voldoening, "retireer naar ginds tegenover ons. "Een kittelig
melkmuiltje," zei hij binnensmonds. "Jongens, Foulkes, als dat een
staaltje is van de goederen, die jij en je vrienden uit Frankrijk
haalt, dan raad ik je, ze maar midden in het Kanaal naar den kelder
te laten zakken."
"Zeg eens, Sir Percy," zei Marguerite koket, "je vergeet, dat je zelf
een bundeltje goederen uit Frankrijk hebt geïmporteerd."
Blakeney stond langzaam op, en, een diepe buiging makend voor zijn
vrouw, zei hij, uiterst galant:
"Ik had de keus van de markt, Mevrouw, en mijn smaak faalt nooit."
"Meer dan je ridderlijkheid, vrees ik," gaf ze sarkastisch terug.
"Wees verstandig, mijn waarde! Zou je denken, dat ik zin heb van
mijn hachje een speldekussen te laten maken door iederen kleinen
kikvorscheneter, die het niet eens is met den vorm van jouw neus?"
"Hei wat, hei wat, Sir Percy!" lachte Lady Blakeney, met een gemaakt
buiginkje, "wees maar niet bang! 't zijn de mannen niet, die mijn
neus afkeuren."
"Bang zijn, zegt ge! Ik bang, Madame? Ik heb gebokst met Rooien Sam,
en hij kreeg niet gedaan, wat hij wilde--nietwaar, Thony?"
"Ik had je toen wel eens aan 't werk willen zien," zei Marguerite
luidkeels lachend... "ha! ha! ha! ha! je moet een mooi figuur
hebben geslagen... en.... en nu bang voor een kleinen Franschen
jongen... ha! ha!... ha! ha!"
"Ha! ha! ha! ha!" herhaalde Sir Percy goedlachs. "Komaan, Mevrouw,
u bewijst me te veel eer! Foulkes, ik heb mijn vrouw aan 't lachen
gemaakt! De schranderste vrouw in Europa! Daar moeten we een bowl op
zetten!" en krachtig beukte hij op de tafel naast zich:
"Aannemen! Jellyband! Gauw wat, man! Hier Jelly!"
De harmonie was weer hersteld. Mr. Jellyband had zich met
bovenmenschelijke krachtsinspanning hersteld van de veelvuldige
emoties, die hij in het laatste half uur had beleefd.
"Een bowl punch, warm en sterk, he? Haast je wat, Jellytje!"
"Daar is geen tijd meer voor, Sir Percy," opperde Marguerite. "De
schipper zal aanstonds hier zijn en mijn broer moet aan boord, wil
de Day Dream den vloed niet missen."
"Tijd, mijn waarde? Er is tijd genoeg voor een gentleman om dronken
te worden en aan boord te komen, voordat het getij verloopt."
"Ik geloof, Mevrouw," zei Jellyband eerbiedig, "dat mijnheer uw
broeder met Sir Percy's gezagvoerder nu op weg is."
"Opperbest," zei Blakeney, "Armand kan dan meedoen met onzen joligen
bowl. Thony," vervolgde hij in de richting wijzende, waar de Vicomte
zat, "zou je denken, dat die melkmuil van jou een lijntje met ons
wil trekken? Zeg hem, dat we het moeten afdrinken."
"Jelui zit nu allen zoo vroolijk hier bij elkaar," zei Marguerite,
"dat je mij ten goede zult houden, als ik mijn broer vaarwel zeg in
een ander vertrek."
Het ware niet betamelijk geweest hier iets tegen in te brengen. En
Lord Anthony èn Sir Andrew gevoelden, dat Lady Blakeney niet geheel
en al met hen in dezelfde stemming kon zijn. De genegenheid van
Marguerite voor haar broeder was niet alledaagsch. Armand had juist
eenige weken bij haar in haar nieuwe omgeving doorgebracht, en zou nu,
op een hoogst gevaarlijk oogenblik, terugkeeren om zijn land te dienen.
Sir Percy deed evenmin een poging om zijn vrouw terug te
houden. Plechtstatig opende hij voor haar de deur der gelagkamer
met een zeer bestudeerde buiging, naar de eischen van dien tijd,
toen zij het vertrek uitzweefde, zonder hem meer te gunnen dan een
voorbijgaanden blik. Alleen Sir Andrew Foulkes merkte de zonderlinge
uitdrukking op van vurig verlangen, van diepen en hopeloozen
hartstocht, waarmede de onnoozele Sir Percy de zich retireerende
verschijning van zijn bekoorlijke vrouw naoogde.
ZEVENDE HOOFDSTUK.
DE GEHEIME BOOMGAARD.
Eenmaal buiten de woelige gelagkamer, scheen Marguerite Blakeney
ruimer adem te halen.
De regen had opgehouden; door de snel voorbij zwevende wolken scheen
het bleeke zonlicht op de blanke krijtkust van Kent en de kokette
onregelmatige woningen rondom den Pier der Admiraliteit. Marguerite
Blakeney begaf zich buiten de poort en keek uit naar de zee. Een
bevallige schoener, met blanke zeilen opgetuigd, wiegelde in de
frissche koelte. Het was de Day Dream, Sir Percy's jacht, gereed
liggend om Armand St. Just naar Frankrijk en de Revolutie terug
te voeren.
Op een afstand naderden twee gedaanten de herberg
"Visscherswelvaren". Een dezer was een oud man met een franje grijze
haren afhangend van zijn massieve kin en den eigenaardigen waggelenden
gang van den zeeman; de ander een jeugdige tengere figuur, keurig
gekleed in donkere overjas, glad geschoren en het haar opgestreken
boven zijn edel voorhoofd.
"Armand!" riep Marguerite Blakeney, zoodra zij hem in de verte zag
naderen, terwijl een glimlach haar zachte trekken plooide.
Een paar minuten daarna omhelsden broeder en zuster elkaar, terwijl
de bejaarde schipper op eerbiedigen afstand staan bleef.
"Hoeveel tijd hebben we nog, Briggs, voordat Mr. St. Just aan boord
moet zijn?"
"Binnen het half uur lichten we het anker, lady," antwoordde de
oude zeerob.
Haar arm door den zijne stekend, geleidde Marguerite haar broeder
naar de riffen.
"Nog een half uur," zei ze, "en ge zult ver van mij gaan, Armand. O, ik
kan het bijna niet gelooven. Deze laatste weinige dagen--toen Percy op
reis was en ik je geheel voor mij had, zijn vervlogen als een droom."
"Ik ga niet zoo ver heen, mijn beste," zei de jonkman zachtjes--"een
nauwe zeeëngte van eenige mijlen--ik kan spoedig weer terug zijn."
"Neen, 't is de afstand niet zoozeer, Armand--maar dat schrikwekkend
Parijs... juist nu...."
Zij trachtte den verren afstand na te gaan, waar Frankrijks kusten
lagen.
"Ons eigen schoon land, Marguerite," zei Armand, die haar gedachten
scheen te hebben geraden.
"Ze gaan er te ver, Armand," zei ze driftig. "Je bent een republikein
en ik ook... we koesteren dezelfde gedachten, dezelfde geestdrift
voor vrijheid en gelijkheid... maar jij zelfs moet inzien, dat ze
het spel te ver drijven..."
"St!" zei Armand, een snellen blik om zich heen werpend.
"Ha! ziet ge... ge acht het niet veilig over deze zaken te
spreken--zelfs niet hier in Engeland!"--Ze klemde zich plotseling
aan hem vast, met sterke, bijna moederlijke genegenheid: "Ga
niet, Armand!" smeekte ze, "keer niet terug! Wat moet ik beginnen
als.... als... als..."
Haar stem werd door snikken verstikt.
"Ge zult toch in ieder geval mijn eigen dappere zuster zijn,"
antwoordde hij teeder, haar in de blauwe oogen ziende, "die zich
herinneren zal, dat, als Frankrijk in gevaar verkeert, het zijn zonen
niet voegt het land hunner geboorte den rug toe te keeren."
"O! Armand!" zei ze met een aanminnig lachje, "de wensch bekruipt
me somwijlen, dat ge niet zulke verheven hoedanigheden mocht
bezitten....--Maar ge zult toch wel voorzichtig zijn?" voegde ze er
ernstig bij.
"Zoo voorzichtig mogelijk... dat beloof ik je."
"Denk er om, lieve broeder, dat ik jou alleen heb.... om.... om voor
me te zorgen..."
"Neen, mijn beste, je hebt nu wel andere belangen. Percy zorgt toch
voor je..."
Peinzend staarde zij voor zich uit, murmelend:--
"Dat deed hij.... vroeger...."
"Maar zeker...."
"Nu, nu, lieve, maak je niet ongerust om mijnentwil. Percy is een
zeer goede..."
"Neen!" viel hij haar onstuimig in de rede, "ik moet mezelf ongerust
maken omtrent jou, Margot. Luister eens, ik heb er je vroeger
nooit over gesproken, maar het is me, alsof ik niet heen kan gaan,
zonder je een vraag te doen... Je behoeft ze niet te beantwoorden,
als je niet verkiest," liet hij er op volgen, toen hij plotseling
een hardvochtigen blik van haar ontmoette.
"Wat is het dan?" vroeg ze onverschillig.
"Weet Sir Percy Blakeney dat... ik bedoel, kent hij de rol, die je
gespeeld hebt bij de arrestatie van den Markies de St. Cyr?"
Zij lachte--treurig, maar ook bitter was haar lach.
"Dat ik den Markies de St. Cyr aanklaagde, bedoelt ge, bij het
tribunaal, dat hem met zijn geheele familie naar de guillotine
zond? Ja, hij weet het.... Ik heb het hem gezegd, nadat wij getrouwd
waren...."
"Gij hebt hem ook al de omstandigheden vermeld, die u van iedere
schuld moeten vrijpleiten?"
"Het was te laat om van "omstandigheden" te reppen; hij hoorde de
geschiedenis van anderen; mijn bekentenis kwam te elfder ure, naar
het scheen?"
"En?"
"En ik smaak nu de voldoening, Armand, te weten, dat de grootste
dwaas in Engeland met souvereine verachting neerziet op zijn vrouw."
"Maar Sir Percy had u lief, Margot," herhaalde hij zacht.
"Had me lief?--Nu, Armand, er was een tijd, dat ik dit geloofde, want
ik had hem anders niet getrouwd. Waarschijnlijk dacht gij--zooals
iedereen van gevoelen was--dat ik Sir Percy om zijn geld had gehuwd,
maar ik verzeker je, dat dit niet zoo was. Hij scheen mij te vergoden
met een passie, die mij rechtstreeks naar het hart ging. Nimmer te
voren had ik iemand bemind, zooals ge weet; ik was toen vierentwintig
jaar en zoo dacht ik, dat het niet in mijn aard lag iemand lief te
hebben. Maar altijd wilde het mij voorkomen, dat het hemelsch moet zijn
blind, hartstochtelijk bemind te worden... aangebeden feitelijk. En
daar Percy een lijzig en dom heerschap is, trok dit mij aan in de
onderstelling, dat hij mij des te meer zou beminnen. Een schrander
man zou natuurlijk andere belangen hebben, een eerzuchtig man andere
verwachtingen koesteren... ik dacht, dat een dwaas als Percy zou
aanbidden en op niets anders bedacht zijn. En ik was bereid zijn
liefde te beantwoorden met oneindige teederheid..."
Zij slaakte een zucht. Armand St. Just had haar laten uitspreken en
naar haar geluisterd, terwijl hij aan zijn eigen gedachten den vrijen
loop gaf. Een vreeselijk iets achtte hij het een jonge en schoone
vrouw verstoken te zien van hoop, van iedere illusie beroofd.
Toch wellicht--hoewel hij zijn zuster innig liefhad--begreep hij den
toestand. Aangenomen dat Percy Blakeney traag was van geest, hij was
toch bezield met den adeltrots van den afstammeling eener lange reeks
Engelsche patriciërs. En diezelfde trots--welken de republikeinsche
Armand een dwaasheid noemde--moest allergevoeligst getroffen zijn bij
het vernemen van Lady Blakeney's daad. Percy was langzaam van begrip,
hij had geen ooren naar "omstandigheden", hij hechtte aan feiten en
deze hadden hem Lady Blakeney doen kennen, als een vrouw, die een
medemensch aanklaagt bij een rechtbank, die geen vergeving schenkt; de
verachting, welke hij gevoelen moest voor de door haar bedreven daad,
hoe onbewust ook harerzijds volbracht, moest de liefde in hem dooden.
Nu juist was zijn eigen zuster voor hem een raadsel. Zou het kunnen
zijn, dat met het verkoelen der liefde van haar echtgenoot het hart
van Marguerite voor Percy was ontwaakt? Hij kon echter die snaar bij
Margot niet aanroeren. Hij kende haar vreemdsoortige, hartstochtelijke
natuur zoo goed, hij kende ook de reserve, die heimelijk schuilde
achter haar openhartige wijze van doen en zijn.
Het tweetal had altijd met elkander omgegaan, want hun ouders waren
overleden, toen Armand nog een jongeling en Marguerite een kind
was. Hij, de acht jaren oudere broeder, had over haar gewaakt tot
aan den dag van haar huwelijk. Hij was haar trouwe metgezel geweest
tijdens de schitterende jaren, in de Rue Richelieu doorgebracht,
en hij had haar in Engeland het nieuw leven zien beginnen met veel
verdriet en bezorgdheid voor de toekomst.
Dit was zijn eerste bezoek aan Engeland sedert haar huwelijk, en
in de luttele maanden, dat zij elkander niet gezien hadden, scheen
reeds een dunne scheidsmuur tusschen broeder en zuster opgetrokken;
dezelfde diepe, warme genegenheid bestond nog wel aan beide zijden,
maar ieder scheen thans een geheime gaarde te hebben, waarin de een
noch de ander durfde door te dringen.
Veel was er, dat Armand St. Just zijn zuster niet kon openbaren; het
politiek verband der revolutie in Frankrijk wijzigde zich nagenoeg
iederen dag; zij zou niet kunnen begrijpen, hoe zijn eigen inzichten
en sympathieën een wijziging konden ondergaan. En Marguerite kon met
haar broeder niet van gedachten wisselen over haar hartsgeheimen,
nauwelijks had ze zelf er bewustzijn van.
En nu ging Armand heen; zij was beducht voor zijn veiligheid, zij
haakte naar zijn bijzijn. Zij wilde de laatste, korte, treurig-zoete
oogenblikken niet bederven met over zichzelf te spreken. Zachtkens
geleidde zij hem langs de riffen, vervolgens naar het strand; hun
armen in elkaar gestrengeld, hadden ze nog zoo veel te zeggen, dat
juist buiten hun geheime gaarden was gelegen.
ACHTSTE HOOFDSTUK.
DE AGENT DER FRANSCHE REPUBLIEK.
De achtermiddag liep snel ten einde; een lange, kille Engelsche
najaarsavond wierp een mist over het groene landschap van Kent.
De Day Dream had reeds zee gekozen, alle zeilen bijgezet, en Marguerite
Blakeney stond alleen op den rand van een rif een tijdlang het jacht
gade te slaan, dat zoo snel het eenig wezen van haar wegvoerde,
dat zich werkelijk aan haar liet gelegen liggen.
Op eenigen afstand van haar, aan haar linkerhand, glinsterden de
lichten der gelagkamer van "Visscherswelvaren" geelachtig in den
toenemenden mist.
Sir Percy had de kieschheid gehad haar alleen te laten. Zij
onderstelde, dat hij op zijn eigen domme Joris goedbloedmanier haar
wensch in dit opzicht had begrepen, terwijl die blanke zeilen aan den
vagen horizont verdwenen. Marguerite was haar echtgenoot voor dit
alles steeds dankbaar; zij trachtte altijd haar erkentelijkheid te
betoonen voor zijn getrouwe opmerkzaamheden en voor zijn vrijgevigheid,
die werkelijk grenzenloos was.
Maar de liefde, de toewijding, die zij tijdens hun verloving altijd had
beschouwd als de slaafsche trouw van een hond, scheen totaal te zijn
verdwenen. Een vierentwintig uur na de eenvoudige echtverbintenis
in St. Roch's kerspel, had zij hem de geschiedenis verhaald, hoe
onbedachtzaam zij zich had uitgelaten over zekere zaken, in verband
met den Markies de St. Cyr, in het bijzijn van lieden, die van deze
informatie ten nadeele van den Markies gebruik gemaakt, en hem en
zijn geheele familie op het schavot gebracht hadden.
Zij haatte den Markies. Jaren geleden had Armand, haar dierbare
broeder, Angèle de St. Cyr liefgehad, maar St. Just was een plebejer
en de Markies opgeblazen van adeltrots. Op zekeren dag had Armand het
gewaagd een klein, geestdriftig, hartstochtelijk geschreven gedicht
aan de godin zijner droomen te zenden. Den avond daarop werd hij
buiten Parijs door de lakeien van den Markies de St. Cyr gegrepen en
op een schandelijke wijze mishandeld, omdat hij zijn oogen had durven
opslaan naar de dochter van een aristokraat. Het was een incident,
dat in die dagen, een tweetal jaren voor het uitbreken der groote
Revolutie, bijna dagelijks in Frankrijk voorviel.
Daarop was de dag der vergelding aangebroken. St. Cyr en zijn stand
hadden hun meesters gevonden in diezelfde plebejers, die zij veracht
hadden. Armand en Marguerite, beiden intellectueelen, hadden met de
geestdrift, hun jaren eigen, de leerstellingen der revolutie aanvaard,
terwijl de Markies de St. Cyr en zijn familie voet voor voet streden
voor het behoud hunner gewaande rechten. Marguerite, onbedachtzaam,
geen rekening houdend met de beteekenis harer woorden, altijd nog
pijnlijk aangedaan door de vreeselijke behandeling, welke Armand van
den Markies had ondervonden, bracht het toevallig onder haar eigen
coterie ter sprake, dat de St. Cyrs in briefwisseling stonden met
Oostenrijk, hopende op den steun van den Keizer om de toenemende
revolutie in hun land den kop in te drukken.
In die dagen was één beschuldiging voldoende; haar woorden aangaande
den Markies de St. Cyr hadden uitwerking binnen 24 uur. Hij werd
gearresteerd. Een huiszoeking bracht brieven te voorschijn van den
Oostenrijkschen Keizer, de belofte inhoudende van troepenzending ten
bate van het bedreigde koningschap. Hij en de zijnen moesten hiervoor
met hun leven boeten op het schavot.
Marguerite, ontsteld door de vreeselijke gevolgen harer eigen
onbedachtzaamheid, legde een volledige bekentenis ervan af voor
haar echtgenoot, in het vertrouwen, dat zijn blinde liefde voor
haar hem weldra zou doen vergeten, wat voor zijn aristokratisch oor
onaangenaam klonk.
Voorzeker, voor het oogenblik scheen hij het zeer kalm op te nemen;
nauwelijks inderdaad bleek hij de bedoeling te begrijpen van al wat zij
zeide. Maar wat nog zekerder uitkwam, was, dat zij nimmer daarna het
minste blijk kon bespeuren van de liefde, welke zij eertijds geloofde,
dat alleen haar was gewijd. Hij bleef dezelfde, steeds passief,
druilend, soezig, steeds galant, onveranderlijk een gentleman. Zij
bezat al, wat de wereld en een vermogend echtgenoot kunnen schenken
aan een schoone vrouw, maar toch op dezen mooien zomeravond, starend
naar de blanke zeilen van de Day Dream, die ten laatste in het
schemerduister verdwenen, gevoelde zij zich eenzaam en verlaten.
Met een diepen zucht keerde Marguerite Blakeney zee en riffen den
rug toe en wandelde ze langzaam op "Visscherswelvaren" aan. Naderbij
komende, kon ze het aangenaam stemgeluid onderscheiden van Sir Andrew
Foulkes, den schaterlach van Lord Anthony Dewhurst, en nu en dan de
lijzige, droomerige opmerkingen van haar echtgenoot. Daarna ontwarend
hoe eenzaam de weg was, verhaastte ze haar schreden... kort daarop zag
ze een vreemdeling haastig op haar afkomen. Marguerite keek niet op,
ze was in het minst niet zenuwachtig en "Visscherswelvaren" lag op
enkele schreden afstand.
De vreemdeling stond stil, toen hij Marguerite vlug op zich zag
aankomen, en juist, toen ze op het punt stond hem rakelings te
passeeren, zei hij heel kalm:
"Burgeres St. Just."
Marguerite uitte een kreet van verbazing, haar meisjesnaam zoo in haar
nabijheid te vernemen. Zij zag op naar den vreemdeling, en ditmaal
stak ze met een kreet van ongeveinsd genoegen hem beide handen toe.
"Chauvelin!" was haar uitroep.
"Die ben ik, burgeres, tot uw dienst," zei de vreemdeling, galant de
toppen van haar vingers kussend.
Chauvelin was dichter bij de veertig dan bij de dertig, een
schrander, gewiekst uitziend persoon, met een sluwe uitdrukking in
zijn diepliggende oogen. Hij was dezelfde vreemdeling die, een paar
uur geleden, vriendschappelijk met Mr. Jellyband een glas wijn had
gedronken.
"Chauvelin.... vriend...." zei Marguerite, "het doet me machtig veel
plezier u te ontmoeten."
Geen twijfel of de arme Marguerite St. Just, die zich te midden
harer grootheid toch zoo eenzaam gevoelde, achtte zich gelukkig een
gezicht te zien, dat haar de herinnering voor den geest bracht aan de
heerlijke dagen, toen zij in Parijs als koningin troonde in de rue
Richelieu. Zij merkte den sarkastischen glimlach niet op, die om de
dunne lippen van Chauvelin speelde.
"Maar zeg me eens," voegde zij er vroolijk aan toe, "wat voert u in
's hemels naam hier in Engeland uit?"
Zij had haar wandeling naar de herberg weer hervat, en Chauvelin liep
naast haar voort.
"Ik mag u wel hetzelfde vragen, schoone dame," zei hij.
"Och, ik?" antwoordde ze schouderophalend. "Ik verveel me een beetje;
vriend, ziedaar alles."
Ze waren aan het hek van "Visscherswelvaren" gekomen, maar Marguerite
scheen geen lust te hebben binnen te gaan. Chauvelin stond naast
haar; zijn sluwe oogen gevestigd houdend op het schoon gelaat, dat
zoo lieftallig en kinderlijk zich voordeed in de zachte schemering
van een Engelschen najaarsavond.
"U verrast mij, burgeres," zei hij, kalm zijn snuifdoos te voorschijn
halend en een snuifje nemend.
"Is 't waar?" vroeg ze luchtig. "Wezenlijk, ik had gedacht, Chauvelin,
dat ge begrepen zoudt hebben, dat van een atmosfeer van mist en
braafheid Marguerite St. Just niets moet hebben."
"Goeie gunst! Ziet het er zóó erg uit?" vroeg hij met gemaakte
ontsteltenis.
"Ja zóó erg, en nog erger."
"Vreemd! Nu, ik dacht, dat een mooie vrouw het buitenleven in Engeland
heel aantrekkelijk moest vinden."
"Ja! zoo dacht ik er ook over," zei ze met een zucht. "Maar dat moet
al heel erg wezen, ik zou anders niet zoo blij zijn geweest u te zien."
"En dit zoo binnen het jaar van een romantisch huwelijk uit liefde...."
"Ja!.... een jaar van een romantisch huwelijk uit liefde.... daar zit
'm juist de kneep..."
Chauvelin nam nog een snuifje; hij scheen vrij verslaafd aan deze
gewoonte, misschien wel, omdat ze hem in staat stelde de gezichten
na te gaan van hen, met wien hij in aanraking kwam.
"En het meest werkzame brein van Europa wordt nu gekweld met
verveling?"
"Ik vleide me met de hoop, vriend Chauvelin, dat gij een middel wist
tegen die kwaal."
"Hoe kan ik hopen te zullen slagen in iets, waarin Sir Percy Blakeney
te kort is geschoten?"
"We zullen Sir Percy voor het oogenblik maar buiten beschouwing laten,
waarde vriend," zei ze droogjes.
"Ah! mijn lieve dame excuseer me, maar dat is het juist, wat we
kwalijk kunnen," zei Chauvelin, terwijl hij met een snellen blik
zijner sluwe vossenoogen Marguerite trachtte te doorboren. "Ik bezit
een allervolmaakst recept tegen den ergsten vorm van "verveling",
dat ik u graag zou willen voorschrijven, maar--"
"Wat maar?"
"Daar hebben we Sir Percy."
"Wat heeft die ermee te maken?"
"Heel wat, vrees ik. Het recept, dat ik u wil aanbieden, draagt een
zeer plebejischen naam: "Werk!"
"Werk?"
Chauvelin zag Marguerite langdurig aan. Het scheen, alsof zijn scherpe
oogen al haar gedachten lazen. Zij waren samen alleen, de avond was
dood kalm, hun gefluister werd overstemd door het rumoer, dat in de
gelagkamer heerschte. Toch trad Chauvelin een paar schreden vooruit,
keek snel en scherp om zich heen, en bemerkend, dat niemand hem kon
beluisteren, naderde hij andermaal Marguerite.
"Wilt u Frankrijk een kleinen dienst bewijzen, burgeres?" vroeg hij,
plotseling geheel van toon en manieren veranderd.
"La, la, man!" antwoordde ze met geaffecteerde onverschilligheid,
"wat zie je er ineens ernstig uit.... wezenlijk ik weet niet, of ik
Frankrijk een kleinen dienst kan bewijzen--dat zou er toch van moeten
afhangen welken."
"Hebt u ooit gehoord van den Rooden Pimpernel, burgeres
St. Just?" vroeg Chauvelin kortaf.
"Gehoord van den Rooden Pimpernel? Maar man! we spreken over niets
anders... We hebben hoeden "à la Pimpernel"; onze paarden heeten
"Roode Pimpernel"; gisteren bestelde ik bij mijn modiste een blauw
kostuum met groen gegarneerd, en verbeeld je, ze noemde dat ook al
"à la Roode Pimpernel.""
Chauvelin had geen spier bewogen, terwijl ze vroolijk er op los
praatte; hij was ernstig gebleven, terwijl zij lachte; zijn duidelijk,
hard stemgeluid verhief zich niet boven den fluistertoon, toen hij zei:
"Als u dan gehoord hebt van dat raadselachtig personage, burgeres,
dan moet u ook begrepen hebben, dat de man, die zijn identiteit
verbergt onder dien zonderlingen schuilnaam, de bitterste vijand is
onzer Fransche Republiek.... van mannen, zooals Armand St. Just."
"Ja, dat zal wel zoo zijn... Frankrijk heeft veel bittere vijanden
in onze dagen."
"Maar u, burgeres, u zijt een dochter van Frankrijk en dient daarom
bereid te zijn de behulpzame hand te bieden in oogenblikken van
gevaar."
"Mijn broeder Armand wijdt zijn leven aan Frankrijk; wat mij aangaat,
ik kan hier in Engeland niets doen..."