks een minuut geduurd hebben, en toch
waren Desgas en zijn soldaten nog een driehonderd passen van de
"Chat Gris" verwijderd.
Toen zij zich rekenschap kon geven van het gebeurde, ondervond ze
een mengeling van vreugde en bewondering voor haar echtgenoot.
Het was alles zoo goed overdacht en vernuftig in zijn werk
gegaan. Chauvelin was totaal hulpeloos, erger dan hij zou geweest
zijn na een vuistslag, want op dit oogenblik was hooren, zien en
spreken hem geheel onmogelijk!
Sir Percy had zich verwijderd, klaarblijkelijk om de vluchtelingen in
de hut van vader Blanchard op te zoeken. Voor het oogenblik weliswaar
was Chauvelin machteloos en had de vermetele Roode Pimpernel zich
bijtijds uit de voeten gemaakt, maar op alle wegen, en ook langs
het strand, kruisten patrouilles, in alle hoeken en gaten stonden
schildwachten en op iederen vreemdeling werd acht geslagen. Hij
kon nu geen kennis dragen van de orders, door Chauvelin van zijn
gevangenneming gegeven, en juist nu, misschien...
Op dit oogenblik vernam ze het afzetten van geweren in de nabijheid
der deur en hoorde ze Desgas zijn manschappen "Halt!" toeroepen.
Chauvelin had zich ten deele hersteld, zijn niezen was minder geweldig
en met moeite was hij weer op den been gekomen. Hij wist de deur te
bereiken, toen Desgas aanklopte, en opende deze.
Nog vóór zijn secretaris een woord kon spreken, stamelde hij tusschen
twee niesbuien door:
"De lange vreemdeling--gauw! Heeft een van jullie hem gezien?"
"Waar, burger?" vroeg Desgas verbaasd.
"Hier, man! door deze deur! Geen vijf minuten geleden!"
"We hebben niets gezien, burger! De maan is nog niet op, en..."
"En je komt juist vijf minuten te laat, man!" zei Chauvelin met
verbeten woede.
"Burger... ik..."
"Je hebt gedaan, wat ik je beval te doen," vulde Chauvelin ongeduldig
aan. "Ik weet dat, maar lang heb je erover gedaan. Gelukkig dat het
niet erger is, want slecht zou het je vergaan zijn, burger Desgas!"
Desgas verbleekte een weinig. De geheele houding van zijn superieur
teekende onverholen haat en machtelooze woede.
"De lange vreemdeling, burger--" stamelde hij.
"Was vijf minuten geleden hier in de gelagkamer, heeft hier gegeten. De
duivel hale zijn brutaliteit! Ik alleen durfde hem niet aan en daarom
is hij jouw neus voorbij gegaan."
"Hij kan niet bijster ver loopen zonder gezien te worden, burger."
"Ha!"
"Kapitein Jutley heeft veertig man ter versterking van den
patrouilledienst gezonden, twintig zijn naar het zeestrand. Hij heeft
me andermaal verzekerd, dat de wacht den geheelen dag in 't geweer
is geweest en geen vreemdeling bij mogelijkheid naar het strand kon
komen, of een sloep praaien zonder in den kijker te loopen."
"Goed zoo! Kennen de manschappen hun taak?"
"Ze hebben zeer duidelijke en pertinente orders, burger. Ze moeten
de gangen van iederen vreemdeling zoo heimelijk mogelijk nagaan,
vooral als hij een rijzig man is, of gebukt mocht loopen, om zijn
lengte te verbergen."
"In geen geval zoo een aanhouden," bracht Chauvelin in het midden. "We
moeten hem nu naar Vader Blanchard's hut laten trekken, hem daar
omsingelen en gevangen nemen."
"De manschappen hebben dat consigne, burger, ook dat, zoolang een
lange vreemdeling in 't vizier komt, hij gevolgd moet worden, terwijl
één man terstond rechts omkeert zal maken en u rapport brengen."
"Zoo is het goed," zei Chauvelin, zich de handen wrijvend en in zijn
knollentuin gerakend.
"Ik heb meer nieuws voor u, burger."
"Laat hooren!"
"Een rijzige Engelschman had een uur geleden een langdurig gesprek
met een Jood, Ruben genaamd, die een pas of tien van hier woont."
"Ja--en?" vroeg Chauvelin ongeduldig.
"Het gesprek liep over een paard en wagen, die de lange Engelschman
wilde huren en die tegen elf uur gereed moest zijn."
"Het is nu kwart over elf. Waar hangt die Ruben uit?"
"Een paar minuten gaans van hier."
"Stuur een van je manschappen, om uit te visschen, of de vreemdeling
met den wagen van Ruben is vertrokken!"
"Goed, burger."
Desgas haastte zich het bevel ten uitvoer te brengen. Geen woord
van dit gesprek tusschen Chauvelin en zijn handlanger was Marguerite
ontgaan. Ieder woord was een dolksteek in haar hart.
Zij had die heele lange reis gemaakt, met zulk een levendige hoop en
vast besluit haar echtgenoot bij te staan, en tot dusver was ze niet in
staat geweest iets uit te richten, maar met een van angst brekend hart
had zij het moeten aanzien, hoe de mazen van het doodelijke net zich
om hem sloten. Hij kon nu geen schrede meer doen, zonder bespiedende
oogen, die zijn spoor volgden. Haar eigen machteloosheid maakte haar
wanhopig. De mogelijkheid om haar man ook maar eenigszins van nut te
zijn, was op niets uitgeloopen, en de eenige hoop, die haar overbleef,
was, dat het haar vergund mocht worden te deelen in zijn lot, hoe
dit ook zijn mocht.
Desgas had Chauvelin, die in de gelagkamer op en neer liep, verlaten
en wachtte buiten den soldaat op, dien hij ter opsporing van Ruben
had uitgezonden. Er verliepen zoodoende eenige minuten. Chauvelin
brandde van ongeduld, zooals zich laat begrijpen.
Vijf minuten later kwam Desgas terug, gevolgd door een ouden Jood,
vunzig gehuld in een smerigen op den draad versleten tabbaard, vettig
langs de schouders. Op zijn rood haar, dat hij droeg op de manier der
Poolsche joden, met krullen als kurketrekkers aan beide zijden van
zijn gezicht, rustte een laag vuil. Het geheele voorkomen van dezen
zoon Abrahams was weerzinwekkend. Hij ging gebukt met de eigenaardige
kromming, die zijn ras kenmerkt, door de vernedering ondergaan in
vervlogen eeuwen, voor dat de dageraad van vrijheid en gelijkheid in
geloofszaken voor dit mishandeld volk was aangebroken. Hij liep achter
Desgas aan met den typisch schoorvoetenden gang, die den Joodschen
schacheraar in Europa is bijgebleven tot op den huidigen dag.
Chauvelin wenkte den kerel om op eerbiedigen afstand te blijven. De
drie mannen stonden juist onder de afhangende olielamp, zoodat
Marguerite het trio duidelijk kon waarnemen.
"Is dit de man?" vroeg Chauvelin.
"Neen, burger," antwoordde Desgas. "Ruben was niet te vinden, dus zal
de Engelschman met diens kar zijn vertrokken, maar deze Jood schijnt
van het een of ander een snufje te hebben, dat hij voor een prijsje
van de hand wil doen."
Met de lijdzaamheid, aan zijn ras eigen, stond de Jood terzijde,
leunend op een dikken staf, zijn ruig gezicht verborgen onder een
breed-gerand hoofddeksel, in afwachting dat de nobele Excellentie
hem zou ondervragen.
"De burger hier vertelt me," zei Chauvelin, "dat je iets weet
omtrent mijn vriend, den langen Engelschman, dien ik wensch te
ontmoeten... Sakkerloot! op een afstand asjeblieft, man!" liet hij er
haastig op volgen, toen de Jood een haastige schrede voorwaarts deed.
"Ja, Excellentie," begon de Israëliet, zijn taal sprekend met den
eigenaardigen tongval, die een Oosterschen oorsprong verraadt,
"ik en Ruben Goldstein hebben onderweg een langen Engelschman van
avond gezien, dicht hier in de buurt."
"Heb je met hem gesproken?"
"Hij sprak ons aan, Excellentie. Hij wilde weten, of hij een kar met
paard kon huren, om langs den St. Martinsweg naar een plaats te gaan,
waar hij vannacht wezen moest."
"Wat heb je toen gezegd?"
"Ik heb niets gezegd," antwoordde de Jood, zich beleedigd
gevoelend. "Ruben Goldstein is een Belialskind..."
"Dat gaat mij niet aan, man," viel Chauvelin hem ruw in de rede,
"ter zake hoor!"
"Nu dan. Toen ik op het punt was den rijken Engelschman mijn paard
en wagen aan te bieden, waarmee hij gaan kon, waarheen hij verkoos,
had Ruben me het gras al voor de voeten weggemaaid en bood hem zijn
hongerigen hit en krakende kar aan."
"Wat deed de Engelschman toen?"
"Hij had ooren naar het aanbod van Ruben Goldstein, Excellentie,
hij tastte in zijn zak, hij nam er een handvol goud uit, hij liet
dat het Belzebubskind zien, en zei, dat alles voor hem zou zijn,
als kar en paard tegen elf uur voor hem klaar stonden."
"Natuurlijk stonden kar en paard klaar?"
"Als je dat zoo noemen wilt, ja, Excellentie. De hit van Ruben was
kreupel, zooals altijd; hij wilde eerst niet van zijn plaats. Na
lang tobben eindelijk en veel ransel, kon hij gedaan krijgen, dat
het beest zich verroerde."
"Zijn ze toen op weg gegaan?"
"Ja, nu vijf minuten geleden. Heel dom was het van den vreemde... en
nog wel van een Engelschman!--Hij had moeten weten, dat de hit van
Ruben niet kon loopen, maar de vreemdeling wilde niet luisteren en
kocht een kat in den zak voor zijn geld. Als hij dan toch zoo'n haast
had, was het verstandiger van hem geweest mijn kar te nemen."
"Bezit jij dan ook paard en wagen?" vroeg Chauvelin.
"Wel zeker, Excellentie, en als Excellentie wil rijden... met
Goldsteins voertuig..."
"Weet je soms welken weg mijn vriend de Engelschman is opgegaan?"
Nadenkend wreef de Jood zijn vuile kin. Marguerite's hart bonsde tot
barstens toe. Ze had de vraag gehoord; angstig zag ze naar den Jood,
maar kon op diens tronie, welke geheel onder den breedgeranden hoed
verscholen was, niets lezen. Vaag schemerde het haar voor oogen,
dat hij Percy's lot in handen hield.
Er ontstond een lange pauze; Chauvelin staarde, met blijkbaar
ongeduld en woede, naar de gebogen gestalte vóór hem. Eindelijk stak
de Israëliet langzaam zijn smerige hand in zijn borstzak en diepte
daaruit een aantal zilverstukken op. In gedachten verloren, bekeek
hij ze, en sprak toen bedaard:
"Dit gaf me de lange vreemdeling, toen hij met Ruben wegreed, opdat
ik mijn mond zou houen over hem en zijn bedrijf."
Chauvelin haalde ongeduldig de schouders op.
"Hoeveel heb je daar?" vroeg hij.
"Twintig francs, Excellentie," antwoordde de Jood, "en mijn leven
lang ben ik een eerlijk man geweest!"
Zonder verder commentaar haalde Chauvelin eenige goudstukken uit
zijn zak en rammelde ermee in de palm van zijn hand in de richting,
waar de Jood stond.
"Hoeveel denk je, dat ik hierin heb?" vroeg hij bedaard.
De oogen van den Israëliet flikkerden even, bij het zien van het goud
in Chauvelin's hand.
"Ik zou zeggen honderdvijftig francs minstens, Excellentie," zei
hij eerbiedig.
"Dat zal wel genoeg zijn, dunkt me, om je eerlijke tong aan 't praten
te krijgen!"
"Wat wenscht Uwe Excellentie zoo al te weten?"
"Of jouw paard en kar mij kunnen brengen naar de plaats, waar ik mijn
vriend, den langen Engelschman, die met Ruben Goldstein's wagen er
van door is, vinden kan?"
"Mijn voertuig kan Uwe Edelachtbaarheid brengen waarheen zij wil."
"Naar Vader Blanchard's hut?"
"Uwe Edelachtbaarheid heeft het geraden!" zei de Jood met verbazing.
"Gij kent die plek?"
"Ik ken ze, Edelachtbare."
"Hoe komen we daar?"
"Langs den St. Martinsweg, Edelachtbare; van daar langs een voetpad
tot de riffen."
"Je kent toch den weg goed?" herhaalde Chauvelin op barschen toon.
"Iederen steen, ieder grassprietje, Edelachtbare," zei de Jood kalm.
Zonder verder een woord te spreken, wierp Chauvelin de vijf goudstukken
één voor één den Jood voor de voeten; deze knielde en trachtte op
handen en voeten ze bijeen te garen. Eén ervan rolde weg, en hij
had eenige moeite dat machtig te worden, want het was onder het
aanrechtkastje terecht gekomen. Chauvelin zag het rustig aan, hoe
de Israëliet tastte over den vloer, ten einde het goudstuk machtig
te worden.
Toen de Abrahamszoon weer op de beenen stond, sprak Chauvelin:
"Binnen welken tijd kan je met je paard en wagen klaar staan?"
"Alles staat klaar, Edelachtbare."
"Waar?"
"Geen twintig passen van hier. Wil Uwe Excellentie eens kijken?"
"Dat is niet noodig. Tot hoe ver kun je mij ermee brengen?"
"Tot de hut van Vader Blanchard, Edelachtbare, en heel wat verder dan
Ruben Goldstein uw vriend heeft gebracht. Ik ben er zeker van, dat
we, nog geen twee mijlen van hier, Ruben zullen inhalen met zijn hit,
de kar en den langen vreemdeling, alles op één hoop midden op den weg."
"Hoe ver is het naaste dorp van hier?"
"Langs den weg, door den Engelschman genomen, is Miquelon het naaste,
zoo wat twee mijlen."
"Daar heeft hij een ander vervoermiddel kunnen krijgen, zoo hij al
verder op wilde?"
"Dat is mogelijk--als hij al zoo ver kan komen!"
"Zie jij er kans op?"
"Wil Uwe Excellentie het maar eens probeeren?" vroeg de Jood eenvoudig.
"Dat is mijn bedoeling," zei Chauvelin kalmpjes "maar denk erom,
als ik zie, dat je me bedrogen hebt, zal ik twee van mijn beste
soldaten uitpikken, die je zulk een pak ransel zullen geven, dat de
adem misschien voor altijd uit je leelijk karkas geslagen wordt. Maar
als we mijn vriend, den rijzigen Engelschman, zullen aantreffen,
't zij onderweg of in de hut van Vader Blanchard, krijg je nog tien
goudstukken meer. Sla je toe op dien koop?"
De Israëliet wreef zich weer bedachtzaam de kin. Hij keek naar het geld
in zijn hand, van daar naar den strengen spreker, toen naar Desgas,
die al dien tijd zwijgend achter hem had gestaan. Na een poos zei
hij gedecideerd:
"Top, ik neem het aan."
"Ga dan nu maar heen en wacht ons buiten," zei Chauvelin. "Denk aan
je belofte, want bij den hemel, ik zal de mijne niet breken!"
Met een deemoedige, slaafsche buiging slofte de Israëliet het vertrek
uit. Chauvelin scheen volkomen tevreden over dit onderhoud, hij wreef
zich met voldoening in de handen.
"Mijn jas en laarzen!" zei hij tot Desgas.
Desgas begaf zich naar de deur en deelde de noodige bevelen uit. Kort
daarop kwam een soldaat met het gevraagde binnen, benevens een hoed.
Chauvelin ontdeed zich van zijn soutane en verwisselde van kleeding.
"Gij burger," zei hij intusschen, "ga weer naar kapitein Jutley,
zoo hard als je kunt rijden of loopen; zeg dat hij je nog twaalf
man geeft en breng die allen met je mee langs den St. Martinsweg,
waar je hoogst waarschijnlijk de kar van den Jood, met mij erin, zult
inhalen. Het zal er zoo straks warm toe gaan, ik bedoel in de hut van
Vader Blanchard. Ik wed, dat we er onzen man zullen aantreffen, want
die vlegel van een Rooden Pimpernel heeft de stoutmoedigheid--of liever
de domheid laat ik zeggen--bij zijn origineel plan te volharden. Hij
is heengegaan, om de Tournay, St. Just en de rest te ontmoeten, wat
ik dacht, dat hij, voor het oogenblik althans, niet voornemens was
te doen. Als we hen er aantreffen, zal het een bende zijn, die zich
wanhopig zal verdedigen. Sommigen onzer mannetjes zullen denkelijk
wel buiten gevecht gesteld worden. Die royalisten zijn zeer bekwame
degens, de Engelschman is een duivelsche sluwerd en geen kerel om
het mee aan den stok te krijgen. We zullen toch altijd vijf tegen
één zijn. Gij kunt de kar met uw manschappen dichtbij volgen, altijd
dicht langs den St. Martinsweg door Miquelon. De Engelschman is ons
vóór en zal waarschijnlijk niet achterom kijken."
Terwijl hij deze bepaalde orders uitdeelde, was Chauvelin met zijn
gedaanteverwisseling gereed gekomen.
"Ik zal je een belangwekkend gevangene in handen spelen," zei hij
zich verkneukelend. "We moeten hem niet morsdood maken, he, vriend
Desgas? De hut van Blanchard is--zoo ik me niet vergis--een eenzame
plek aan de zeekust, en onze mannen zullen een heet stukje werk
hebben met den gekwetsten wolf. Doe onder je mannetjes een goede keus,
Desgas..." zei hij met een duivelschen lach.
"Doe een goede keus onder je manschappen!" herhaalde hij, toen hij
zijn handlanger eindelijk met zich naar buiten troonde.
ZES EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
OP HET SPOOR.
De laatste geluiden buiten de herberg de "Chat Gris" waren weggestorven
in de nachtelijke stilte. Marguerite had Desgas orders hooren uitdeelen
aan zijn soldaten, die naar het fort opmarcheerden, om nog een twaalf
kameraden als versterking te halen.
Eenige minuten later vernam zij de stem van den Jood, die zijn paard
aanzette, daarop het geratel van wielen en het gerommel van een
krakende kar, die over de ruwe keien hotste.
Binnen de herberg heerschte diepe stilte. Brogard en zijn vrouw
hadden, uit schrik voor Chauvelin, geen teeken gegeven van leven,
zij hoopten niets anders dan totaal vergeten te zijn.
Marguerite wachtte nog eenige oogenblikken, toen sloop ze zachtjes de
vermolmde trap af, wikkelde zich in haar donkeren mantel en verliet
het vunzig vertrek.
De nacht was duister genoeg, om haar gestalte voor onbescheiden
blikken te verbergen, terwijl haar scherp gehoor rekening hield met
het geluid van het kreunend voertuig, dat vóór haar uit ging. Door in
de schaduw te blijven van het laag houtgewas, dat den weg omzoomde,
hoopte ze niet gezien te worden door Desgas' manschappen, of een
rondwarende patrouille.
Zoo was voor haar dan het laatste bedrijf aangevangen van den
verdrietigen tocht naar Frankrijks onherbergzame noordwestkust,
geheel alleen, in het holst van den nacht, en te voet. Drie mijlen
ongeveer tot Miquelon, van daar naar de hut van Vader Blanchard,
over een ongebaanden weg.
Het paard van den Jood kroop traag voort, zij wist, dat ze gemakkelijk
gelijken tred met het mager beest zou kunnen houden.
Gelukkig voor haar, dat de maan zich schuil hield achter wolkgevaarten
en Marguerite kon, tamelijk wel voor menschelijke oogen verborgen,
voortgaan. Doodsche stilte heerschte in haar onmiddellijke omgeving,
alleen in de verte drong het bruisen van de rustelooze zee tot
haar door.
Haar voet gleed uit over het vochtig, met gras begroeid pad, langs
den kant van den weg, want zij achtte het raadzaam, niet het midden
te houden, ook de kar niet al te dicht te naderen; er heerschte zulk
een algemeene stilte in haar omgeving, dat het knarsen der wielen
haar tot vasten leiddraad kon dienen.
Rondom heerschte volstrekte eenzaamheid. De enkele schemerlichten
van Calais lagen ver achter hen, en op dezen weg was geen schijn van
menschelijke woning te bespeuren, geen visschershut, houthakker of
kolenbrander in de nabijheid. In de verte, aan haar rechterhand, zag
ze den rand van een rif, daaronder, het woeste zeestrand, waartegen
de opkomende vloed in toomlooze vaart zijn ziedende golven deed
uiteenspatten.
Chauvelin vóór haar uit, in het voertuig van den Israëliet heen
en weer geslingerd, gaf den vrijen teugel aan zijn zelfgenoegzame
overpeinzingen. Hij wreef zich met innige voldoening de handen,
als hij dacht aan het weefsel, dat hij had gesponnen, en door welks
mazen die ondernemende Engelschman niet de minste kans had om te
ontsnappen. Naarmate de tijd verliep en de oude Jood, langzaam
maar zeker, met hem voortreed langs den duisteren weg, wakkerde het
verlangen meer en meer bij hem aan naar de groote finale van deze
prikkelende jacht op den geheimzinnigen Rooden Pimpernel, wiens
arrestatie het schoonste blad zou vormen in den lauwerkrans om de
slapen van burger Chauvelin.
Geen enkel oogenblik welde een schijn van wroeging op in zijn verstokt
gemoed, aangaande den toestand, waarin hij Percy's ongelukkige vrouw
had gebracht. Koude realist als hij was, bestond deze zelfs voor hem
niet meer.
De magere knol van den Jood deed weinig meer dan stappen. Om de vijf
minuten stond hij stil.
"Zijn we nog ver van Miquelon?" luidde nu en dan de vraag van
Chauvelin.
"Niet ver meer," was het eentonig antwoord.
"Tot nog toe hebben we jouw vriend en den mijne nog niet als een
vormlooze massa op den openbaren weg aangetroffen," merkte Chauvelin
sarkastisch aan.
"Geduld, Edelachtbare, ze zijn ons nog vóór, ik zie het aan de voren
van hun kar."
"Je kent den weg toch wel?"
"Zoo goed als ik de tien goudstukken ken in den zak van Uwe
Excellentie, die ik hoop, dat strakjes naar mijn geldbeurs zullen
verhuizen."
"Zoodra ik de hand zal gedrukt hebben van mijn langen vriend den
Engelschman, zijn ze je eigendom."
"Hoor eens! Wat was dat?" vroeg de Jood eensklaps.
In de ijzingwekkende stilte, die rondom heerschte, kon men duidelijk
het getrappel vernemen van paarden op den eenzamen weg.
"Soldaten," vervolgde de Jood fluisterend met eerbiedige vrees.
"Wacht, houd even stil, ik wil eens luisteren," zei Chauvelin.
Marguerite had ook het geluid gehoord van hoefslagen in de
frontrichting van de kar en van de plek, waar ook zij nu stilstond. De
duisternis verleende haar genoegzame dekking. Ze had bemerkt, dat de
wagen niet meer voortreed, uiterst behoedzaam kroop ze naderbij.
Haar hart klopte geweldig, ze beefde, sidderde en klappertandde; ze
had het nieuws reeds geraden, dat de ruiters zouden brengen. Was men
den langen vreemdeling op het spoor? Ze vernam de snel achter elkaar
gesproken woorden:
"Vrijheid, Gelijkheid en Broederschap!" en de haastig daarop volgende
vraag van Chauvelin:
"Wat nieuws?"
Twee ruiters hadden naast den wagen de toom hunner paarden
ingetrokken. Marguerite zag hun schaduwbeeld in den donkeren nacht. Ze
hoorde hun stem, het snuiven hunner paarden en daarop, achter haar,
op geringen afstand, den regelmatig afgemeten stap van een naderenden
troep: Desgas en zijn soldaten.
"Heb je den vreemdeling gezien?" hoorde ze Chauvelin haastig vragen.
"Neen, burger, geen langen Engelschman; we hebben den rand van het
rif verkend."
"En?"
"Zoo wat een kwartmijl achter Miquelon zagen we iets, dat op een
visschershut geleek, een bewaarplaats van netten. Toen we die eerst
onderzochten, scheen ze verlaten en vonden we er niets verdachts,
totdat we rook bemerkten, die uit een opening aan een der zijden
scheen te komen. Ik steeg af en sloop naderbij. Ze was leeg, maar in
een der hoeken brandde een vuur, en er stonden ook een paar stoelen
in. Ik raadpleegde met mijn kameraden en we kwamen overeen, ons met de
paarden verdekt op te stellen en dat ik de wacht op me zou nemen. Zoo
is geschied."
"Nu, en heb je wat gezien?"
"Een half uur later, burger, hoorde ik het geluid van stemmen en zag
ik twee mannen den rand naderen van de klip; het scheen of ze van
Lille kwamen, althans van dien kant uit. De een was een jong mensch,
de ander een grijsaard. Ze fluisterden met elkaar, maar ik kon niet
hooren, wat ze zeiden."
De een jong, de ander oud. Marguerite's hart stond bijna stil, toen
ze het vernam. Kon de jonge haar broeder Armand zijn? De oudere de
graaf de Tournay?
"Die twee gingen toen de hut binnen," vervolgde de soldaat, "en ik
ging ze achterna. De hut is een ruw getimmerte, een en ander van hun
gesprek kon ik opvangen."
"Zoo?--Gauw dan! Wat heb je gehoord?"
"De oude vroeg den jonge, of hij wel zeker wist, dat dit de rechte
plaats was. "O ja!" zei deze, "'t is bepaald wel hier," en bij het
schijnsel van het vuur liet hij zijn makker een papier zien, dat hij
bij zich had. "Hier is het plan, dat hij me gaf, vóór hij uit Londen
ging. We moesten ons streng aan dit plan houden, tenzij ik tegenorders
ontving, maar die heb ik niet. Kijk... hier heb je den weg, dien we
gegaan zijn... kijk... hier de kromming... hier zijn we dwars den
St. Martinsweg overgestoken... en hier heb je het voetpad, dat ons
naar den rand van de klip heeft gebracht."--Ik moet zeker een klein
geruchtje gemaakt hebben, want de jonge man liep naar de deur van de
hut en keek angstig om zich heen. Toen hij weer bij zijn makker kwam,
fluisterden ze zoo zacht, dat ik geen woord meer kon verstaan."
"Nu?--en?" vroeg Chauvelin ongeduldig.
"We waren met ons zessen, die langs dien kant van de kust
patrouilleerden, we beraadslaagden daarom met elkaar en dachten,
dat het beste zijn zou, als er vier van ons achterbleven, de hut
in het oog hielden, en ik met mijn kameraad dadelijk terug reed,
om rapport te maken van wat we gezien hadden."
"Van den langen vreemdeling heb je niets bespeurd?"
"Niets burger."
"Als je kameraden hem gewaarworden, wat zouden ze dan doen?"
"Hem voortdurend in het oog houden en als hij mimes maakte om
ervan door te gaan, of als er een sloep in 't zicht kwam, hem dan
arresteeren en zoo noodig neerschieten. Door het vuren zou de rest
van de patrouille komen opdagen. In ieder geval zouden ze den man
niet laten loopen?"