"Ja," zei ze met een zwakke poging tot opgeruimdheid, "dat kan ik u wel

beloven. Maak u niet bezorgd, ik zal mijn gelegenheid afwachten en hem

dienen op de wijze, waarop ik denk, dat hij het meest behoefte heeft."

"Zoo ik Blakeney binnen een half uur niet ontmoet," zei Sir Andrew,

"zal ik terugkomen, in de hoop hem hier aan te treffen."

Terwijl zij vlug de vermolmde houten treden beklom, die naar de

vliering leidden, sloeg Sir Andrew haar gade, totdat zij boven was

aangeland. Zij schoof de versleten gordijnen terzijde, en de jonkman

merkte op, dat zij daar een bijzonder geschikte schuilplaats had,

om ongezien te kunnen waarnemen en hooren. Met een hoofdknik tot

afscheid, begaf hij zich naar buiten in den duisteren nacht.

DRIE EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

DE VALSTRIK.

Het volgend kwartier ging zonder eenig voorval voorbij. In het

benedenvertrek had Brogard zich een poos onledig gehouden met het

opruimen van de tafel, om deze voor een anderen gast in gereedheid

te brengen.

In het gadeslaan van deze toebereidselen vond Marguerite, dat de tijd

meer afwisselend voortkroop. Het was voor Percy, dat nu iets werd

aangericht, wat naar een souper moest lijken. Klaarblijkelijk koesterde

Brogard iets, wat naar ontzag geleek, voor den langen Engelschman,

daar hij zich eenige moeite scheen te geven, om het krot wat ooglijker

te maken dan hij te voren had gedaan.

Zelfs haalde hij iets voor den dag, dat er als een tafellaken uitzag,

en toen hij het uitspreidde en al de gaten zag, schudde hij een

poos twijfelachtig het hoofd, want het kostte hem veel moeite met

het laken zóódanig de tafel te dekken, dat men gaten noch vlekken

kon onderscheiden.

Daarop legde hij een servet neer, al even oud en versleten, veegde

er zorgvuldig de glazen, lepels en borden mee af, die hij vervolgens

op den disch plaatste.

Marguerite kon niet nalaten te glimlachen, terwijl zij al deze

toebereidselen gadesloeg.

Toen de tafel aangericht was--zooals het naar omstandigheden

ging--overzag Brogard zijn werk met blijkbare voldoening. Hij stofte

vervolgens enkele stoelen af mèt een slip van zijn kiel, roerde

even in den soepketel, wierp wat hout op den vuurhaard en slofte het

vertrek uit.

Marguerite was alleen overgelaten aan haar overpeinzingen, zij zat

tamelijk wel op haar legerstede, want het stroo ervan was versch.

Plotseling trof het geluid van verwijderde voetstappen, die al

nader kwamen, haar fijn gehoor; haar hart sprong op van vreugde! Zou

het dan Percy zijn? Neen, de stap was niet zoo lang, ook niet zoo

veerkrachtig als de zijne; ook wilde het haar voorkomen, dat ze twee

verschillende voetstappen hoorde. Twee mannen kwamen op de herberg

af. Twee vreemdelingen misschien, om een dronk wijn, of..

"Hei daar! Burger Brogard! Hola!"

Marguerite kon de nieuwaangekomenen niet onderscheiden, maar door een

gaatje van een der gordijnen was een gedeelte van het benedenvertrek

voor haar zichtbaar.

Zij vernam den schoorvoetenden gang van Brogard, die uit de binnenkamer

te voorschijn kwam. De vreemdelingen gewaarwordend, bleef hij in

het midden der gelagkamer staan, zoodat Marguerite hem goed in het

oog kreeg, hij keek de bezoekers met nog verachtelijker blik aan dan

waarmee hij zijn eerste gasten had aangezien, en mompelde "Sacrrée

Soutane! vervl... priestertoog!"

Het hart van Marguerite scheen eensklaps stil te staan; haar groote

wijdgespalkte oogen vestigden zich op een der nieuw aangekomenen,

die met haastigen tred op Brogard afkwam. Hij was gekleed in de

priesterlijke toga, met den breedgeranden hoed en gespschoenen, zooals

de meeste katholieke geestelijken. Maar tegenover den herbergier

staande, liet hij even onder zijn mantel de officieele driekleurige

sjerp zien, op het gezicht waarvan de laatdunkende houding van Brogard

plaats maakte voor nederige onderdanigheid.

Het gezicht van dezen Franschen curé (pastoor) deed het bloed in

Marguerite's aderen stollen. Zijn gelaatstrekken kon zij weliswaar

door het breedgerande hoofddeksel niet onderscheiden, maar zij

herkende de dunne beenige vingers, de eenigszins gebogen houding,

den gang van den man! Het was Chauvelin!

Het schrikwekkende van den toestand was voor haar een onverhoedsche

slag; de vrees voor hetgeen stond te gebeuren deed haar duizelen.

"Een bord soep en een glas wijn!" beval Chauvelin op gebiedenden toon,

"en scheer je weg--begrepen? Ik wensch hier alleen te zijn!"

Zwijgend, en zonder eenig mopperen, gehoorzaamde Brogard

ditmaal. Chauvelin zette zich aan de tafel, die voor den langen

Engelschman was aangerecht, en de herbergier beijverde zich

dienstvaardig met het opdisschen van de soep en uitschenken van den

wijn. De man, die met Chauvelin was binnengekomen en dien Marguerite

niet kon zien, stond bij de deur te wachten.

Op een wenk van Chauvelin haastte Brogard zich naar zijn binnenkamer

en de agent der Republiek gaf nu een teeken aan den man, die hem

had vergezeld.

In dit individu herkende Marguerite terstond Desgas, Chauvelin's

geheimschrijver, dien zij dikwerf in vervlogen dagen te Parijs ontmoet

had. Hij liep het vertrek door en luisterde eenige oogenblikken

aandachtig aan de deur van het binnenvertrek.

"Geen luistervinken?" vroeg Chauvelin kortaf.

"Neen burger."

Een oogenblik bekroop Marguerite de vrees, dat Chauvelin zijn

handlanger zou bevelen de omgeving na te gaan; wat er gebeuren

zou, indien men haar mocht ontdekken, durfde zij zich niet voor te

stellen. Gelukkig, dat hij Desgas weer spoedig tot zich riep.

"De Engelsche schoener?"

"Men heeft hem bij zonsondergang uit het gezicht verloren, burger,"

antwoordde Desgas, "maar hij zette toen koers naar het westen, naar

Kaap Gris-Nez."

"Ha! goed zoo!" mompelde Chauvelin, "en nu, wat weet je van kapitein

Jutley? Wat heeft die gezegd?

"Hij heeft me verzekerd, dat alle orders, die u hem de vorige week

deedt toekomen, strikt zijn uitgevoerd. Alle wegen, die naar hier

uitloopen, zijn bij nacht en dag door patrouilles verkend; het strand

en de riffen worden streng bewaakt."

"Weet hij, waar de hut is van dien "Vader Blanchard"?"

"Neen, burger, niemand schijnt die bij dezen naam te kennen. Er zijn

een massa visscherswoningen langs de kust... maar..."

"Genoeg. Maar wat betreft het zaakje van dezen nacht?" viel Chauvelin

hem ongeduldig in de rede.

"De wegen en het strand worden als naar gewoonte verkend, burger,

en kapitein Jutley wacht verdere orders."

"Ga dan terstond naar hem toe. Zeg hem, dat hij de verschillende

patrouilles moet aanvullen, en vooral die langs de kust, begrepen?"

Chauvelin sprak kortaf en zakelijk, ieder woord, dat hij uitte,

was als een dolksteek in Marguerite's hart.

"De manschappen," ging hij voort, "moeten het scherpst mogelijk

acht slaan op iederen vreemdeling, die te voet, te paard of per as

opdaagt. Vooral dienen ze daarbij in het oog te houden een man van

rijzige gestalte, dien ik niet verder behoef te signaleeren, want

naar alle waarschijnlijkheid zal hij wel vermomd zijn; zijn lengte

evenwel kan hij niet anders verbergen dan door gebogen te gaan. Heb

je me begrepen?"

"Volkomen, burger," antwoordde Desgas.

"Zoodra een der manschappen een vreemdeling bespeurt, moeten twee

hunner hem in het oog houden. De man, die den rijzigen vreemdeling,

nadat deze eenmaal is herkend, uit het oog verliest, zal zijn

nalatigheid met zijn leven boeten. Eén man maar moet regelrecht naar

hier rijden en mij rapport uitbrengen. Is dit duidelijk?"

"Helder als glas, burger."

"Goed dan. Ga nu heen en zie, dat je Jutley terstond te spreken

krijgt. Zorg ervoor, dat de versterkingen van de patrouilles

onmiddellijk worden afgezonden, vraag dan den kapitein een half dozijn

manschappen en breng die hier heen. Binnen tien minuten kan je terug

zijn. Ga--"

Desgas groette en ging naar de deur.

Terwijl Marguerite, van schrik verstijfd, aandachtig luisterde naar

Chauvelin's instructies aan zijn ondergeschikte, stond het geheele

plan voor de arrestatie van den Rooden Pimpernel haar zonneklaar in

al zijn schrikwekkendheid voor den geest. Het lag in de bedoeling van

Chauvelin, de vluchtelingen, die in hun verborgen schuilhoek de komst

verbeiden van den Rooden Pimpernel, in den valschen waan te laten van

een op handen zijnde bevrijding. Want de stoutmoedige samenzweerder

moest omsingeld en op heeter daad worden betrapt in zijn hulp verleenen

aan koningsgezinden, die verraders waren van de Republiek. Wanneer deze

vangst ook al naar buiten ruchtbaar werd, zou de Britsche Regeering

niet te zijnen gunste kunnen interveniëeren. Naardien hij met de

vijanden der Fransche Republiek had geheuld, had Frankrijk het recht

met zijn persoon naar goedvinden te handelen.

Desgas stond op het punt te gaan, maar Chauvelin riep hem andermaal

terug. Het schemerde Marguerite vaag voor den geest, welke verdere

duivelsche plannen Chauvelin mocht koesteren, om slechts één enkel

dapper man in de val te laten loopen en twintig anderen hun gang te

laten gaan. Ze keek naar den agent op het oogenblik, dat hij zich

omkeerde om Desgas te woord te staan, en ze kon zijn gezicht onder den

breed-geranden pastoorssteek duidelijk onderscheiden. Er stond zulk

een ontzettende haat te lezen op dat smal bleek gelaat, in die kleine

vossenoogen, dat Marguerite's laatste hoop verdween uit haar hart,

want ze gevoelde, dat van dezen man geen genade te verwachten was.

"Ik had vergeten," zei Chauvelin, zich glimlachend de handen wrijvend,

"dat de lange Engelschman zich te weer kan stellen. In dat geval geen

schot, denk erom, alleen bij hooge noodzakelijkheid. Ik moet den man,

zoo maar eenigszins mogelijk, levend in handen krijgen."

Hij ging voort met grijnslachen en zich te verkneukelen in het

vooruitzicht zijner aanstaande zegepraal.

Zijn plannen waren goed doordacht, en wel mocht hij er prat op

gaan. Geen sluipgangetje was overgebleven, waardoor zijn vijand

kon ontsnappen. Iedere weg werd bewaakt, iedere hoek had een

schildwacht, en in een eenzame hut, ergens op de kust, wachtte een

hoopje vluchtelingen op hun bevrijder, die zelf met hen den dood in

de kaken liep!

Boven alles was het hem er om te doen, den sluwen tegenstander

machteloos aan zijn voeten te zien, hij wenschte te genieten van diens

val. En zij, de vrouw, die hem liefhad, die de oorzaak was van alles,

zij vermocht niets te zijner redding!

Niets, alleen de hoop was haar gebleven aan zijn zijde te sterven,

hem in dat kortstondig oogenblik te zeggen, dat zij hem altijd had

liefgehad.

Chauvelin zat dicht bij de tafel. Hij had den steek der geestelijken

afgenomen, en Marguerite kon juist de lijnen nagaan van zijn mager

profiel en spitse kin, toen hij zich heenboog over zijn schraal souper.

Terwijl zij hem zoo gadesloeg, trof plotseling een geluid haar oor,

dat haar het hart deed krimpen in den boezem, het vroolijk geluid eener

heldere stem, die de Engelsche nationaalhymne zong uit volle borst:

"God, save the King!"

VIER EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

DE LEEUW EN DE VOS.

Marguerite's adem stokte; het was, of haar bloed stil stond, toen ze

luisterde naar die stem, naar dien zang.

In den zanger had ze haar echtgenoot herkend. Ook Chauvelin had het

volkslied gehoord, want hij wierp een snellen blik naar de deur,

en zette in aller ijl den breedgeranden steek weer op zijn hoofd.

De stem kwam nader; in een ommezien voelde Marguerite het onstuimig

verlangen in haar opwellen om de trap af te snellen, door de gelagkamer

te vliegen, een einde te maken aan dien zang tot iederen prijs,

den vroolijken zanger te smeeken de vlucht te nemen, zoo hij zijn

leven liefhad, eer het te laat mocht zijn. Nog intijds vermocht ze

dit opwellend gevoel te onderdrukken. Chauvelin toch zou haar den

uitgang hebben versperd, en hij mocht eens soldaten in zijn nabijheid

hebben! Haar handeling zou het onmiddellijk doodvonnis zijn geweest

van den man, voor wiens redding zij haar eigen leven veil had.

"Long to reign over us,

God save the King!"

ging de stem vroolijker voort dan in den beginne, kort daarop werd

de deur geopend en heerschte er gedurende een paar seconden een

doodelijke stilte in het vertrek.

Marguerite kon de deur nu niet zien; ze hield haren adem in, zij

trachtte zich voor te stellen, wat er zou gebeuren.

Bij zijn binnenkomen had Percy Blakeney den gewaanden pastoor

terstond in het oog gekregen. Hij was even stil blijven staan,

doch zijn aarzelen duurde geen drie seconden, terstond daarop zag

Marguerite zijn rijzige figuur door het vertrek schrijden, terwijl

hij luidkeels en met vroolijke stem riep:--

"Hei daar! Is er niemand bij de hand? Waar zit die malle Brogard?"

Hij droeg de prachtige jas en het rijkostuum, dat Marguerite, zooveel

uren geleden, hem te Richmond had zien aanhebben. Wezenlijk, op dit

uur had Baronet Sir Percy Blakeney even goed op weg kunnen zijn naar

een tuinfeest van den Prins van Wales, in plaats van voorbedachtelijk

in een valstrik te loopen, dien zijn doodsvijand hem had gespannen.

Hij bleef nog een oogenblik staan in het midden van de gelagkamer,

terwijl Marguerite, door schrik verlamd, nauwelijks vermocht adem

te halen.

Ieder oogenblik verwachtte ze, dat Chauvelin een sein zou geven,

het vertrek met soldaten te zien gevuld, en zij naar beneden moest

snellen om Percy bij te staan, hem aanzetten zijn leven zoo duur

mogelijk te verkoopen.

Maar Blakeney trad kalm op de tafel toe en den curé op den schouder

kloppend:--

"Kijk... kijk... hm... Meneer Chauvelin... ik had wezenlijk nooit

kunnen denken u hier te ontmoeten."

Chauvelin, die een lepel soep had geslikt, dacht te stikken. Zijn

schraal gezicht werd purperrood, een hevige hoestbui kwam hem bijzonder

te stade, ze redde hem uit de netelige positie om de grootste verbazing

te moeten doen blijken, die hij ooit had ondervonden. Geen twijfel

of deze ontmaskering door Blakeney was hem als een koudwaterstraal

op het lijf gevallen en had hem voor het oogenblik geheel van zijn

stuk gebracht.

Klaarblijkelijk was het een fout zijnerzijds, dat hij de herberg niet

met een kordon soldaten had afgezet. Blakeney had deze strategische

fout doorzien en voorzeker rijpte in diens brein reeds een plan om

van deze onverwachte ontmoeting partij te trekken.

Marguerite had in haar zolderkamertje geen vin verroerd. Zij had

Sir Andrew plechtig beloofd, haar echtgenoot in tegenwoordigheid

van vreemden niet aan te spreken. Daar stil te moeten zitten en

deze twee mannen gade te slaan, was een vreeselijke toestand. Zij

had Chauvelin orders hooren uitdeelen, alle wegen en toegangen door

patrouilles te verkennen. Ze wist, dat, zoo Percy nu de "Chat Gris"

mocht verlaten--welke richting hij ook mocht nemen--hij geen stap

zou kunnen doen, zonder door een der soldaten van Kapitein Jutley te

worden opgemerkt. Van den anderen kant, zoo hij bleef, zou Desgas

tijd hebben, terug te komen met het half dozijn manschappen, door

Chauvelin speciaal gecommandeerd om ter plaatse te verschijnen.

De val was goed gezet. Aan Marguerite schoot niets anders over dan

toekijken en in angstige gissingen zich te verdiepen. De twee mannen

vormden onderling zulk een vreemd contrast, van hen beiden was het

Chauvelin, die een zweem van vrees aan den dag legde. Hij was niet zoo

zeer beducht voor zijn eigen persoon, hoewel alleen in een afgelegen

herberg met een krachtig gebouwd man, maar hij vreesde, dat deze

onbeschaamde, alles trotseerende Engelschman, zoo hij hem, Chauvelin,

neervelde, zijn kansen van ontsnappen zou verdubbelen. Zijn, Chauvelins

ondergeschikten, mochten er eens niet zoo goed in slagen zich meester

te maken van den Rooden Pimpernel, zoo ze niet door zijn hand--zijn

hoofd vooral--werden geleid. Maar Blakeney klopte hem, zoo idiotig

mogelijk lachend, als een echte Joris Goedbloed, op den schouder: --

"Het spijt me geweldig..." zei hij goedlachs, "innig leed... doet

het me... u zoo... hm... van de wijs te brengen... nog wel bij

het eten... vervl... kost, soep... een vriend van me is er aan

gestorven... èè... stikte... net als u... van een lepel soep."

En jolig lachend, zag hij Chauvelin vlak in het gezicht.

"Een beestachtig hol dit... vindt u niet?" ging hij voort. "Komaan,

u zult er niets tegen hebben?" voegde hij er bij wijze van excuus

aan toe, een stoel opnemend en zich aan tafel zettend, terwijl hij de

soepterrine naar zich toe haalde. "Die sloomert van Brogard schijnt

een uiltje te knappen."

Er stond een tweede bord op tafel, hij bediende zich kalm van de soep,

en schonk zich een glas wijn in.

Chauvelin stak hem de hand toe en zei vergenoegd:

"Het doet me wezenlijk genoegen u te zien, Sir Percy. U moet me

excuseeren... hm... ik dacht u goed en wel aan den overkant van het

Kanaal. Zoo'n plotselinge verrassing deed me schrikken."

"Jawel!" zei Percy glimlachend op zijn manier, "daarvan kwam 't,

eh... mijn... heer Chaubertin, niet waar?"

"Chauvelin--met uw verlof."

"Duizendmaal verschooning. Jawel--Chauvelin natuurlijk... Eh... ik

sta met vreemde namen altijd op gespannen voet..."

Hij nuttigde bedaard zijn soep, terwijl hij doorging zich te

verkneukelen, alsof hij de heele reisroute van Calais had gemaakt met

de eenige bedoeling om in deze vieze herberg zijn souper te gebruiken,

in het gezelschap van zijn doodsvijand.

Marguerite verwonderde zich, waarom Percy den kleinen Franschman niet

van de been sloeg--er moest toch wel zoo iets, nu en dan, hem door

het hoofd hebben gespeeld, te oordeelen naar de dreigende flikkering

van zijn oogen, als deze een oogenblik zich vestigden op de schrale

figuur van Chauvelin.

Maar het scherp vernuft, dat zoovele stoute stukjes had beraamd en

uitgehaald, doorzag maar al te zeer, dat men niet onnoodig gevaarlijke

kansen moet wagen. Deze plaats kon met spionnen bezet zijn; de

herbergier was wellicht een handlanger van Chauvelin. Eén teeken van

den agent der Republiek kon twintig man voor hem doen opdagen, hij

zou gevangen worden genomen, voor hij de vluchtelingen kon helpen of

waarschuwen, zoo noodig. Dit wilde hij niet in de waagschaal leggen;

zijn doel was anderen bij te staan, hen in veiligheid te brengen;

hij had hun zijn woord verpand, dat woord wilde hij gestand doen,

en al etend en pratend, dacht hij na en beraamde zijn plan.

"Het was me onbekend," zei Blakeney joviaal, "dat u... eh... de

priesterwijding hadt ontvangen."

"Ik... hé... hm!" stamelde Chauvelin. De kalme onbeschaamdheid van

zijn tegenstander had hem geheel de kluts doen kwijt raken.

"Och, maar! Ik zou u altijd en overal herkend hebben," ging Percy

kalm voort, zich nog eens inschenkend, "hoewel die pruik en steek u

iets veranderd hebben."

"Meent u?"

"La, la! die veranderen iemand danig... maar... ik wil hopen, dat u

mijn opmerking ten goede zult houden?... opmerkingen maken getuigt

van slechte manieren... u neemt het me niet kwalijk, hoop ik?"

"Neen, neen, volstrekt niet--hm! Lady Blakeney wèl?" vroeg Chauvelin

zich haastend aan het gesprek een andere wending te geven.

Percy at zijn bord soep leeg, dronk zijn glas wijn uit, en antwoordde

eindelijk droogjes: "Heel wèl, dank u." Er ontstond een pauze,

gedurende welke Marguerite de twee tegenstanders kon gadeslaan,

die zich met elkander schenen te meten. Zij kon Percy bijna geheel

in het gezicht zien, daar hij geen tien meter van de plek, waar

zij gehurkt toekeek, aan tafel zat. Ze was verlegen met zichzelf,

daar ze niet wist, wat ze moest denken of doen. Ze had de aandrift,

die ze in den beginne gevoelde, om naar beneden te snellen en zich

aan haar echtgenoot te vertoonen, bedwongen.

Chauvelin, die zijn ongeduld trachtte te verbergen, raadpleegde zijn

horloge. Desgas kon niet lang meer uitblijven; nog een paar minuten,

en deze onbeschaamde Engelschman zou door een twaalftal van kapitein

Jutley's meest vertrouwde manschappen in verzekerde bewaring worden

genomen.

"U zijt op weg naar Parijs, Sir Percy?" vroeg Chauvelin onverschillig.

"Neen, neen," antwoordde Blakeney glimlachend. "Ik ga niet verder

dan Lille--van Parijs moet ik niets hebben... ellendige, ongezellige

stad... Parijs, op het oogenblik... hè, Monsieur Chambertin... pardon

... Chauvelin!"

"Niet voor een Engelschman van uw slag, Sir Percy," zei Chauvelin met

een sarkastischen grijnslach, "die zich niet bemoeit met den strijd,

die daar momenteel woedt."

"Ah! U begrijpt, dat het mij niet aangaat, wat ze daar uitvoeren,

en onze Regeering schijnt het geheel met uw zaken eens. U schijnt

haast te hebben, meneer," ging Percy voort, toen Chauvelin andermaal

op zijn horloge keek; "een afspraak misschien... Wat ik u verzoeken

mag, stoor u niet aan mij... Ik heb allen tijd..."

Hij stond van tafel op en schoof een stoel bij den haard. Marguerite

voelde een vreeselijken drang tot hem te gaan, want de tijd verliep;

Desgas kon ieder oogenblik met zijn manschappen komen. Percy wist

niets daarvan en... o, God! hoe vreeselijk was dat niet--hoe gevoelde

zij zich machteloos tegenover dezen toestand!

"Ik ben volstrekt niet gepresseerd," hernam Percy luchthartig, "maar

toch ligt het niet op mijn weg, meer tijd dan hoog noodig is in dit

hol te verspillen!"

"Maar, meneer," vervolgde hij, ziende, dat Chauvelin ten derden male

zijn horloge raadpleegde, "uw uurwerk zal er toch niet sneller om

gaan met al dat gekijk. U is bepaald iemand wachtend."

"Ja... een vriend!"

Met den hak zijner laars schopte Blakeney het houtvuur wat aan, zoodat

de vlammen opflikkerden in den ouden haard. Hij scheen geen haast te

hebben om op te stappen en blijkbaar geheel onbewust van het gevaar,

dat hem boven het hoofd hing. Hij trok nog een stoel bij het vuur, en

Chauvelin zette er zich op neer met het gezicht naar de deur. Desgas

was nu ruim een kwartier weg. Marguerite begreep duidelijk dat,

zoodra deze kwam opdagen, Chauvelin al zijn andere plannen omtrent

de vluchtelingen zou laten varen, ten einde den onbeschaamden Rooden

Pimpernel in boeien te laten slaan.

"Hè, meneer Chauvelin," zei Percy opeens zeer luchtig, "vertel me

eens, is uw vriendin een mooi meisje? Heel aardig kunnen de kleine

Fransche vrouwtjes er soms uitzien--het mijne--"

Maar Chauvelin luisterde niet meer. Zijn aandacht was nu

geheel geconcentreerd op de deur, waardoor straks Desgas moest

binnenkomen. Ook Marguerite's gedachten waren erop gevestigd, want in

de stilte van den nacht drong eensklaps het geluid van vele afgemeten

voetstappen op een afstand tot haar door.

Het was Desgas met zijn soldaten. Nog enkele minuten, twee of drie,

en ze zouden binnenkomen! Nog een drie minuten en het vreeselijkste

zou een voldongen feit zijn! Zij voelde den drang weer opkomen naar

Percy te snellen, of althans met een schreeuw hem te waarschuwen,

zij verloor hem geen seconde uit het oog. Hij stond bij de tafel,

waarop de overblijfselen zich bevonden van het souper, borden, glazen,

zout, peper enz. in schromelijke wanorde dooreen. Hij had Chauvelin

den rug toegekeerd en pruttelde op zijn gewone, gemaakte, idiotige

manier allen mogelijken onzin binnensmonds. Maar uit zijn zak haalde

hij zijn snuifdoos te voorschijn, en in een omzien had hij deze met

den aanwezigen voorraad peper gevuld.

Daarop keerde hij zich weer om, en met een onzinnigen lach tot

Chauvelin:

"Hè... zei u wat, meneer?"

Chauvelin had met zoo'n gespannen aandacht het oor geleend aan de

naderende voetstappen, dat hij geen nota had kunnen nemen, van hetgeen

zijn tegenstander had uitgevoerd.

"Neen," antwoordde hij, "wat zei u ook weer, Sir Percy?"

"Ik zei," gaf Blakeney kwansuis te kennen, "dat de Jood in Piccadilly

me ditmaal betere snuif heeft verkocht dan ik ooit van hem heb

gehad. Wil u mij de eer aandoen, Monsieur l'Abbé?"

Hij stond dicht bij Chauvelin, in zijn gewone achtelooze houding,

en hield zijn aartsvijand de snuifdoos voor.

Chauvelin, die zooals hij Marguerite eens had gezegd, nogal streken in

zijn leven had uitgehaald, was op deze list nooit bedacht geweest. Het

eene oor gespitst op de naderende voetstappen, één oog op de deur,

waardoor Desgas en zijn manschappen zoo aanstonds moesten binnenkomen,

kon hij geen vermoeden hebben van de poets, die hem nu werd gebakken.

Hij nam een snuifje.

De Roode Pimpernel · 第 10 / 14 段