Dan kwam de hoop op redding; de geheimzinnige brief, geteekend met de

raadselachtige roode bloem; de duidelijke strenge aanwijzingen; het

hartverscheurende afscheid van haar echtgenoot; de hoop op hereeniging;

de vlucht met haar twee kinderen; de huifkar; een vreeselijke oude

heks als voerman, die er uitzag als een schrikwekkende booze geest

met de akelige tropee aan het handvat harer zweep!

De Comtesse zag rond in de nette ouderwetsche herberg, zij dacht aan

den vrede, in dit land van godsdienstige, vooral staatkundige vrijheid,

en zij sloot haar oogen om het rondwarend spooksel niet te zien van die

Westerbarricade, van het vluchtend gepeupel, door een paniek bevangen,

toen de oude tooverkol van de pest had gesproken.

In dien kar verwachtte ze ieder oogenblik herkenning, arrestatie en een

veroordeelend vonnis, en deze jeugdige Engelschen, onder aanvoering

van hun dapperen en geheimzinnigen leider, hadden hun leven gewaagd

om hen allen te redden!

En dat alles zou slechts sport zijn? Onmogelijk! De oogen van Suzanne,

als deze den blik van Sir Andrew ontmoetten, zeiden hem duidelijk,

hoe zij over hem dacht, dat hij althans zijn medemenschen van een

vreeselijken en onverdienden dood redde, uit hooger en edelmoediger

beginselen dan hij haar wel wilde doen gelooven.

"Hoeveel leden telt wel uw nobel Verbond, Mijnheer?" luidde haar

bedeesde vraag.

"Twintig in het geheel, Mademoiselle," was het antwoord, "één gebieder

en negentien volgelingen. Allen Engelschen, allen hebben we een eed

van gehoorzaamheid aan onzen leider afgelegd en tevens de belofte

onschuldigen te bevrijden."

"Moge God u allen beschermen, Mijneheeren!" zei de Comtesse met vuur.

"Tot dusver, Mevrouw, heeft de Voorzienigheid daaraan voldaan."

"Het is onbegrijpelijk voor mij, totaal onbegrijpelijk. Alles

is in Frankrijk het werk van verraders, in naam der vrijheid en

broederschap."

"De vrouwen in Frankrijk hebben zich bitterder jegens ons,

aristokraten, gedragen dan de mannen," zei de Burggraaf.

"Ja, helaas," bevestigde de Comtesse, terwijl een flikkering van

intensen wrevel lichtte in haar melancholieke oogen. "Daar hebt u

bijvoorbeeld die vrouw, Marguerite St. Just. Ze diende tegen den

Markies de St. Cyr en diens geheele familie een aanklacht in bij het

tribunaal van het Schrikbewind."

"Marguerite St. Just?" vroeg Lord Anthony, een snellen blik op Sir

Andrew werpend. "Marguerite St. Just?--Zeker...."

"Ja!" hernam de Comtesse, "zeker kent u haar. Ze was een der premières

van de Comédie Française en is onlangs met een Engelschman gehuwd. U

moet haar kennen--"

"Haar kennen?" zei Lord Anthony. "Zou ik Lady Blakeney niet kennen--de

meest gevierde dame in Londen--de echtgenoote van den rijksten man

in Engeland? Natuurlijk kennen wij allen Lady Blakeney."

"Zij was een schoolkameraad van me in het pensionaat te Parijs," bracht

Suzanne in het midden, "en beiden gingen we naar Engeland om uw taal

te leeren. Ik hield heel veel van Marguerite, en ik kan nauwelijks

gelooven, dat zij ooit zoo iets boosaardigs heeft uitgehaald."

"Zeer zeker schijnt het ongelooflijk," zei Sir Andrew. "Er moet

bepaald een vergissing hebben plaats gehad--"

"Er is geen vergissing mogelijk, Mijnheer," hernam de Comtesse,

ijskoud. "De broeder van Marguerite is een bekend republikein. Er was

sprake van een familieveete tusschen hem en mijn neef, den Markies van

St. Cyr. De St. Just zijn volslagen plebejers en het republikeinsch

gouvernement houdt er veel spionnen op na. Ik verzeker u, dat er

geen kwestie is van een vergissing... Heeft u van deze geschiedenis

niets vernomen?"

"Toch wel, Mevrouw, eenige vage geruchten ervan zijn tot mij

doorgedrongen, maar in Engeland wilde niemand er geloof aan

slaan... Sir Percy Blakeney, haar echtgenoot, is een zeer vermogend

man, van hooge maatschappelijke positie, de boezemvriend van den

Prins van Wales... en Lady Blakeney geeft in Londen voor modes enz. in

voorname kringen den toon aan."

"Dat alles mag waar zijn, Mijnheer, wij zullen natuurlijk in Engeland

een zeer kalm leven leiden, maar de hemel geve, dat ik Marguerite

St. Just nergens ontmoet!"

Er was een andere stemming gekomen onder het kleine vroolijke

gezelschap. Suzanne keek treurig en zweeg, Sir Andrew speelde

zenuwachtig met zijn vork, terwijl de Comtesse deftig en stijf tegen

den rechten rug van haar stoel aanleunde. Wat Lord Anthony betreft,

hij gevoelde zich volstrekt niet op zijn gemak en keek een paar malen

schuin naar Jellyband, die er al even onrustig uitzag.

"Tegen hoe laat verwacht u Sir Percy en Lady Blakeney?" gelukte het

hem den kastelein ongemerkt toe te fluisteren.

"Zij kunnen ieder oogenblik hier wezen, milord," fluisterde Jellyband

insgelijks.

Hij had dit nauwelijks gezegd, of men hoorde in de verte het rollen

van een naderend rijtuig, luider en luider werd het vernomen, een of

twee waarschuwingen kon men verstaan, daarop klonk het getrappel van

paardenhoeven op de ruwe keien, en in het volgend oogenblik stormde

een staljongen de gelagkamer binnen met den opgewonden uitroep:

"Sir Percy Blakeney en Milady zijn in aantocht!"

Nog meer kreten, ondermengd met een gerinkel van harnachement,

en een prachtige reiswagen, door vier kranige schimmels getrokken,

hield voor het hek van "Visscherswelvaren" stil.

VIJFDE HOOFDSTUK.

MARGUERITE.

In minder dan geen tijd was de gezellige gelagkamer het tooneel van

hopelooze verwarring en ongerieflijkheid. Op het eerste bericht van

den staljongen was Lord Anthony van zijn stoel opgesprongen en gaf hij

allerlei aanwijzingen aan den beteuterden Jellyband, die niet wist,

wat hij zou beginnen.

"Om godswil, man," riep hij, "zie, dat je Lady Blakeney een

oogenblik buiten aan den praat houdt, onderwijl de dames hier zich

verwijderen. Dit treft al heel ongelukkig!"

"Gauw, Sally! de kaarsen!" schreeuwde Jellyband, heen en weer loopend

tot ieders ongerief.

De Comtesse was opgestaan, deftig en stijf, een vergeefsche poging

doende om haar opwinding te verbergen en werktuigelijk herhalend:

"Ik wil haar niet ontmoeten!--Ik wil haar niet ontmoeten!"

Daarbuiten nam de herrie, waarmee de aankomst van voorname gasten

altijd gepaard gaat, meer en meer toe.

"Dag Sir Percy!--Welkom, Milady! Uw dienaar, Sir Percy!" klonk het

in koor.

Jellyband wierp de deur open, altijd nog hopende het naderend onweer

te bezweren, toen een zachte muzikale stem met vroolijken lach en

gemaakte ontsteltenis zei:

"B-r-r-r-r! Ik ben druipnat! Goeje hemel! heb je ooit zoo'n ellendig

klimaat gezien?"

"Suzanne, ga terstond met mij mee--ik sta er op!" zei de Comtesse op

gebiedenden toon.

"Och, mama!" smeekte Suzanne, die haar oude schoolkameraad hoopte

weer te zien.

"Milady... hm... h'm.... Milady!..." kwam het met zwak stemgeluid

uit Jellyband's keel, terwijl hij een onhandige hopelooze poging deed

haar den doorgang te versperren.

"Pardieu, man," zei Lady Blakeney, ietwat ongeduldig, "wat sta je me

daar als een lantaarnpaal in den weg. Laat me alsjeblieft bij het vuur,

ik verga van de kou."

En kort daarop, na den gastheer zachtkens op zijde te hebben geduwd,

zweefde Blakeney de gelagkamer binnen.

Er bestaan veel portretten van Marguerite St. Just--destijds Lady

Blakeney, doch te betwijfelen valt het, of deze haar buitengewone

schoonheid hebben recht doen wedervaren. Marguerite Blakeney telde

toen nauwelijks vijfentwintig lentes. Rijzig, boven de middelmaat,

met een prachtig figuur, was het niet te verwonderen, dat zelfs de

Comtesse de Tournay de Basserive een oogenblik in bewondering staan

bleef, alvorens zij de betooverende verschijning den rug toekeerde.

Met een vluchtigen blik door het vertrek, had Marguerite Blakeney

alle aanwezigen gemonsterd. Zij knikte vriendelijk tegen Sir Andrew

Foulkes en stak Lord Anthony de hand toe.

"Hallo! Milord Thony, wel, wat doet u hier in Dover?" klonk het

vroolijk van haar lippen.

En zonder een antwoord af te wachten, keerde zij zich om en stond ze

van aangezicht tot aangezicht tegenover de Comtesse en Suzanne. Geheel

haar gelaat straalde warmer, toen ze beide armen naar het jonge

meisje uitstrekte.

"Wel, wel! Is dat niet mijn kleine Suzanne? Pardieu, burgeresje,

hoe kom--jij zoo in Engeland? En Mevrouw ook!"

Lord Thony en Sir Andrew sloegen met gespannen verwachting het

tooneeltje gade. Zij kenden de Franschen maar al te goed, om geen

begrip te hebben van den ijzigen trots en bittere verachting, waarmede

de oude adel van Frankrijk neerzag op allen, die hadden bijgedragen tot

zijn val en vernedering. Armand St. Just, de broeder van de schoone

Lady Blakeney, was een vurig republikein. Zijn verdeeldheid met de

oude familie St. Cyr--waarvan een derde nimmer de bijzonderheden heeft

geweten--kwam tot het toppunt, toen deze laatste ten val was gebracht.

Marguerite stond daar vóór hen met haar fijn gevormde uitgestoken

hand, alsof zij door deze eenige daad de veete en het bloed van het

laatste tiental jaren wilde uitwisschen.

"Suzanne, ik verbied u tot die vrouw te spreken," zei de Comtesse op

strengen toon, terwijl ze haar hand op den arm harer dochter legde.

Zij zeide dit in het Engelsch, opdat alle aanwezigen het zouden hooren

en begrijpen, de twee jonge edellieden, zoowel als de plebejische

herbergier en diens dochter. De laatsten stonden letterlijk als aan

den grond genageld door de onbeschaamdheid dezer vreemdelinge ten

opzichte eener Lady--die nu, als Sir Percy's gemalin, een Engelsche

was geworden en bovendien bekend stond als persoonlijke vriendin van

de Prinses van Wales.

Wat betreft Lord Anthony Dewhurst en Sir Andrew Foulkes, hun harten

schenen stil te staan na deze onredelijke beleediging. Beiden gluurden

haastig naar de deur, waar men een lijzig, doch niet onaangenaam

stemgeluid reeds had vernomen.

Alleen Marguerite Blakeney en de Comtesse de Tournay waren onder de

aanwezigen schijnbaar niet ontroerd. Laatstgenoemde, hoog opgericht,

met streng uiterlijk, de hand nog steeds op den arm harer dochter,

scheen de incarnatie van onbuigzamen trots. Een oogenblik was

Marguerite's zacht gelaat wit geworden als het sneeuwblank doekje om

haar hals, en een scherp opmerker zou hebben ontwaard, dat haar hand

eenigszins beefde.

Maar dit alles was slechts van voorbijgaanden aard; in het volgend

oogenblik trok ze haar tengere wenkbrauwen even op en krulden zich

haar lippen. Sarkastisch zagen haar heldere blauwe kijkers de gestrenge

Comtesse strak in het gelaat, en met een zweem van schouder ophalen:--

"La, la, la, burgeres," zei ze luchtig, "uit welken hoek waait de

wind nu?"

"Wij zijn nu in Engeland, Mevrouw," antwoordde de Comtesse koud,

"en ik heb het recht mijn dochter te verbieden, u de vriendschapshand

te reiken. Kom, Suzanne."

Zij gaf haar dochter een wenk, en zonder Marguerite Blakeney met een

blik te verwaardigen, maar met een diepe ouderwetsche buiging voor

de twee jonge mannen, zeilde zij majestueus het vertrek uit.

Er heerschte een oogenblik stilte in de oude gelagkamer, nadat de

Comtesse, door de kleine Suzanne gevolgd, deze had verlaten. Op

Marguerite's gezicht lag een harde uitdrukking, doch haar trekken

ontspanden zich, toen zij den blik ontmoette van haar vriendin. De

gehoorzaamheid, aan haar moeder verschuldigd, vergetend, keerde

Suzanne zich bij de deur om, snelde terug naar Lady Blakeney, sloeg

haar armen om haar hals en kuste haar herhaalde malen. Daarop volgde

ze haar moeder in de gang.

Marguerite had met sierlijke gemaaktheid beide dames een kushand

achterna gezonden, toen deze achter de deur verdwenen, daarna speelde

een fijn glimlachje om haar mondhoeken.

"Zoo, dat is het dus.... wel, wel!" zei ze vroolijk. "Wel, Sir Andrew,

hebt u ooit zulk een onaangenaam persoon ontmoet? Ik hoop niet,

als ik oud word, op zoo iets te gelijken."

Ze nam haar rokken op en stapte majestueus naar den vuurhaard.

"Suzanne," zei ze, de stem der Comtesse nabootsend, "ik verbied u,

met die vrouw te spreken!"

De lach, waarmee dit gepaard ging, klonk misschien wel wat gedwongen en

hard. Maar de mimiek was zoo volmaakt, de toon der stem zoo nauwkeurig

weergegeven, dat beide jongelui in een hartelijk "Bravo!" aan hun

bewondering lucht gaven.

"Ah! Lady Blakeney!" zei Lord Anthony, "wat zullen ze u missen bij

de Comédie Française, en hoe moeten de Parijzenaars niet het land

hebben aan Sir Percy, die u er vandaan heeft gehaald."

"Gunst, man," zei Marguerite, haar bevallige schouders ophalend,

"'t is totaal onmogelijk het land te hebben aan Sir Percy, zijn

grappige in- en uitvallen zouden zelfs Madame la Comtesse ontwapenen."

Op dit oogenblik vernam men een aangenaam, hoewel duidelijk

onbeteekenend gelach van buiten, en kort daarop verscheen een ongewoon

rijzige en zeer rijk gekleede figuur op den drempel der deur.

ZESDE HOOFDSTUK.

EEN UITGELEZEN EXEMPLAAR VAN 1792.

Sir Percy Blakeney was, naar de kronieken ons verhalen, bij het

begin onzer geschiedenis om en om de dertig. Lang van gestalte,

zelfs voor een Engelschman, breed geschouderd en forsch gebouwd,

zou men hem een buitengewoon knap man genoemd hebben, zoo niet

zekere ziellooze uitdrukking in zijn diep liggende blauwe oogen

en een eeuwige idiotenlach, die zijn fijn besneden mond ontsierde,

al het goede in uiterlijk aan hem te niet deden.

Het was nu zoo wat een jaar geleden, dat Sir Percy Blakeney, baronet,

een der schatrijke Engelsche edellieden, de toonaangever der mode

en intiem vriend van den Prins van Wales, de voorname kringen van

Londen en Bath met verbazing had vervuld, toen hij van een zijner

buitenlandsche reizen een prachtige, betooverende, verstandige

Fransche echtgenoote meebracht, hij, de slaperigste, de saaiste,

meest Britsche Brit van Groot-Brittannië en Ierland.

Marguerite St. Just had tijdens de eerste periode van de Revolutie in

artistieke Parijsche kringen haar debuut gemaakt. Nauwelijks achttien

jaar, kwistig begaafd met schoonheid en talent, alleen gechaperonneerd

door een jeugdigen en verknochten broeder, had de betooverende jonge

tooneelspeelster van de Comédie Française weldra een kring om zich

heen verzameld van uitstekende mannen, mannen van hooge positie,

en gleed zij door het republikeinsch, revolutionnair, bloeddorstig

Parijs, als een schitterende komeet, met een staart achter zich van

al wat gedistingeerd en belangwekkend was van Europeesch intellect.

Toen bereikte haar levenszon het toppunt. Sommigen glimlachten en

noemden het een artistieke uitmiddelpuntigheid, anderen beschouwden

het als een verstandige voorziening, met het oog op de vreemdsoortige

toestanden, die zich van dag tot dag in Parijs destijds openbaarden,

maar voor allen bleef het wezenlijk motief dezer apotheose een

onoplosbaar raadsel. Hoe het zij, Marguerite St. Just huwde op zekeren

mooien dag Sir Percy Blakeney, zonder eenige kennisgeving aan haar

vrienden, zonder de soirée de contrat (avondpartij van aanteekening)

of trouwdiner, waarmede iedere nette huwelijksverbintenis gepaard gaat.

Hoe die idiote, saaie Engelschman ooit werd opgenomen in den

intellectueelen kring, die zich bewoog om "de schranderste vrouw

in Europa", zooals zij eenparig door haar vereerders genoemd werd,

niemand waagde zich eraan, om dit verschijnsel te verklaren.

Haar intieme vrienden wisten, dat Marguerite St. Just niets gelegen

was aan geld en zij nog minder zich bekreunde om een adellijken titel.

Wat Sir Percy zelf betrof; zijn voornaamste hoedanigheden om haar

echtgenoot te zijn bestonden in zijn blinde vergoding van Marguerite,

zijn aanzienlijken rijkdom en de hooge gunst, die hij genoot aan het

Engelsche hof.

Hoewel hij in den jongsten tijd een figuur was geweest, die in

voorname Engelsche kringen de aandacht trok, had hij het grootste

gedeelte zijner jeugd buitenslands gesleten. Zijn vader, wijlen

Sir Algernon Blakeney, had het schrikkelijk ongeluk gehad zijn

aangebeden jeugdige gade ongeneeslijk krankzinnig te zien worden, na

een gelukkige echtvereeniging van slechts een tweetal jaren. Percy

had juist het levenslicht aanschouwd, toen wijlen Lady Blakeney

aangetast werd door de vreeselijke ziekte, welke in die dagen als

hopeloos werd beschouwd en als de vloek Gods over het geheele gezin

uitgekreten. De dood zijner ouders, die kort na elkander stierven,

maakte hem vrij man op eenentwintigjarigen leeftijd, en daar zijn

vader Sir Algernon een eenvoudig en afgezonderd leven had geleid,

was het groot vermogen der Blakeney's tot millioenen aangegroeid.

Sir Percy Blakeney had heel wat in den vreemde rondgedoold, alvorens

hij zijn schoone Fransche vrouw naar Engeland bracht. De voorname

kringen van die dagen toonden zich bereid beiden met open armen te

ontvangen. Sir Percy was rijk, zijn vrouw zeer begaafd, en de Prins van

Wales vereerde beiden met zijn gunstbetoon. Binnen zes maanden waren

zij de toonaangevers in mode en levenswijze. Iedereen wist, dat Sir

Percy bekrompen geestvermogens bezat, maar de samenleving aanvaardde

hem, maakte veel werk van hem, omdat zijn rossen de schoonste waren der

Engelsche stoeterijen, zijn feestmalen de luisterrijkste, zijn wijnen

de uitgezochtste der gaarden, zijn kleeding het onderwerp uitmaakte

van aller gesprekken. Wat aangaat zijn huwelijk met de "schranderste

vrouw in Europa", welnu, hij kon zijn noodlot niet ontgaan, en niemand

beklaagde hem, omdat hij zich dit lot zelf beschoren had. Er waren

jonge dames in Engeland te kust en te keur, die volkomen bereid

zouden geweest zijn hem te helpen in het verteren van het fortuin

der Blakeney's. Bovendien viel Sir Percy geen medelijden ten deel,

omdat hij dit niet scheen te verlangen, hij was zeer trotsch op zijn

schrandere vrouw en bekreunde er zich niet om, dat zij zich te zijnen

koste amuseerde en in het publiek den draak met hem stak.

In zijn prachtig huis te Richmond speelde hij voor zijn schrandere

vrouw de tweede viool met onverstoorbare goedmoedigheid, juweelen

en allerlei soort luxueuze zaken aan haar verkwistend, wat zij zich

met uitnemende gratie liet welgevallen, zijn gasten ontvangende met

dezelfde minzaamheid, waarmede zij de intellectueele coterie van

Parijs had welkom geheeten.

Sir Percy Blakeney was bepaald een man van knap uiterlijk, in weerwil

van zijn druilerigen blik. Hij was altijd onberispelijk gekleed naar

den smaak van een "Incroyable" [1]. Op dezen September achtermiddag

droeg hij een satijnen bovenkleed, in het middel zeer kort gesneden,

een vest met breede opslagen en nauwe gestreepte broek. In dat

kostuum zou men zijn massieve gestalte hebben kunnen bewonderen,

zoo zijn gemaaktheid en idiote lach niet alles bedorven hadden.

Hij kwam lijzig de ouderwetsche gelagkamer binnen, den regen

afschuddend van zijn fraaie kleeding, en vervolgens zijn druilig

blauw oog met een stukje glas in gouden montuur wapenend, overzag

hij het gezelschap, dat plotseling door een pijnlijk stilzwijgen

werd aangegrepen.

"Hoe maak je 't, Thony? Hoe gaat 't, Foulkes?" zei hij, de twee

jongelui herkennend en hun de hand drukkend. "Heb je ooit zoo'n

hondenweer beleefd? Beroerd klimaat hier."

Marguerite had zich naar haar echtgenoot gekeerd en mat hem van het

hoofd tot de voeten, met een ondeugend knipoogje in haar vroolijke

blauwe kijkers.

"Nou!" hernam Sir Percy na een paar minuten stilte, toen niemand

iets te berde bracht, "wat kijken jullie allen nuchter.... Wat is

er gaande?"

"O, niets, Sir Percy," antwoordde Marguerite, "niets om je

gelijkmoedigheid te verstoren--alleen maar een affront voor je vrouw."

"La, la, mijn beste, wat je zegt. Wie was de stoutmoedige, die je

durfde attakeeren--he?"

Hier stoof de jonge Burggraaf ijlings op.

"Monsieur," zei hij, een bestudeerde buiging zijn aanspraak latende

voorafgaan en in gebroken Engelsch sprekend, "mijn moeder de Comtesse

de Tournay de Basserive, heeft beleedigd Madame, die ik zie is uwe

vrouw. Ik kan niet vragen vergeving voor mijne moeder; wat zij doet is

recht in mijn oogen. Doch ik ben bereid u te geven de gewone reparatie

tusschen mannen van eer."

De jonkman richtte zich in zijn volle tengere lengte op en zag er

zeer geestdriftig, zeer trotsch en zeer opgewonden uit, toen hij

opkeek naar het over de zes voet hooge gevaarte, vertegenwoordigd

door Sir Percy Blakeney, baronet.

"Milord Anthony en Sir Andrew," zei Marguerite, vroolijk lachend,

"kijkt eens naar dat aardig schilderijtje--de Engelsche kalkoensche

haan en zijn collega de Fransche bantam."

De vergelijking ging volstrekt niet mank. De stoere Engelsche kalkoen

zag met verbazing neer op den tengeren nietigen Franschen bantamhaan.

"Drommels, Sir," sprak Percy eindelijk, zijn lorgnetglas opzettend

en den jongen Franschman met onverholen bevreemding opnemend, "waar

heb je zulk Engelsch leeren spreken?"

"Monsieur!" protesteerde de Vicomte, eenigszins uit het veld

geslagen door de manier, waarop zijn strijdlustige houding door den

zwaarlijvigen Engelschman werd opgenomen.

"Ik moet zeggen 't is fabelachtig!" ging Sir Percy onverstoorbaar

voort, "verd... fabelachtig! Denk--jij er ook niet zoo over,

Thony--eh? Ik moet bekennen, dat ik zoo geen Fransch kan

spreken... Wat?"

"Neen, dat kan ik bewijzen!" viel Marguerite in, "Sir Percy heeft

een Britsch accent, dat je met een mes kunt snijden."

"Monsieur," bracht de Vicomte in nog meer gebroken Engelsch voor

den dag, "ik vrees, u hebt niet begrepen. Ik bied u aan de eenige

mogelijke reparatie onder gentlemen."

"Te drommel waarin bestaat die?" vroeg Sir Percy zoetsappig.

"Mijn degen, Monsieur," antwoordde de Vicomte, die ongeduldig begon te

worden. Maar Sir Percy staarde een paar seconden droomerig door zijn

half gesloten oogleden naar den Vicomte en slofte toen langzaam weg.

Wat de Vicomte op dat oogenblik dacht en gevoelde bij de behandeling,

die hij van den langen en langzamen Engelschman had te verduren,

zou boekdeelen kunnen vullen. Wat hij zeide, loste zich op in een

enkel woord, want zijn drift deed alle andere stikken in zijn keel.

"Een tweegevecht, Mijnheer."

Nog eens keerde Blakeney zich om en zag van zijn ontzaglijke hoogte

op het driftige ventje neer, maar geen seconde verliet hem zijn

onverstoorbare kalmte. Hij lachte, en zijn magere lange handen in de

ruime zakken verbergend van zijn overjas, zei hij druilerig:--

"Een tweegevecht?... ha! is . dat . het . wat . hij bedoelt?... Je

. bent . een . bloeddorstige . jonge . deugniet... Wil . je . een

. gaatje . boren . in . een . man . die . de . wet eerbiedigt?... Wat

. mij . betreft . Sir . ik . houd . mij . nooit . met . tweegevechten

. op," voegde hij er aan toe, bedaard zich neerzettend op een stoel

en zijn lange stelterige beenen voor zich uitstrekkend. "Duels zijn

heel onaangename dingen, is 't niet zoo, Thony?"

De Burggraaf had zeker wel gehoord, dat de gewoonte van duelleeren

onder gentlemen in Engeland streng door de wet was verboden. Maar

voor hem, als Franschman, was het schouwspel van een gentleman,

die een tweegevecht weigert, een ongelooflijke enormiteit.

"Ik verzoek u, Lord Thony," zei Marguerite met haar lief, zacht,

muzikaal stemgeluid, "hier als bemiddelaar op te treden. Het kind barst

van woede, en," voegde ze droog komiek erbij, "hij mocht Sir Percy

eens iets aandoen. De Britsche kalkoensche haan heeft zijn tijd gehad."

Doch Blakeney, goed gehumeurd als altijd, lachte mee met de lachers.

"Was dat nu niet handig gezegd?" zei hij, zich jolig tot den Vicomte

keerend. "Een schrandere vrouw mijn wederhelft, meneer... Dat zul--je

gewaar worden, als je lang in Engeland blijft."

"Sir Percy heeft gelijk, Vicomte," kwam Lord Anthony alsnu tusschen

beiden, den Franschman vriendschappelijk op den schouder kloppend. "Het

zou, in de gegeven omstandigheden, niet aangaan uw loopbaan in Engeland

aan te vangen met hèm tot een tweegevecht uit te dagen."

Een oogenblik nog aarzelde de Burggraaf; toen zei hij met een

onbeduidende schouderophaling, maar met gepaste waardigheid:

"Welnu, als Mijnheer voldaan is, koester ik geen rancune. U, Milord,

zijt onze beschermer. Heb ik verkeerd gedaan, dan retireer ik."

De Roode Pimpernel · 第 2 / 14 段