Nauwelijks had hij de regeering aanvaard, of hij toonde den Saksen, wat

ze van hem te wachten hadden. Hij liet in hun land sterke kasteelen

bouwen en daarin soldaten leggen, die het land afstroopten en de

bewoners uitplunderden. De Saksische edelen smeekten den Koning, dat hij

die geweldenarij zou laten ophouden, maar hij verhoorde hunne beden

niet. Nu was hun geduld uitgeput; met een leger van 60000 man brachten

ze Hendrik zoo in 't nauw, dat hij Saksen in allerijl verlaten moest. De

kasteelen werden omvergehaald, en thans nog ziet men hier en daar in den

Harts er de ruïnes van. Hendrik begaf zich naar Worms (1075) en

verzamelde er een leger, waarmee hij zijne vijanden overwon. Zwaar had

het ongelukkige Saksen het nu te verantwoorden. Het land werd verwoest,

de bewoners van vrijheid of leven beroofd. Door den nood gedwongen,

wendden de Saksen zich tot den Paus en smeekten hem om hulp.

Deze hoorde bereidwillig hunne klachten aan en vermaande Hendrik zijne

onderdanen beter te behandelen.

Toen dit niet baatte, kwamen er pauselijke afgezanten, die hem bevalen

binnen 60 dagen te Rome voor eene geestelijke rechtbank te verschijnen.

Wanneer hij niet kwam, zou de banvloek over hem worden uitgesproken.

Hendrik was woedend, toen hij dit hoorde. De pauselijke gezanten joeg

hij met spot en schimp uit het land, maar Gregorius liet zich niet

vervaard maken: hij sprak den banvloek over Hendrik uit. Daarbij werden

de Christenen ontslagen van alle eeden, die ze den Koning hadden

gezworen; geen onderdaan of dienaar mocht hem meer gehoorzamen, geen

priester hem de heilige sacramenten toedienen; ieder moest hem schuwen

als de pest.

In 't eerst lachte Hendrik wat om den ban; maar toen hij bemerkte, dat

de Duitsche vorsten er niet zoo over dachten, ja zelfs een besluit namen

om een anderen koning te verkiezen, wanneer hij niet binnen 't jaar van

den ban ontslagen was, besloot hij zich voor den Paus te vernederen.

Vandaar, dat we hem als een ellendigen boeteling bij Canossa zagen. De

boete, Hendrik opgelegd, was in de oogen van vele zijner onderdanen veel

te streng geweest. Het medelijden werd daardoor opgewekt, en het gelukte

hem een groot leger op de been te brengen, waarmede hij eerst zijne

vijanden in Duitschland ten onder bracht en daarna naar Italië toog om

zich op den Paus te wreken. Rome werd twee jaar belegerd en in het derde

jaar veroverd. Hendrik wilde zich met den Paus verzoenen, wanneer deze

hem als keizer wilde kronen. Dit aanbod wees Gregorius met

verontwaardiging van de hand. Daarop liet Hendrik Clemens III als paus

verkiezen, en deze zette hem de keizerskroon op het hoofd. Gregorius

ontkwam de gevangenschap door de vlucht naar Salerno, waar hij den 25

Mei 1085 stierf. Zijne laatste woorden waren: "Ik heb de gerechtigheid

liefgehad en de goddeloosheid gehaat; daarom sterf ik hier in

ballingschap."

Hendrik had een jammerlijk uiteinde. Door zijne vroegere vrienden

verlaten, ja zelfs door zijne eigene zonen, Koenraad en Hendrik,

bedrogen en verraden, stierf hij in het jaar 1106 te Luik; juist toen

hij toebereidselen maakte om zijn ontaarden zoon Hendrik te beoorlogen.

Waarlijk, wij gevoelen innig medelijden met den man, die zich door eigen

schuld zooveel ongeluk en lijden op den hals haalde. Hij sprak waarheid,

toen hij eens uitriep: "Ik lijd voor de zonden mijner jeugd, zooals nog

geen vorst geleden heeft."

38. EEN KLUIZENAAR EN EEN RIDDER.

Palaestina, het land waar Jezus geleefd en geleden had, waar hij in

nederigheid geboren en, door zijne vijanden gesmaad, aan 't kruis

gestorven was, trok ten allen tijde de aandacht der Christenen tot zich.

Men geloofde in de Middeleeuwen, dat een gebed, op eene der heilige

plaatsen van dat land tot God opgezonden, eerder verhoord werd dan

ergens anders. Daarom ondernamen vele geloovigen de verre reis naar het

Heilige Land om daar te bidden en zich te verootmoedigen voor den Heer.

Zulke menschen noemde men bedevaartgangers. Zoo lang Palaestina tot het

Grieksche keizerrijk behoorde, werden de bedevaartgangers niet gestoord,

ja, nadat de Arabieren het hadden veroverd, konden ze zelfs ongehinderd

hunne godsdienstplichten vervullen. De Arabieren waren te verdraagzaam

of te onverschillig, dan dat ze menschen van eene andere godsdienstige

overtuiging wilden hinderen. Anders werd het, toen de dweepzieke Turken

meester werden van 't Heilige Land. Nu werden de bedevaartgangers niet

alleen in hunne vrome overpeinzingen gestoord, maar ook vervolgd, in de

gevangenis geworpen en gekweld. 't Was natuurlijk, dat door deze

handelingen de verontwaardiging der Christenen werd opgewekt.

In het jaar 1094 verscheen in Italië en Frankrijk een man, blootshoofds

en barrevoets, rijdende op een' ezel. Hij heette #Peter# en was afkomstig

van #Amiëns# in Frankrijk. Een lang pelgrimskleed, om de middel door een

ruw touw bijeengebonden, omgaf zijne magere leden. In zijne ontvleesde

handen hield hij een crucifix. Zijne groote, zwarte oogen lagen diep in

het hoofd en gloeiden van geestdrift. Wanneer hij eene stad of een dorp

bezocht, liepen ouden en jongen samen om den vreemden, huiveringwekkenden

man te zien en naar zijne woorden te luisteren. Die man kwam uit het

Heilige Land. Met gloeiende verven schilderde hij de ellenden en

jammeren, die een pelgrim daar moest verduren en toonde in zijn eigen

lichaam de striemen en wonden, hem door de Turken geslagen. Vervolgens

wekte hij zijne toehoorders op, om het zwaard aan te gorden en het land,

dat voor de Christenen de hoogste waarde had, het schoone land, waar,

behalve zoovele geloofshelden, de Verlosser der wereld had geleefd, te

ontrukken aan de handen der ongeloovigen. Zijne bezielende woorden

brachten een ongelooflijken indruk te weeg.

Paus Urbanus II riep twee groote kerkvergaderingen bijeen, de laatste te

Clermont in Frankrijk, waar hij de Christenen aanspoorde tot den

heiligen strijd. "God wil het! God wil het!" klonk het uit duizenden

kelen. Vorsten, ridders, vrije mannen en lijfeigenen hechtten zich een

rood kruis op de schouders ten teeken, dat ze het voornemen hadden naar

Palaestina te trekken.

Terwijl de ridders zich gereed maakten, begaven zich reeds in het

voorjaar van 1096 twee benden kruisvaarders, bestaande uit het schuim

van allerlei natiën, naar Palaestina op weg. Ze voerden niets uit;

honger, ziekte en het zwaard der Turken maaiden hen bij hoopen weg, voor

ze het Heilige Land hadden bereikt.

In den herfst van hetzelfde jaar trok een weluitgerust en geoefend

leger, bestaande uit meer dan 100,000 geharnaste ruiters en 200,000 man

voetvolk, onder den edelen #Godfried van Bouillon# naar Palaestina.

Tweemaal werden de Turken geslagen. Antiochië werd na eene maandenlange

belegering stormenderhand ingenomen. Eerst na drie moeitevolle jaren

bereikten de kruisvaarders Jeruzalem. Van het groote leger begroetten

slechts 30000 man de heilige stad; de overigen waren òf door honger,

hitte en het verraad der Grieken gevallen òf hadden zich eigendunkelijk

van het hoofdleger gescheiden. Bij het gezicht van Jeruzalem waren alle

moeiten vergeten; een ongekende ontroering maakte zich van de

kruisvaarders meester; zij omhelsden elkander, kusten den heiligen grond

en schreiden tranen van vreugde. De verovering der stad was evenwel niet

gemakkelijk; 60000 Mohammedanen verdedigden haar met beleid en moed. Men

trachtte haar te bestormen; tevergeefs: de Turken sloegen elken aanval

zegevierend af. Weken lang werd de stad belegerd. Een brandende dorst

kwelde de belegeraars, daar de Turken uren in het rond het water der

bronnen ondrinkbaar gemaakt hadden. Mijlen ver moest het hout voor de

belegeringswerktuigen gehaald worden. Eindelijk worden er toebereidselen

tot een nieuwen storm gemaakt. Ladders, belegeringswerktuigen en torens

worden getimmerd. Vooraf gaan de belegeraars, met de priesters aan het

hoofd, een plechtigen optocht doen om de stad. Den 14 Juli 1099 naderen

zij hare muren. Een hagelbui van steenen en werpspiesen begroet de

Christenen; zij echter schrijden voorwaarts over bergen van lijken. De

oorlogswerktuigen worden bij de muren gebracht. Reeds jubelt het leger

der Christenen. De nacht, die voorloopig een einde maakt aan den strijd,

daalt te spoedig naar den zin der kruisvaarders. Nauwelijks daagt de

morgen of de strijd begint opnieuw. De Turken strijden met de grootste

verbittering. Brandende pekkransen, steenen, balken, zelfs lijken worden

de belegeraars naar het hoofd geslingerd.

Zij wijken; de Turken jubelen over de overwinning, maar--te voorbarig.

Daar bemerkt Godfried van Bouillon op den Olijfberg eene ridderlijke

gestalte in witte wapenrusting, die een helderstralend schild omhoog

houdt. "Zie daar," roept hij "een cherub met vlammend zwaard, dien God

ons ter hulpe zendt." "God wil het! God wil het!" dondert het door de

gelederen en in wilde haast dringen ze voorwaarts. Godfried beklimt het

eerst den muur. De zijnen volgen; schaar op schaar dringt naar boven

en--Jeruzalem is veroverd. Een verschrikkelijk moordtooneel biedt de

stad nu weldra aan. Mannen en vrouwen, grijsaards en kinderen worden

zonder mededoogen om het leven gebracht. De moord huist in de

ongelukkige stad. Binnen de ruime en sterke muren des tempels zoeken

duizenden redding; tevergeefs: de tempel wordt stormenderhand genomen en

de ongelukkigen verslagen. Beken bloeds stroomen door de straten; 10000

vijanden zijn gedood en nog is er geen einde aan het moorden. Slechts

Godfried bezoedelt zijne handen niet met bloed. Barrevoets, zonder helm

en harnas, spoedt hij zich naar de kerk van het Heilige Graf om den Heer

te danken voor de overwinning. Eerst na drie dagen zijn de krijgers het

bloedvergieten moede. Nu worden de straten gereinigd; de overwinnaars

wasschen het bloed van hunne handen en in witte kleederen gehuld, gaan

ze in plechtigen optocht naar het Heilige Graf. De geestelijkheid komt

hen te gemoet met hoogopgestoken kruisen en vrome liederen zingend, en

vol eerbied knielt de schare ter neder. Godfried werd tot koning van

Jeruzalem verkozen. De edele ridder weigerde. Hij wilde geen gouden

kroon dragen, waar Jezus gebloed had onder eene doornenkroon; hij

vergenoegde zich met den titel van beschermer des Heiligen Grafs.

Een jaar daarna blies hij den laatsten adem uit; zijn lijk werd in de

kerk van het Heilige Graf begraven.

Vele kruistochten werden in lateren tijd ondernomen; meer dan 7 millioen

Christenen namen daaraan deel; doch slechts het kleinste deel daarvan

zag het vaderland weder. Het doel van deze reusachtige ondernemingen

werd niet bereikt; Palaestina kwam wel tijdelijk, maar niet bestendig in

de macht der Christenen. In het jaar 1291 viel de stad Ptolemais, het

laatste overblijfsel van het koninkrijk Jeruzalem, in handen der Turken.

Toch zijn de kruistochten niet onvruchtbaar geweest voor de beschaving

der wereld. Ten gevolge van deze tochten herleefde de #handel#, die vooral

de Italiaansche steden: Genua, Venetië en Pisa tot grooten bloei bracht

en nam de #beschaving# toe onder de volken van West-Europa. Kunsten en

wetenschappen werden sedert dien tijd vlijtiger beoefend, en--wat wel

het belangrijkste gevolg was--uit de verachte en versmade lijfeigenen

kwam de vrije stand der burgers te voorschijn.

39. FREDERIK BARBAROSSA, KEIZER VAN DUITSCHLAND.

(1152-1190).

In het tegenwoordige koninkrijk Wurtemburg, ten o. van Stuttgart,

verheft zich een bergtop, tot de "rauhe Alp" behoorende, die den naam

draagt van de hooge Staufen. Op dezen berg stond eens het stamslot van

een beroemd Duitsch keizersgeslacht, dat naar den berg den naam van

Hohenstaufen ontving. Een der beroemdste vorsten van dit geslacht was

Frederik I, die wegens zijn rosachtigen baard van de Italianen den

bijnaam "Barbarossa" ontving.

Frederik I was een schoon en krachtig gebouwd man, met een waardig en

ontzagwekkend voorkomen, waardoor hij allen, die in zijne omgeving

waren, eerbied inboezemde. Zijn oog was vurig en zijne gelaatstrekken

drukten welwillendheid en vriendelijkheid uit. Daarbij had de Keizer een

edelen, rijken geest, die hem verhief boven de meeste zijner

tijdgenooten.

Toen hij tot de keizerlijke waardigheid werd geroepen, had hij den

ouderdom van 31 jaren bereikt. Zijn eerste streven bestond daarin, de

keizerlijke macht, die onder zijne voorgangers vrij wat verminderd was,

te herstellen. Hij deed den machtige hertogen, die naar geheele

onafhankelijkheid streefden, gevoelen, dat hij hun heer en meester was.

De burchten der roofridders werden gesloopt en weldra heerschten in

Duitschland alom weder recht en billijkheid. Wat wonder, dat de Duitsche

burgers hem eerden en lief hadden! Ook buiten het rijk eerde men hem als

het hoofd der Christenheid; de koningen van Frankrijk, Engeland en

Spanje zonden gezanten, om den Keizer de verzekering te geven van hunne

vriendschap.

Jammer was het, dat de Keizer, inplaats van met Duitschland tevreden te

zijn, zich mengde in de Italiaansche zaken. Gedurende de onrustige

regeering zijner voorgangers was de keizerlijke macht in Italië bijna

geheel vernietigd. De steden van het vruchtbare Lombardije, en onder

deze vooral Milaan, stonden telkens tegen de Duitschers op. Ten einde

zijn gezag in Italië te doen gelden, deed hij zes tochten naar dit land.

In het jaar 1158 trok hij aan het hoofd van 100,000 man voetvolk en

15000 ruiters over de Alpen om het trotsche Milaan te onderwerpen. Vol

schrik onderwierpen zich de steden van Boven-Italië, Milaan

uitgezonderd. De stad werd belegerd; de inwoners verdedigden zich

dapper, tot de honger hen tot de overgave noodzaakte. Toen de nood tot

eene vreeselijke hoogte was geklommen, begaven de voornaamste Milaneezen

zich naar 's Keizers legerplaats. Eerst verschenen de aartsbisschop met

de overige geestelijken, barrevoets en met gescheurde kleederen; daarna

de burgemeester en de adel, allen barrevoets, met ontblooten hoofde, in

lompen gekleed en een bloot zwaard om den hals; eindelijk de geheele

bevolking, in honderd scharen afgedeeld, barrevoets, met een eind touw

om den hals en asch op het hoofd.

Uren lang liet de Keizer de smeekelingen wachten. Eindelijk verscheen

hij, maar hun smeeken kon alleen dit uitwerken, dat het leven hun gegund

werd. Milaan zelve werd verwoest en de inwoners in de naburige dorpen

verstrooid; evenzoo handelde de Keizer met andere oproerige steden.

De willekeurige handelwijze der overwinnaars en de onderdrukking, die de

Italianen moesten verduren, spoorden de steden van Lombardije, ook

Milaan aan, zich tot een verbond te vereenigen. De muren van Milaan

werden weder opgebouwd; smaadschriften tegen den Keizer en zijne gemalin

werden op de poorten aangeplakt.

In allerijl werd eene sterke vesting gebouwd, die ter eere van paus

Alexander, Frederiks grootsten vijand, Alessandria werd genoemd. In het

jaar 1174 verscheen de Keizer voor de vijfde maal in Italië. Dewijl de

machtige hertog van Beieren en Saksen, Hendrik de Leeuw, weigerde den

Keizer met krijgslieden bij te staan, was Frederik niet tegen de

Lombarden opgewassen en werd hij in 1176 bij #Legnano# geheel geslagen.

Het gevolg daarvan was, dat alle vroeger behaalde voordeelen verloren

gingen.

Met wrok en toorn in het hart keerde Frederik naar Duitschland terug;

voor alles moest Hendrik de Leeuw vernederd worden. Weldra vond hij

daarvoor eene gelegenheid. Door zijn trotsch en heerschzuchtig gedrag

had Hendrik zich vele vijanden op den hals gehaald, die hem bij den

Keizer aanklaagden. Deze daagde hem voor het rijksgericht en daar hij

niet verscheen, werd hij in den rijksban gedaan. Twee jaren verzette hij

zich nog tegen Frederik, maar moest toen om genade smeeken. Hendrik

behield van zijne bezittingen alleen Brunswijk en Luneburg; zijne

overige erflanden werden in kleine leenen verbrokkeld.

Als 70jarig grijsaard nam Frederik deel aan den #derden# kruistocht

(1189-1192). Onder de vorsten en ridders, die hem op dezen tocht

vergezelden, behoorde ook Floris III, graaf van Holland. Na talrijke

moeilijkheden overwonnen te hebben, bereikte Frederik, onder bestendige

gevechten met de Turken, het riviertje #Selef# in Klein-Azië. Wijl het

leger slechts langzaam over de smalle brug, die men over dit riviertje

geslagen had, kon voorttrekken, sprong de Keizer, het talmen moe, met

zijn paard in den vloed om hem over te zwemmen. De grijsaard had echter

meer jeugdigen moed dan jeugdige kracht; de golven sleepten hem mede, en

toen men hem eindelijk te hulp kwam en aan land bracht, was hij reeds

een lijk. (10 Juni 1190).

Groot was de ontzetting en nog grooter de smart over den dood van den

beroemden vorst; de kruisvaarders weenden over zijn verlies, en in

Duitschland wilde men langen tijd niet gelooven, dat de beschermer des

rijks, de beminde Barbarossa, gestorven was. Thans nog verhaalt men in

Duitschland elkander de legende, dat Frederik niet gestorven is, maar

slaapt in den Kyffhauserherg in Thuringen. Daar zit hij, volgens het

verhaal, met zijne helden in eene grot, rondom eene marmeren tafel.

Allen zijn in diepen slaap gevallen. De kostbare wijn staat onaangeroerd

in steenen vaten. Om de honderd jaren ontwaakt de Keizer en vraagt zijn'

schildknaap, of de raven nog om de rots vliegen. Zoolang deze gezien

worden, blijft de Keizer waar hij is; wanneer een adelaar de zwarte

vogels verdrijft, zal hij te voorschijn komen en het Duitsche rijk in

eere en macht herstellen.

40. IETS OVER DE CHRISTELIJKE KERK IN DE MIDDELEEUWEN.

Langzamerhand breidde het Christendom zich uit onder de volken van

Europa. Vooral was dit het werk van edele mannen, die als zendelingen

hun leven waagden onder de ruwe heidenen. Onder deze zendelingen hebben

vooral #Willebrordus#, #Winfried# of #Bonifacius#, #Ludger# en #Ansgar#

uitgemunt. De eerste, dien men den #apostel der Nederlanders# mag

noemen, stierf omstreeks 739. De tweede, ook bekend onder den naam van

#apostel der Duitschers#, werd in 755 door de heidensche Friezen bij

Dokkum vermoord. Ludger, een Friesch edelman, die tijdens Karel den

Grooten leefde, predikte met goed gevolg het Christendom in Friesland,

Groningen en het n.w. deel van Duitschland. Ansgar eindelijk, die het

Christendom bracht tot de Denen en Zweden, noemt men wel den apostel

#van het Noorden#. Hij overleed in het jaar 865. Het laatst van alle

Europeesche volken (omstreeks het jaar 1000) namen de Russen het

Christendom aan.

Behalve dit volk en de Grieken erkenden de overige volken den bisschop

van Rome, die later uitsluitend den naam van #paus# (papa, vader) ontving,

als het opperhoofd der kerk. Beide eerstgenoemde volken vereerden als

zoodanig den patriarch van Constantinopel.

Ten gevolge van den naijver tusschen beide kerkvorsten werd in het jaar

1054 de Katholieke kerk verdeeld in de #Latijnsche# met Rome en de

#Grieksche# met Constantinopel tot hoofdstad.

Gedurende de Middeleeuwen was er dikwijls strijd tusschen den paus en

den keizer van Duitschland, daar beiden streefden naar de oppermacht.

Vroeger hebben we dit reeds opgemerkt, toen we spraken over keizer

Hendrik IV.

Door verschillende oorzaken, maar bovenal door de gezegende werking van

het Christendom namen de Europeërs toe in beschaving; hunne zeden werden

zachter en beter. Dit ging evenwel niet eensklaps, maar langzamerhand;

het goede toch wordt door de menschen niet zoo spoedig opgenomen als het

booze en onreine.

De Christelijke kerk was in de Middeleeuwen niet in alles zoo, als ze

wezen moest. Sommige menschen merkten er verkeerdheden en gebreken in op

en poogden die op de eene of andere wijze te verbeteren; gewoonlijk

zonder goed gevolg. Dit beproefden onder anderen de Waldenzen, zoo

genoemd naar een' koopman uit Lyon, Petrus Waldus. Wijl ze zich met de

toenmalige kerkleer niet konden vereenigen, werden ze #ketters# genoemd en

vreeselijk vervolgd.

Omstreeks het jaar 1460 tastte een professor aan de hoogeschool te

Oxford, #Johannes Wiklef#, de gebreken in de kerk aan; vooral ijverde hij

zeer tegen sommige monnikenorden. De geschriften van dezen man werden

naar Duitschland gebracht en daar gelezen door #Johannes Huss#,

hoogleeraar aan de toen beroemde hoogeschool te Praag.

Deze kwam daardoor tot dezelfde inzichten en sprak toen openlijk uit,

wat naar zijne meening in de kerk niet deugde.

Daarom werd hij voor eene aanzienlijke kerkvergadering gedaagd, die van

1414 tot 1418 in de stad Constanz werd gehouden. Huss, die niets goeds

van dit concilie verwachtte, weigerde eerst te verschijnen, doch werd

daartoe overgehaald door keizer Sigismund, die hem vrijgeleide beloofde.

Daarop vertrouwende, verscheen hij dan ook voor de rechtbank der

aanzienlijke geestelijken en vorsten. Dewijl hij niet kon en wilde

herroepen, wat hij vroeger geleerd en geschreven had, wisten zijne

vijanden te bewerken, dat Sigismund hem aan zijn lot overliet. Dat lot

was vreeslijk genoeg; hij werd tot den brandstapel veroordeeld en

onderging in 1415 dit wreede vonnis. Zijne aanhangers in Boheme, woedend

over de lafhartigheid en trouweloosheid van Sigismund, grepen naar de

wapens, en zoo ontstond de zoogenoemde Hussietenoorlog, (1419-1436) die

den Bohemers veel bloed en tranen heeft gekost.

Behalve de zaak van Huss, moest het concilie te Constanz maatregelen

beramen om eene groote scheuring, die er in de Latijnsche kerk was

ontstaan, te doen ophouden en eene hervorming in #hoofd# en #leden# te

bewerken.

Omstreeks dezen tijd waren er toch niet minder dan drie mannen, welke

elkander den pauselijken zetel betwistten. De kerkvergadering zette 2

pausen af, haalde den derden over te bedanken en benoemde in 1417 een

nieuwen paus, Martinus V genaamd.

Hoe meer het einde der Middeleeuwen naderde, des te meer pogingen werden

er òf door enkele mannen, òf door vereenigingen aangewend om de

Christelijke kerk te zuiveren van hare gebreken. Ons vaderland mag ook

roem dragen op zulke mannen. Wij noemen slechts: #Rudolf Agrikola#,

geboren te Baflo, een dorp in de provincie Groningen, #Wessel Gansfort#,

een Groninger van geboorte, #Desiderius Erasmus# van Rotterdam, en niet

het minst #Geert Groote#, de edele stichter van de #Broederschap des

gemeenen Levens#.

41. DE MAAGD VAN ORLEANS.

Tot het jaar 987 regeerden de nakomelingen van Karel den Grooten over

Frankrijk. Toen kwam met Hugo Capet het #Capetingische# koningsgeslacht op

den troon, dat tot 1328 aan het bewind was. In het laatstgenoemde jaar

verving het huis van #Valois# dat van Capet.

Dewijl de koningen van Engeland evenveel aanspraak meenden te hebben op

den Franschen troon als het geslacht van Valois, ontstond er tusschen de

Franschen en Engelschen een oorlog, die met kleinere en grootere

tusschenpoozen meer dan honderd jaren heeft geduurd. Die oorlog bracht

soms groote ellende over Frankrijk. Vooral was dit het geval tijdens de

regeering van koning Karel VII, die van 1422 tot 1461 Frankrijk

bestuurde. Het geheele noorden des rijks tot aan de Loire was in de

macht van den Engelschen koning; de schatkist was ledig en het leger van

geene beteekenis. Ongelukkig was Karel een onbeduidend en zwak man, die

niets durfde ondernemen en het bijna lijdelijk toezag, dat de schoonste

provinciën des rijks hem werden ontrukt. Hij was een man, die geen

geestdrift wist in te boezemen in de harten zijner soldaten.

Wat de Koning niet durfde of kon, dat vermocht eene zwakke vrouw, of

liever een meisje, pas de kinderschoenen ontwassen.

In den jare 1429 verscheen op een kasteel, aan den zuidelijken oever der

Loire gelegen, waar de Koning toen zijn verblijf hield, een eenvoudig

17jarig meisje, #Jeanne Darc# genaamd, de dochter van een' landman uit

Domremi. Ze verlangde bij den Koning te worden toegelaten. Toen haar dit

eindelijk gelukt was, deelde zij hem mede, dat eene goddelijke

verschijning haar den last had opgedragen Orleans te ontzetten en den

Koning naar Rheims te voeren. In het eerst wilden Karel en zijne

hovelingen haar niet gelooven. 't Was voor de edele ridders ook wat al

te vernederend, dat eene #vrouw# zou volbrengen, wat zij niet durfden te

onderstaan.

Oudheid en Middeleeuwen. Verhalen en schetsen · 第 9 / 10 段