Mr. Jellyband was Sir Andrew op den voet gevolgd en keek als iemand,

die het in Keulen hoorde donderen.

Hij ontkurkte de flesch wijn, zette de stoelen gereed en wachtte.

"Heb dank, waarde vriend," zei Marguerite, nog steeds lachend bij de

gedachte, wat er in het hoofd van den waard op dit oogenblik moest

omgaan, "we hebben niets meer te verlangen, hier is iets voor de

moeite, die ge u voor ons hebt gegeven."

Ze stak Jellyband twee goudstukken toe, die deze eerbiedig aannam.

"Wacht even, Jelly," bracht Sir Andrew in het midden: "Lady Blakeney,

ik vrees, we zullen iets meer moeten eischen van vriend Jelly's

gastvrijheid. Het spijt me te moeten zeggen, dat we van nacht niet

kunnen overvaren."

"Van nacht niet overvaren?" herhaalde Marguerite verbaasd. "Maar

we moeten, Sir Andrew, we moeten! Er kan geen sprake zijn van niet

kunnen, en wat het ook kosten moge, we moeten zien van nacht een

schip te charteren."

Maar de jonkman schudde treurig het hoofd.

"Het zal geen kwestie zijn van kosten, Lady Blakeney. Er waait een

ruwe storm van de Fransche kust, we hebben den wind vlak tegen,

er valt met geen mogelijkheid te zeilen bij zulk weer."

Marguerite werd doodsbleek. Dit had zij niet voorzien.

"Maar we moeten gaan!--we moeten!" herhaalde ze driftig, "ge weet toch,

dat alles ervan afhangt! Kunt ge er niets op vinden? Is er dan geen

kans hoegenaamd?"

"Ik ben al naar het strand geweest," zei Sir Andrew. "Welken zeeman ik

ook aansprak, allen verzekerden ze me, dat van uitzeilen geen kwestie

kan zijn. Niemand," voegde hij erbij, Marguerite veelbeteekenend

aanziende, "niemand zou van nacht in zee kunnen steken."

Lady Blakeney begreep terstond, wat met "niemand" bedoeld

werd. Chauvelin evenmin als zij. Zij knikte Jellyband toe.

"Welnu, dan moet ik er wel vrede mee hebben," zei ze tot den

herbergier. "Hebt u een kamer voor mij?"

"Wel zeker, Milady. Een lieve, gezellige, frissche kamer. Ik zal er

dadelijk werk van maken... En voor Sir Andrew is er ook zoo een--beide

geheel in orde."

"Nu, Jelly, dat vind ik uitstekend," zei Sir Andrew vroolijk, den

gastheer op zijn schouder kloppend. "Je maakt de twee kamers open en

laat de blakers met de kaarsen maar hier. Je zult wel doodmoe zijn,

en Milady moet wat eten, voordat zij ter ruste gaat."

"Ik zal er terstond voor zorgen, Sir," zei hij. "Heeft Milady het

noodige voor een souper?"

"Alles, dank u, waarde vriend, en ga, daar ik honger heb en ook

doodmoe ben, nu maar heen en zorg voor mijn logies."

"Vertel me nu eens," drong ze aan, zoodra Jellyband zijn hielen

gelicht had, "zeg me, Sir Andrew, al wat ge weet."

"Er valt niet veel meer te vertellen, Lady Blakeney," hernam de

jonkman. "De storm verhindert ieder schip om nu uit te gaan. Maar

als wij van nacht niet naar Frankrijk kunnen oversteken, dan zit

Chauvelin in hetzelfde parket."

"Hij kan zijn uitgegaan, voordat de storm losbrak."

"Dat geve God!" zei Sir Andrew met leedvermaak, "want dan is hij ook

bepaald uit den koers gedreven! Wie weet? Hij kan zelfs nu op den bodem

liggen van het Kanaal. Maar alle zeelui, die ik heb aangesproken,

zeiden me eenparig, dat sedert uren geen schoener van Dover was

vertrokken. Van den anderen kant is me gezegd, dat een buitenlander,

die per postrijtuig dezen namiddag was aangekomen, ernaar geïnformeerd

had of hij ook naar Frankrijk kon oversteken."

"Dus zou Chauvelin in Dover zitten?"

"Zonder twijfel. Zal ik gaan en hem overhoop steken? Dat zou wel de

meest practische manier zijn om uit de moeilijkheid te geraken."

"Neen! Sir Andrew, laten we niet gekscheren. Helaas! sedert den

laatsten avond heb ik mezelve op den wensch betrapt, dat die duivel

mocht sterven. Maar wat u aangeeft is een onmogelijkheid!"

Sir Andrew overreedde haar te gaan zitten, iets te eten en een glas

wijn te drinken. Deze gedwongen rust van minstens twaalf uren, tot het

eerstkomend getij was zeker moeilijk te harden in den hoogst opgewonden

toestand, waarin de Lady verkeerde. Hij maakte haar recht gelukkig

door over Percy te spreken. Hij haalde in haar tegenwoordigheid op

van de stoutmoedige ontsnappingen, die de dappere Roode Pimpernel

voor de Fransche vluchtelingen al had uitgedacht en uitgevoerd. Hij

liet haar vroolijk lachen over de vele vermommingen, waarmede hij

de scherpst toeziende schildwachten aan de barrières van Parijs had

verschalkt. Het laatste feit, de ontsnapping van de Gravin de Tournay

en haar kinderen, was een waar meesterstuk geweest.

En zoo verliep er een uur. Er waren er evenwel nog meer voor den

boeg. Met een ongeduldigen zucht stond Marguerite van tafel op.

Zij dacht er over, waar Percy nu kon zijn. De Day Dream was een hecht

gebouwd, zeewaardig jacht. Sir Andrew gaf als zijn meening te kennen,

dat het buiten twijfel over het Kanaal was gekomen vóór het losbreken

van den storm, en anders rustig te Gravesend moest liggen.

Briggs was een ervaren zeeman en Sir Percy wist een schoener even

goed als de beste gezagvoerder te besturen. De storm zou hen niet in

gevaar hebben gebracht.

Middernacht was lang voorbij, toen Marguerite eindelijk zich ter

ruste begaf. Zooals ze had voorzien, daalde geen slaap op haar

oogleden en zamelden zich de somberste gedachten op in haar vermoeid

en geteisterd brein.

EEN EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

TE CALAIS.

De vervelendste nachten, de langste dagen komen vroeger of later

ten einde.

Na een slapeloozen nacht stond Marguerite vroegtijdig op, voordat

iemand in huis zich nog verroerde, in vreeselijk opgewonden toestand,

met brandend verlangen de reis te aanvaarden.

Naar beneden komend, trof ze Sir Andrew Foulkes, die reeds in

de gelagkamer zat. Hij was een half uur vroeger uitgegaan naar

den Admirality-Pier en had gehoord dat geen vaartuig Dover nog

kon verlaten. De storm was toen op zijn hoogtepunt, en het getij

verliep. Zoo de wind niet minderde of veranderde, zouden zij, alvorens

men zee kon kiezen, nog een half etmaal moeten wachten tot het volgende

getij. En de storm minderde niet, en het getij liep snel ten einde.

Marguerite geraakte bijna tot wanhoop, toen ze dezen treurigen

tegenspoed vernam. Alleen haar standvastig besluit verhoedde, dat zij

den moed geheel en al liet zakken en aldus den angst van den jonkman

mocht vergrooten. Sir Andrew trachtte die bekommering te ontveinzen,

al bemerkte Marguerite zeer goed, dat hij even bezorgd was als zij, om

tijdig zijn makker en vriend te bereiken. Deze gedwongen werkeloosheid

was vreeselijk voor beiden.

Hoe zij dien vervelenden dag te Dover doorbrachten, kon Marguerite

later nimmer verklaren. Zij was bang zich in het openbaar te vertoonen,

uit vrees, dat Chauvelin's spionnen op den uitkijk zouden staan. Daarom

maakte ze gebruik van een afzonderlijk zitvertrek, en zat zij daar

met Sir Andrew, uur aan uur, na lange tusschenpoozen iets gebruikende,

met niets anders te doen dan denken, gissen en nu en dan eenige hoop

te koesteren.

De storm was juist te laat gaan liggen. De eb was te ver ingetreden,

om eenig vaartuig zee te laten kiezen.

De wind was gekeerd en veranderd in een frissche noordwestelijke bries,

juist de geschikte wind om spoedig mee naar Frankrijk over te steken.

En daar waren deze beiden nu wachtende, uitziende of het uur ooit

zou slaan om eindelijk te vertrekken. Een gelukkige tusschenpoos had

zich tijdens dien langen vervelenden dag voorgedaan, en dat was toen

Sir Andrew andermaal naar den pier was gegaan en daarop terugkwam,

om Marguerite te zeggen, dat hij een handigen schoener had gehuurd,

gereed om zee te kiezen, zoodra de vloed kwam opzetten.

Van dat oogenblik was er minder hopeloosheid in het wachten. Eindelijk

dan, tegen vijf uur in den namiddag, vonden Lady Blakeney en Sir

Andrew Foulkes hun weg naar den pier.

Eenmaal aan boord, deed de fijne, frissche zeelucht haar weldadig aan.

De zonsondergang was prachtig na den storm, en toen Marguerite de

krijtheuvels van Dover van lieverlede uit het gezicht zag verdwijnen,

gevoelde zij zich kalmer en hoopte bijna weer op een goeden uitslag

van haar ondernemen.

Langzamerhand begon Frankrijks grauwe kust weer uit den avondhemel

te dagen en kort daarop landde Marguerite aan den Franschen oever. Ze

was weer terug in haar land, waar op dit oogenblik haar landgenooten

hun medemenschen bij honderden ter slachtbank sleepten, onschuldige

vrouwen en kinderen bij duizenden onder de moordbijl deden sneven.

Uit de blikken der bevolking, zelfs in deze afgelegen stad aan het

zeestrand, sprak het ziedend schuim der revolutie. De mannen droegen

allen roode mutsen met de driekleurige kokarde links, en zagen er

somber en argwanend uit.

Zonder meer dan enkele woorden te wisselen, geleidde Sir Andrew haar

recht door de stad, naar de tegenovergestelde zijde, waar zij geland

waren, op den weg naar Kaap Gris-Nez. Tijdens den storm was er veel

regen gevallen in den afgeloopen nacht, en Marguerite zonk somwijlen

tot over de enkels in de modder, want de wegen verkeerden in een

verschrikkelijken toestand en waren niet verlicht.

Maar zij sloeg geen acht op deze onbeteekenende ongerieflijkheden.

"Wij kunnen Blakeney ontmoeten in de "Chat Gris", had Sir Andrew

gezegd, en zij wandelde als op rozenbladeren, want zij zou hem nagenoeg

terstond ontmoeten.

Eindelijk bereikten zij hun doel. Sir Andrew kende blijkbaar den weg,

want niemand had hij eenige inlichting gevraagd. De duisternis was

reeds te zeer ingevallen voor Marguerite, om het uiterlijk van die

herberg te onderscheiden. De "Chat Gris" was blijkbaar een kleine

aan den weg gelegen kroeg, op geringen afstand van de kust, want het

geruisch der zee scheen van verre tot hen door te dringen.

Sir Andrew klopte met zijn rotting op de deur; een brommend geluid,

gevolgd door eenige vloeken, ontsnapten niet aan Marguerite's oor.--Sir

Andrew klopte andermaal, ditmaal krachtiger; meer vloeken volgden

en daarop hoorde men iemand met langzame schreden zich naar de deur

begeven. Deze werd geopend, en Marguerite stond op den drempel van

het vunzigste vertrek, dat ze ooit in haar leven had gezien.

Het behangsel, zooals het was, hing aan flarden van den muur, er

scheen geen enkel meubelstuk in het vertrek aanwezig, dat op "heel"

kon aanspraak maken. De meeste stoelen hadden gebroken rugleuningen of

geen zitting; een hoek der tafel werd gesteund door een stuk brandhout,

omdat er een poot aan ontbrak.

In een hoek van de gelagkamer hing een soepketel over het vuur. Aan

één zijde van het vertrek, hoog bij de zoldering, bevond zich een

soort vliering, waarvoor een gescheurd gordijn hing, van blauw en wit

gestreepte kleur. Een versleten trap leidde naar dien zolder. Het

vertrek zelf werd flauw verlicht door een viezen reuk afgevende

olielamp.

Op de groote kale muren zag men hier en daar met krijt en in groote

letters de woorden geschreven: "Liberté--Égalité--Fraternité"--de

befaamde, holklinkende leuze "Vrijheid--Gelijkheid--Broederschap".

"Engelsche reizigers, burger!" zei Sir Andrew in het Fransch tot het

individu, dat de deur had geopend, een ouderen, stoer gebouwden boer,

gehuld in een vuilen blauwen kiel, met voeten in zware klompen, waar

rondom stroohalmen uitstaken, vieze bruine kousen en de onvermijdelijke

roode muts met de driekleurige kokarde op het hoofd. In zijn mond

stak een stomp houten pijp, waaruit een geur steeg van knastertabak,

die de reukzenuwen op een zware proef stelde. Met groot wantrouwen

gluurde hij naar de twee reizigers en mompelde binnensmonds; "Sacrrrés

Anglais!" daarbij op den grond spuwend, om zijn onafhankelijkheid

van geest te kennen te geven; niettemin ging hij op zijde om de

"Sacrrrés Anglais" binnen te laten, zonder twijfel wel wetende,

dat deze "Vervloekte Engelschen" altijd wel gevulde beurzen hadden.

"Vreeselijk!" zeide Marguerite, het vertrek binnentredend en haar

zakdoek voor den neus houdend, "wat een schrikwekkend hol is dit! Bèn

je wel zeker, dat het de plaats is?"

"Positief zeker," antwoordde de jonkman, een stoel afstoffend voor

Marguerite, "doch ik moet bekennen, dat ik nooit in mijn leven

afzichtelijker krot heb gezien."

De waard van de "Chat Gris"--Brogard--had van zijn gasten geen verdere

notitie genomen; hij onderstelde, dat ze aanstonds wel wat eten zouden

bestellen, maar hij zou immers geen vrij burger geweest zijn, indien

hij eenige wellevendheid, beleefdheid, of hoe men het noemen wilde,

aan den dag had gelegd tegenover wien ook, althans niet jegens een

welgekleed individu.

Over den haard neergebogen, zat een in lompen gehulde gedaante, naar

alle waarschijnlijkheid een vrouw. Ze zat daar, in zichzelf mopperend,

en nu en dan de soep roerend, om deze tegen aanbranden te behoeden.

"Hei daar, vriend!" zei Sir Andrew ten laatste, "we zouden wel wat

willen eten... De burgeres ginds," voegde hij er bij, terwijl hij

op de vrouw in vodden wees, die bij den haard zat, "maakt, als ik me

niet vergis, daar een heerlijk soepje klaar, en mijn meesteres heeft

sedert uren geen voedsel genuttigd."

Brogard had eenige oogenblikken noodig om het vraagstuk te

overwegen. Een vrij burger staat maar niet zoo terstond klaar, om zich

naar het verlangen te voegen van hen, die iets van hem moeten hebben.

"Sacrrrés aristo's!" mopperde hij, toen hij naar een glazen kast

scharrelde, daaruit een oude tinnen soepterrine te voorschijn haalde

en die, zonder een woord te zeggen, zijn oudje aanreikte, die even

zwijgend dat voorwerp met de soep begon te vullen.

Marguerite had al deze toebereidselen met onverholen walging aangezien.

"Onze gastheer en gastvrouw zijn geen vroolijke menschen," zei Sir

Andrew, den blik van afgrijzen op Marguerite's gezicht ontwarend. "Ik

wenschte u een smakelijker maal te kunnen verschaffen, maar ik denk

wel, dat u de soep genietbaar en den wijn goed zult vinden."

"Maak u omtrent mij niet bezorgd," zei ze minzaam. "Mijn hoofd staat

er volstrekt niet naar, om me over eten te bekreunen."

Brogard legde een paar lepels neer en zette twee glazen op tafel. De

gewaande lakei veegde een en ander zorgvuldig af. De kastelein had ook

een flesch wijn en wat brood voor den dag gehaald, terwijl Marguerite

een poging deed haar stoel bij de tafel te schuiven en aanstalten

maakte om wat te eten. Sir Andrew vervulde daarbij de rol van lakei

en stond achter haar stoel.

De soep was werkelijk niet kwaad, ze voldeed aan geur en

smaak. Marguerite zou ervan genoten hebben, indien de omgeving niet

zoo afstootend was geweest, ze brak evenwel het brood en dronk van

den wijn.

Brogard, na het strikt noodige op tafel te hebben gezet, scheen

zich niet verder om zijn gasten te bekommeren. Moeder Brogard was

stilletjes het vertrek uitgesloft, de man drentelde over den vloer,

zijn walgelijk riekend pijpje smokend, somtijds Marguerite den walm

in het gezicht blazend, zooals hij, als vrij burger en ieders gelijke,

meende te mogen doen.

"De duivel hale dien kerel!" zei Sir Andrew, terwijl Brogard al

rookend tegen de tafel leunde.

Hij had Marguerite's raad gevolgd en was naast haar gaan zitten,

beiden namen ze den schijn aan, alsof zij aten en dronken.

"Zie dat je den vent in zijn humeur houdt," zei Lady Blakeney,

"opdat hij de vragen beantwoorde, die we hem moeten doen."

"Ik zal mijn beste beentje voorzetten, maar liever gaf ik hem een

trap. Zeg eens, vriend," zei Sir Andrew in goed Fransch en Brogard

fideel op den schouder kloppend, "zie je nog al eens luidjes van ons

gehalte in deze streken? Ik bedoel veel Engelsche toeristen."

Brogard keek over zijn schouder naar den spreker, deed een paar

trekken aan zijn pijp, en mompelde:

"Peuh!--somtijds!"

"Ja, Engelsche reizigers weten altijd, waar ze goeden wijn kunnen

krijgen.--Vertel me eens... mijn mevrouw zou graag weten, of je bij

geval een goeje kennis van haar hebt ontmoet, een Engelsche heer,

die nog al eens voor zaken naar Calais komt, hij is een rijzige man,

hij ging onlangs naar Parijs--mijn mevrouw dacht hem te Calais aan

te treffen."

Brogard nam zijn tijd voor een antwoord, daarop kwam het langzaam

bij hem eruit:

"Een lange Engelschman? Vandaag?--Ja."

"Heb j'em gesproken?" vroeg Sir Andrew achteloos.

"Ja, vandaag," mompelde Brogard knorrig. Daarop nam hij kalm Sir

Andrew's hoofddeksel van een nabij staanden stoel, zette dit op,

trok aan zijn smerige kiel, alsof hij met het een en ander wilde

aanduiden, dat het individu in kwestie mooie kleeren droeg. "Sacrré

aristo!" mopperde hij, "die lange Engelschman!"

Marguerite kon nauwelijks een luiden schreeuw inhouden.

"Dat is Sir Percy, het kan niet duidelijker," prevelde ze voor zich.

"Ja wel, vriend," zei Sir Andrew, Brogard met dezelfde gemaakte

luchtigheid toesprekend, "mijn meester draagt altijd mooie kleeren;

de lange Engelschman, dien je gezien hebt, was bepaald de vriend van

mijn mevrouw. En hij is vertrokken, zeg je?"

"Hij ging heen... ja... maar hij komt terug... hier--hij heeft

avondeten besteld..."

"Hier!" bracht Marguerite eensklaps in het midden. "Hier--zei je niet,

dat de Engelsche heer hier terugkwam?"

"Peuh!" mompelde Brogard, "hij heeft eten besteld--hij komt

terug... Sacrré Anglais!"

"Maar... waar is hij?--Weet je dat soms ook?" vroeg Marguerite.

"Hij ging een paard en wagen halen."

"Hoe laat zoo wat?"

Maar Brogard had blijkelijk genoeg van het verhoor. Hij achtte het

niet passend voor een burger--die ieders gelijke was--om op die

manier ondervraagd te worden door die sacrrés aristos, al waren ze

ook rijke Engelschen.

"Dat weet ik niet," antwoordde hij norsch. "Ik heb genoeg gezegd... Hij

bestelde avondeten. Hij ging uit.--Hij zal terugkomen. Voilà!"

En met de afscheidsbeweging van zijn vrij burgerschap en rechten,

die hem veroorloofden zoo brutaal te zijn, als hij verkoos, klotste

burger Brogard het vertrek uit en sloeg de deur achter zich dicht.

TWEE EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

HOOP.

"O, Sir Andrew!" riep Marguerite uit, toen Brogard zich had verwijderd,

"ik zou kunnen dansen van pleizier! Neen, nu hebben we niets meer te

vreezen. Onze sloep ligt aan het strand, onze schoener aan de ree,

en Blakeney zal hier komen, onder ditzelfde dak; binnen een half uur

misschien. Neen! er is niets, dat ons in den weg staat, Chauvelin en

zijn bende zijn nog niet aangekomen."

"Neen, Milady, ik vrees, dat we dit niet weten."

"Wat wilt ge daarmee zeggen?"

"Chauvelin was te Dover, gelijk met ons."

"Toch ook als wij opgehouden door den storm?"

"Precies. Maar ik heb het u te voren niet willen zeggen, uit vrees

van u ongerust te maken--ik zag Chauvelin aan het strand, een vijf

minuten voordat wij ons inscheepten. Al was hij vermomd als een curé,

een volmaakt dorpspastoor, ik had hem toch in de gaten. Ik hoorde hem

onderhandelen over een schoener, die hem spoedig naar Calais moest

brengen; hij zal zoowat binnen een uur na ons van wal zijn gestoken."

De vreugde van Marguerite's gelaat had spoedig plaats gemaakt

voor naamloozen schrik. Het ontzettend gevaar, waaraan Percy was

blootgesteld, nu hij zich op Fransch grondgebied bevond, stond haar

in al zijn schrikwekkendheid voor den geest. Chauvelin zat hem op de

hielen; hier in Calais werd hij almachtig, één woord slechts van hem

en Percy was gearresteerd en...

Het was maar om één uur te doen--het ééne uur, dat Marguerite en

Sir Andrew voor hadden op hun tegenstanders--het uur, binnen welk

Percy moest gewaarschuwd worden tegen het gevaar, dat hem dreigde

en men trachten moest hem te overreden, af te zien van de roekelooze

onderneming, die alleen kon uitloopen op zijn eigen verderf.

Maar dit eene uur was thans verstreken.

"Chauvelin kent deze herberg uit de papieren, door hem gestolen," zei

Sir Andrew ernstig, "en zal bij zijn aankomst terstond er op afgaan."

"Hij is nog niet aan wal," zei Marguerite, "we zijn hem een uur

vooruit en Percy zal aanstonds hier zijn. We kunnen weer midden in

het Kanaal zeilen, vóór Chauvelin zal bemerkt hebben, dat we tusschen

zijn vingers zijn doorgegleden."

Haar jeugdige vriend schudde bedenkelijk het hoofd.

"Weer stilte, Sir Andrew?" zei ze met eenig ongeduld. "Hoe komt ge

het hoofd weer te schudden en zoo neerslachtig te kijken." "Heusch,

Milady," antwoordde hij, "'t is alleen, omdat u bij het maken van

uw rooskleurige plannen vergeet met den voornaamsten factor rekening

te houden."

"Wat, in 's hemelsnaam wilt ge hier nu mee zeggen?--Ik vergeet

niets... Welken factor bedoelt ge?" vulde ze met nog meer ongeduld aan.

"Zoudt u denken, dat Blakeney van Calais zal vertrekken zonder

volbracht te hebben, wat hij voornemens was hier te verrichten?"

"Ge wilt zeggen...?"

"De oude Graaf de Tournay..."

"De Graaf...?" prevelde ze.

"Armand St. Just... en anderen."

"Mijn broer!" riep ze met een hartverscheurenden angstigen kreet.

"De hemel zij me genadig, ik had vergeten..."

"Al deze menschen wachten op dit oogenblik met volkomen vertrouwen

op de komst van den Rooden Pimpernel, die zijn woord van eer heeft

gegeven, hen behouden over het Kanaal te brengen."

Inderdaad was ze het vergeten. In de laatste vierentwintig uur had

maar één gedachte haar bezig gehouden--zijn redding.

"Sir Percy Blakeney zou niet de vertrouwde, geëerde leider zijn van

een twintigtal Engelsche heeren," zei Sir Andrew, "zoo hij hèn in

den steek liet, die op hem vertrouwen als op een rots. De gedachten

alleen, dat hij zijn woord kan verbreken, is zoo schandelijk mogelijk!"

Er heerschte een oogenblik van pijnlijke stilte. Marguerite zat

met beide handen voor het gelaat en liet haar tranen langzaam langs

haar bevende vingers glijden. Sir Andrew sprak geen woord, hij wist,

dat Blakeney ieder gevaar zou trotseeren, eerder het onmogelijke zou

beproeven dan zijn woord breken.

"Sir Andrew," sprak Marguerite eindelijk, alles in het werk stellend

om haar tranen in te houden, "gij hebt gelijk, en ik zou mezelf

moeten schamen over mijn onbewuste poging hem van zijn plicht af te

brengen. Zooals ge zegt, het zou ook vergeefsche moeite zijn. God

schenke hem kracht en overleg! Intusschen meen ik, dat we geen tijd

moeten verliezen. Ik geloof altijd nog, dat zijn redding en behoud

afhankelijk zijn van zijn wetenschap, dat Chauvelin hem op het

spoor is."

"Zonder twijfel. Zoodra hij inziet, welk gevaar hij loopt, zal hij

meer voorzichtigheid in acht nemen."

"Als dit zoo is, wat dunkt u dan van een verkenning in het dorp,

onderwijl ik Percy's komst hier afwacht?--Ge kunt misschien zijn pad

kruisen en zoodoende kostbaren tijd winnen. Onzen grimmigen herbergier

zoudt ge kunnen vragen, mij in een ander vertrek te laten wachten. Laat

hem wat contanten zien, opdat hij niet verzuime, mij terstond kennis

te geven, zoodra de lange Engelschman terug is gekomen."

Ze sprak zeer kalm, zelfs nu op vroolijken toon, haar plan overdenkend,

tot het ergste zoo noodig bereid.

Sir Andrew gehoorzaamde zonder verdere bedenking. Instinctmatig nam

het denkbeeld vaster vormen bij hem aan, dat zij de meeste veerkracht

bezat. Hij gaf zich gaarne aan haar leiding over en vergenoegde

zich, waar zij het hoofd was, onder haar aanwijzingen een werktuig

te zijn. Hij liep naar de deur van het binnenvertrek en riep: "Hei

daar! vriend Brogard! Mijn mevrouw wenscht hier een tijdje uit te

rusten. Hebt ge soms een andere kamer voor haar?"

Hij tastte in zijn zak en rammelde met wat geld in zijn hand. Op het

gezicht daarvan ontwaakte de kastelein ietwat uit zijn dommeling;

hij nam het pijpje uit zijn mond en scharrelde de gelagkamer binnen.

Toen wees hij over zijn schouder naar de vliering boven den muur.

"Ze kan dáár wachten!" zei hij. "'t Is er comfortabel, en een andere

kamer heb ik niet!"

"Niets kon beter zijn," zei Marguerite in het Engelsch; zij doorzag

terstond het voordeel van een positie, die haar in staat stelde

ongezien getuige te zijn van alles, wat in de gelagkamer voorviel.

"Geef hem het geld, Sir Andrew, daarboven heb ik een uitgezochten

observatiepost van hetgeen hier zal gebeuren."

"Mag ik u dringend verzoeken, mevrouw, in niets haastig te werk te

gaan?" zei Sir Andrew, toen Marguerite aanstalten maakte de kreupele

treden van de kippetrap op te gaan. "Bedenk, dat dit gat overloopt

van spionnen. Geef Sir Percy geen blijk van uw tegenwoordigheid,

tenzij u zeker weet, dat ge u alléén met hem bevindt in dit hol."

De Roode Pimpernel · 第 9 / 14 段