klippen, met het geraas der branding van de zee daar beneden, was
het niet mogelijk te zeggen hoe nabij, of hoe ver, ook niet uit welke
richting, de opgewekte zanger zich bewoog, die God zijn lied toezong
om zijn Koning te beschermen. Zwak in den beginne, nam de stem toe
in kracht; nu en dan geraakte een steen los onder den veerkrachtigen
tred van den zanger en rolde op den oever onder hem aan.
Toen Marguerite het hoorde, voelde ze te zullen bezwijken, wanneer
die stem naderbij kwam, als de zanger zou vastgegrepen worden...
Zij hoorde duidelijk in haar nabijheid het overhalen van Desgas'
geweer...
Neen! neen! neen! neen! Zoo kan het toch niet! dat Armands bloed dan
kome over haar hoofd! Laat zij zijn moordenares zijn! laat zelfs hij,
dien zij liefhad, haar verachten, maar o, mijn God! red hem tot welken
prijs dan ook!
Met een woesten kreet was zij opgesprongen en de rots omgesneld,
waartegen zij zich had neergehurkt; zij zag het kleine roode lichtje
door de reten van de hut, zij vloog er op aan en viel tegen het
houten beschot, waartegen zij met gebalde vuisten hamerde als een
krankzinnige, luidkeels schreeuwend:
"Armand! Armand! om Godswil, geef vuur! Uw leider is nabij! Hij is
op komst! hij is verraden! Armand! in 's hemelsnaam geef vuur!"
Zij werd gegrepen en tegen den grond geworpen. Zij lag daar schreiend,
gekneusd, er niets om gevend, maar altijd snikkend en krijtend:
"Percy, mijn echtgenoot, om Godswil vlucht! Armand! Armand! waarom
vuurt ge niet?"
"Laat een van jullie die vrouw den mond snoeren!" siste Chauvelin,
die in zijn woede moeite had zich te bedwingen om haar een kastijding
toe te dienen.
Men wierp haar iets over het hoofd; zij kon niet meer ademhalen en
het zwijgen was haar opgelegd.
Ook de stoutmoedige zanger liet zich niet meer hooren, gewaarschuwd
zonder twijfel door Marguerite's kreten voor het hem dreigend
gevaar. De manschappen waren opgesprongen, ook zij behoefden thans
niet meer te zwijgen, de rotsen weerkaatsten de hartverscheurende
kreten der arme vrouw.
Chauvelin had met een gesmoorden vloek haastig het commando gegeven:
"Er in stormen, mannen, en laat niemand levend uit de hut ontsnappen!"
De maan was andermaal van achter de wolken te voorschijn gekomen: de
duisternis, waarin de rotsen gehuld lagen, was verdwenen en had voor
het schitterend zilverlicht der nachtvorstin plaats gemaakt. Eenige
der soldaten waren op de deur der houten hut losgesneld, terwijl één
de wacht hield bij Marguerite.
De deur stond gedeeltelijk open; een der soldaten gluurde naar binnen,
maar volslagen duisternis heerschte in de schamele stulp, als men
geen acht sloeg op een flauwe rossige streep van het houtskoolvuur,
dat zijn schijnsel wierp op den uitersten hoek dezer schuur. De
manschappen hielden als machines automatisch halt bij de deur, in
afwachting van verdere orders.
Chauvelin, die gerekend had op een geweldige stormaanval zijner
soldaten en een krachtigen tegenstand der vier vluchtelingen van
binnen, begunstigd door de duisternis en hun bekendheid met het
terrein, Chauvelin was stom van verbazing, toen hij zijn trawanten
daar front had zien maken en als schildwachten zag staan op post,
terwijl geen geluid uit de hut tot hem doordrong.
Een vreemd, angstig voorgevoel maakte zich van hem meester,
werktuigelijk liep ook hij op de hut aan, en glurend in de duisternis,
vroeg hij plotseling:
"Wat moet dit beteekenen?"
"Ik geloof, burger, dat er niemand in is," antwoordde een der soldaten.
"Jelui hebt die vier aristokraten toch niet laten vluchten?" klonk
donderend en dreigend de vraag van Chauvelin.
"Ik had bevolen niemand levend te laten ontsnappen!--Vooruit! zeg ik
jullie! Als de bliksem! Vooruit! en in alle richtingen gezocht!"
De soldaten, gehoorzamend als machines, stormden de rotsachtige
helling af naar het zeestrand en verspreidden zich rechts en links,
zoo snel als hun voeten hen konden dragen.
"Burger sergeant, jij en je manschappen zullen deze fout met je
leven boeten," zei Chauvelin kwaadaardig tegen den pelotonschef,
"en ook gij, burger," voegde hij eraan toe, terwijl hij zich wrevelig
tot Desgas wendde, "omdat je mijn bevelen niet hebt opgevolgd."
"U hebt ons bevolen, burger, te wachten, totdat de lange Engelschman
zich bij de vier man in de hut zou gevoegd hebben. Niemand is gekomen,"
bracht de sergeant korzelig in het midden.
"Ik heb je toch zoo juist, toen de vrouw begon te schreeuwen,
gecommandeerd binnen te stormen en niemand te laten ontsnappen!"
"Maar, burger, ik denk, dat de vier man, die erin waren, al op den
loop zijn gegaan, voordat wij kwamen, ik geloof..."
"Je gelooft?--Jij?..." hernam Chauvelin, bijna stikkend van woede,
"en je liet ze gaan..."
"U hebt ons gecommandeerd te wachten, burger," protesteerde de
sergeant andermaal, "en op straffe des doods uw bevelen blindelings
te gehoorzamen. Wij hebben gewacht... Ik hoorde de mannen uit de
hut kruipen, kort nadat wij ons verdekt hadden opgesteld en lang
voordat de vrouw begon te schreeuwen," voegde hij eraan toe, ziende,
dat Chauvelin nog sprakeloos scheen van woede.
"Hoor eens!" zei Desgas plotseling.
In de verte knalden elkaar snel opvolgende geweerschoten, Chauvelin
trachtte naar beneden langs den zeeoever te zien, maar alsof het toeval
ermee speelde, de maan verborg zich weer achter een wolkgevaarte en
hij kon niets bespeuren.
"Een van jullui ga de hut binnen en steke er licht op," brabbelde
hij ten laatste.
De sergeant gehoorzaamde: hij liep op het houtskoolvuur aan en ontstak
het lantaarntje, dat hij aan zijn koppel droeg. Toen bleek, dat de
stulp geheel was verlaten.
"Welken weg zijn ze opgegaan?" vroeg Chauvelin.
"Ik zou het niet kunnen zeggen, burger," antwoordde de sergeant,
"ze daalden eerst rechtuit de rots af en verdwenen toen achter eenige
steenblokken."
"Stil! wat was dat?"
Alle drie luisterden ze aandachtig. Het zwak, op verren afstand
langzaam wegstervend geluid van regelmatige, doch snelle en krachtige
riemslagen drong tot hen door. Chauvelin haalde zijn zakdoek te
voorschijn, en wischte zich het zweet van het voorhoofd.
"De sloep... van den... schoener!" was al, wat hij kon uitbrengen.
Klaarblijkelijk waren Armand St. Just en zijn drie metgezellen erin
geslaagd zich langs den rand der klippen te laten afzakken, terwijl
de trawanten van Chauvelin, als echte soldaten van het goed gedrilde
Republikeinsche leger, met blinde gehoorzaamheid en bevreesd voor
hun leven, stipt de bevelen opvolgend van hun meester:--wachtten op
den rijzigen Engelschman, wiens gevangenneming het glanspunt moest
uitmaken van Chauvelin's doorzicht en beleid.
De vluchtelingen hadden buiten twijfel een der vele kreeken aan
de kust bereikt, waar de sloep van de Day Dream op den uitkijk lag
van hunne komst, en zij konden nu veilig en wel aan boord van den
Britschen schoener zijn aangekomen.
En als om deze laatste veronderstelling te bevestigen, vernamen ze het
dof geluid van een kanonschot, op verren afstand gelost van--uit zee.
"De schoener, burger Chauvelin," zei Desgas doodkalm, "is vertrokken."
De agent der Eene en Ondeelbare Republiek moest al zijn geestkracht
en zelfbeheersching bijeenzamelen, om in geen machtelooze en zijn
positie onwaardige bui van woede los te barsten. Er bleef geen
twijfel meer over: die vervloekte Engelschman had hem andermaal een
vlieg afgevangen, had hem leelijk onder zijn duiven geschoten. Hoe
deze het mocht hebben aangelegd de hut te bereiken, zonder gezien te
zijn door een dertig soldaten, die de plek bewaakten, was meer dan
zelfs een Chauvelin kon snappen. Dat hem dit gelukt was, voordat de
dertig manschappen op het rif waren aangekomen, liet zich natuurlijk
verklaren, maar hoe hij in Ruben Goldstein's kar den heelen weg van
Calais had afgelegd, zonder door een van de talrijke patrouilles te
zijn opgemerkt, was een onmogelijk op te lossen raadsel.
Toch was alles middagklare werkelijkheid! Chauvelin en zijn dertig
handlangers hadden allen met eigen ooren die verwenschte stem het
"God save the King" hooren zingen, een twintig minuten nadat zij zich
rondom de hut verdekt hadden opgesteld; de vier vluchtelingen moesten
de kreek bereikt hebben en in de sloep zijn gestapt; de naastbij
zijnde kreek was op meer dan een mijl afstand van de hut gelegen.
Waarheen had die stoutmoedige vermetele zanger zich begeven? Tenzij
Satan in persoon hem vleugels had aangebonden, kon hij die mijl op een
rotsachtig rif in geen twee minuten hebben afgelegd: en twee minuten
slechts waren verloopen tusschen zijn zang en het geluid der riemen
van de sloep, die het ruime sop had gekozen. Hij moest zeker achter
zijn gebleven en ergens schuilen tusschen de riffen; de patrouilles
waren nog in de weer. De hoop kwam bij Chauvelin weer boven.
Twee der manschappen, die de vluchtelingen achterna hadden gezeten,
klauterden nu langzaam de rots op: een hunner vervoegde zich juist
bij Chauvelin, toen bij dezen de hoop weer opflikkerde.
"Wij kwamen te laat burger," zei de soldaat, "we bereikten het strand
juist toen de maan zich had verscholen achter die wolkenbank. De
sloep heeft bepaald op den uitkijk gelegen in de eerste kreek, die
een mijl van hier is, maar had al zee gekozen, eenigen tijd voordat we
aan het strand kwamen. We vuurden op haar, maar zonder resultaat. Ze
roeide regelrecht op den schoener aan. We konden het duidelijk in
het maanlicht zien."
"Ja," zei Chauvelin, met blijkbaar ongeduld, "ze is een poos geleden
ervan doorgegaan, zeg je, en de naaste kreek ligt een mijl van hier."
"Ja, burger. Ik heb al dien tijd recht op het strand aangeloopen. De
sloep moet afgestooten hebben, eenige minuten voordat die vrouw begon
te schreeuwen."
Eenige minuten alvorens de vrouw begon te schreeuwen! De hoop van
Chauvelin was dus geen ijdele illusie. De Roode Pimpernel zal het er
op hebben aangelegd de vluchtelingen vooruit per sloep te expediëeren,
maar hijzelf heeft geen tijd gehad om die spoedig te halen; hij moet
dus nog aan wal zijn, nu goed, de verkenners zijn nog bezig.
"Breng het licht mee!" beval hij de hut weer binnentredend.
De sergeant kwam met zijn lantaarn, en beiden doorzochten ze de
kleine ruimte.
"Raap dat op," zei Chauvelin tot den sergeant, naar een reepje wit
papier kijkend, dat op den vloer lag, "en geef het mij."
Het was een in elkaar gefrommeld stukje papier, klaarblijkelijk door
de vluchtelingen, in hun haast om weg te komen vergeten. De sergeant
raapte het op en bood het zijn chef eerbiedig aan.
"Lees het hardop, sergeant," zei deze kortaf.
"Het is bijna onleesbaar, burger... een onmogelijk gekrabbel..."
"Ik commandeerde je het te lezen," herhaalde Chauvelin.
De sergeant begon bij het licht van zijn lantaarntje de in haast
gekraste regels overluid te lezen. De inhoud luidde:
"Ik kan niet tot u komen, zonder uw leven in gevaar te brengen
en uw bevrijding te doen mislukken. Na lezing dezes moet ge een
paar minuten wachten, dan één voor één de hut uitkruipen, terstond
linksom slaan en behoedzaam het rif afglijden; altijd naar links
houden tot de eerste rots, die ver in zee uitsteekt--daarachter in
de kreek ligt de sloep voor u op den uitkijk--geef een langgerekt,
scherp fluitsignaal--de sloep zal komen--dadelijk instappen--mijn
matrozen zullen u naar den schoener roeien--eenmaal aan boord van
den "Day Dream" moet ge de sloep terug laten gaan om mij af te
halen. Zegt mijn matrozen, dat ik aan de kreek zal zijn, die recht
tegenover de herberg "Le Chat Gris" bij Calais ligt. Zij kennen die
wel. Ik zal er zoo spoedig mogelijk komen--ze moeten op veiligen
afstand in zee op mij wachten, totdat ze mijn hun bekend signaal
hooren. Draalt niet--en volgt deze instructies letterlijk op.
Roode Pimpernel.
Chauvelin talmde geen oogenblik. Eén regel had zijn oor goed
opgevangen: "Ik zal aan de kreek zijn, die recht tegenover de herberg
"Le Chat Gris" bij Calais ligt."
Deze phrase kon hem nog ter overwinning leiden.
"Wie uwer is goed bekend met de kust hier?" schreeuwde hij zijn
manschappen toe.
"Ik, burger," zei één hunner, "ik ben te Calais geboren en ken elken
steen van deze klippen."
"Is er een kreek recht tegenover de herberg "Le Chat Gris"?"
"Jawel, burger. Ik ken die heel goed."
"De Engelschman hoopt die kreek te bereiken. Er bestaat dus nog kans
hem in handen te krijgen. Duizend francs voor ieder man, die vóór
den langbeenigen Brit aan die kreek komt!"
Het duurde geen twee minuten of als hazen stoven de manschappen heen.
Dicht bij Chauvelin stond altijd nog Desgas, zwijgend en lijdelijk
verdere bevelen afwachtend, terwijl twee soldaten naast de op den
grond gezegen lady Blakeney knielden.
Chauvelin's overigens wel doordacht plan was mislukt. Hij haakte
ernaar zijn woede jegens iemand te koelen.
De soldaten hielden Marguerite vastgebonden tegen den grond, hoewel de
arme ziel zich in het minst niet verroerde, want ze lag in doodelijken
zwijm.
De elegante en voorname Lady Blakeney, die in de Londensche kringen had
geschitterd door hare schoonheid en geesteshoedanigheden, lag daar als
een afgemartelde, lijdende vrouw, die van een ieder het medelijden zou
hebben opgewekt, behalve van haar verbitterden, wraakzuchtigen vijand.
"Het is onnoodig de wacht te houden bij een half-doode vrouw," zei
Chauvelin spijtig tot de soldaten, "als jelui vijf flinke levende
mannen hebt laten ontsnappen. Het zou vrij wat beter zijn, zoo jelui
den in elkaar gezakten kar van den Jood Goldstein, dien we nog altijd
moeten vinden, gingen opzoeken."
Daarop scheen plotseling een licht bij hem op te gaan.
"Hé, apropos, wat ik zeggen wilde! Waar zit de Jood Rosenbaum?"
"Hier vlak in de nabijheid, burger," zei Desgas; "ik heb hem gemuilband
en zijn beenen bij elkaar gebonden, zooals u mij hebt bevolen."
Een klagend geluid trof Chauvelin's ooren. Hij volgde zijn secretaris,
die den weg wees naar de andere zijde der hut, waar, met stevig vast
gebonden beenen en dichtgesnoerden mond, de ongelukkige afstammeling
lag van Israël, aan wreede folteringen ten prooi.
In het zilverlicht der maan zag hij er werkelijk spookachtig uit
van doorgestanen schrik; zijn glasachtige oogen staarden wezenloos
in de ruimte, hij sidderde over zijn geheele lichaam. Het touw,
dat aanvankelijk om zijn schouders en armen was gewonden, had
klaarblijkelijk losgelaten, maar hij scheen daarvan geheel onbewust,
want niet de minste poging had hij in het werk gesteld om zich te
verroeren van de plek, waar Desgas hem aanvankelijk had neergelegd.
"Breng het beest dezen kant uit!" commandeerde Chauvelin.
De agent der Fransche ééne en ondeelbare Republiek was buiten twijfel
in een grimmige luim, en daar hij geen genoegzame redenen had om zijn
gal uit te spuwen op de soldaten, die maar al te letterlijk zijn
bevelen hadden opgevolgd, meende hij den zoon van het verachte ras
tot mikpunt van zijn wrevel te moeten nemen.
Toen derhalve de rampzalige oude man in het volle maanlicht door
twee soldaten in zijn tegenwoordigheid was gebracht, zei hij met
bitter sarkasme:--
"Ik moet aannemen, dat je als Jood een goed geheugen bezit wat
"zaken" betreft."
"Antwoord me!" commandeerde hij andermaal, toen Rosenbaum met bevende
lippen te angstig scheen om een woord uit te brengen.
"Ja, Edelachtbare," stamelde de ongelukkige.
"Je zult je dus wel herinneren, wat we samen te Calais zijn
overeengekomen, toen je hebt aangenomen Ruben Goldstein met zijn hit
en mijn vriend, den langen vreemdeling, in te halen? Hè?"
"M... m... maar... U Edelachtbare..."
"Geen "maren". Ik zei, herinner je je?"
"J... j... j... ja... U Edelachtbare!"
"Wat was de overeenkomst?"
Doodsche stilte. De ongelukkige man zag om zich heen naar de groote
rotsen, naar het maanlicht, de ongevoelige gezichten der soldaten,
en zelfs naar de arme, neerliggende, schijnbaar levenlooze vrouw,
in zijn onmiddellijke nabijheid, maar hij sprak geen woord.
"Zul je eens antwoorden?" bulderde Chauvelin.
De rampzalige deed een poging, maar het bleek maar al te zeer, dat
hij er niet toe in staat was. Geen twijfel evenwel, of hij wist,
wat hem van een individu als Chauvelin te wachten stond.
"O Edelachtbare..." waagde hij smeekend.
"Ik zal je geheugen wat opfrisschen," zei Chauvelin sarkastisch. "Wij
waren overeengekomen, dat, zoo we den langen vreemdeling hadden
ingehaald, voordat hij deze plaats bereikte, je tien goudstukken
zoudt ontvangen."
Een diepe zucht ontsnapte aan de sidderende lippen van den Jood.
"Maar," vervolgde Chauvelin met langzamen nadruk, "als je me bedroogt
met je belofte, zou je een flink pak ransel krijgen, waardoor je
leeren kunt mij geen leugens op de mouw te spelden."
"Dat heb ik niet gedaan, Edelachtbare; bij Vader Abraham zweer ik..."
"Jij bent jouw gedeelte van den koop niet nagekomen, maar ik sta
klaar het mijne gestand te doen. Hier jullie," voegde hij erbij,
zich tot de soldaten wendend, "ranselt me dien vervloekten Jood eens
af met de gespen van je koppels!"
Toen de soldaten, gehoor gevend aan het bevel, hun zware lederen
gordelriemen ontgespten, stiet de Jood een vervaarlijk gebrul uit.
"Jelui moet dezen ouwen leugenaar de gevoeligste rammeling geven, die
hij ooit gehad heeft. Maar hem niet doodslaan," zei Chauvelin droogjes.
"Als de kerel zijn straf heeft ondergaan," vervolgde hij, ditmaal
tot Desgas, "kunnen de manschappen ons naar de kar begeleiden;
één van hen moet ons naar Calais terugbrengen. De Jood en de vrouw
moeten maar zien, hoe ze thuis komen of elkaar helpen, totdat we,
als de morgen aanbreekt, iemand naar hen laten omzien. Met loopen
zullen ze het niet ver brengen."
Hij gevoelde zich op dit oogenblik minder zeker: de vermetelheid
van den Engelschman had hem eenmaal een poets gespeeld, terwijl de
kortzichtigheid der soldaten en de tusschenkomst eener vrouw hem het
spel hadden doen verliezen, al had hij alle troeven nog in handen. Als
Marguerite zijn tijd niet in beslag had genomen, als de soldaten een
greintje overleg hadden getoond, als... het was een heele reeks van
"als", "als!"
Het gebrul van den Jood achter hem, die zijn straf onderging, was een
balsem voor zijn teleurgestelde verwachtingen. Hij glimlachte. De
gedachte deed hem goed aan het hart, dat een of ander menschelijk
wezen, evenals hij, niet geheel en al vrede met het menschdom kon
hebben.
Hij keerde zich om en wierp een laatsten blik op de eenzame kust,
waar de houten hut stond, die nu door het maanlicht werd beschenen.
Tegen een rots, op een hard steenen bed, lag de bewustelooze Marguerite
Blakeney, terwijl eenige schreden verder de ongelukkige Jood op zijn
breeden rug de slagen ontving met twee stevige lederen riemen. Het
gebrul van Benjamin Rosenbaum was in staat de dooden te doen opstaan
uit hun graven.
"Ziezoo, hier kan hij het mee doen," zei Chauvelin, toen het kreunen
van den Israëliet al zwakker werd en de ongelukkige in zwijm scheen
te geraken, "hem doodslaan hoeft niet."
Gehoorzaam gordden de soldaten hun koppels weer om hun middel, terwijl
een hunner den Jood nog een schop gaf, die hem terzijde deed wentelen.
"Laat hem daar nu maar liggen," zei Chauvelin, "en escorteert ons nu
spoedig naar de kar. Ik volg."
Hij liep naar de plek, waar Marguerite lag, en keek haar in het
gelaat. Zij had blijkbaar het bewustzijn teruggekregen en wendde eenige
zwakke pogingen aan om zich op te richten. Met haar groote blauwe
oogen zag ze met verwilderd gezicht op de door de maan verlichte
omgeving. Met een mengeling van schrik en medelijden bleven haar
oogen rusten op den Jood, wiens woest gebrul haar aanvankelijk had
getroffen; daarop werd ze Chauvelin gewaar, die sarkastisch en met
een grijns van listige boosheid haar glimlachend aanzag.
Met geveinsde galanterie bukte hij en bracht haar ijskoude hand aan
zijn lippen.
"Het doet me zeer veel leed, schoone Lady," zei hij op zijn
zoetsappigsten toon, "dat onvoorziene omstandigheden mij noodzaken
u voor het oogenblik hier te moeten laten. Maar ik ga heen met het
geruststellend bewustzijn, dat ik u niet onbeschermd achterlaat. Onze
vriend Benjamin Rosenbaum hier zal zich een galant beschermer toonen
voor uw persoontje, daarvan houd ik mij overtuigd. Als de dageraad
aanbreekt, zal ik u een vrijgeleide zenden."
Marguerite had alleen de kracht haar hoofd af te wenden.
Haar hart dreigde te breken van vreeselijken angst. Een ontzettende
gedachte maakte zich weer van haar meester:
"Wat was er van Percy geworden? Welk lot had Armand getroffen?"
Zij wist niets van wat er was voorgevallen, nadat ze het opwekkend
gezang "God save the King" had gehoord, dat ze als een doodssein
had beschouwd.
"Ik moet nu," besloot Chauvelin, "met tegenzin van u afscheid
nemen. Tot ziens, schoone Lady. Wij zullen, hoop ik, elkaar spoedig in
Londen ontmoeten. Zal ik het genoegen hebben u bij het tuinfeest van
den Prins van Wales te zien?--Niet?--Welnu, au revoir! Mijn beleefde
groeten aan Sir Percy Blakeney!"
En, met een laatsten ironischen glimlach en gemaakte buiging, kuste
hij nog eens haar hand en verdween langs het voetpad bezijden de rots.
DERTIGSTE HOOFDSTUK.
DE ONTSNAPPING.
In den half-soezenden toestand, waarin Marguerite zich bevond,
luisterde zij naar den vasten tred der vier mannen, die zich snel
verwijderden.
Het was alom zoo stil in haar omgeving, dat zij, met het oor dicht
aan den grond liggend, duidelijk het geluid der voetstappen kon
vernemen van de soldaten, toen dezen een zijpad insloegen; ook gaf
een weerkaatsend gekraak der oude wagenwielen haar te kennen, dat de
vijand een kwart mijl van haar kon verwijderd zijn.
Hoe lang zij daar had gelegen wist zij niet. Tijdberekening was haar
geheel ontgaan; droomerig zag ze op naar het door de maan verlicht
uitspansel, luisterend naar het eentonig gedruisch der rusteloos
voortrollende zee.
Zij wist het niet!
Zij wist evenmin, of Percy op dit oogenblik den soldaten der Republiek
in handen was gevallen. Zij wist evenmin, of het levenloos lichaam
van Armand niet ginds in de hut lag, terwijl het Percy was gelukt te
ontsnappen, om slechts te vernemen, dat het zijn vrouw was, die den
bloedhonden, in menschengedaante, tot geleide had verstrekt ten einde
hem, haar broeder Armand en diens vrienden in het verderf te storten.
Haar lichaamspijn en haar gemoedsgesteldheid waren van dien aard,
dat zij hoopte hier onder dien helderen hemel, bij het gedruisch der
nabijzijnde zee, na al wat zij in de laatste paar dagen had meegemaakt,
te mogen sterven.
Een indrukwekkende stilte waarde om haar heen in de rotsachtige
omgeving, door niets anders afgewisseld dan het woelen der branding,
het neerploffend breken van golven, die uiteenspatten tegen de klippen
van den oever.
Plotseling... brak een geluid... het vreemdste voorzeker, dat deze
eenzame rotsen van Frankrijk ooit hadden vernomen, de plechtige stilte
van het zeestrand af.
Het was zulk een zonderling geluid, dat het zachte westenwindje
ophield te suizen, de keisteentjes van de steile riffen niet meer
naar beneden gleden!
Het was het geluid van de bekende, hartige, Britsche verwensching,
het eenige Engelsche "Damn!"
Marguerite vertrouwde haar ooren niet. Zich half oprichtend op
haar handen, spande zij alle krachten in om te zien of te hooren,
de beteekenis te vatten van dit zeer aardsche geluid.
Gedurende enkele seconden heerschte andermaal hetzelfde indrukwekkend
zwijgen in de uitgestrekte eenzame wildernis.
Haar hart hield op met kloppen.
"Ik wou, dat die vervloekte kerels me niet zoo'n geduchte rammeling
hadden toegediend!"
Ditmaal was er geen vergissing mogelijk, alleen een paar werkelijk
Engelsche lippen konden deze woorden hebben geuit, op slaperigen,
lijzigen, gemaakten toon.
"Damn!" herhaalden diezelfde Britsche lippen, met nadruk. "Ik voel
me zoo lam als een afgeranselde hond!"
In een ommezien was Marguerite op de been.
Droomde ze?
Zij luisterde andermaal, en weer klonken die aardsche geluiden in
flink en krachtig Engelsch.