"Jawel, u... hier, in Engeland, burgeres... u alleen kunt ons van

dienst zijn.... Luister!--Ik ben door de Republikeinsche Regeering

als haar vertegenwoordiger hier heengezonden. Een mijner plichten

hier is, te trachten alles op te sporen omtrent het Verbond van den

Rooden Pimpernel. U weet zoo goed als ik, burgeres, dat zoodra die

Fransche uitgewekenen eenmaal hier zijn, zij trachten de openbare

meening tegen de Republiek op te hitsen... Nu is het in de laatste

maand aan een massa royalisten gelukt het Kanaal over te steken. Hun

ontsnapping was bij iedere gelegenheid vooraf beraamd, georganiseerd

en uitgevoerd door dit Verbond. Alle pogingen van mijn spionnen den

leider te ontdekken zijn mislukt; waar andere de handen zijn, is

hij het hoofd, dat alles uitdenkt. Ik bedoel, dat hoofd af te slaan,

en daarvoor heb ik uw hulp noodig--door hem kan ik later de overige

leden van de bende machtig worden: het is een jonge geurmaker uit de

Engelsche kringen, daar ben ik zeker van. Tracht dien man voor mij

uit te vinden, burgeres!" drong hij aan, "vind hem voor Frankrijk uit!"

"Kom! man," zei ze, "je verbaast me. Waar ter wereld moet ik hem

zoeken?"

"Gij komt overal, burgeres," fluisterde Chauvelin, "Lady Blakeney is

de spil, waarom de samenleving van Londen draait, zoo heeft men mij

gezegd... u ziet en hoort alles."

"Houd je gemak, vriend," hernam Marguerite, zich in haar volle lengte

oprichtend en met eenige verachting neerziende op de kleine, schrale

figuur vóór haar. "Houd je gemak! Ge schijnt te vergeten, dat er een

zes voet lange Sir Percy Blakeney staat tusschen Lady Blakeney en

uw voorstel."

"Om Frankrijks wille, burgeres!" herhaalde Chauvelin ernstig.

"Zwijg, man, je praat onzin in ieder geval; want zelfs al wist je,

wie die Roode Pimpernel is, zoudt ge hem niets kunnen maken--een

Engelschman!"

"Daar zou ik mij best aan wagen," zei Chauvelin met een droog schor

lachje. "We konden hem altijd eerst naar de guillotine expedieeren,

en mocht er al een diplomatiek lawaai van komen, konden we altijd

nog--nederig--bij de Britsche Regeering ons excuus maken en, zoo

noodig, de beroofde familie een schadeloosstelling uitbetalen."

"Wat u voorstelt is ijselijk, Chauvelin," zeide zij, van hem

terugtredend als van een stekend insect. "Wie die man ook moge zijn,

hij is een dapper en nobel mensch, en nooit--verstaat u mij?--nooit

zal ik voor zulk een schanddaad mijn hulp verleenen!"

"Gij geeft er dus den voorkeur aan gehoond te worden door iederen

Franschen aristokraat, die naar Engeland oversteekt?"

"Dat is hier de kwestie niet," zei ze met gemaakte

onverschilligheid. "Ik kan me nog verdedigen, maar ik weiger een of

ander vuil werk te doen voor u--of voor Frankrijk. Gij hebt andere

middelen tot uw dienst, daarvan moet ge gebruik maken, vriend."

En zonder Chauvelin verder met een blik te verwaardigen, keerde

Marguerite Blakeney hem den rug toe en ging regelrecht de herberg

binnen.

"Dat is uw laatste woord niet, burgeres," zei Chauvelin, toen het volle

licht in de gang haar elegant figuur bestraalde, "we zien elkaar in

Londen terug, wil ik hopen!"

"We zullen elkaar in Londen weerzien," zei ze, over haar schouder

heen tot hem sprekend, "maar dit is mijn laatste woord."

NEGENDE HOOFDSTUK.

DE OVERROMPELING.

Een heldere sterrennacht was op den dag van aanhoudenden regen gevolgd.

De prachtige wagen, door het schoonste volbloed vierspan van Engeland

getrokken, reed den weg op naar Londen, met Sir Percy Blakeney op den

bok, die de teugels hield tusschen zijn tengere vrouwelijke vingers,

en naast hem Lady Blakeney, in haar kostbaar marterbont. Sir Percy

was een geestdriftig menner; zijn span kwam versch van stal, en

Marguerite genoot bij voorbaat eenige uren van eenzaamheid. Zij wist

bij ondervinding, dat Sir Percy weinig zou spreken, zooal niet geheel

het zwijgen ertoe doen; dikwijls had hij haar bij nacht gereden,

zonder meer dan een paar toevallige opmerkingen over het weer of den

toestand der wegen te maken. Hij hield er veel van bij nacht te rijden

en zij had zich naar deze neiging geschikt. En terwijl ze uren naast

hem zat, de vaardige en zekere manier bewonderend, waarmee hij de

teugels hanteerde, vroeg zij zich dikwerf af, wat er toch wel in zijn

traag denkend hoofd mocht omgaan. Hij liet er zich nooit over uit,

en zij had zich evenmin de moeite gegeven ernaar te vragen.

Sir Andrew Foulkes en Lord Anthony Dewhurst hadden zich gemakkelijk

in de gelagkamer geïnstalleerd vóór het ontzaglijk haardvuur, dat de

waard, in weerwil van den zachten avond, lustig had laten branden.

"Zeg eens, Jelly, zijn allen vertrokken?" vroeg Lord Thony, onderwijl

de waardige kastelein bezig was glazen en kannen op te ruimen.

"Allen, zooals u ziet, Milord."

"En al uw bedienden naar bed?"

"Allen, milord."

"Dan kunnen we hier ongestoord nog een half uurtje praten."

"Tot uw dienst, mylord... Ik zal uw kaarsen hier laten... uw

appartementen zijn geheel in orde."

"Mooi zoo, Jelly... en... zeg, doe de lamp maar uit--het vuur in den

haard geeft ons licht genoeg."

Mr. Jellyband deed zooals hem verzocht was.

"Geef ons een flesch wijn, Jelly."

"Best, meneer!"

Jellyband ging heen om den wijn te halen. Het vertrek was nu

geheel duister buiten den kring van rossig licht, door de brandende

houtblokken gevormd.

"Niets meer van uw orders, heeren?" vroeg Jellyband, toen hij terugkwam

met een flesch wijn en een paar glazen, die hij op tafel zette.

"Zoo, dat zal gaan, dank je, Jelly!" zei lord Thony.

"Goedennacht Milord! Goedennacht, sir!"

"Goedennacht, Jelly!"

Een poos lang werd geen geluid vernomen, zelfs niet in de gelagkamer,

behalve het getik van de hangklok en het knetteren van het brandend

hout.

"Is 't dezen keer weer goed afgeloopen, Foulkes?" informeerde lord

Anthony ten laatste.

"Ja," antwoordde Foulkes in gedachten, "zeer goed!"

"Geen hinderpalen?"

"Geene."

Lord Anthony schonk nog eens in.

"Ik hoef je niet te vragen, geloof ik, of jij de reis dezen keer

plezierig hebt gevonden?"

"Neen, vriend, die vraag is onnoodig," hernam Sir Andrew

vroolijk. "Alles liep goed van stapel."

"Dan op haar volkomen welzijn! Een lief, goed meisje is zij, al is

ze een Fransche," zei de joviale Lord Thony, zijn glas ledigend tot

op den bodem.

"Wel, de volgende reis is het jouw beurt Thony, denk ik," zei Sir

Andrew, "jij met Hastings zeker; ik mag lijden, dat je een even

bekoorlijke reisgenoote zult hebben."

"Maar," vervolgde hij, terwijl een plotselinge ernst hem aangreep,

"hoe staan de zaken?"

De twee jongelui schoven hun stoelen wat dichter bij elkaar, en

instinctmatig, al waren ze alleen, ging hun gesprek in fluisteren over.

"Ik sprak Roode Pimpernel onder vier oogen, enkele minuten te Calais,"

zei Sir Andrew, "een paar dagen geleden. Hij stak twee dagen vóór ons

naar Engeland over. Hij had het gezelschap geëscorteerd van Parijs

af, gekleed--neen maar, dat zul je nooit gelooven!--als een oude

groentevrouw, en, totdat ze veilig en wel buiten Parijs waren, de

huifkar mennend, waarin de Comtesse de Tournay, Mademoiselle Suzanne

en de Vicomte onder allerlei koolsoorten verborgen lagen. Hij reed ze

recht langs een linie soldaten en het dolzinnige grauw, dat uit alle

macht bulkte: "Dood aan de aristokraten!" Maar de groentenkar ging

ervan door, te gelijk met een paar andere, en Roode Pimpernel bulderde

luider dan wie ook "Dood aan de royalisten!" "Waarachtig!" ging de

jongeman voort, terwijl zijn oogen flikkerden van geestdrift voor

den beminden leider, "die man is een bovennatuurlijk wezen!"

"Hij wenscht jou en Hastings te Calais te ontmoeten," ging Sir Andrew

kalmer voort, "den 2en der volgende maand. Laat eens zien, dat is

Woensdag aanstaande."

"Ja."

"Ditmaal is de Graaf de Tournay aan de beurt; een gevaarlijke

onderneming; want de Comte, wiens ontsnapping uit zijn kasteel een

meesterstuk was, ligt nu met een doodvonnis bezwaard. Het zal een

vreemdsoortige sport zijn hem uit Frankrijk weg te krijgen, en het zal

er met jou, vriend, ditmaal om hoûen, of je 'r door komt. St. Just is

op het oogenblik op weg om bij hem te komen--natuurlijk heeft niemand

tot nog toe erg in St. Just; maar daarna... om beiden uit Frankrijk

weg te krijgen! Ik mag lijden nog order te ontvangen om van de partij

te zijn."

"Heb je eenige speciale instructies voor mij?"

"Ja! en nog wel meer gepreciseerde dan gewoonlijk. Het schijnt, dat

de Republikeinsche Regeering een agent naar Engeland heeft gezonden,

met name Chauvelin, van wien men zegt, dat hij razend gebeten is op

ons Verbond en vast besloten om den leider ervan te ontdekken. Die

Chauvelin heeft een heel leger spionnen meegebracht, en onze hoofdman

is van gevoelen, dat we zoo weinig mogelijk moeten vergaderen voor

aangelegenheden, ons Verbond betreffend, en volstrekt niet, een

tijdlang, met elkaar spreken in het publiek. Als hij met ons wenscht

te confereeren, zal hij dit laten weten."

De twee jongelieden bukten beiden over het vuur. Sir Andrew had

een notitieboekje uit zijn zak gehaald en er een papier uitgenomen,

dat hij ontvouwde, en beiden trachtten zij dit bij het flauw rossig

haardvuur te lezen. Ze waren er zoo geheel en al mee bezig, dat

ze alleen hiervoor oog en oor hadden. Zij sloegen geen acht op de

geluiden om hen heen, het vallen van de asch, het eentonig getik der

klok, het zacht, bijna onmerkbaar schuiven van iets over den vloer

dicht bij hen. Een gedaante was onder een der banken te voorschijn

gekomen, met geruischlooze bewegingen kroop ze nader en nader bij de

twee jongelui, met ingehouden adem zachtjes glijdend langs den vloer,

in de zwarte duisternis van het vertrek.

"Je moet deze instructies eens goed lezen en in je geheugen prenten,"

zei Sir Andrew, "daarna ze vernietigen."

Hij zou juist zijn notitieboek wegbergen, toen een smal reepje ervan

op den grond viel. Lord Anthony bukte en raapte het op.

"Wat is dat?" vroeg hij.

"Ik weet het niet," antwoordde Sir Andrew.

"Het viel zoo juist uit je zak. Het bleek niet te behooren bij het

andere papier."

Beiden bukten om dit dunne reepje te ontcijferen, waarop haastig een

paar woorden gekrast waren, toen eensklaps een gerucht hun aandacht

trok, dat uit de gang aan den overkant scheen te komen.

"Wat is dat?" riepen beiden instinctmatig. Lord Andrew richtte zich

naar de deur, die hij haastig opende; op dit zelfde oogenblik ontving

hij een vuistslag tusschen de oogen, die hem gevoelloos in de kamer

terugwierp. Tegelijkertijd was de in de duisternis rondkruipende

gedaante opgesprongen en viel van achteren den niets vermoedenden

Sir Andrew aan, die oogenblikkelijk tegen den grond werd geworpen.

Dit alles gebeurde zoo plotseling, dat Lord Anthony of Sir Andrew

geen tijd of kans hadden een schreeuw te uiten, of zich tegen de

onverhoedsche overrompeling te verzetten. Beiden werden ze door twee

mannen aangegrepen, een prop werd hun in den mond geduwd, rug aan

rug werden ze gebonden, en aan armen, handen en beenen stevig geboeid.

Eén man had onderwijl kalm de deur gesloten; zijn gelaat was gemaskerd,

hij zag bewegingloos alles aan.

"Volkomen in orde, burger!" zei een der mannen, die de touwen

inspecteerde.

"Goed!" zei de man bij de deur; "doorzoek nu hun zakken en geef mij

al de papieren, die je vindt."

Dit werd spoedig en kalm gedaan. De gemaskerde, na alle papieren in

beslag te hebben genomen, luisterde eenige oogenblikken, of eenig

geluid in "Visscherswelvaren" werd vernomen. Blijkbaar voldaan,

dat niemand hen had gehoord, opende hij andermaal de deur en wees

met bevelend gebaar naar de gang. De vier mannen beurden Sir Andrew

en Lord Anthony van den grond, en even kalm, even geruischloos als

zij waren gekomen, droegen zij de twee geknevelde jongelieden uit de

herberg en langs den Doverweg de duisternis in.

In de gelagkamer doorliep de gemaskerde aanvoerder van deze stoute

overrompeling vluchtig de gesloten papieren.

"Geen kwaad karweitje vandaag," mompelde hij, zijn masker kalmpjes

afnemend, terwijl zijn vossenoogen glinsterden in den rossigen gloed

van het haardvuur.

Hij opende telkens meer brieven uit Sir Andrew Foulkes' notitieboek,

noteerde het reepje papier, dat beide jongelieden juist tijd hadden

gehad om te lezen; maar één brief in 't bijzonder, geteekend Armand

St. Just, scheen hem een heerlijke voldoening te geven.

"Armand St. Just toch een verrader in het eind!" mompelde hij. "Welnu

schoone Marguerite," knarsetandde hij, "ik geloof, dat ge mij

behulpzaam zult zijn in het uitvinden van den Rooden Pimpernel!"

TIENDE HOOFDSTUK.

IN DE LOGE DER OPERA.

Het was een der gala-avonden in Covent Garden Theatre, de eerste van

het herfstseizoen, in het gedenkwaardig jaar 1792; het gordijn was

juist opgehaald voor het 3e bedrijf van Gluck's toonwerk Orpheus.

De heer Chauvelin zat er, zijn onafscheidelijke snuifdoos in de hand,

met zijn doordringende scherpe oogen voortdurend gevestigd op een

loge tegenover hem, waar Marguerite Blakeney, vergezeld van haar

echtgenoot, zoo even was binnen gekomen; onder haar weelderigen

goudbruinen lokkentooi zag de vrouw er hemelsch uit.

Alvorens plaats te nemen, leunde ze, met de vrijmoedigheid der gewezen

tooneelspeelster, een oogenblik uit de loge, nagaande onder het

publiek de bezoekers, die zij kende. Menigeen gaf haar een hoofdknik,

zelfs uit de Koningsloge kwam een minzame groet.

Chauvelin sloeg haar onafgewend gade, bij het begin van het 3e bedrijf,

terwijl zij geheel onder de macht scheen van de muziek, waarvan ze

een hartstochtelijke liefhebster was. De echte levensvreugd stond

duidelijk te lezen op haar lief jong gezichtje en schitterde uit haar

lachende blauwe oogen. Twee dagen geleden was de Day Dream van Calais

teruggekeerd met de tijding der behouden aankomst van haar broeder,

dat hij haar in gedachten hield, en om harentwil voorzichtig zou te

werk gaan.

Haar echtgenoot was bij haar gebleven in de loge, zoolang de goede toon

dit eischte, toen ruimde hij de plaats voor Zijne Koninklijke Hoogheid

den Prins van Wales en het heirleger bewonderaars, die in onafgebroken

optocht de koningin van den dag hun hulde kwamen aanbieden. Sir

Percy had zich langzaam verwijderd, waarschijnlijk om kennissen

aan te spreken, die meer met zijn neigingen strookten. Marguerite

vroeg zich zelfs niet af, waarheen hij kon gegaan zijn, het was haar

tamelijk onverschillig.

Nadat allen vertrokken waren, wekte een bescheiden tikje aan de deur

der loge haar op uit haar genot van de muziek.

"Binnen," zei ze, zonder zich om te keeren.

Chauvelin had zijn gelegenheid afgewacht, hij zag, dat ze alleen was,

en nu, zonder op haar ongeduldig "Binnen!" acht te slaan, sloop

hij zachtjes in de loge en stond in het volgend oogenblik achter

Marguerite's fauteuil.

"Een woordje met u, burgeres," zei hij kalm.

Marguerite keerde zich haastig om, eenigszins gealarmeerd. "Gunst,

man, je maakt me aan 't schrikken," zei ze met een gedwongen lachje,

"je tegenwoordigheid komt me nu al heel ongelegen. Ik wil naar Gluck's

muziek luisteren en heb geen lust om te praten."

"Maar dit is mijn eenige gelegenheid," antwoordde hij dood-kalm, en

zonder verlof te vragen, trok hij een stoel dicht achter haar naar

zich toe--en wel zoo dicht, dat hij zacht met haar kon spreken, zonder

de bezoekers te storen en zonder in den donkeren achtergrond der loge

te worden opgemerkt. "Dit is mijn eenige gelegenheid," herhaalde hij,

toen zij hem geen antwoord verwaardigde.

"Dan moet u een ander oogenblik zien waar te nemen," hernam ze

ongeduldig. "Ik ga van de opera naar het bal van Lord Grenville. U

misschien ook. Nu dan, vijf minuten hoor!..."

"Drie minuten in deze loge zijn ruim voldoende," antwoordde hij

bedaard, "en ik geloof, dat u verstandig doen zult naar mij te

luisteren, burgeres St. Just."

Marguerite sidderde onwillekeurig. De stem van Chauvelin verhief zich

niet boven fluisteren; hij nam weer kalm een snuifje, maar toch was

er iets in zijn houding, dat haar het bloed in de aderen deed stollen.

Als een kat, die een achtelooze muis ziet voorbij schuiven, gereed

tot den sprong, zei hij op onverschilligen toon:--

"Uw broeder Armand verkeert in gevaar."

Geen spier vertrok in haar schoon gelaat. Hij kon haar enkel van

terzijde zien, maar de plotselinge strakheid van haar oogen en mond

ontging hem niet.

"Och kom," zei ze met gemaakte luchthartigheid, "dit is een van je

denkbeeldige intriges; 't was beter, als je naar je plaats ging en

mij van de muziek liet genieten."

En met haar hand begon ze zenuwachtig de maat te slaan. Chauvelin

verroerde geen vin; hij beschouwde kalm het tenger bevend handje,

dat hem te kennen gaf, hoe fel zijn gezegde haar had getroffen.

"Een paar dagen geleden, burgeres," vervolgde hij, "riep ik uw

medewerking in... maar u gaaft mij een weigerend antwoord... Minder dan

een uur daarna geraakte ik in het bezit van sommige papieren, die weer

een van de plannen onthulden voor de ontsnapping van een troep Fransche

aristokraten--waaronder die verrader de Tournay--alles beraamd door

den Rooden Pimpernel. Enkele draden ook van dit geheimzinnig weefsel

heb ik in handen gekregen, maar niet alle, en nu moet u mij helpen,

die bij elkaar te krijgen."

Marguerite scheen ongeduldig te luisteren.

"Twee heeren, Lord Anthony Dewhorst en Sir Andrew Foulkes, bevonden

zich dienzelfden avond te Dover in "Visscherswelvaren"," ging Chauvelin

voort. "Zij waren aan mijn spionnen reeds bekend als leden van dat

Verbond. Het was Sir Andrew Foulkes, die de Comtesse de Tournay en haar

kinderen begeleidde over het Kanaal. Toen de twee jongelieden alleen

waren, zijn mijn spionnen de gelagkamer van de herberg binnengedrongen,

hebben hun een prop in den mond gestopt en gekneveld, zich meester

gemaakt van hun papieren en hen tot mij gevoerd."

Met bliksemsnelheid had Marguerite het gevaar

overzien. Papieren?... Was Armand onvoorzichtig geweest?... Bij de

gedachte alleen sloeg haar de schrik om het hart. Toch lachte ze

vroolijk en lustig.

"Onder die papieren bevond zich een brief aan Sir Andrew Foulkes,

geschreven door uwen broeder Armand St. Just."

"Nu? En?"

"Die brief bewijst, dat Armand niet alleen sympathiseert met de

vijanden van Frankrijk, maar feitelijk een medewerker zoo al geen

lid is van het Verbond van De Roode Pimpernel."

De slag was eindelijk gevallen. Al dien tijd had Marguerite hem

verwacht; ze wilde geen vrees verraden, ze wenschte, als de schok

aankwam, erop voorbereid te zijn. Ze wist, dat Chauvelin waarheid

sprak, die brief van Armand--den dwazen, onvoorzichtigen Armand--bevond

zich in Chauvelin's bezit. Ze wist het, alsof ze met eigen oogen

den brief had gezien. En toch ging ze voort vroolijker te lachen,

luider dan ze aanvankelijk had gedaan.

"Kom, man!" zei ze, over haar schouder heen sprekend en hem vlak

in het gezicht ziende, "heb ik niet gezegd, dat het de een of

andere denkbeeldige intrige is... Armand in verbond met den Rooden

Pimpernel!... die Fransche aristo's een handje helpend... het verzinsel

pleit niet voor je phantasie!"

"Ik moet u de verzekering geven," vervolgde Chauvelin bedaard,

"dat St. Just, zonder eenige de minste hoop op vergiffenis, zich

heeft gecompromitteerd."

"Chauvelin," zei Marguerite Blakeney na lang zwijgens, "vriend

Chauvelin, zullen we trachten elkaar eens te verstaan? Zeg me, dat

ge er bijzonder op staat de identiteit van den Rooden Pimpernel te

ontdekken, is dat niet zoo?"

"Mijn bedoeling is: dat gij persoonlijk een pardon voor Armand St. Just

verwerft, door mij een kleinen dienst te bewijzen."

"Waarin moet die dienst bestaan?"

"Alleen dezen nacht voor mij een waakzaam oog te houden, burgeres

St. Just. Luister: Onder de papieren, die op den persoon van Sir Andrew

Foulkes gevonden zijn, was dit kattebelletje. Zie!" voegde hij eraan

toe, een smal strookje papier uit zijn zakboek te voorschijn halend

en het haar overhandigend.

Het was hetzelfde reepje, dat de jongelieden, vier dagen geleden,

lazen op het oogenblik, dat zij door de trawanten van Chauvelin

werden overvallen.

Marguerite nam het werktuigelijk aan en las halfluid:

""Wees er op bedacht, dat we elkaar niet vaker dan strikt noodig

moeten spreken. Voor den 2den hebt ge alle aanwijzingen. Zoo ge

verlangt mij weer te ontmoeten, zal ik op het bal komen van G.""

"Wat beteekent dat?" vroeg ze.

"Ziehier," zei hij, op een klein rood bloempje wijzend in den hoek.

"De Roode Pimpernel en het bal van G. beduidt Lord Grenville's bal

van dezen nacht."

"Zoo leg ik het briefje uit, burgeres" besloot Chauvelin

zoetsappig. "Lord Anthony Dewhurst en Sir Andrew Foulkes werden op

mijn orders gebracht naar een eenzaam huis op den weg van Dover, dat

ik voor mijn plan had gehuurd; daar zijn ze gevangen gehouden tot heden

morgen. Maar na het vinden van het strookje papier had ik hen tijdig in

Londen noodig, ten einde hen in de gelegenheid te stellen het bal bij

te wonen. Dezen morgen dus hebben de twee jonge snuiters alle deuren

en grendels ontsloten gevonden, hun bewakers waren verdwenen en twee

paarden stonden gezadeld op het voorplein. Ik heb hen nog niet gezien,

doch ik denk gevoegelijk tot de gevolgtrekking te kunnen geraken,

dat zij hun paarden niet gespaard hebben, voordat ze Londen hadden

bereikt. U ziet nu hoe eenvoudig alles is, burgeres!"

"Het schijnt zoo eenvoudig, niet waar?" zei ze bitter, "als men een

kip wil slachten... grijp je ze aan... dan draai je haar den nek

om... alleen vindt de kip het niet zoo heel eenvoudig. Je zet me nu

het mes op de keel... Dat vindt gij eenvoudig, meneer Chauvelin... Ik

vind het niet!"

"Neen, burgeres, ik bied u een kans om een broeder, dien ge lief hebt,

te redden van de gevolgen zijner eigen dwaasheid."

"Wat verlangt ge, dat ik doen zal, Chauvelin?" vroeg ze, met een

wereld van wanhoop in haar stem. "In mijn tegenwoordige positie is

het nagenoeg onmogelijk!"

"Als Lady Blakeney, heeft niemand verdenking op u, en met uw hulp kan

ik dezen nacht ontdekken, wie de Roode Pimpernel is... Gij gaat naar

het bal... Waak daar voor mij, burgeres, waak en luister... Zoo ge

een woord verneemt, of iets hoort fluisteren, kunt ge het mij komen

zeggen... Gij kunt aanteekening houden, tot wien Sir Andrew Foulkes

of Lord Anthony Dewhurst het woord richten. Tracht uit te vinden,

wie de Roode Pimpernel is en ik verpand u Frankrijks woord, dat uw

broeder ongedeerd blijft."

Chauvelin zette haar het mes op de keel. Zij gevoelde, dat een

weigering om hem te gehoorzamen, het doodvonnis zou zijn van Armand.

"Als ik beloof u hiermee van dienst te zijn, Chauvelin, wilt ge me

dan den brief van St. Just geven?"

"Zoo ge mij dezen nacht nuttige medewerking verleent, burgeres,"

antwoordde hij sarkastisch glimlachend, "zal ik u den brief... morgen

geven."

"Het kan zijn, dat ik niet bij machte ben, u bijstand te verleenen,"

zei ze op angstigen toon, "al ware ik er volkomen toe bereid."

"Dat zou inderdaad vreeselijk zijn," antwoordde hij kalm, "voor

u... en voor Armand St. Just."

Marguerite sidderde. Zij gevoelde, dat van dezen man geen genade was

te wachten.

Chauvelin bemoeide zich niet verder met haar. Hij had zijn wreedaardig

alternatief "Dit of Dat" uitgesproken en liet de beslissing aan haar

over. Op zijn beurt scheen hij nu verdiept in de muziek en sloeg de

maat met zijn hoofd.

Een bescheiden tikje op de deur wekte Marguerite uit haar

mijmering. Het was Sir Percy Blakeney, in zijn volle lengte, droomerig,

goed gehumeurd, met zijn half-verlegen, half-zinneloozen glimlach,

die haar nu scheen te prikkelen.

"Hé... je rijtuig staat buiten... lieve," zei hij soezig, "ik

onderstel, dat je naar dat bal wilt... Excuseer--hé--Monsieur

Chauvelin--ik had u niet gezien..."

Hij stak dezen twee dunne, witte vingers toe, en tot zijn vrouw:

"Kom je, lieve?"

"Ik ben klaar om te gaan," zei ze, zijn arm nemend. Aan de deur der

loge keerde zij zich om en zag ze Chauvelin aan:

"Het is enkel au revoir, Chauvelin," zei ze gekscherend, "we zullen

elkaar op het bal wel weer ontmoeten."

De Fransche republikein nam, sarkastisch glimlachend, een snuifje en

wreef zich met eenige voldoening de magere, beenige handen.

ELFDE HOOFDSTUK.

OP HET BAL BIJ LORD GRENVILLE.

Het historisch bal, door den toenmaligen Staatssecretaris van

Buitenlandsche Zaken, Lord Grenville, gegeven, was de schitterendste

gebeurtenis van het geheele jaar in de hooge kringen der wereldstad.

Zijn Koninklijke Hoogheid de Prins van Wales had zijn tegenwoordigheid

toegezegd. Tegen klokslag tien--een buitengewoon laat uur in die

dagen--waren de ruime, keurig met palmboomen en bloemen gedecoreerde

zalen van het Ministerie van Buitenlandsche Zaken overvol met bezoekers

van allerlei slag. Een lokaal was uitsluitend bestemd voor den dans, en

het tempo van de menuet was een zachte begeleiding van den vroolijken

kout, den opgewekten lachlust der talrijke en schitterende genoodigden.

Marguerite leed oneindig. Hoewel ze lachte en praatte, hoewel ze meer

werd bewonderd en gevierd dan eenige vrouw daar aanwezig, gevoelde

zij zich als een ter dood veroordeelde, die haar laatsten levensdag

telde op aarde.

De Roode Pimpernel · 第 4 / 14 段