dezen morgen, heel in de vroegte, Mama spreken. Hij zei, dat het
met Papa nu heel goed ging en we hem binnen vier dagen goed en wel
hier in Engeland kunnen verwachten. Neen, we zijn niet bang op het
oogenblik! Je weet zeker niet, Chérie, dat de groote en edele Roode
Pimpernel zelf erop uitgegaan is om Papa te redden. Hij is vertrokken,
Chérie... werkelijk vertrokken..." ging Suzanne opgewonden voort. "Hij
was dezen morgen in Londen, morgen denkelijk is hij in Calais... waar
hij Papa zal ontmoeten... en dan... en dan..."
De slag was gevallen. Marguerite had het al dien tijd vermoed, hoewel
ze in het laatste half uur getracht had zichzelf te misleiden. Hij was
naar Calais gegaan, was dezen morgen in Londen geweest... hij... de
Roode Pimpernel... Percy Blakeney... haar echtgenoot... dien ze
gisteren nacht aan Chauvelin had verraden...
Percy... Percy... haar echtgenoot... de Roode Pimpernel... Oh! hoe
had ze toch zoo blind kunnen zijn? Zij begreep nu opeens alles... de
rol, die hij speelde, het mom, dat hij droeg... om iedereen zand in
de oogen te strooien.
Misschien was hij voornemens geweest het haar te zeggen, als ze eerst
getrouwd waren. En toen was hem de geschiedenis van den markies de
St. Cyr ter oore gekomen en had hij zich plotseling van haar afgekeerd,
in de onderstelling voorzeker, dat ze hem en zijn kameraden den een
of anderen dag ook zou verraden. Daarom had hij haar op een dwaalspoor
gebracht, zooals hij alle anderen een poets had gespeeld.
Het masker van den beuzeligen grappenmaker was zeer goed geweest en de
rol kon niet beter gespeeld zijn. Geen wonder dat Chauvelin's spionnen
niet geslaagd waren in den oogenschijnlijk hersenloozen clown den
man te ontdekken, wiens roekelooze stoutmoedigheid en vernuft den
slimsten Franschen spionnen het spoor bijster had doen worden. En
zelfs gisteren nacht, toen Chauvelin zich begaf naar Lord Grenville's
eetzaal, om dien onversaagden Rooden Pimpernel te ontmoeten, had deze
enkel dien zotten Sir Percy Blakeney in diepen slaap aangetroffen,
op een canapé, in een afgelegen hoek!
Zou Chauvelin's listige vossenaard het geheim hebben doorgrond? Hierin
lag heel het vreeselijk, ontzettend en wonderbaar raadsel. Door een
naamloozen vreemdeling te verraden, ten einde haren broeder te redden,
had Marguerite Blakeney over haar echtgenoot het doodvonnis geveld.
Neen! Neen! Neen! duizendmaal neen!
"Maar wat scheelt er toch aan, Chérie?" drong de kleine Suzanne aan,
nu werkelijk verontrust, want Marguerite's gelaat was aschkleurig
geworden. "Ben je ziek, Margot? Wat scheelt eraan?"
"Niets, niets kind," prevelde deze als in een droom. "Wacht
even... laat me denken... denken!... Je zei... de Roode Pimpernel is
vandaag vertrokken...?"
"Marguerite, lieve, wat scheelt je? Je jaagt me schrik aan..."
"'t Is niets, kind, zeg ik je... niets... We zullen het vandaag kort
moeten maken... het kan gebeuren, dat ik op reis zal moeten--begrijpt
ge?"
"Ik begrijp, dat er iets is voorgevallen, Chérie, en je behoefte
hebt alleen te zijn. Stoor je niet aan mij. Mijn kamenier is nog niet
weg... we gaan samen naar huis... stoor je aan mij niet."
Met een spontaan opwellend gevoel viel Suzanne haar vriendin om
den hals.
Als kind besefte zij de bitterheid van het verdriet harer landgenoote
en met oneindigen tact vermeed zij iederen schijn om achter de oorzaak
ervan te willen komen, integendeel zij maakte zich gereed tot vertrek.
Herhaaldelijk kuste zij Marguerite en verwijderde zich treurig langs
het grasperk. Lady Blakeney verroerde zich niet, zij bleef staan in
diep gepeins... overleggend wat haar te doen stond.
Juist zou Suzanne de treden opgaan van het terras, toen een
stalknecht om den hoek van het huis kwam aansnellen, in de richting,
waar Marguerite zich bevond. Hij had een gezegelden brief in zijn
hand. Suzanne keerde onwillekeurig terug op haar schreden: haar hart
zei haar, dat er misschien meer ongunstig nieuws voor haar vriendin
in aantocht was, en zij gevoelde, dat haar arme Margot niet in staat
zou zijn meer te dragen.
Eerbiedig bleef de rijknecht staan naast zijn meesteres en overhandigde
haar den brief.
"Wat is dit?" vroeg Marguerite.
"Zoo even per expresse aangekomen, milady."
Werktuigelijk nam ze den brief en draaide hem rond tusschen haar
bevende vingers.
"Van wien komt deze?" vroeg ze verder.
"De koerier zei, dat zijn orders luidden den brief enkel af te geven,
en mevrouw de barones wel zou begrijpen van wien hij kwam."
Marguerite scheurde de enveloppe open. Haar voorgevoel zei haar reeds,
wat die inhield en werktuigelijk liet ze haar oogen erop vallen.
Het was de brief, door Armand St. Just geschreven aan Sir Andrew
Foulkes, de brief door Chauvelin's spionnen gestolen in de herberg
"Visscherswelvaren" te Dover.
Chauvelin had woord gehouden, hij had den brief van St. Just
teruggezonden... Hij was de roode Pimpernel op het spoor.
"Breng den koerier bij me," beval ze den rijknecht, schijnbaar
bedaard. "Hij is toch niet vertrokken?"
"Neen, milady."
De stalknecht spoedde zich heen. Marguerite wendde zich tot Suzanne:
"Lieve, loop eens gauw naar binnen en zeg je kamenier zich gereed
te houden. Ik zal je naar huis moeten sturen, kind. Wacht even--zeg
aan een mijner gedienstigen, dat ze een reiskostuum en mantel voor
me uitlegt."
Suzanne antwoordde niets. Innig kuste ze Marguerite en gehoorzaamde
blindelings.
Een minuut later kwam de rijknecht terug, gevolgd door den koerier,
die den brief had gebracht.
"Wie gaf u deze enveloppe?" vroeg Marguerite.
"Een heer, milady," antwoordde de man, "in het koffiehuis "De Roos
en de Distel" tegenover Charingdron. Hij zei, dat u er van wist."
"Wat voerde hij daar uit?"
"Hij wachtte een postwagen, dien hij besteld had, milady."
"Een postwagen?"
"Ja, milady. Een expresse-rijtuig had hij besteld. Ik begreep van
zijn bediende, dat het regelrecht op Dover aanging."
"Dat 's genoeg. Je kunt gaan." En tot haar rijknecht: "Mijn reiswagen
en de vier snelste paarden, dadelijk inspannen!"
Rijknecht en koerier spoedden zich haastig voort. Een oogenblik bleef
Marguerite alleen staan op het grasperk. Haar aanvallige gestalte
geleek een marmeren standbeeld, haar oogen stonden strak, haar handen
kruisten zich op haar borst.
"Wat te doen? Wat te doen? Waar zal ik hem vinden? O, mijn God! Schenk
mij licht in deze duisternis!"
Onwetend--en in al zijn verschrikkingen daagde het voor haar geest--had
ze de vreeselijkste misdaad begaan, waartoe een vrouw ooit kon
geraken. Haar verblindheid, waardoor ze het geheim van haar echtgenoot
niet had doorzien, kwam haar nu voor als een nieuw vergrijp. Zij had
het moeten weten, dienen te vermoeden, wat Percy in zijn schild voerde!
Zij althans had in de eerste plaats moeten weten, dat hij een mom
had voorgedaan, en tot die wetenschap geraakt zijnde, had ze het hem
onder vier oogen moeten afrukken van zijn gezicht.
Percy was naar Calais vertrokken, totaal onbewust van het feit, dat
zijn onmeedoogendste vijand hem op de hielen zat. Vroegtijdig was hij
dien morgen van Londen Bridge onder zeil gegaan. Zoo hij maar gunstigen
wind had, kon hij binnen vierentwintig uur in Frankrijk landen,
zonder twijfel had hij gerekend op den wind--en zijn weg gekozen.
Chauvelin, van zijn kant, zou naar Dover snellen, daar een jacht huren
en zeker omtrent denzelfden tijd te Calais aankomen. Eenmaal te Calais
zijnde, zou Percy allen aantreffen, die wachtende waren op de komst
van den edelen en onversaagden Rooden Pimpernel, hun grootmoedigen
redder. Terwijl de vossenoogen van Chauvelin thans iedere beweging
van zijn tegenstander nagluurden, zette Percy niet alleen zijn eigen
leven op het spel, maar ook dat van Suzanne's vader, den ouden Graaf
de Tournay en van anderen uitgewekenen, die den koenen Engelschman
verbeidden en hun vertrouwen in hem stelden. Onder dezen bevond zich
ook Armand, die de Tournay was gaan opzoeken, zich veilig achtend in
de overtuiging, dat de Roode Pimpernel op aller behoud bedacht was.
Het lot van al deze menschenlevens, dat van haar echtgenoot in de
eerste plaats, lag in Marguerite's hand; allen moest zij redden,
indien menschelijke schranderheid en overleg waren opgewassen tegen
zulk een taak.
Ongelukkig kon zij dit alles niet geheel alleen verrichten. Eenmaal
te Calais zijnde, zou ze niet weten, waar haar echtgenoot te vinden,
terwijl Chauvelin bij den diefstal te Dover de geheele reisroute was
te weten gekomen. Boven alles wenschte ze Percy te waarschuwen.
Zij kende hem wel genoeg om te begrijpen, dat hij nimmer hèn aan
hun lot zou overlaten, die hun vertrouwen in hem gesteld hadden, dat
hij nimmer zou terugdeinzen voor het gevaar en den Graaf de Tournay
in de klauwen laten vallen van bloeddorstige tijgers. Maar zoo hij
gewaarschuwd werd, kon hij nieuwe plannen vormen en voorzichtiger te
werk gaan. Eenmaal gewaarschuwd--zou hij nog kunnen slagen.
En wanneer alles mislukte, als het noodlot en Chauvelin werkelijk den
stoutmoedigen held te machtig bleken--zij zou aan zijn zijde zijn,
hem bewijzen, dat ze hem vereerde, hoogschatte en liefhad. Ja, al
ware de dood ermee gemoeid, samen zouden zij sterven, in het zalige
bewustzijn, dat aan alle misverstand een einde was gekomen.
Haar geheele wezen vermande zich tot een grootsch en krachtdadig
besluit. Dat wilde ze doen, zoo God haar overleg schonk, moed en
kracht. Allereerst wilde zij Sir Andrew Foulkes opzoeken, Percy's
besten vriend.
Deze zou haar bijstaan, waar hulp noodig was; haar reiswagen stond
gereed. Even van kleederen verwisselen, Suzanne vaarwel zeggen,
en ze kon op weg gaan. Sterven of overwinnen!... was nu haar leus.
Toen, zonder haast, maar ook zonder aarzeling, trad ze kalm het
huis binnen.
NEGENTIENDE HOOFDSTUK.
DE VRIEND.
Minder dan een half uur later zat Marguerite, in gedachten verdiept,
op de bank van haar reiswagen, die haar ijlings naar Londen vervoerde.
Ze had een roerend afscheid genomen van de kleine Suzanne en er voor
gezorgd, dat het goede kind veilig en wel met haar kamenier naar de
stad kon vertrekken. Ze had een renbode met een eerbiedig excuseerend
schrijven gezonden naar Zijn Koninklijke Hoogheid, den Prins van
Wales, ter uitstelling van diens bezoek, en een anderen estafette
naar Faversham, om versche paarden gereed te houden.
Ze deed geen poging om haar onrust met eenige ijdele hoop in slaap te
wiegen, de veiligheid van haar broeder Armand hing alleen af van de
arrestatie van den Rooden Pimpernel. En daar Chauvelin haar Armand's
compromitteerenden brief had opgezonden, bestond er geen twijfel,
of de sluwe vos was voor zichzelf voldaan, met de zekerheid, dat
Percy Blakeney de man was, wiens dood hij had gezworen, wiens hoofd
zou moeten vallen op het schavot.
Zij had den koetsier gelast naar de herberg "De Kroon" te rijden,
en daar aangekomen, den paarden voer te geven en rust te gunnen.
Toen bestelde zij een draagstoel en liet zich naar de woning van Sir
Andrew Foulkes brengen.
Onder al de vrienden van Sir Percy voelde zij, als het op vertrouwen
schenken aankwam, zich het meest tot dezen aangetrokken. Hij was haar
altijd vriendschappelijk gezind geweest, en nu had zijn liefde voor
de kleine Suzanne hem nog nader tot haar gebracht.
Sir Andrew Foulkes was thuis. Men liet haar in een klein, doch keurig
gemeubeld eetvertrek. Een oogenblik daarna verscheen Sir Andrew
in persoon.
Blijkbaar scheen hij zeer verschrikt te zijn toen hem het bezoek
van Lady Blakeney was aangekondigd, want angstig, zelfs met eenig
wantrouwen, keek hij Marguerite aan, toen hij haar begroette met de
plichtpleging, zooals de etikette van dien tijd voorschreef.
Marguerite had ieder spoor van zenuwachtigheid uitgewischt; zij was
volmaakt kalm, en na den jonkman wederkeerig te hebben gegroet, begon
ze zeer bedaard:--"Sir Andrew, het is mij niet te doen om kostbaren
tijd te verpraten: uw leider en makker, de Roode Pimpernel... mijn
echtgenoot... Percy Blakeney... verkeert in doodsgevaar."
Zoo zij den minsten twijfel mocht gekoesterd hebben omtrent de
juistheid harer vermoedens, zij zou die nu bevestigd hebben gezien,
want Sir Andrew, geheel bij verrassing overmeesterd, was doodsbleek
geworden en niet in staat een tegenstrijdig antwoord uit te brengen.
"Misschien is het nog niet te laat om hem te redden," ging ze
voort. "Maar ongelukkig genoeg staat dit niet geheel alleen in mijn
macht, daarom kom ik tot u, om bijstand in dezen nood."
"Lady Blakeney," begon de jonge man, "ik..."
"Laat mij uitspreken!" viel ze hem in de rede, "ziehier hoe de
zaken staan:
Toen de agent van de Fransche Republiek den nacht te Dover zich van uw
papieren meester maakte, vond hij daaronder eenige plannen, die gij of
uw leider dacht uit te voeren voor de redding van den Graaf de Tournay
en andere Fransche vluchtelingen. De Roode Pimpernel--Percy--mijn
echtgenoot--is vandaag persoonlijk op de expeditie uitgegaan. Chauvelin
weet, dat de Roode Pimpernel en Percy Blakeney een en dezelfde persoon
is. Chauvelin zit hem momenteel op de hielen naar Calais, met het
doel Percy te arresteeren. Gij zult even goed weten als ik, welk lot
hem wacht van de zijde der Revolutionaire Fransche Republiek. Geen
tusschenkomst van Engeland--van koning George in persoon--kan hem
redden. Robespierre zou er wel voor zorgen, dat iedere bemoeiing te
laat kwam. Maar dit is niet alles; uw leider zal bovendien onbewust
het middel zijn, om de schuilplaats van den Graaf de Tournay--uw
aanstaanden schoonvader--en van zoovele anderen aan de bloedhonden
te openbaren."
Zij had kalm gesproken, vast beraden, met een onwrikbaar besluit. Zij
trachtte het er heen te leiden, het vertrouwen van den jonkman te
winnen, hem te overreden hulp te verleenen, want zonder hem kon ze
niets uitrichten.
"Ik begrijp niet," begon deze andermaal, trachtende tijd te winnen,
om te overleggen, wat hem het beste te doen stond.
"Ik geloof wel, dat u begrijpt, Sir Andrew. Gij moet weten, dat ik
waarheid spreek. Beschouw de feiten eens koelbloedig: Percy is onder
zeil naar Calais, ik onderstel naar een eenzame plek op de kust, en
Chauvelin is hem op het spoor. Chauvelin heeft postpaarden naar Dover
genomen en zal zeker van nacht het Kanaal oversteken. Wat denkt ge,
dat er zal gebeuren?"
De jonkman deed er het zwijgen toe.
"Percy zal zijn bestemming bereiken: niet wetende, een spion op zijn
hielen te hebben, zullen hij, de Tournay en de anderen--onder wie
mijn broeder--een voor een opduiken, zij zullen in den val loopen en
de guillotine wacht haar slachtoffers!"
Nog bleef Sir Andrew zwijgen.
"Gij vertrouwt mij niet," zei ze hartstochtelijk. "O, mijn hemel! ziet
ge dan niet, dat ik met doodelijken ernst tot u spreek? Man, man,"
voegde ze er aan toe, den jonker plotseling met haar tengere handen
bij de schouders grijpend en hem noodzakend haar strak aan te zien,
"zeg me, zie ik er uit als een vrouw, die haar eigen man wil verraden?"
"Dat verhoede God, Lady Blakeney," zei de jonkman ten laatste,
"maar..."
"Wat maren?... zeg 't me... Gauw wat, man!... de seconden zijn
kostbaar!"
"Wilt u me zeggen," vroeg hij vastberaden en haar scherp in de
oogen ziende, "wie Chauvelin aan de wetenschap hielp, die u zegt,
dat hij bezit?"
"Ik," antwoordde ze kalm. "Ik zal het u niet ontveinzen, opdat ge blind
vertrouwen in me moogt stellen. Maar het kwam niet bij me op--hoe kon
het ook--dat Percy de Roode Pimpernel kon zijn... en de veiligheid
van mijn broêr zou mijn belooning zijn, als ik mocht slagen."
"Chauvelin de hand te leenen om den Rooden Pimpernel te
ontdekken?" liet de jonker erop volgen.
Zij knikte bevestigend.
"Onnoodig u te verklaren, hoe hij mij in het nauw dreef. Armand is mij
meer dan een broeder, en... en... hoe... kon ik vermoeden... Maar we
verspillen onzen tijd, Sir Andrew... iedere seconde is kostbaar... in
's hemels naam!... mijn man verkeert in gevaar... uw vriend!--uw
makker! Help me hem redden!"
"Lady Blakeney," sprak hij eindelijk, "God alleen weet, hoe u mij in
verlegenheid hebt gebracht, en wel zoo, dat ik niet weet, wat op dit
oogenblik mijn naaste plicht is. Zeg u mij, wat ge verlangt, dat ik
doen zal. Er staan negentien onzer gereed hun leven op te offeren
voor den Rooden Pimpernel, als hij in gevaar verkeert."
"Er is momenteel nog geen sprake van levens te laten, vriend," zei
Marguerite droogjes, "mijn overleg en vier snelle rossen zullen het
noodige verrichten. Maar ik moet weten, waar ik Percy kan vinden."
"Maar Lady Blakeney," zei de jonker, "hebt u bedacht, dat hetgeen u
voornemens zijt te doen, mannenwerk is?--U kunt met geen mogelijkheid
alleen naar Calais reizen, u zoudt zelf het grootste gevaar loopen
en de kansen om uwen echtgenoot nu te vinden zijn zeer gering."
"Oh! ik wil hopen, dat er gevaren aan verbonden zijn!" prevelde ze
zacht. "Ik hoop het van harte--want ik heb zoo veel goed te maken. Maar
ik denk, dat ge u vergist, wat mijn persoon betreft. Chauvelin
heeft zijn oogen op u allen hoofdzakelijk gevestigd. Van mij zal
hij nauwelijks notitie nemen. Haast u, Sir Andrew!--het rijtuig staat
gereed, er valt geen oogenblik te verliezen... Ik moet naar hem toe! Ik
moet" herhaalde ze bijna in woeste drift, "hem waarschuwen, dat die man
hem op het spoor is... Kunt ge niet begrijpen... kunt ge niet inzien,
dat ik naar hem toe moet... ook... ook als het te laat zou zijn om hem
te redden... ik zal... dan toch bij hem zijn... ja, bij hem om te..."
"Milady, u dient mij te bevelen... als u dan toch zelf gaan wilt..."
"Neen vriend, maar ziet ge dan niet, dat ik krankzinnig zal worden,
als ik u zonder mij laat vertrekken!" Ze stak hem de hand toe. "Gij
stelt toch vertrouwen in mij?"
"Ik wacht uw orders," zei Andrew Foulkes eenvoudig.
"Luister dan. Mijn wagen staat gereed om me naar Dover te brengen. Volg
me zoo snel als een paard u kan voeren. Wij treffen elkaar bij het
vallen van den nacht aan in de herberg "Visscherswelvaren", vanwaar
ge mij naar Calais zult begeleiden. We huren een schoener te Dover en
gaan bij nacht onder zeil. Vermomd, als ge erin toestemt: als lakei
zult ge, denk ik, niet herkend worden."
"Ik ben geheel tot uw dienst, Milady," antwoordde de jonkman
ernstig. "Geve God, dat u de Day Dream in zicht krijgt, vóór we te
Calais aankomen."
"Daar zeg ik amen op, Sir Andrew. En nu tot ziens! Wij ontmoeten
elkaar van nacht te Dover. Het zal een zeilpartij zijn over het
Kanaal tusschen mij en Chauvelin--om den prijs--het leven van den
Rooden Pimpernel."
Hij kuste haar de hand, en geleidde haar vervolgens naar haren
draagstoel. Een kwartier later was zij terug aan de herberg "De Kroon",
waar haar wagen en paarden gereed stonden en haar wachtten. Het volgend
oogenblik ging het donderend over Londen's straten in dolle vaart.
Haar gedachten keerden terug naar den geheimzinnigen held, dien zij
onbewust altijd had liefgehad, toen zijn identiteit voor haar nog
was--een ondoordringbaar geheim.
Ze had zooveel angsten in de laatste uren doorgestaan, dat zij zich de
weelde veroorloofde van hoop gevende en meer opwekkende gedachten. Van
lieverlede geraakte ze onder den invloed van het eentonig rommelen
der wagenwielen, dat haar zenuwen tot bedaren bracht; haar oogen
sloten zich onwillekeurig en zij viel in een onrustigen slaap.
TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
SPANNING.
De nacht was reeds ver gevorderd, toen Marguerite eindelijk de
bekende herberg "Visscherswelvaren" had bereikt. In minder dan
acht uren was--dank zij het veelvuldig wisselen van paarden op de
verschillende pleisterplaatsen--de aanzienlijke afstand tusschen
Londen en Dover afgelegd.
Haar koetsier was onvermoeid geweest; de belofte van een speciale en
ruime belooning had zonder twijfel hem wakker gehouden en de vurige
rossen als een pijl uit een boog over de heerbaan doen vliegen.
De komst van Lady Blakeney, in het holste van den nacht, had heel wat
drukte in "Visscherswelvaren" teweeg gebracht. Sally sprong haastig het
bed uit en Mr. Jellyband krabde zich achter de ooren bij de gedachte,
hoe hij het zijn gasten aangenaam zou maken.
De gelagkamer--onlangs het tooneel van de overrompeling, gepleegd op
twee Engelsche gentlemen--was geheel verlaten. Mr. Jellyband stak
haastig de lamp weer op, legde spoedig een vroolijk vuurtje aan op
den haard en rolde er een gemakkelijken leuningstoel bij, waarin
Marguerite zich dankbaar neervlijde.
"Blijft de Lady hier overnachten?" vroeg de mooie Miss Sally, die
reeds bezig was een hagelwit tafelkleed te ontvouwen.
"Neen! den heelen nacht niet," zei Marguerite. "In ieder geval zal
ik geen andere kamer noodig hebben dan deze, als ik er een paar keer
gebruik van kan maken. Zoodra de vloed opkomt, wil ik oversteken,"
vervolgde ze, "en in den eersten schoener, dien ik kan machtig
worden. Maar mijn koetsier en bedienden zullen vannacht overblijven
en waarschijnlijk wel verscheidene dagen langer, daarom hoop ik,
dat u het hun aan niets zult laten ontbreken."
"Best Milady, ik zal er voor zorgen. Zal Sally u wat voor souper
aanrichten?"
"Ja, alsjeblieft. Geef maar een kouden schotel, en zoodra Sir Andrew
Foulkes komt, laat ge mijnheer hier binnen."
"Goed Milady."
Het eerlijk gezicht van Jellyband teekende nu spijt, in weerwil
van zichzelf. Hij koesterde veel achting voor Sir Percy Blakeney,
daarom zag hij ongaarne, dat diens vrouw met den jongen Sir Andrew
was weggeloopen!
"Blijf niet op, waarde Jellyband," hernam Marguerite, "en jij ook niet,
Sally. Sir Andrew kan laat komen."
Sally dischte een eenvoudig souper op van koud vleesch, wijn en
vruchten en verwijderde zich met een eerbiedige buiging.
Toen brak er een tijd van vervelend wachten aan voor Marguerite. Ze
wist, dat Sir Andrew, die zich als lakei had moeten vermommen,
uiterlijk over twee uur te Dover zou kunnen zijn. Hij was een kranig
ruiter, maar kon toch pas een uur later dan zij uit Londen zijn
vertrokken.
Van Chauvelin had zij onderweg geen taal of teeken vernomen.
Hij was haar zeker al dien tijd vooruit geweest. Zij had op de
verschillende pleisterplaatsen geen navraag durven doen, want ze
vreesde, dat Chauvelin overal langs den weg zijn spionnen kon hebben.
Nu vroeg zij zich nieuwsgierig af in welke herberg hij wel zijn
intrek mocht hebben genomen, dan wel of het hem gelukt was reeds
een schip te huren en hij zoo onderweg naar Frankrijk kon zijn. Ach,
ze overwoog ernstig, of ze al niet te laat was gekomen!
De eenzaamheid van de gelagkamer maakte haar zenuwachtig, het eentonig
getik der huisklok was al wat de stilte van den nacht verbrak.
Ieder ander in huis, behalve zij zelf, moest nu wel in diepen slaap
verzonken zijn. Mr. Jellyband was een oogje gaan houden op haar
koetsier en bedienden en had daarna post gevat in de gang. Blijkbaar
wilde hij de komst afwachten van Sir Andrew Foulkes, maar toch kon
Marguerite bij het langzaam getik der klok ook de geregelde ademhaling
vernemen van den nauwgezetten kastelein.
Een poos daarna kwam zij tot de ontdekking, dat op den fraaien,
warmen Octoberdag een ruwe en koude nacht was gevolgd; van lieverlede,
naarmate de uren verliepen, werd het weder onstuimiger en drong het
geraas der branding tegen den pier der Admirality, hoewel op eenigen
afstand der herberg, tot haar door. Ook hoorde men in de verte den
donder rommelen.
De wind was komen opzetten, deed de in lood gevatte vensters rammelen,
en de massieve deuren van het ouderwetsche huis kraken.
Een plotselinge beweging van buiten wekte haar uit haar
mijmeringen. Zeker was het Sir Andrew Foulkes, die juist in dolle
haast scheen te zijn aangekomen, want ze hoorde de hoeven van zijn
paard trappelen op de steenen van den straatweg Londen-Dover.
Een oogenblik nu kwam Marguerite het vreemde harer positie voor den
geest. Er lag zulk een zonderling contrast tusschen het ernstige van
haar taak en de vermoedens, die bij den braven Jellyband moesten post
vatten, dat voor het eerst sedert uren, om niet te zeggen dagen,
een glimlach om haar mondhoeken speelde. Toen dan ook kort daarop
Sir Andrew in zijn eigenaardig kostuum de gelagkamer binnentrad,
riep ze lachend uit:
"Mijnheer mijn lakei, ik ben met uw voorkomen tevreden!"