Hendrik toch was een man, naar lichaam en geest geschikt om te regeeren.

Hij had een koninklijk voorkomen, was groot en breed van gestalte, bezat

een scherp verstand en was bedachtzaam en vriendelijk. 't Duurde niet

lang, of al de oproerige hertogen erkenden zijne oppermacht. Lotharingen

werd door hem aan Duitschland gehecht, en de Wenden, die in het n.w. van

het rijk invallen deden, werden onderworpen. Met de Hongaren sloot hij

een' wapenstilstand van negen jaren, onder voorwaarde, dat hij hun eene

jaarlijksche schatting zou opbrengen. Wel was dit zeer vernederend voor

Duitschland; maar de Koning had daarvoor zijne goede redenen. De

Duitschers waren nog te zwak om het wilde ruitervolk te weerstaan; hij

nam echter dadelijk vele heilzame en goede maatregelen, om hen daarvoor

geschikt te maken. In de eerste plaats was hij er op bedacht om de orde

en de veiligheid in het rijk te herstellen; de roovers ging hij met zoo

krachtige hand te keer, dat ze weldra uitgeroeid waren. Daar het land

bijna overal open was, stichtte hij vooral aan de oostelijke grenzen van

het rijk versterkte #steden# en #burchten#, waarin de landlieden in tijd

van nood eene veilige schuilplaats konden vinden. Ten einde de steden

bevolkt te krijgen, gebood hij, dat van negen landlieden éen, bij loting

te bepalen, zich er in moest nederzetten. De menschen, die zich in een'

burcht of burg metterwoon gingen vestigen, werden burgers genoemd en

ontvingen van den vorst vele voorrechten, waardoor ze zich gemakkelijk

in hun lot leerden schikken. Wijl de nederlagen, die de Duitschers van

de Hongaren leden, vooral aan eene verkeerde wijze van oorlogvoeren

waren toe te schrijven, bracht hij ook daarin eene groote verbetering.

De zware wapens werden door lichtere vervangen, en, behalve voor

voetvolk, zorgde hij voor geoefende ruiters.

Eindelijk waren de negen jaren verstreken. Daar kwamen de Hongaarsche

gezanten bij Hendrik om de schatting op te eischen.

"Dat is al, wat ik voor u heb," zei Hendrik op vastberaden toon en liet

hun meteen een verminkten hond aanreiken. De gezanten waren woedend en

beloofden zich vreeslijk te zullen wreken. Ze lieten het niet bij het

zeggen. Een groot leger Hongaren drong moordend en plunderend tot in het

hart van Duitschland door. Niet verre van #Merseburg# had Hendrik zijn

leger geposteerd; daar kwam het in 993 tot een' slag. De Koning gewende

eerst zijne soldaten aan het gezicht en de krijgsbewegingen der

Hongaren. Toen hunne woede jegens dit woeste volk was opgewekt, schaarde

hij zijn leger in slagorde. Zijne woorden vuurden den moed der zijnen

zoodanig aan, dat ze uitriepen: "Wij willen strijden voor Gods altaren,

voor de eer des rijks en voor de veiligheid der onzen!"

Hevig en onwederslaanbaar was de aanval der Duitschers; maar ook de

Hongaren hielden zich dapper. Op hunne vlugge rossen stoven zij op den

vijand in, doch moesten wijken voor Hendriks dappere krijgers. De

Hongaren delfden het onderspit; in allerijl sloegen ze op de vlucht en

werden acht dagen lang door de overwinnaars achtervolgd, die in de

legerplaats de gevangen vrouwen en kinderen juichend bevrijdden en er

een onmetelijken buit vonden.

Drie jaren na deze schitterende overwinning overleed Hendrik; zijn zoon

#Otto# werd tot zijn' opvolger gekozen en met groote pracht te Aken

gekroond. Evenals zijn vader was hij een krachtig en wijs regent, die

ten volle den bijnaam van den grooten verdient, hem door tijdgenoot en

nakomeling geschonken.

Ontzag en eerbiedwekkend was Otto's voorkomen. Het doel van zijn leven

en werken was het voorbeeld van Karel den Grooten ná te volgen. Evenals

deze was hij een geducht vijand, die zijne tegenstanders ter neder wierp

en verpletterde; berouwhebbenden daarentegen behandelde hij met

onuitputtelijke grootmoedigheid. Hij was een voorstander van het recht

en woonde nu hier, dan daar in het rijk om daardoor de eenheid tusschen

de verschillende stammen te bevorderen. Hij bevorderde de uitbreiding

van het Christendom; onder zijn bestuur werd het tot de Denen en de

Slaven gebracht.

Jammer, dat deze groote vorst het grootste deel zijner regeering op het

slagveld moest doorbrengen. Sommige Duitsche hertogen weigerden hem als

opperheer te erkennen en moesten daartoe door de scherpte des zwaards

worden gedwongen. Veel verdriet veroorzaakten hem de samenzweringen, die

door zijn naijverigen broeder Hendrik tegen hem gesmeed werden om hem

van troon en leven te berooven. Gelukkig wist hij ze alle te verijdelen

en betoonde zich telkens vergevensgezind. De Wenden en de Denen werden

door hem onderworpen, ja zelfs de Polen moesten zijne opperheerschappij

erkennen.

Het hoogste doel van zijn wenschen, de keizerskroon, kwam ook in zijn

bezit. Door de vervolgde koningin #Adelheid# ter hulp geroepen, snelde hij

in 951 naar Italië, overwon de vijanden der schoone en deugdzame vrouw

en nam haar ten huwelijk. Daardoor werd hij koning van Italië. Op een

tweeden tocht (962) liet Otto zich tot keizer kronen. Sedert dien tijd

droegen de Duitsche koningen den titel van keizer, ofschoon in den

beginne slechts zij dien mochten dragen, die in Rome door den Paus waren

gekroond.

In het jaar 955 waagden de Hongaren weder een verwoestenden inval. In

onafzienbare scharen trokken de woeste roovers het land door en riepen:

"Onze paarden alleen kunnen den oorlog wel ten einde brengen; zij zullen

de Duitsche rivieren en meren uitdrinken en de dorpen en steden onder

hunne hoeven verpletteren. De Duitschers zijn zeker verloren, tenzij de

aarde zich voor hen opene of de hemel op ons neerstorte." In de

nabijheid van #Augsburg# op het #Lechveld# kwam het tusschen het leger van

Otto en de Hongaren tot een' slag. Het Duitsche leger was wel niet

talrijk, maar vol vertrouwen op God. Voor het begin van den strijd

gebruikte de Koning met zijne krijgers het heilige avondmaal. Hierop

knielden ze neder en smeekten God om hulp. De slag nam nu een' aanvang.

De Duitschers streden met heldenmoed. De vijand werd overhoop geworpen

en maakte zich in wilde vlucht uit de voeten. Meer dan 100,000 krijgers

dekten, volgens het volksverhaal, met hunne lijken het slagveld.

Sedert deze overwinning herhaalden de Hongaren hunne verwoestende

invallen niet meer. Niet lang daarna namen ze het Christendom aan, en

daardoor werden hunne zeden zachter en vredelievender. Otto de groote

stierf in het jaar 973. In den dom te Maagdenburg rust zijn gebeente, en

op de markt van die stad is een standbeeld te zijner eere opgericht.

36. KIJKJE IN DE MIDDELEEUWSCHE MAATSCHAPPIJ.

I.

In het begin der Middeleeuwen was een groot deel van West-Europa nog

bedekt met groote, ondoordringbare wouden; slechts hier en daar merkte

men eenige steden en dorpen op. De eerste hadden haar ontstaan vooral

aan Romeinsche legerplaatsen te danken. De Germaan hield toen nog niet

van het wonen in steden, die hij als gevangenissen beschouwde; hij

leefde liever op zijne hoeve, te midden der vrije natuur. Daar was hij

onbeperkt gebieder over al zijne onderhoorigen en lijfeigenen, die zijne

akkers bebouwden en zijn vee verzorgden. Hij zelf bemoeide zich daar

niet mee; hij hield zich enkel bezig met jacht en vischvangst en nog het

liefst met den krijg, want de Germanen waren over 't geheel zeer

oorlogzuchtig. Zij waren dan ook recht in hun element, wanneer zij onder

hunne zelfgekozen aanvoerders ten strijde konden trekken en rijken buit

behalen. Dat de landbouw tengevolge daarvan op een zeer lagen trap

stond, is gemakkelijk na te gaan. Van de graansoorten werden alleen

haver en gerst verbouwd; in de 6de eeuw na Christus kwam de rogge en in

de 8ste eeuw de tarwe naar West-Europa. Aan bemesting stoorden de

Germanen zich niet: de lijfeigenen waren te lui of te onwillig om zich

op de verbetering van den grond toe te leggen; vandaar dat hij slechts

karige vruchten opleverde. Eerst nadat sommige kloosterlingen zich met

ijver op de verbetering van den landbouw toelegden en hunne landerijen

gingen bemesten, kwam daarin eenige verandering. Het aantal steden nam

vooral in Duitschland zeer toe, nadat de Saksische keizers hunne

onderdanen dwongen daarin een verblijf te zoeken. Vooral was dit het

geval tijdens de kruistochten, toen de vrijgeworden lijfeigenen zich bij

een kasteel of klooster gingen neerzetten en om deze nederzettingen

muren bouwden ter beveiliging tegen de aanvallen der vijanden. De steden

van toen zagen er geheel anders uit dan de tegenwoordige. De straten

waren smal en bochtig; de huizen hoog en somber; plaveisel en

straatverlichting waren voor de 15de eeuw eene ongekende weelde. In de

huizen zag het ook al zeer eenvoudig uit; langs de wanden stonden

banken; schoorsteenen kende men niet; glasruiten waren zeer zeldzaam.

Steenen huizen zag men weinig; alleen paleizen, kerken en kloosters

waren van steen opgetrokken; de meeste gebouwen bestonden uit hout.

Toen de bewoners der steden, poorters genoemd, later door handwerken en

handel rijk werden, nam de weelde verbazend toe; de banken werden

vervangen door sierlijk gebeeldhouwde stoelen; de grond werd met

prachtige tapijten en de wanden met groote kristallen spiegels versierd.

Dit alles was eene navolging van hetgeen de Westerlingen tijdens de

kruistochten in het Oosten hadden gezien.

De #spijzen# zouden ons zeer vreemd en walgelijk zijn voorgekomen. Behalve

het vleesch van varkens, paarden enz. gebruikte men ook dat van

ooievaars, raven en zeehonden, alsmede walvischtongen. Vorken waren voor

de 16de eeuw onbekend; men bracht de vaste spijzen met de hand naar den

mond.

Ook de #kleeding# verschilde veel van de onze. De mannen droegen

nauwsluitende tot de voeten reikende broeken, een wambuis en lederen

schoenen of klompen; slechts aanzienlijke lieden droegen een' rok.

Alleen in den oorlog bedekte men het hoofd met een' helm; in vredestijd

liep men ongedekt. Hemden kende men niet; den hals droeg men bloot.

Na de kruistochten kwam in deze eenvoudige kleedij eene groote

verandering. Men zag nu de mannen korte zijden lijfrokken dragen, met

goud doorwerkt; ook soms een overkleed van zijde of fluweel, omzoomd met

kostbaar bont. Broek en kousen waren uit één stuk en van laken

vervaardigd. Aanzienlijke vrouwen kleedden zich in een lang, slepend

gewaad, met goud doorstikt, met paarlen en edelgesteenten bezet en met

wapens versierd. De #wetten# waren in den beginne niet geschreven, maar

berustten op aloude gebruiken en instellingen. Bij de Franken mocht men

ten tijde van Karel den Grooten geen vrij man tuchtigen; iedere misdaad

kon door eene boete, #weergeld# genaamd, afgekocht worden. Hoe onbillijk

ons thans dit weergeld ook moge schijnen, het had toch deze goede zijde,

dat de bloedwraak, die nog ten huidigen dage bij sommige Oostersche

volken vreeselijke gevolgen na zich sleept, er door voorkomen werd. Een'

moord op een gewonen vrije kon men afkoopen met 200, van een graaf met

600 en van een lijfeigene met 35 goudstukken. Voor elk lichaamsdeel, dat

gewond werd, voor elk scheldwoord, dat men elkaar naar 't hoofd wierp,

was eene boete bepaald. Onder voorzitterschap van een' graaf of schout

kwamen de schepenen, gewoonlijk de aanzienlijkste bewoners eener gouwe,

bijeen om het recht uit te spreken. Kon de onschuld van den beklaagde

niet duidelijk in 't licht worden gesteld, dan moest hij zich

onderwerpen aan een zoogenaamd godsoordeel, dat uit een tweegevecht, uit

de water- of vuurproef of iets dergelijks bestond.

Wanneer iemand de waterproef moest ondergaan, werd hij in een groot met

water gevuld vat geworpen. Dreef hij boven, dan was hij door God gericht

en ontving de straf der schuldigen; zonk hij, dan werd hij onschuldig

verklaard en op vrije voeten gesteld, zoo hij ten minste nog leefde.

De onveiligheid van leven en bezittingen was in de Middeleeuwen

ongelooflijk groot. Nergens bijna was men zijn leven zeker. Vooral de

weinige vrijen, die er na de invoering van het leenstelsel overbleven,

hadden het zwaar te verantwoorden. De eene stad was bijna onophoudelijk

in oorlog met de andere; vandaar dat de burgers, zelfs in de residentie

van den Paus, hunne huizen versterkten met zware balken en ijzeren

traliën. Sommige adellijke heeren maakten er een beroep van, weerlooze

landlieden en vreedzame reizigers van al het hunne te berooven en te

mishandelen. Gewoonlijk was er geene macht in de wereld sterk genoeg om

de boosdoeners te vatten en naar verdienste te straffen. De

geestelijkheid trachtte door den #Godsvrede# ten minste eenige verademing

te verschaffen. Daarbij werd op straffe van den banvloek bepaald, dat

men de twisten van Donderdag-avond tot Maandag-morgen moest laten

rusten.

Die onveiligheid en de schaamteloosheid der booswichten riepen in

Duitschland eene instelling in het leven, onder den naam van #veemgerecht#

bekend. Het woord #veem# is, naar men zegt, afkomstig van een woord, dat

zooveel beteekent als #verbannen#, #vloeken#.

Het veemgerecht bestond uit een' voorzitter, die #vrijgraaf# heette en uit

minstens 14 #vrijschepenen#, die men ook #wetenden# noemde, omdat ze bekend

waren met de geheimen der heilige veem. Door een vreeselijken eed waren

de rechters gehouden te zwijgen. Wie desniettegenstaande een geheim

verklapte of iemand, door het veemgerecht ingedaagd, het vluchten

mogelijk maakte, werd op huiveringwekkende wijze ter dood gebracht. De

veemrechters erkenden slechts den keizer van Duitschland als hun

opperhoofd; hij werd daarom ook ingewijd in al hunne geheimen.

De rechters kwamen in 't geheim op de eene of andere afgelegene plaats,

in een bosch of op eene heide, te zamen, eerst bij dag, later alleen bij

nacht. Wanneer iemand, hoog of laag, eene misdaad begaan had, werd hij

door een der vrijschepenen aangeklaagd. Den volgenden dag werd dan op de

deur van den beschuldigde eene indaging vastgehecht, waarbij hij werd

opgeëischt om zich op een bepaalden tijd voor het veemgerecht te stellen

ter verantwoording. Voldeed hij niet aan dezen eisch, dan werd hij

zonder vorm van proces door een' der veemvechters of een' zijner

handlangers om het leven gebracht. Verscheen bij wel ter bestemde

plaatse, dan werd hij geblinddoekt en langs vele slingerpaden voor

vermomde rechters gebracht. Kon de beklaagde zich met grond vrijpleiten

van de hem ten laste gelegde misdaad, dan werd hij op even geheimzinnige

wijze weer weggeleid; zoo niet, dan werd hij ter dood veroordeeld en het

vonnis dadelijk aan hem voltrokken.

In den beginne werkte het veemgereecht krachtig de bandeloosheid tegen;

later ontaardde het. De betere inrichting der gewone rechtbanken, de

grootere macht der vorsten om de misdaden te keeren en de ontaarding van

het veemgerecht zelf veroorzaakten, dat het tegen het einde der

Middeleeuwen van alle macht en invloed was beroofd.

II.

Ten einde wat nauwkeuriger met den maatschappelijken toestand in dit

tijdvak der geschiedenis bekend te worden, is het noodig, dat we nog

iets vertellen van enkele instellingen en inrichtingen, die in de

Middeleeuwen ontstonden en bloeiden.

In de eerste plaats het #leenstelsel#. Wanneer dit is ingevoerd, valt

moeielijk te zeggen; het is langzamerhand ontstaan.

Het bestond hoofdzakelijk hierin, dat vorsten of aanzienlijke personen

stukken land, uitgestrekte bosschen of vischrijke wateren voor

persoonlijk gebruik afstonden aan die lieden, welke hun den een of

anderen dienst hadden bewezen. De gever werd #leenheer# (souverein), de

ontvanger #leenman# (vasal) genoemd. In den beginne stonden de bezitters

van een vrij eigendom (allodium) in rang boven de leenmannen. Dit

veranderde, toen de leenmannen door de vorsten met de aanzienlijkste

ambten werden begiftigd, en zij hunne leenen erfelijk en door aankoop,

verovering of erfenis grooter maakten. De vrije mannen kregen het nu

zwaar te verantwoorden; menig machtig leenman aasde op hunne

bezittingen, en daardoor waren ze genoodzaakt, die in eigendom aan een

machtig vorst of heer af te slaan om ze daarna in leen weer terug te

ontvangen. Daardoor verwierven zij zich de bescherming van den leenheer;

zij waren nu niet alleen verplicht om op te komen ter verdediging van

het vaderland, maar moesten in alle omstandigheden bij de eerste

oproeping van den leenheer met gewapende mannen hem ter hulpe snellen.

Weldra vond men in 't grootste deel van Europa slechts _enkele_

leenheeren, _vele_ leenmannen en geestelijken en voor de rest enkel

lijfeigenen, die vooral te platten lande een treurig lot hadden. Uit

deze lijfeigenen kwam, ten gevolge der kruistochten, de burgerstand te

voorschijn; terwijl de adel van den nieuwen tijd grootendeels afkomstig

is van de leenmannen.

De erfelijke leenen werden verdeeld in #zwaard#- en #spille#- #leenen#,

terwijl men op sommige plaatsen ook #zonneleenen# had. Een zwaardleen was

een leen, waarbij alleen een man kon opvolgen; bij een spilleleen had

ook eene vrouw daartoe het recht. De bezitter van een zonneleen was van

niemand afhankelijk dan van God en de zon; het was dus eigenlijk geen

leen, maar een vrij eigendom of allodium.

Eene andere eigenaardige instelling was het #ridderwezen#. Evenmin als van

het leenstelsel kan men zeggen, #wanneer# of #hoe# het ontstaan is. Dit is

zeker, dat het langzamerhand werd ingevoerd bij alle Germaansche volken.

Even zeker is het, dat Hendrik I van Saksen de grondslagen voor het

ridderwezen heeft gelegd, en dat de kruistochten veel tot den bloei er

van hebben bijgedragen. Een #ridder# dan was iemand, hetzij van adel of

niet, die in den strijd te paard zat, met helm en harnas bedekt. Hij

moest het Christendom verbreiden, weezen, weduwen en ongelukkigen

beschermen tegen alle verdrukking; hij moest het onrecht wreken en de

eer der vrouwen verdedigen. Verder moest hij zich onderscheiden door

ootmoed voor God, menschlievendheid, dapperheid in den strijd en

hoffelijkheid jegens de vrouwen. Voorwaar! eene grootsche en moeielijke

taak. In rang stonden de ridders boven alle adellijken, die den

ridderslag niet hadden ontvangen; bij aanzienlijke feesten zaten ze aan

afzonderlijke tafels; bovendien hadden ze het recht om anderen tot

ridder te slaan. De zonen der ridders werden gewoonlijk tot hun zevende

jaar aan de zorg hunner moeders toevertrouwd; vervolgens moesten ze tot

hun 14de jaar als #edelknaap# of #page# de vrouw van een vreemden ridder

dienen en ontvingen dan onderwijs in muziek en dichtkunst, in loopen,

zwemmen, rijden, schieten en in den wapenhandel. Daarna moesten ze nog 7

jaren als #schildknaap# in dienst van een' ridder vertoeven en ontvingen

nu de laatste voorbereiding voor hun later leven. Ze moesten de paarden

van hunnen heer verzorgen, zijne wapens poetsen en hem aan tafel

bedienen. Voorts moesten ze zich oefenen in den wapenhandel en de

onafscheidelijke metgezel zijn van hunnen heer in den strijd. Had de

schildknaap bewijzen van moed en bekwaamheid gegeven, dan volgde met

veel plechtigheid de ridderslag.

Nu mocht hij deelnemen aan de #tournooien# of #steekspelen#, die door

vorsten en aanzienlijke ridders werden gegeven, en waarop hij zijne

kracht en behendigheid kon toonen. Behalve met steekspelen vermaakten de

edelen en ridders zich met de jacht op herten, beren, vossen, wilde

zwijnen enz. Bijzonder geliefd was de #valkenjacht#, of liever de jacht,

die men met afgerichte valken op klein gedierte hield.

Al deze vermaken hadden slechts in den zomer plaats; in den winter

leidden de edelen over het geheel in hunne burchten een zeer vervelend

leven. Waarmee zouden ze zich bezig houden? Lezen en schrijven hadden ze

niet geleerd; dat was goed voor geestelijken en monniken: een rijke bron

van genot was dus voor hen gesloten. Wel konden ze zich soms eens

verlustigen in de grappen van hunnen #nar# of potsenmaker, maar ook dit

werd op den duur vervelend.

Gelukkig waren ze, wanneer een rondtrekkende zanger bij tijd en wijle

door schoone liederen hunne verveling kwam verdrijven. De aanvankelijk

zoo schoone instelling van het ridderwezen ontaardde later op

verregaande wijze. We behoeven slechts te spreken van de roofridders om

dit aan te toonen. Deze mannen belemmerden met hunnen drom van woeste

krijgers dikwijls den handel der nijvere burgers en stroopten de om hun'

burcht gelegen streken af. Meestal leefden ze onderling in voortdurenden

krijg en stoorden zich aan wet noch orde.

Wat het veemgerecht ter beteugeling van de roofzucht en baldadigheid der

ridders deed, zagen we reeds. Eene andere instelling, die betere

vruchten in dit opzicht heeft opgeleverd, was het #Hanze-verbond#. De

verregaande onveiligheid te lande en ter zee noopte de kooplieden zich

te vereenigen ter onderlinge bescherming. Dit deden ook eenige

kooplieden te Lubeck en te Hamburg en hunne vereeniging werd het

Hanze-verbond genoemd. Weldra kreeg het een grooten en weldadigen

invloed. De meeste kooplieden van West-Europa werden leden van dit

verbond en vandaar, dat het eene machtige vloot en een weluitgerust

leger tot zijnen dienst kreeg, waardoor ontzag aan de zeeroovers en de

roofridders werd ingeboezemd.

In de Middeleeuwen merkte men over 't geheel een streven naar

vereeniging op. Daardoor ontstonden b. v. ook de #gilden#. Gilden waren

vereenigingen van handwerkslieden, die hetzelfde beroep uitoefenden. Zij

waakten er ten strengste voor, dat geen onbevoegde zich aanmatigde iets

te vervaardigen en te verkoopen. Wilde een gezel zich als meester

vestigen, dan moest hij eerst in een proefstuk van zijne bekwaamheid

blijken geven (beunhazen). De gilden kregen weldra een grooten invloed

op het bestuur der steden, waarin ze gevestigd waren; vooral was dit het

geval in de Vlaamsche steden Gent, Brugge en Antwerpen.

Het getal kloosters, zoowel voor monniken als nonnen, nam in de

Middeleeuwen verbazend toe. Zij waren dikwijls de schuilplaatsen voor

verdrukten en vervolgden en de kweekplaatsen der wetenschappen, die door

de edelen zoo verschrikkelijk werden verwaarloosd.

Wanneer we onzen maatschappelijken toestand vergelijken met dien der

Middeleeuwen, dan mogen we dankbaar zijn, dat de tijden van ruwheid,

barbaarschheid, onderdrukking en vervolging tot het verledene behooren.

37. EEN KEIZER EN EEN PAUS.

(Hendrik IV en Gregorius VII.)

In 't laatst van December 1076 ondernam een klein reisgezelschap eene

moeielijke reis langs onbegaanbare wegen over de Alpen. Het bestond uit

man, vrouw, kind, een' vriend en een klein getal mannelijke en

vrouwelijke bedienden. De winter was buitengewoon streng; de bergen,

waarover de tocht plaats had, waren zoozeer met sneeuw en ijs bedekt,

dat men, zonder gevaar, noch te voet, noch te paard langs de steile en

gladde helling af dalen kon. De reizigers lieten zich daardoor niet

afschrikken; zij wilden en moesten in Italië wezen. De mannen kropen nu

eens op handen en voeten, leunden dan weder op de schouders der gidsen

of lieten zich, wanneer hun voet uitgleed, vallen en rolden verder. De

vrouwen werden op ossenhuiden geplaatst en zoo door de gidsen naar

beneden getrokken. De paarden werden met samengebonden pooten

voortgesleept, en daardoor kwamen de meesten om. Na ongelooflijke moeite

en inspanning stonden de reizigers eindelijk op den bodem van Italië.

Aan uitrusten konden ze evenwel niet denken. Voort ging het, totdat ze

eindelijk den 25 Januari 1077 aankwamen bij het sterke slot Canossa,

niet ver van het stadje Reggio gelegen. In dat slot bevond zich op dat

oogenblik paus Gregorius VII, een man, die zich als levensdoel gesteld

had: de verheffing van de kerk boven den staat. Alle vorsten en koningen

moesten hunne macht ontleenen aan den paus. De paus was gelijk de zon,

de keizer van Duitschland de maan. Hij was verder een man van een

streng-zedelijken levenswandel, die alle krachten inspande om de

misbruiken, die in de Christelijke kerk heerschten, uit te roeien.

Daarom ijverde hij tegen de #simonie#, d. i. tegen den koop en verkoop van

geestelijke ambten; tegen de #investituur#, d.i. tegen het recht, dat de

vorsten tot dusverre hadden uitgeoefend, om priesters met #ring# en #staf#,

als teeken hunner waardigheid te bekleeden. Verder dreef hij met ijzeren

volharding het #coelibaat# of het ongehuwde leven der geestelijken door.

Tot dien strengen, machtigen man nu richtten de reizigers hunne

schreden. De voornaamste van hen werd binnen den tweeden ringmuur van

het kasteel toegelaten. Hier stond hij drie dagen lang met een wollen

hemd bekleed, in de open lucht, blootshoofds en barrevoets, zonder

eenige spijs of drank te nuttigen. Die man onderging dit alles, om

daardoor den Paus te bewegen den banvloek op te heffen, dien deze over

hem had uitgesproken. Eindelijk op den vierden dag liet Gregorius den

boeteling voor zich komen en ontsloeg hem van den ban, onder voorwaarde,

dat hij naar Duitschland zou gaan en daar de verdere beslissing van zijn

lot afwachten.

Wie was die man, vraagt ge, die zich zulk eene vernedering moest laten

welgevallen? Die man was de koning van Duitschland, #Hendrik# IV. Waarom

hij zich zoo moest vernederen, zullen we u verhalen.

Hendrik IV had het ongeluk zijn' vader reeds te verliezen, toen hij nog

maar zes jaren oud was. Eerst was een zekere Hanno, aartsbisschop van

Keulen, een streng man, zijn opvoeder en later bisschop Adalbert van

Bremen, die hem in alles zijn' zin gaf en daardoor in den grond bedierf.

Ook boezemde deze hem een grooten haat in tegen de Saksen, en juist deze

haat maakte hem wreed en onrechtvaardig.

Oudheid en Middeleeuwen. Verhalen en schetsen · 第 8 / 10 段