DE ROODE PIMPERNEL
DOOR
BARONESSE ORCZY
NAAR HET 217DE DUIZENDTAL VAN DE ENGELSCHE UITGAVE
DOOR
ED. VAN DEN GHEIJN Jr.
MET ACHT ILLUSTRATIES
GEAUTORISEERDE UITGAVE--VIJFDE DRUK
UTRECHT--H. HONIG--1920
EERSTE HOOFDSTUK.
PARIJS: SEPTEMBER 1792.
Een deinende, ziedende, rumoerige menschenzee; menschen alleen in
naam, want voor onze gezichts- en gehoororganen schijnen zij niets
anders dan een wilde horde, opgezweept door lage hartstochten;
wraakzucht en haat. De tijd: kort vóór zonsondergang; de plaats:
een Westelijke Barricade.
Gedurende het grootste gedeelte van den dag had de guillotine haren
vreeselijken arbeid verricht: alles, waarop Frankrijk in vervlogen
eeuwen prat ging, historische namen, hooge adel, had den cijns
betaald aan haar begeerte naar vrijheid en broederschap. Men had op
dit gevorderd uur van den dag de slachting alleen gestaakt, omdat
er vóór het tijdstip van de nachtsluiting der poorten van Parijs,
meer belangrijke vertooningen voor het volk waren weggelegd.
Daarom haastte zich de menigte om de Place de la Grève te verlaten
en zich naar de verschillende barricaden te begeven, ten einde van
dat belangwekkend en vermakelijk schouwspel getuige te zijn.
Men kon er iederen dag van genieten, want die aristokraten waren zulke
idioten! Ze plachten hun vaderland te verraden, ze wilden het prijs
geven aan zijn vijanden, en daarom waren ze natuurlijk verraders van
het volk, zij met hen allen, mannen, vrouwen en kinderen, die, als
zijn oude adel, Frankrijks glorie hadden uitgemaakt. Hun voorzaten
hadden het volk verdrukt, vertreden onder de hakken van hun elegant
schoeisel, maar nu was het volk heer en meester van Frankrijk
en verpletterde zijn vroegere tirannen--niet onder zijn hakken,
want het meerendeel had geen schoenen in die dagen--neen, het volk
vertrapte zijn verdrukkers onder een meer effect sorteerend gewicht:
het scherp snijdend mes der guillotine.
En dagelijks, van uur tot uur, eischte het afschuwelijk werktuig zijn
talrijke slachtoffers: grijsaards, jeugdige vrouwen en kleine kinderen,
terwijl in het verschiet de dag gloorde, waarop het onverzadelijk
monster het hoofd zou vorderen van een Koning en van een schoone
jonge Koningin.
De aristokraten trachtten zich schuil te houden en te vluchten:
daarin juist lag het grappige van de heele geschiedenis. Iederen
namiddag vóór het sluiten der poorten, waarop de marktwagens in rijen
de verschillende barricaden voorbij trokken, beproefde een dwaze
aristokraat de waakzaamheid van het Comité der Openbare Veiligheid te
verschalken. Onder verschillende vermommingen trachtten zij door de
cordons te sluipen, die door burgersoldaten der Republiek zoo streng
werden bewaakt. Mannen in vrouwengewaad, vrouwen in manskleeren,
kinderen vermomd als bedelaars, ze waren allen adellijken, die
Frankrijk wilden ontvluchten en naar Engeland of eenig ander land een
heenkomen zochten, om daar de bewoners op te hitsen tegen de roemrijke
revolutie, of wel er een leger te recruteeren, dat de rampzalige
gevangenen van den Tempel, die eenmaal Frankrijks heerschers waren,
zou bevrijden.
Maar doorgaans werden ze bij de barricaden gesnapt. Sergeant Bibot
vooral, die bij de Westerpoort de wacht commandeerde, bezat een
verwonderlijk neusorgaan om van een aristokraat, al ware deze ook nog
zoo vermomd, terstond de lucht te krijgen. Dan hadt je natuurlijk de
poppen aan het dansen, soms een kwartier lang. Bibot had de gewoonte
met zijn prooi te spelen als de kat met de muis.
Ja! Bibot had er een handje van de zaken van hun humoristischen kant te
beschouwen, en het loonde de moeite wel in de buurt te blijven van die
Westerbarricade, om eens te zien, hoe hij een aristokraat betrapte op
heeter daad, bij een poging om aan de wraak van het volk te ontkomen.
Nu en dan placht Bibot zijn slachtoffer werkelijk uit de poort
te laten, den adellijken heer, voor een paar minuten althans,
het genoeglijk bewustzijn gunnend, dat hij inderdaad uit Parijs was
ontsnapt. Maar als de rampzalige tien meters nagenoeg in het open veld
had afgelegd, zond hij hem twee man achterna, die hem terugbrachten,
ontdaan van zijn vermomming.
Zeker! dat was uiterst grappig, want dikwijls ontpopte zich de
vluchteling in een vrouw, liefst een markiezin, die vreeselijk komiek
deed, als zij begreep, in de klauwen van Bibot te zijn verzeild, met
de wetenschap dat Mevrouw Guillotine des anderen daags haar wachtte.
Geen wonder dus dat op dezen fraaien achtermiddag in September de
schare nabij Bibot's barricade in opgewonden toestand verkeerde. Zij
had dien dag een honderdtal adellijke hoofden onder het slachtmes
zien vallen, zij wenschte zich te vergewissen, of er daags daarna
weer honderd in de zandmand zouden terecht komen.
Bibot zat op een omgekeerd leeg vat, dicht bij de poort der barricade;
een klein detachement burgersoldaten stond onder zijn bevelen. Er was
in den laatsten tijd heel wat te doen geweest. De aristokraten hadden
het onmogelijke gedaan, om uit Parijs weg te komen. Iederen dag had
Bibot de voldoening gesmaakt een of anderen vluchtenden koningsgezinde
te ontmaskeren en dezen ter vonnissing op te zenden naar het Comité
der Openbare Veiligheid.
Robespierre en Danton hadden beiden Bibot lof toegezwaaid voor zijn
activiteit, en Bibot koesterde een hoogen dunk van zichzelf, dat door
zijn toedoen minstens vijftig aristokraten met de guillotine hadden
kennis gemaakt.
Maar vandaag hadden alle sergeants, die de wacht hadden bij de
verschillende barricades, speciale orders ontvangen. Sedert een
paar dagen was het een groot aantal royalisten gelukt uit Frankrijk
te geraken en veilig in Engeland te landen. Zonderlinge geruchten
liepen er aangaande deze feiten; ze waren dikwijls voorgekomen en
stoutmoedig uitgevoerd; groote opgewondenheid hadden ze veroorzaakt
onder het volk. Sergeant Grospierre had het schavot moeten beklimmen,
omdat hij langs zijn neus weg een heele familie koningsgezinden uit
de Noorderpoort had laten ontsnappen.
Men meende te weten, dat die uittochten waren geslaagd door Engelschen,
wier moed ongeëvenaard scheen, en die uit louter bemoeizucht met iets,
wat hen niet aanging, hun vrijen tijd besteedden om de guillotine
van haar slachtoffers te berooven. Deze geruchten namen weldra
buitensporige vormen aan; geen twijfel of de bemoeizieke Britten
bestonden niet in de verbeelding, bovendien schenen ze als aanvoerder
te hebben een man, wiens kranige heldenmoed aan het fabelachtige
grensde. Zonderlinge praatjes deden de ronde n.l. hoe hij en de
aristokraten, die hij bevrijdde, plotseling onzichtbaar werden, als
ze de barricaden naderden en door niets minder dan bovennatuurlijke
macht ontsnapten aan de waakzaamheid der ééne en ondeelbare Republiek.
Niemand had ooit deze geheimzinnige vreemdelingen gezien; als er sprake
was van hun leider, sidderde het volk als voor een bovenaardsch
wezen. Het gebeurde nu en dan, dat burger Foucquier-Tinville,
voorzitter van het Comité der Openbare Veiligheid, in den loop van den
dag een reepje papier ontving uit een geheimzinnigen bron; bijwijlen
vond hij het in zijn jaszak, dan weer overhandigde iemand het hem op
straat, terwijl hij zich naar de vergadering van het Comité begaf. Dat
papier bevatte steeds de korte mededeeling, dat de troep bemoeizieke
Engelschen aan het werk was en droeg bij wijze van handteekening altijd
een stervormig bloempje, in Engeland "Roode Pimpernel" genaamd. Voordat
een paar uren na ontvangst van het kattebelletje verloopen waren,
vernam het Comité der Openbare Veiligheid, dat zooveel en zooveel
koningsgezinden en aristokraten erin geslaagd waren het zeestrand te
bereiken en veilig op weg naar Groot-Brittannië waren.
Het Comité zond spionnen in alle richtingen, zelfs naar Engeland, om te
ontdekken, wie de vluchtelingen waren en waar zij zich bevonden. Men
had de wachten aan de poorten verdubbeld, de bevelvoerende sergeants
met den dood gedreigd, terwijl ruime belooningen voor de aanhouding
dezer Engelschen werden uitgeloofd. Wien het gelukte de hand te
leggen op den geheimzinnigen Rooden Pimpernel, zou vijfduizend
franken ontvangen.
Een ieder verwachtte, dat Bibot de gelukkige prijswinner zou
zijn. Derhalve kwam het volk hem dag aan dag gadeslaan aan de
Westerpoort, ten einde getuige te zijn van het feit, dat hij den
geheimzinnigen Engelschman knipte.
"Bah!" zei hij tot zijn korporaal, "burger Grospierre was een
dwaas! Was ik de vorige week maar aan de Noorderpoort geweest..."
Burger Bibot spuwde op den grond, als om zijn verachting te kennen
te geven over de uilachtigheid van zijn kameraad.
"Hoe is het gebeurd, burger?" vroeg de korporaal.
"Grospierre was aan de poort en hield goed wacht," begon Bibot op
gewichtigen toon, toen de menigte een weinig om hem heendrong en
met ongeduldig verlangen luisterde naar zijn relaas. "We hebben
allen gehoord van dien Rooien Pimpernel. Door mijn poort zal hij
niet sluipen, al was-ie de duivel in persoon. Maar Grospierre was
een malloot. De marktkarren gingen door de poorten; een ervan was
geladen met fusten en werd gemend door een oud man met een jongen
naast zich. Grospierre was een beetje aangeschoten, maar zag zich
zelf voor een heelen bolleboos aan; hij keek in de vaten--althans
in de meeste--zag, dat ze leeg waren en liet de kar passeeren.--Een
half uur later komt de kapitein van de wacht opdagen met een piket
van twaalf man. ""Is er een kar gepasseerd met fusten?"" vraagt hij
Grospierre buiten adem. ""Ja,"" antwoordt-ie, ""nog geen halfuur
geleden."" ""En je hebt die laten passeeren!"" schreeuwt de kapitein
woedend. ""Je zult hiervoor op 't schavot je hoofd moeten neerleggen,
burger sergeant! Op die kar had de hertog de Chalis zich verborgen
met zijn heele familie!""
""Wat zeg je, burger kapitein!"" roept Grospierre verbluft. ""Ja
zeker!"" zegt de kapitein, ""en de voerman was niemand anders dan
die vervloekte Engelschman, de Rooie Pimpernel!""
Met ongeveinsde uitroepen van hoon en verachting werd dit verhaal
ontvangen. "Burger Grospierre had zijn fout geboet op de guillotine,
maar wat een dwaas!"
Bibot lachte zoozeer om zijn eigen vertelling, dat er een poosje
verliep, voordat hij kon vervolgen.
"""Zet ze achterna, jongens!"" schreeuwt de kapitein, ""denkt aan de
belooning; voorwaarts! ze kunnen nog niet heel ver zijn!"" Dit zeggende
snelt hij door de poort en het dozijn soldaten achter hem aan."
"Maar het was te laat!" riep de menigte.
"Ze hebben ze ook nooit gesnapt," zei Bibot.
"Vervloekt die Grospierre!"
"Denk eens, die vaten niet behoorlijk onderzocht!" vulde Bibot aan.
Maar deze snedige uitroepen schenen burger Bibot bijzonder te
amuseeren; hij lachte, totdat de tranen hem langs de wangen biggelden.
"Neen, neen!" zei hij ten laatste, "de aristokraten waren niet in de
kar, de voerman was niet de Rooie Pimpernel!"
"Wat?"
"Neen! De vervloekte Engelschman was de kapitein van de wacht, aldus
vermomd, en ieder van diens soldaten was een aristocraat!"
Ditmaal sprak niemand uit het volk; de geschiedenis kwam hun bepaald
bovennatuurlijk voor. Voorwaar die Engelschman was zeker de duivel
in persoon.
De zon daalde ter kimme. Bibot maakte zich gereed om de poorten
te sluiten.
"De karren vooruit!" beval hij.
Een twaalftal overdekte wagens schikten zich in een rij, gereed om de
stad te verlaten. Bibot kende ze meest alle, daar ze tweemaal daags de
poort in- en uitreden. Hij sprak met een of twee der voerlieden--meest
vrouwen--en gaf zich bijzondere moeite het binnenste der wagens
te onderzoeken.
"Men kan nooit weten," placht hij te zeggen, "en ik heb weinig lust
mijn hoofd te verliezen, zooals die gek van een Grospierre."
De vrouwen, die de wagens menden, brachten gewoonlijk den dag door op
de Place de la Grève in de nabijheid der guillotine, met breiwerk en
gesnap, terwijl ze de reeks karren afwachtten, met slachtoffers voor
de guillotine beladen. Het was een groote aardigheid, de aristokraten
te zien aankomen; de plaatsen dicht bij het schavot waren dan ook
zeer in trek. Gedurende den dag had Bibot de wacht gehouden op het
Plein. Hij kende de meeste der oude wijven, die daar zaten te breien,
terwijl hoofd na hoofd viel onder het mes en zij zelven geheel en al
bespat werden met het bloed dezer verwenschte aristokraten.
"Hola moeder!" riep Bibot een dezer vreeselijke heksen toe, "wat heb
je daar voor moois?"
Hij had haar op een vroeger uur van den dag gezien, met haar breiwerk
en zweep naast zich. Ditmaal had ze een bos gekrulde lokken, in alle
kleuren van goud tot zilver, blond en zwart, aan het handvatsel der
zweep gebonden, en streelde die met haar magere vingers, terwijl ze
Bibot toelachte.
"Ik heb met mevrouw Guillotine's uitverkorene vriendschap gesloten,"
zei ze met een schorren lach, "hij sneed ze voor me van de hoofden af,
toen die neervielen in de mand. Hij... heeft me 'r voor morgen nog
meer beloofd, maar ik weet niet, of ik dan op mijn gewoon plaatsje
zal zitten."
"Waarom niet, moeder?" vroeg Bibot, die onwillekeurig een rilling
voelde langs zijn rug.
"M'n kleinzoon heeft de pokken gekregen," zei ze met den duim harer
rechterhand wijzend in de richting van haar kar, "er zijn lui, die
zeggen, dat 't de pest is. Als dat waar is, mag ik morgen Parijs
niet binnenkomen."
Bij het allereerste woord "pokken" was Bibot terstond eenige stappen
achteruit getreden, maar toen het oudje van "pest" begon te spreken,
maakte hij zich ijlings uit de voeten.
"De drommel hale je!" bromde hij, onderwijl de menigte zich haastig
van den wagen verwijderde en dien heel alleen staan liet in het midden
van het plein.
"De duivel hale jou, burger lafaard die je bent!" riep het wijf Bibot
achterna. "Bah! wat een man... om voor ziekte bang te zijn!"
Allen zwegen door schrik bevangen, bij het vernemen van de walgelijke
pest.
"Maak dat je weg komt met je heele besmette Santekraam!" bulderde
Bibot.
De oude heks zette haar mageren knol aan met een tikje van de zweep
en bracht haar kar buiten de poort.
Dit voorval had aan de genoegens van den namiddag veel afbreuk
gedaan. De schrik zat er bij de menigte in. Ze drentelde langs de
barricaden, in somber stilzwijgen voor een poos, terwijl men elkaar
argwanend aankeek en instinctmatig elkaar meed. Daar kwam, evenals
in het geval met Grospierre, plotseling een kapitein van de wacht
opdagen. Maar Bibot kende hem, er bestond dus geen vrees, dat hij
een verkapte sluwe Engelschman kon zijn.
"Een kar...!" schreeuwde hij buiten adem, nog vóór hij de poort
had bereikt.
"Welke kar?" vroeg Bibot norsch.
"Gemend door een ouwe heks... een huifkar..."
"Er waren er wel twaalf..."
"Een ouwe heks, die zei, dat haar zoon de pest had!"
"Jawel..."
"Je hebt ze toch niet laten gaan?"
"Sakkerloot!" zei Bibot, wiens purperroode wangen plotseling wit
werden van schrik.
"Die kar hield in de voormalige Gravin de Tournay met haar twee
kinderen, allen verraders en ter dood veroordeeld."
"En de voerman?" mompelde Bibot, terwijl hem een koude rilling langs
den rug liep.
"Alle duivels!" zei de kapitein, "het was de Rooie Pimpernel in
levenden lijve!"
TWEEDE HOOFDSTUK.
DOVER: "VISSCHERSWELVAREN."
In de keuken van de herberg waren twee jonge meisjes druk in de weer;
ze bliezen en hijgden van hitte en opwinding en giegelden over enkele
van haar eigen grappen telkens als Miss Sally haar een oogenblik den
rug had toegekeerd. En de oude, zwaarlijvige, vadzige Jemima bromde,
onderwijl ze heel methodisch bezig was de soep te roeren, die boven
het vuur hing.
"Aannemen! Sally!" klonk het op vroolijken, zoo al niet melodieuzen
toon uit de aangrenzende gelagkamer.
"Gossimijne!" riep Sally goedlachs, "wat moeten ze nu van me hebben!"
"Bier, natuurlijk," mopperde Jemima, "je zult toch niet denken,
dat Jimmy Pitkin het bij één glaasje laten zal?"
"Ja, en meneer Harry zag er ook zoo dorstig uit," meesmuilde Martha,
een der kleine keukenmeisjes, terwijl ze knipte met haar zwarte oogen,
telkens als deze de kijkers ontmoetten van haar kameraad.
Sally keek een oogenblik boos en poseerde in gedachten met haar handen
in de zij; haar vuisten jeukten wel wat, blijkbaar om in aanraking te
komen met Martha's rozige wangen, maar daar zij een zachtmoedigen aard
had, wijdde ze haar aandacht aan de gebakken aardappelen in de pan.
"Aannemen, Sally! hola Sally!"
Deze uitroepen gingen gepaard met een begeleiding van tinnen kannen,
waarmede de eikenhouten tafels der gelagkamer werden bewerkt.
"Sally!" schreeuwde dezelfde stem, "moet het bier soms nog gebrouwen
worden?"
"Ik geloof, dat vader hen wel zal bedienen," mompelde Sally, toen
Jemima een aantal kroezen begon te vullen met ale, een eigen brouwsel,
waarvoor het kapelletje "Visscherswelvaren" sedert de dagen van Koning
Karel beroemd was geweest. "Vader weet toch, hoe volhandig we het
hier hebben."
"Je vader maakt zich veel te druk met over politiek te praten, in
gezelschap van meneer Hempseed, dan dat hij zich zal bekommeren over
jou en je keuken," bromde Jemima binnensmonds.
Sally ging naar den kleinen spiegel, die in een hoek hing van de
keuken, streek haastig het haar glad en schikte haar muts op zijn
Zondags over haar donkere krullen; toen nam ze de bierglazen bij
de ooren, drie in iedere sterke bruine hand en bracht ze lachend en
blozend naar de gelagkamer.
Daar was zeker geen zweem van de herrie en bedrijvigheid, die de vier
vrouwen in de warme keuken bezighield.
De gelagkamer van "Visscherswelvaren" is thans een vertrek, dat men als
een curiositeit aan vreemdelingen laat zien. Een oud lokaal was het
reeds in de achttiende eeuw, toen de Londensche diligence dagelijks
van dáár vertrok. De eikenhouten zoldering en balken waren al zwart
van ouderdom, evenals de stoelen met hun hooge ruggen en de lange
geboende tafels, waarop tallooze tinnen kroezen phantastische figuren
hadden achtergelaten. Vóór het vensterraam, waarvan de ruiten in lood
waren gevat, stak een reeks potten met schitterend roode geraniums
helder tegen den eikenhouten achtergrond af.
Dat meneer Jellyband, de kastelein van "Visscherswelvaren" te Dover,
een welgesteld man was, wist iedereen. Het metaal op het fraai
ouderwetsch buffet, het koper op den schoorsteenmantel blonk als
zilver en goud--de vloer, met rooden zandsteen ingelegd, was even
helder als de kleur der geraniums in het vensterkozijn.
De kamer, verlicht door twee blinkend gepoetste lampen, die van de
balken zoldering afhingen, zag er bijzonder vroolijk en gezellig
uit, en door de wolken van tabaksdamp waren de roode gezichten van
Mr. Jellyband's stamgasten plezierig om naar te kijken.
Toen Sally binnenkwam, lachend door haar fronsende blikken heen,
terwijl ze een paarlenrij hagelwitte tanden liet zien, werd zij met
uitbundig gejuich ontvangen.
"Kijk, daar hebben we Sally! Hallo, Sally! Hoera! leve de mooie Sally!"
"Ik dacht, dat je doof geworden waart in die keuken," mompelde Jimmy
Pitkin, met de palm van zijn hand langs zijn droge lippen strijkend.
"Komaan, zoo is het in orde!" lachte Sally, de opnieuw gevulde
bierkannen op de tafel zettend, "dat was me een heele herrie, hoor!"
Het liep tegen het einde van September 1792; het weer, dat prachtig
en warm was geweest gedurende de geheele maand, had plotseling een
keer genomen, want twee regendagen hadden het zuiden van Engeland
overstroomd. Op dit oogenblik kletterde het hemelwater tegen de in
lood gevatte ruiten en vallende in den schoorsteen, deed de bui het
vroolijk vuur sissen in den haard.
"Groote goedheid! Heb je ooit zoo'n weer gezien in September,
Mr. Jellyband?" vroeg Mr. Hempseed.
Hij zat in een der stoelen, dicht bij den haard en keek met droevig
gezicht door het vertrek naar de waterstroompjes, die langs de
vensterruiten dropen.
"Neen," antwoordde Mr. Jellyband, "dat ik weet... niet. En ik woon
in deze streek toch al bijna zestig jaar."
"Nu, in de eerste drie jaar van die zestig zult u er ook niet veel
weet van gehad hebben, Mr. Jellyband," bracht Mr. Hempseed kalmpjes
in het midden, "ik herinner me ten minste niet, dat een kind ooit
notitie nam van het weer, althans niet in dit district, waar ik al
vijf-en-zeventig jaar mijn leven slijt, Mr. Jellyband."
Het verpletterende van dit wijs betoog was zoo tastbaar, dat
Mr. Jellyband voor het oogenblik in zijn gewone vaardigheid van
argumenten te kort schoot.
"Het lijkt meer op April dan September, dunkt u niet?" vervolgde
Mr. Hempseed mismoedig, toen dikke regendroppels sissend op het
vuur vielen.
"Ja, het heeft er veel van, maar wat kunt u verwachten, Mr. Hempseed,
van een regeering als wij hebben?"
"Ik verwacht niets, Mr. Jellyband."
"Zeer juist, Mr. Hempseed," hernam Jellyband, "daar ik zei: wat kunt
u verwachten? Daar heb je nu... die Fransche duivels aan de overzij
van het Kanaal, die hun Koning en adel vermoorden, terwijl Mr. Pitt,
Mr. Fox en Mr. Burke elkaar in de haren zitten over de vraag, of wij
Engelschen die kikvorscheneters in hun goddeloos bedrijf maar hun
gang moeten laten gaan. ""Laat ze moorden!"" zegt Mr. Pitt."
"""Steek er een stokje voor!"" zegt Mr. Burke."
"En ik zeg ook: laat ze moorden, maar geef ons niet zoo'n regen in
September, want dat druischt in tegen alle wetten en tegen de Schrift,
die zegt--"
"Hemel! Mr. Harry, wat laat je me dansen!"
Het was niet gelukkig voor Sally en haar behaagzucht, dat haar
opmerking juist te berde gebracht werd op het oogenblik, dat
Mr. Hempseed adem vergaarde om eenige bijbelteksten te pas te brengen,
waarvoor hij befaamd was, want haar uitroep bracht de volle fiool
van haars vaders toorn op haar aanvallig hoofd.
"Kom, kom, Sally, meisje, kom!" zei hij, zich geweld aandoende een
frons te teekenen op zijn goedmoedig gezicht, "maak een einde aan de
malligheden met die jonge melkmuilen en ga aan je werk."
"Het werk gaat heel goed voort, vader."
Maar Mr. Jellybands bevel was gestreng. Hij had heel andere plannen
met zijn mooie dochter, zijn eenig kind, dan haar te zien trouwen met
een van die jonge snuiters, die met hun vischnet slechts een onzeker
bestaan konden leiden.
"Heb je me verstaan, meid?" herhaalde hij op zijn kalmen toon. "Zorg,
dat je het souper van milord Thony klaar krijgt, want al kunnen wij
niet, zooals we willen, we moeten willen, zooals we kunnen."
Tegenstribbelend, met lijdelijk verzet, gehoorzaamde Sally.
"Wacht u vanavond dan speciale gasten, Mr. Jellyband?" vroeg Simmy
Pitkin.
"Ja," antwoordde Jellyband, "vrienden van milord Thony. Hertogen
en hertoginnen van den overkant van het Kanaal, die door den lord
en zijn vriend, Sir Andrew Foulkes en nog andere edellieden uit de
klauwen van die moordzuchtige duivels zijn gered."
"Hemelsche goedheid!" zei Mr. Hempseed, "waarom doen ze dat? Ik
houd er niet van, me met eens anders zaken te bemoeien, zooals de
Schrift zegt--"
"'t Is mogelijk, Mr. Hempseed," viel Jellyband met bijtend sarkasme
hem in de rede, "daar u een persoonlijk vriend zijt van Mr. Pitt,
zegt u misschien ook: "Laat ze maar moorden!"
"Met uw verlof, Mr. Jellyband," protesteerde flauwtjes
Mr. Hempseed. "Ik ben me niet bewust, het ooit gezegd te hebben."
Maar het was Mr. Jellyband eindelijk gelukt, zijn geliefkoosd
stokpaardje, de politiek, te kunnen bestijgen.
"Ook is het mogelijk," hernam de kastelein, "dat u vriendschap hebt
aangeknoopt met sommigen van die Fransche snuiters, die, naar men
zegt, hierheen zijn gekomen om ons Engelschen over te halen tot hun
moordzuchtige manieren."
"Ik weet niet, wat u zeggen wilt, Mr. Jellyband, al wat ik weet is--"
"Al wat ik weet," zei de kastelein overluid, "is iets van mijn
vriend Peppercorn uit "Het Blauwe Zwijnshoofd", een waar en loyaal
Engelschman, zooals er maar een zijn kan. Hij sloot vriendschap
met sommigen van die kikkereters, alsof ze Engelschen waren en geen
bende onzedelijke, godloochenende vreemdelingen. Nu, wat gebeurde
er? Peppercorn praat nu van revolutie en vrijheid; hij roept: "weg
met de aristokraten!" precies als meneer Hempseed!"
"Ik vraag verschoning, Mr. Jellyband," bracht Mr. Hempseed weer
flauwtjes in 't midden, "ik herinner me niet, het ooit gedaan te
hebben--"
Mr. Jellyband had zich in het algemeen beroepen op het gezelschap, dat
met open mond had zitten luisteren naar het relaas van Mr. Peppercorn's
tekortkomingen. Aan één tafel hadden twee bezoekers--gentlemen,
te oordeelen naar hun uiterlijk--hun half geëindigd dominospel
terzijde geschoven en een tijdlang, blijkbaar met veel genoegen,
Mr. Jellyband's internationale zienswijze aangehoord. Een hunner,
een man met een kalm sarkastisch glimlachje om de mondhoeken, keerde
zich naar het midden der kamer, waar Mr. Jellyband stond.
"U schijnt te meenen, geachte vriend," sprak hij kalm, "dat de
Franschen almachtig knappe lui zijn, doordat ze de opinies van uw
vriend Peppercorn totaal hebben gewijzigd. Hoe denkt u wel, dat ze
dit hebben geleverd?"
"Gunst, meneer, ik onderstel, dat ze hem bepraat hebben. Die
Franschmannetjes, ik heb het van hooren zeggen, bezitten de gave van
het woord."
"Dan willen we hopen, mijn waarde gastheer, dat die knappe spionnen
er niet in mogen slagen u te belezen en uw hechte loyale gevoelens
te verkrachten."
Maar dit was te veel voor de gelijkmoedigheid van Mr. Jellyband. Hij
barstte los in een homerische lachbui, die weerklank vond bij hen,
die in het krijt stonden bij den kastelein.
"Hahaha! Hihihi! Hohoho!" hij lachte in iederen toon, totdat hij pijn
in de zijden kreeg en zijn oogen overliepen. "Neen maar! Heb jelui
het gehoord? Ze zoûen mij van meening doen veranderen! Maar, meneer,
u zegt daar iets heel vreemds!"
"Welnu, Mr. Jellyband," zei Mr. Hempseed, "u weet wat de Schrift zegt:
""Wie staat, zie toe, dat hij niet valle.""
"Maar, Mr. Hempseed," hernam Mr. Jellyband, zijn zijden nog
vasthoudend, "ik wil graag met een van die moordzuchtige Franschen
een glas ale drinken en eens zien, of ze mij tot hun opinie kunnen
overhalen. Ik heb gehoord, dat die kikkereters zelf geen woord
Engelsch spreken. Als dus een hunner mij in hun taal aansprak,
begreep ik terstond, waar ze heen wilden. Hun spreekwoord, meen ik,
zegt: een gewaarschuwd mensch is een dubbel mensch."
"Welnu dan, geachte vriend," hernam de vreemdeling vroolijk, "ik
zie, dat ge te zeer bij de pinken zijt en twintig Franschen staan
kunt. Daarom drink ik op uw gezondheid, waarde gastheer, als u me de
eer wilt aandoen deze flesch wijn met mij soldaat te maken."
"Zeer beleefd van u, meneer," zei Mr. Jellyband, "ik heb er niets
tegen."
De vreemdeling schonk een paar bierglazen vol wijn, en den gastheer
er een aanbiedend, nam hij het andere.
"Loyale Engelschen als wij allen zijn," zei hij, terwijl een
guitige glimlach om de hoeken speelde zijner dunne lippen--"moeten
wij aannemen, dat deze drank tenminste iets goeds is, dat wij uit
Frankrijk krijgen."
"Neen, niemand onzer zal dat tegenspreken, meneer," bevestigde de
kastelein.
"De gezondheid van den besten gastheer in Engeland, Mr. Jellyband,"
zei de vreemdeling met luide stem.
"Hip, hip, hoera!" riep het geheele aanwezige gezelschap. Daverend
handgeklap, glazen en bierpotten maakten een ratelende muziek ter
begeleiding van Mr. Jellyband's uitroepen:
"Verbeeld u, dat ik me door een buitenlander zal laten bepraten!--alles
goeds voor u, meneer, maar u hebt toch iets vreemds gezegd."
Zeker, het was een aanmatigend vermoeden, dat iemand ter wereld ooit
de vast ingewortelde opinie van Mr. Jellyband aan het wankelen zou
kunnen brengen, dat buiten Engeland alle Vastelandbewoners van nul
en geener waarde zijn.
DERDE HOOFDSTUK.
DE EMIGRANTEN.
De openbare meening in Engeland was in dezen tijd zeer zeker ten
hoogste gespannen tegen de Franschen en hun daden. Smokkelaars en
kooplieden brachten tijdingen van de overzijde van het Kanaal, die
het bloed van ieder rechtschapen Engelschman deden koken, wegens het
optreden dezer moordenaars, die hun koning met zijn geheele familie
in den kerker hadden opgesloten en nu luidkeels het bloed eischten
van al, wat den naam droeg van Bourbon.
Ondanks dit alles durfde niemand tusschenbeiden te komen. Met vurige
welsprekendheid had Burke getracht de Britsche regeering te bewegen
den strijd tegen het revolutionnaire Frankrijk aan te binden,
maar Mr. Pitt oordeelde, dat zijn land niet in staat bleek, zich
aan een oorlog te wagen. Het was aan Oostenrijk om het initiatief
te nemen, aan Oostenrijk, wiens schoone dochter op het oogenblik
een onttroonde en gevangen koningin was, die weldra het hoofd op
een schavot zou verliezen. Neen, het was niet Engelands taak--aldus
redeneerde Mr. Fox--naar de wapens te grijpen, omdat één gedeelte van
het Fransche volk verkoos, het ander gedeelte den hals af te snijden.
Wat Mr. Jellyband en zijn mede John Bulls betrof, zij waren royalisten
en antirevolutionnairen zonder uitzondering, en voor het oogenblik
woedend op Pitt, wegens diens gematigdheid.
Mr. Jellyband had nauwelijks zijn gewone kalmte herkregen, of
Sally kwam in opgewonden toestand binnen. Het vroolijke gezelschap
in de gelagkamer had niets gehoord van het lawaai buitenshuis,
maar zij had een druipnat paard zien halt houden vóór de deur van
"Visscherswelvaren", en onderwijl de staljongen zich met de zorg
voor het dier belastte, begaf de mooie Miss Sally zich naar buiten,
om den bezoeker welkom te heeten.
"Ik meen milord Anthony's paard op het erf te hebben gezien, vader,"
zei ze, de gelagkamer binnen snellend.
Maar de deur was van buiten reeds open geworpen en in het volgend
oogenblik werd een arm, zwaar druipend van den regen, om Sally's
fraai middel geslagen.
"Jawel, en dank zij je bruine kijkers, die zoo scherp zien, mijn
schoone Sally," zei de man, die zoo juist was binnen gekomen, terwijl
de waard, Mr. Jellyband, te voorschijn trad, zooals het betaamde bij
de komst van een der meest geziene gasten van zijn logement.
"Wel, ik moet zeggen, Sally," vervolgde lord Anthony, een kus drukkend
op Miss Sally's bloeiende wangen, "je wordt al knapper en knapper
iederen keer als ik je ontmoet--en mijn geachte vriend Jellyband
moet al vrij wat te doen hebben om de jongens van je slanke leest af
te houden."
Lord Anthony Dewhurst, een der zonen van den Hertog van Exeter, was
in die dagen een volmaakt type van een jong Engelsch edelman, rijzig,
breed geschouderd met een prettig gezicht. Zijn lach klonk luid,
waarheen hij ook ging. Een flink sportsman, een gezellig kameraad,
een hoffelijk, welopgevoed man van de wereld, was hij algemeen gezien
in de Londensche salons en in de gelagkamers van dorpsherbergen. In
"Visscherswelvaren" kende hem iedereen, want hij hield ervan naar
Frankrijk over te steken en bracht steeds een nacht door onder het
dak van Mr. Jellyband, op zijn weg heen of terug.
Hij knikte tegen het gezelschap, toen hij Sally's middel losliet
en trad op den haard toe, om zich te warmen en te drogen. Dit
doende, wierp hij een snellen, eenigszins argwanenden blik op de
twee vreemdelingen, die kalm hun dominospel hadden hervat, en een
oogenblik trok een wolk van onrust over zijn joviaal jeugdig gelaat.
Maar ook een oogenblik slechts, in het volgend richtte hij zich tot
Mr. Hempseed.
"Wel, Mr. Hempseed, hoe staat het met de vruchten?"
"Treurig, milord, treurig," antwoordde Mr. Hempseed droevig, "maar
wat kan men ook verwachten van een regeering, die de schurken aan
den overkant in Frankrijk begunstigt, die er op uit zijn hun koning
en hun ganschen adel te vermoorden!"
"Ja, daar gaat het naar toe," zei lord Anthony, "ze pakken van deze
laatsten allen, op wie ze de hand kunnen leggen. Maar we hebben eenige
vrienden, die van avond hier verwacht worden, en wien het gelukt is,
aan hun klauwen te ontsnappen."
Bij het uiten dezer woorden wierp de jonkman een blik naar de rustige
vreemdelingen in den hoek, alsof hij hen tartte hem tegen te spreken.
"En zij hebben dit aan u te danken, milord, en aan uw vrienden,
zoo ik heb hooren zeggen," zei Mr. Jellyband.
Maar terstond daarop viel de waarschuwende hand van lord Anthony op
den arm van den gastheer.
"St!" zei hij met een blik op de vreemdelingen.
"O, dat is alles in orde, milord," antwoordde Jellyband, "maak u niet
ongerust. Ik zou niets gezegd hebben, als ik niet wist, dat we onder
vrienden zijn. Die meneer, daar aan den overkant, is een even trouw,
loyaal onderdaan van Koning George als u zelf, milord."
"Zoo, dan is alles goed," zei lord Anthony. "Maar zeg me eens, hebt
u niemand anders hier als logeergast?"
"Niemand, milord, ook niet te wachten, ten minste--"
"Ten minste?"
"Niemand, tegen wien uwe lordschap bedenking zou hebben, geloof ik."
"Wie is dat?"
"Sir Percy Blakeney en zijn echtgenoote zullen aanstonds hier komen,
maar zij zijn niet van plan te blijven--"
"Lady Blakeney?" informeerde lord Anthony met eenige verbazing.
"Ja, milord. De schipper van Sir Percy was zoo even hier. Hij zegt,
dat de broeder van Milady vandaag per Day Dream, Sir Percy's jacht,
naar Frankrijk oversteekt, en Milady hem tot hier zal vergezellen,
om dan afscheid van hem te nemen."
Sally was al dien tijd druk in de weer geweest om de tafel aan
te richten voor het souper. Het zag er alles appetijtelijk uit,
met een grooten bundel prachtig gekleurde dahlia's in het midden,
de schitterende koperen kroezen en het blauw porselein.
"Voor hoeveel personen moet ik dekken, milord?"
"Vijf couverts, mooie Sally, maar laat er eten genoeg voor minstens
tien zijn--onze vrienden zullen vermoeid wezen van de reis en hongerig,
naar ik hoop. Wat mij aangaat, ik zou van avond het heele souper
kunnen verorberen."
"Ik geloof, dat ze zijn gekomen," zei Sally opgewonden, daar men nu
duidelijk een nog verwijderd paardengetrappel en het rollen van een
rijtuig, dat al nader kwam, kon hooren.
Er ontstond een algemeene beweging in de gelagkamer. Een ieder
was nieuwsgierig de voorname vrienden van lord Anthony, die over
het Kanaal gekomen waren, te ontmoeten. Miss Sally wierp een paar
snelle blikken in den kleinen spiegel, die aan den wand hing, en
onze waardige Mr. Jellyband begaf zich naar buiten, ten einde in
persoon zijn gedistingeerde gasten welkom te heeten. Alleen de twee
vreemdelingen in den hoek eindigden kalm hun dominopartij en wierpen
zelfs geen enkelen blik naar de deur.
"Rechtuit, Comtesse, de deur aan uw rechterhand," zei een aangename
stem in de gang.
"Zie zoo, daar zijn ze, en allen gezond," zei lord Anthony. "Pak
nu je biezen, mooie Sally, en laat eens zien, hoe gauw je de soep
kunt opdisschen."
De deur werd wijd open gezet, en, voorgegaan door Mr. Jellyband,
die voortdurend voor zijn gasten boog en hen verwelkomde, trad een
gezelschap van vier personen--twee dames en twee heeren de gelagkamer
binnen.
"Welkom, welkom in Oud-Engeland!" zei lord Anthony haastig toetredend
en den nieuw aangekomenen beide handen toestekend.
"Ah, u zijt lord Anthony Dewhorst, geloof ik," zei een der dames met
sterken vreemden tongval.
"Om u te dienen, Mevrouw," antwoordde hij, op hoofsche manier de beide
handen der dames kussend. Daarop richtte hij zich tot de heeren en
drukte hun warm de hand.
Sally hielp reeds de dames om zich te ontdoen van haar reismantels,
en een algemeene beweging ontstond onder de aanwezigen in de
gelagkamer. Allen sloegen nieuwsgierig, maar toch eerbiedig, de
vreemdelingen gade.
"Ach mijne heeren, wat zal ik u zeggen?" sprak de oudste der twee
vrouwen, terwijl ze een paar fraaie, aristokratische handen uitstrekte
over het flikkerend haardvuur en met onuitsprekelijke dankbaarheid
eerst lord Anthony, vervolgens een der jonge mannen aanzag, die met
haar gezelschap waren meegekomen.
"Dat u blijde zijt, Comtesse, u op Engelsch grondgebied te bevinden,"
vulde lord Anthony aan, "en u niet al te zeer van den moeilijken
overtocht hebt geleden."
"Inderdaad, inderdaad zijn we verheugd in Engeland te zijn aangekomen,"
zeide zij met tranen in de oogen.
Haar stem had een muzikalen klank; kalme waardigheid sprak uit de
fraaie aristokratische trekken, met hun rijkdom van sneeuw-witten
haartooi, hoog boven het voorhoofd opgenomen, naar de mode dier dagen.
"Ik mag onderstellen, dat mijn vriend Sir Andrew Foulkes zich als
gezellig reisgenoot zal hebben onderscheiden, mevrouw?"
"Zeker, Sir Andrew was de voorkomendheid in persoon. Hoe zullen mijn
kinderen en ik u allen genoeg kunnen danken, Mijneheeren?"
Haar metgezellin, een elegante, jeugdige verschijning, met wier
vermoeid en bedrukt uiterlijk men medelijden kreeg, had nog geen
woord gesproken, doch haar oogen zagen op van het vuur en zochten
die van Sir Andrew Foulkes, die den haard was genaderd. En toen ze
zijn blik had ontmoet, die met bewondering rustte op het aanvallig
gelaat vóór hem, overtoog een warmer gloed haar bleeke wangen.
"Dit is dus Engeland," zei ze, met kinderlijke nieuwsgierigheid
beschouwend het groot open haardvuur, de houten balken en de boeren
met hun joviale, roodachtige Britsche tronies.
"Een stukje ervan, Mademoiselle," antwoordde Sir Andrew glimlachend,
"maar het is alles tot uw dienst."
Het jonge meisje bloosde andermaal, maar ditmaal was het een heldere
lach, die haar tenger gezichtje deed schitteren. Zij sprak geen woord,
ook Sir Andrew deed er het zwijgen toe; toch begrepen deze twee jonge
menschen elkander, zooals jeugdig bloed in de heele wereld dit doet
en gedaan heeft van den beginne, dat de wereld het aanzijn had.
Op dat oogenblik droeg Sally een reusachtige soepterrine naar binnen.
"Het souper; eindelijk!" riep lord Anthony vroolijk, terwijl hij
galant de Comtesse zijn arm bood.
"Mag ik de eer hebben?" zei hij deftig, haar naar tafel begeleidend.
Wederom ontstond een algemeene opschudding in de gelagkamer:
Mr. Hempseed en de meesten der boeren en visschers hadden het
veld geruimd voor de hooge gasten, om hun pijpen elders uit te
rooken. Alleen de twee vreemdelingen waren gebleven, kalm hun
dominospel voortzettend en hun wijn slurpend, terwijl aan een andere
tafel Sally's uitverkorene, Harry Waite, met zenuwachtig ongeduld
haar bedrijvigheid gadesloeg.
Ze zag er allerliefst uit, en geen wonder, dat de jonge Franschman geen
oogen van haar afhad. De burggraaf de Tournay telde nog geen negentien
lentes, hij was een melkmuil, op wien de vreeselijke treurtooneelen in
zijn vaderland weinig indruk hadden gemaakt. Hij was elegant, zelfs
fatterig gekleed, en eenmaal veilig in Groot-Brittannië aangeland,
scheen hij in de genoegens der Engelsche samenleving blijkbaar de
gruwelen der Fransche Revolutie te willen vergeten.
"Pardi, als dit is Engeland," zei hij, voortgaande Sally met verliefde
knipoogjes te begluren, "ben ik tevreden daarover."
Lord Anthony was reeds aangezeten aan het hoofd van den disch met
de Comtesse aan zijn rechterzijde. Jellyband was druk bezig glazen
te vullen en stoelen recht te zetten; Sally stond gereed om de soep
te dienen.
"Suzanne!" luidde het op bevelenden toon van de strenge Comtesse.
Suzanne bloosde andermaal; ze had tijd en plaats vergeten, terwijl ze
bij het vuur stond, het toelatend, dat de knappe jonge Engelschman
zijn oogen op haar lief gezichtje gevestigd hield. De stem harer
moeder bracht haar weer tot bewustzijn en met een onderdanig "Ja,
Mama," nam zij aan tafel plaats.
VIERDE HOOFDSTUK.
HET VERBOND VAN DE ROODE PIMPERNEL.
Allen zagen ze er uit als een vroolijk, men kon zeggen een gelukkig
gezelschap, zooals ze daar aan de tafel zaten. Sir Andrew Foulkes en
Lord Anthony Dewhurst, twee typische edelgeboren en wel opgevoede
Engelschen, met de aristokratische Fransche Comtesse en haar twee
kinderen, die juist aan zulke gevaren waren ontsnapt en ten laatste een
veilige schuilplaats hadden gevonden aan de gastvrije Engelsche kust.
De twee vreemdelingen in den hoek hadden blijkbaar hun spel
geëindigd. Een hunner was opgestaan, en met den rug naar het vroolijk
gezelschap aan tafel gekeerd, trok hij langzaam zijn ruime overjas
aan. Terwijl hij hiermee bezig was, liet hij een vluchtigen blik gaan
over zijn omgeving. Ieder was met zijn buurman lachend en gekscherend
aan het kouten. De vreemdeling mompelde nu: "Alles is in orde," waarop
zijn metgezel in een ommezien op zijn knieën gleed en geruischloos
onder de eiken bank kroop. Met een overluid "Goedenavond!" verliet
de vreemdeling kalm de gelagkamer.
Niemand der aanzittenden had iets van deze zonderlinge en stille
manoeuvre bemerkt.
"Eindelijk zijn we dan alleen!" riep Lord Anthony joviaal uit.
Toen stond de jonge Burggraaf de Tournay op, met het glas in de hand,
en sprak in gebroken Engelsch:
"Op de gezondheid van Zijne Majesteit George den Derde van
Engeland! God zegene den Koning voor de gastvrijheid, die hij ons,
armen bannelingen van Frankrijk, verleent!"
"Zijne Majesteit de Koning!" herhaalden Lord Anthony en Sir Andrew,
gezamenlijk bescheid doende op den toost.
"Op de gezondheid van Zijne Majesteit Koning Lodewijk van
Frankrijk!" voegde Sir Andrew er plechtig aan toe. "Moge God hem
beschermen en hem doen zegepralen over zijn vijanden!"
Iedereen was opgestaan en had in stilte den heildronk aanvaard.
"En op het welzijn van den Graaf de Tournay de Basserive!" besloot
Lord Anthony vroolijk.
"Dat wij hem over eenige dagen welkom mogen heeten in Engeland!"
"Ach, Mijnheer," zei de Comtesse, terwijl zij met sidderende hand
haar glas aan de lippen bracht, "ik durf nauwelijks hoop koesteren,
dat dit zal gebeuren."
Reeds had Lord Anthony de soep uitgedeeld, en gedurende eenige
oogenblikken hielden alle gesprekken op.
"Mevrouw!" sprak Lord Anthony na een poos, "mijn dronk was geen
ijdele waan. Nu ik uzelf, Mademoiselle Suzanne, uw dochter, en mijn
vriend den Burggraaf, veilig in Engeland zie, moogt gij u toch gerust
gevoelen omtrent het lot van Monsieur le Comte."
"Ach, Mijnheer," hernam de Comtesse met een diepen zucht, "ik vertrouw
op God--ik kan slechts bidden--en hopen...."
"Welnu, Mevrouw!" bracht Sir Andrew Foulkes in het midden, "stel uw
vertrouwen in ieder geval op God, maar geloof ook een weinig in uw
Engelsche vrienden, die gezworen hebben, den Graaf veilig over het
Kanaal te brengen, zooals zij het heden u hebben gedaan."
"Inderdaad, inderdaad, Mijnheer," antwoordde zij, "ik stel het
volste vertrouwen in u en uw vrienden. Uw naam, ik verzeker het
u, heeft in gansch Frankrijk weerklank gevonden. De wijze, waarop
sommigen mijner eigen vrienden ontsnapt zijn aan de klauwen van dat
schrikwekkend revolutionnair tribunaal, was bijna een mirakel--en
dat alles is gewrocht door u en uw vrienden--maar mijn echtgenoot,
Mijnheer, verkeert in zulk een doodsgevaar--ik had hem nooit moeten
verlaten... maar.... mijn twee kinderen.... ik werd geslingerd tusschen
mijn plichtgevoel jegens hem en die twee. Zij weigerden zonder mij te
gaan... en gij en uw vrienden hebt mij zoo plechtig verzekerd, dat mijn
echtgenoot zou gered worden. Maar ach! nu ik hier ben--onder u--in
dit schoone en vrije Engeland--nu denk ik aan hem, den vluchteling
voor zijn leven.... hij verkeert in zulk een gevaar... Ach! Ik had
hem niet moeten verlaten!..."
De arme vrouw was totaal vernietigd; vermoeienis, zorg en emoties
hadden haar strenge, aristokratische houding gebroken. Zij weende in
stilte, terwijl Suzanne naar haar toesnelde en trachtte haar tranen
weg te kussen.
Lord Anthony en Sir Andrew hadden zich gewacht de Comtesse in de
rede te vallen, terwijl deze aan het woord was. Geen twijfel, of zij
hadden innig medelijden met haar;--maar in iedere eeuw en altijd,
sedert Engeland geweest is, wat het ten huidigen dage nog is, heeft
een Engelschman zich steeds eenigszins geschaamd over gevoeligheid
en persoonlijke sympathie. Daarom deden beide jonge mannen er het
zwijgen toe en poogden zij hun gevoel van meewarigheid te onderdrukken,
terwijl ze er alleen in slaagden een zeer onnoozel gezicht te zetten.
"Wat mij betreft, Mijnheer," zei Suzanne plotseling, "ik ben overtuigd,
dat u mijn goeden vader veilig naar Engeland zult brengen, zooals ge
het ons hebt gedaan."
"Mademoiselle," antwoordde Sir Andrew, "hoewel mijn leven tot uw dienst
staat, ben ik slechts een nederig werktuig geweest in de handen van
onzen grooten leider, die het plan voor ontsnapping heeft beraamd en
tot uitvoering heeft gebracht."
Suzanna zag hem met bewondering aan.
"Uw leider, Mijnheer?" vroeg de Comtesse met levendige
belangstelling. "Ah! natuurlijk moet u een leider hebben gehad. Dat
ik daaraan te voren ook niet heb gedacht! Maar zeg mij, waar deze
zich bevindt Ik wil terstond tot hem gaan en hem mijn dank betuigen,
voor alles, wat hij voor ons heeft gedaan."
"Helaas, Mevrouw," zei Lord Anthony, "dat is onmogelijk."
"Onmogelijk?--Waarom?"
"Omdat de Roode Pimpernel in het duister werkt en alleen zijn intieme
vrienden weten wie hij is."
"De Roode Pimpernel?" vroeg Suzanna met een vroolijken lach. "Hé! wat
grappige naam! Wat beteekent de Roode Pimpernel, Mijnheer?"
Zij zag Sir Andrew met belangstellende nieuwsgierigheid aan. Diens
oogen schitterden van geestdrift; liefde en bewondering voor zijn
leider schenen letterlijk op zijn gelaat gegrift.
"De Roode Pimpernel, Mademoiselle," sprak hij eindelijk, "is de naam
van een nederige Engelsche bloem; maar tevens is ze de schuilnaam van
den besten en dappersten man ter wereld, een naam, dien hij heeft
gekozen om beter te kunnen slagen in de vervulling eener taak, die
hij zichzelf heeft opgelegd."
"Jawel," bracht de jonge Burggraaf in het midden, "ik heb hooren
spreken van die Roode Pimpernel. Een kleine bloem--rood!--ja! Ze
zeggen in Parijs, dat, zoo dikwijls er een royalist naar Engeland
ontsnapt, die duivel van Foucquier-Tinville, de Openbare Aanklager,
een papiertje krijgt met dat roode bloempje erop geteekend.... ja?"
"Ja, dat is zoo," stemde Lord Anthony toe.
"Zou hij dan vandaag ook zulk een briefje hebben ontvangen?"
"Buiten twijfel."
"O, maar ik ben benieuwd, wat hij zeggen zal!" zei Suzanne. "Ik heb
gehoord, dat de afbeelding van dat kleine roode bloempje het eenige
is, dat hem schrik aanjaagt."
"Er zal zich nog menige gelegenheid voor hem opdoen om den vorm van
dat kleine roode bloempje te bestudeeren," zei Sir Andrew.
"Ach! Mijnheer," zuchtte de Comtesse; "het klinkt alles als in een
roman, en ik begrijp er niets van."
"Waarom zoudt u er ook naar trachten, Mevrouw?"
"Maar zeg me toch eens, waarom uw leider, waarom gij allen uw
geld besteedt en uw leven waagt, want uw leven is ermee gemoeid,
Mijneheeren, als gij den voet zet op Franschen bodem, en dat alles
voor Fransche onderdanen, die u totaal onverschillig kunnen zijn?"
"Sport, Mevrouw de Gravin, sport," beweerde Lord Anthony, met
zijn joviaal luid en aangenaam stemorgaan, "wij zijn een natie van
sportmenschen, weet u, en het is nu juist de mode, het haas uit den
bek van den hond te trekken."
"Ach, neen, neen, niet enkel sport, Mijnheer. U hebt nobeler
beweeggrond--ik ben er zeker van--voor het goede werk, dat u verricht."
"In trouwe, Mevrouw, ik zou gaarne zien, dat u het motief opspoorde:
wat mij aangaat, ik houd van het wild en het spel, want de mooiste
sport is het, die ik ooit heb aangetroffen. Op een haarbreedte van
den afgrond... en rutsch!.... we zijn er vandoor!"
Maar de Comtesse schudde nogmaals ongeloovig het hoofd. Haar kwam
het als iets ongerijmds voor, dat deze jongelieden en hun groote
leidsman, allen schatrijk, van hooge geboorte en jong, niets anders
daarmee zouden beoogen dan sport, om daarvoor de vreeselijke gevaren
te loopen, waaraan zij zich voortdurend blootstelden. Wanneer ze
eenmaal den voet in Frankrijk hadden gezet, zou hun nationaliteit
niet de minste waarborg voor hen blijken. Een ieder, die hulp of
schuilplaats aan verdachte royalisten mocht verleenen, zou zonder
genade worden veroordeeld en terechtgesteld. Met huivering overdacht
zij de gebeurtenissen der laatste dagen, haar ontsnapping uit Parijs
met twee harer kinderen, alle drie verborgen onder een hoop kool en
appelen op een kar, niet durvende ademhalen, terwijl het grauw brulde:
"Hang de aristo's op!"
Het was alles op zulk een mirakuleuze wijze geschied. Zij en haar
echtgenoot hadden begrepen, dat ze op de lijst stonden der "verdachte
personen", wat evenveel inhield als korter of langer uitstel van
executie door de guillotine.