In het jaar 711 werd in het Z. van Spanje, in de nabijheid van k.

Trafalgar, een veldslag geleverd, die 7 dagen duurde, tusschen de uit

Afrika overgestoken Arabieren onder #Tarik# en de West-Gothen onder hunnen

koning #Roderik#. Gewichtig waren de gevolgen van dezen slag. Roderik werd

geheel verslagen en het Spaansche schiereiland, behalve de bergachtige

streken van Gallicië, Asturië en Biscaye, viel in de handen der

Arabieren of Mooren. In de pas genoemde streken trokken de West-Gothen

zich terug, wachtende op den geschikten tijd om het hun ontroofde weer

te heroveren.

De Arabieren, blakende van ijver voor hun Mohammedaansch geloof, waren

met Spanje alleen niet tevreden; zij poogden zich ook meester te maken

van Frankrijk, maar werden in 732 tusschen #Tours# en #Poitiers# door den

hofmeester #Karel Martell# volkomen geslagen.

De Arabische vorsten in Spanje waren tot het jaar 755 geheel afhankelijk

van de #khalifen#, die als opvolgers van Mohammed het groote Arabische

rijk bestuurden; na dien tijd vestigden zij er een onafhankelijk rijk.

#Cordova#, aan den Guadalquivir, werd daarvan de hoofdstad. Deze stad werd

door de Mooren tot een der prachtigste steden van Europa gemaakt.

Volgens een verhaal, dat zeker niet van overdrijving is vrij te pleiten,

was zij 5 uren lang en 3 uren breed, telde 600 moskeën en bezat

prachtige wit marmeren paleizen, omgeven van de sierlijkste tuinen. De

#Alcazar# of Koningsburcht, op een heuvel gelegen, muntte boven alle

gebouwen uit in schoonheid.

Terwijl de overige volken van Europa meest allen nog zeer onbeschaafd en

ruw waren, begon het in Spanje reeds geheel anders uit te zien.

Onder de Moorsche vorsten had men voortreffelijke regenten, die den

bloei des lands en de welvaart der bewoners door goede maatregelen

bevorderden. Kunstenaars en geleerden werden aangemoedigd en

ondersteund. Vooral bloeiden de dicht- en bouwkunst, de geneeskunde,

sterrekunde en wiskunde.

De Christenen hadden over 't geheel in Spanje niets te klagen; zij

mochten ongehinderd en in 't openbaar hun' godsdienst uitoefenen en

gingen niet gebukt onder zware belastingen. Wel werden zij soms hevig

vervolgd, maar hadden er dan ook dikwijls zelven aanleiding toe gegeven.

Den hoogsten trap van bloei bereikte het khalifaat van Cordova onder #Abd

Errahman# III, die van 912-961 regeerde. In zijn' tijd was de roem, die

van de Arabische scholen en geleerden uitging, zoo groot, dat zelfs

Christenen het niet beneden zich rekenden om in Spanje wijsheid op te

doen. Zoo verhaalt men van een' Franschman #Gerbert#, die later als

Sylvester II den pauselijken zetel beklom, dat hij in Spanje ter schole

ging. In het volle gevoel zijner macht verwisselde #Abd Errahman# den

titel van #emir# met dien van #khalif# en #opperhoofd der geloovigen#.

Niet lang na hem begon de macht der Mooren af te nemen. De West-Gothen

drongen uit hunne gebergten steeds voorwaarts en ontrukten hun het eene

stuk lands na het andere, waarvan kleine vorstendommen werden gemaakt.

Toen nu in 1031 het khalifaat van Cordova zich oploste in verscheidene

kleine Moorsche koninkrijken en de vroegere eensgezindheid geweken was,

nam de macht der Christenen gestadig toe. Van weerszijden werd er met

verbittering gestreden; men beschouwde het als een Godwelgevallig werk

elkander elken duim breed gronds te betwisten. In deze oorlogen maakte

een zekere #Rodrigo Diaz#, bijgenaamd de Cid (heer) zich door zijne

heldendaden beroemd.

In het jaar 1236 moest Cordova bukken voor de macht van den koning van

Castilië. De Mooren hielden zich evenwel nog twee en een halve eeuw

staande in #Granada#, eene stad, die, evenals Cordova, kon bogen op de

prachtigste gebouwen. Nog heden ten dage staren de reizigers vol

bewondering op de ruïnen van het eens zoo schoone en groote paleis, de

#Alhambra#.

Langzamerhand hadden de Christenen in Spanje drie koninkrijken gesticht

n.l. #Castilië#, #Arragon# en #Portugal#. In het laatst der 15de eeuw huwde

koning #Ferdinand# van #Arragon# met koningin #Isabella van Castilië# en

daarmee was de grondslag gelegd voor Spanje's toekomstige macht. De

Mooren ondervonden die in het jaar 1492, toen hun laatste bolwerk,

Granada, zich aan het vereenigde leger van Ferdinand en Isabella moest

overgeven. Bij de overgave werd den Mooren volkomene vrijheid van

godsdienst toegestaan. De Christenen kwamen hunne beloften slecht na.

Eerst trachtte men de Mooren door overreding, en toen dit niet baatte,

door geweld tot het Christendom te bekeeren. Velen hunner verlieten

liever het land, waar ze waren geboren en staken naar Afrika over;

anderen gingen in schijn tot de Christelijke kerk over en werden

Morisco's genoemd.

Onder Philips II kwamen de Morisco's in opstand, omdat deze hun wilde

dwingen afstand te doen van hunne eigenaardige taal, zeden en gewoonten;

zij werden evenwel door Philips halfbroeder, #Don Jan van Oostenrijk#,

weder tot onderwerping gebracht.

Om de schijn-christenen onder de Mooren op te sporen werd de #inquisitie#

of de rechtbank van geloofsonderzoek ingesteld. Toen evenwel het eene

noch het andere baatte, gaf Philips III in 1609 bevel, dat de nog

aanwezige afstammelingen der Mooren het land moesten ruimen.

Achthonderd duizend Mooren verlieten toen hun vaderland en staken naar

Afrika over, waar velen zich als zeeroovers op hunne onderdrukkers

trachtten te wreken. Spanje kreeg daardoor een grooten knak; bloeiende

steden en dorpen werden ontvolkt; lachende streken, door gemis aan

werklieden, veranderd in woestijnen. Ook den Joden trof een dergelijk

lot. Dezen vonden in andere landen, vooral in Nederland, (Portugeesche

Joden) eene veilige schuilplaats.

33. KAREL DE GROOTE.

(768-814).

Tijdens de volksverhuizing maakten de Franken zich meester van Gallië.

Van het eerste stamhuis, het #Merovingische#, dat over hen regeerde, is

alleen #Clovis# merkwaardig. Deze vorst, die van 481-511 op den troon zat,

vernietigde het laatste overblijfsel van de Romeinsche macht in Gallië,

overwon de Allemannen aan den Rijn, drong de West-Gothen over de

Pyrenaeën en liet zich met vele zijner onderdanen doopen.

Grooter dan Clovis was #Karel de Groote#, naar wien het tweede stamhuis,

het #Karolingische#, zijn' naam ontving. Hij was een zoon van #Pepijn den

Korten#, die eerst hofmeester bij den laatsten Merovingischen koning was,

maar later door de Frankische grooten tot koning verkozen en door den

Paus gezalfd werd. Pepijn liet twee zonen #Karloman# en #Karel# na, die

volgens de gewoonte der Franken ieder een deel van het rijk ontvingen.

Na zes jaren stierf Karloman en Karel werd alleenheerscher.

Naar lichaam en geest was Karel waardig aan het hoofd eener dappere

natie te staan. Hij was breed en krachtig van lichaamsbouw, zeven voet

groot en had eene edele, eerbiedwekkende houding. In alle

lichaamsoefeningen, zooals rijden, jagen, en zwemmen was hij volleerd;

in kracht durfde niemand zijner onderdanen zich met hem meten. Zijne

oogen waren helder en doordringend; zijn stem was duidelijk en

aangenaam; zijne kleeding eenvoudig en krijgshaftig; hij versmaadde

allen vreemden tooi en opschik.

Meer nog dan door zijn uiterlijk voorkomen, beheerschte hij de menschen

door de kracht zijns geestes. Begaafd met een vasten wil, een

doordringend verstand en een juist oordeel, zoowel over groote als

kleine zaken, bezat hij tevens een hart, dat blaakte voor het geluk en

de beschaving zijner onderdanen. Tegenspoed kon hem niet ontmoedigen,

voorspoed hem niet hoogmoedig maken.

Het doel van zijn werken en streven was: #de vereeniging van alle

Germaansche stammen onder één bestuur#. De Christelijke godsdienst zou de

band zijn, die allen omslingerde. Dit doel heeft hij door allerlei

middelen trachten te bereiken, al kostte het ook stroomen bloeds. Het

grootste deel zijns levens bracht Karel in oorlogen door. Reeds dadelijk

bij het aanvaarden zijner regeering moest hij oorlog voeren tegen de

#Saksen#, een der machtigste Germaansche stammen, die aan de oostelijke

grenzen van zijn rijk woonden. Deze Saksen, heldhaftig van aard en

gehecht aan hun alouden godsdienst, deden soms invallen op het

Frankische gebied. Karel trok tegen hen op, drong diep in hun land door

en dwong hen den Christelijken godsdienst aan te nemen. Maar op dit

dappere volk viel weinig staat te maken. Zoodra waren de Frankische

legers niet uit hun land vertrokken, of zij stonden weder op, verdreven

en doodden de zendelingen, haalden de Christentempels omver en richtten

hunne heidensche altaren weder op. Vooral onder hunne dappere

aanvoerders #Wittekind# en #Alboïn# streden ze dikwijls met goed gevolg.

Eerst nadat Karel in 782 te #Verden# aan de Wezer 4500 Saksen op één dag

had laten onthoofden en 10000 met vrouwen en kinderen naar een ander

deel van zijn gebied had verbannen, was de tegenstand gebroken. Op het

voorbeeld van Wittekind legden ze eindelijk de wapens neder en lieten

zich doopen (785).

Ook in Italië en Spanje voerde Karel oorlogen. In 't eerstgenoemde land

onderwierp hij Desiderius, koning der Longobarden, die den paus telkens

het leven lastig maakte. Een deel van Desiderius gebied schonk hij aan

dezen kerkvorst, die daardoor zeer in macht en aanzien toenam. In

Spanje, kreeg Karel ter belooning voor de hulp, aan een Arabischen

khalif bewezen, het land, tusschen den Ebro en de Pyrenaeën gelegen

(Spaansche mark).

Toen hij in den kerstnacht van het jaar 800 te Rome in de St.

Pieterskerk bad, zette paus Leo III hem onder de toejuiching van het

verzamelde volk de keizerskroon op het hoofd, onder het uitspreken van

deze woorden: "Leven en overwinning aan keizer Karel, den doorluchtige,

den van God gekroonde, den groote, den vredestichter, den Romeinschen

keizer."

Tengevolge van zijne overwinningen verkreeg Karel een rijk, dat zich

uitstrekte van den Oder tot den Ebro en van de Noordzee tot de

Middellandsche zee.

Met meer recht dan wegens zijne overwinningen mag Karel den bijnaam van

den grooten dragen, door hetgeen hij deed ter beschaving en verlichting

van zijne onderdanen. Hij zorgde voor de invoering van goede wetten,

waardoor zoowel de arme als de rijke ongestoord bezitter van zijn

eigendom werd. Mannen, zendgraven genoemd, bezochten op zijn bevel alle

deelen van zijn gebied om te onderzoeken of de rechters hun plicht

deden. Met al zijne macht bevorderde hij den bloei van den handel en den

landbouw. Daartoe liet hij goede wegen aanleggen, kanalen graven en

bruggen over rivieren slaan. Onder zijn rechtvaardig en streng bestuur

verdwenen de roovers, die voorheen de wegen onveilig hadden gemaakt. De

handwerken moedigde hij aan; zelf droeg hij nooit andere kleeding, dan

die in zijne staten was vervaardigd. Kunsten en wetenschappen vonden in

hem een ijverig beschermer; op gevorderden leeftijd leerde hij nog

schrijven en gaf zoo een goed voorbeeld aan zijne edelen, die de

wetenschappen verachtten. Groote geleerden als #Alcuinus#, #Eginhard# en

#Angilbert# lokte hij aan zijn hof, onderhield zich gaarne met hen en

stelde het hoogste belang in hunne gesprekken en hun onderwijs.

Kerken en kloosters verrezen op vele plaatsen op zijn bevel; hij

verplichtte de geestelijken om scholen op te richten ter onderwijzing

der jeugd. Zorgvuldig liet hij de oude gedichten der Duitschers

opschrijven en verzamelen. We zouden te uitvoerig worden, wanneer we al

de groote verdiensten van Karel wilden opnoemen. Het aangevoerde is

voldoende om te bewijzen, dat hij niet alleen een #groot krijgsman#, maar

ook een #uitstekend regent# was. Als mensch was Karel voorzeker niet vrij

van gebreken, maar, gerekend naar den tijd, waarin hij leefde, waren

deze betrekkelijk zeer klein.

De groote man bereikte den ouderdom van 71 jaar. Na eene 46 jarige

regeering stierf hij te Aken, waar hij evenals te Nijmegen (Valkhof),

Regensburg en Frankfort gaarne zijn verblijf hield. (814) Zijn zoon en

opvolger #Lodewijk de Vrome# evenaarde hem wel in ijver voor den

Christelijken godsdienst, maar miste geheel en al de groote talenten van

zijn' vader. In 817 verdeelde hij reeds het rijk onder zijne drie zonen:

Lodewijk, Pepijn en Lotharius. Toen hij later ten gunste van een vierden

zoon Karel, de Kale bijgenaamd, een nieuwe verdeeling wou invoeren,

stonden zijne oudste zonen tegen hem op en berokkenden hem veel

verdriet. Later gingen ze ook onderling oorlogvoeren en brachten het

rijk daardoor deerlijk in verwarring, totdat het #verdrag van Verdun#

(843) daaraan een einde maakte. Daar Pepijn in 840 was gestorven,

verdeelden de overgeblevene zonen het rijk aldus: #Lotharius# kreeg de

keizerlijke waardigheid en Middel-Frankrijk of #Lotharingen# (het land

tusschen den Rijn, de Rhône, de Maas en de Schelde), #Lodewijk# kreeg

Oost-Frankrijk of Duitschland en #Karel de Kale# West-Frankrijk of

Frankrijk. Het deel van Lotharius kwam later bijna geheel aan

Duitschland.

34. TWEE ENGELSCHE KONINGEN.

In dezelfde eeuw, waarin Karel de Groote stierf, zag #Alfred de Groote#

het levenslicht. Evenals aan Karel heeft men hem en wel met volle recht

den bijnaam van den grooten gegeven. Wat Karel deed voor de Franken,

heeft Alfred in niet mindere mate gedaan voor de Engelschen.

Vroeger hebben we vermeld, dat de Angelen en Saksen zich meester maakten

van Engeland en er 7 kleine koninkrijken stichtten, die omstreeks 827

door koning #Egbert van Wessex# tot één rijk werden vereenigd. Die

vereeniging was een geluk voor Engeland. Omstreeks dien tijd toch

begonnen de Noormannen of Denen, zooals ze in Engeland genoemd werden,

hunne verwoestende invallen in het rijk. Evenals in andere landen werd

ook hier de weg, dien de Noormannen gevolgd hadden, aangewezen door

verbrande dorpen en steden, verwoeste velden en uitgeplunderde inwoners.

Nu is het licht te begrijpen, dat één machtig koning beter de Noormannen

kon weerstaan, dan 7 onbeduidende vorsten. Toch hadden sommige koningen

het zwaar te verantwoorden, ja zelfs was Engeland wel eens geheel in de

macht der Denen.

Alfred werd geboren in het jaar 849. Op vijfjarigen leeftijd nam zijn

vader #Ethelwulf# hem mede naar Rome en liet hem daar, zeer tegen den zin

zijner oudere zonen, door den Paus tot koning zalven. Na den dood zijner

4 broeders, onder wier bestuur Engeland verschrikkelijk van de Denen had

te lijden, beklom Alfred den troon (871-901). Met blijdschap werd hij

door zijne onderdanen als koning gehuldigd, want men had groote

verwachtingen van hem, niet alleen omdat hij dapper en onverschrokken,

maar ook edel en wijs was. In de eerste jaren van zijn bestuur brachten

de Denen hem vele nederlagen toe. Wel behaalde hij eene enkele maal de

overwinning, maar dan kwamen er telkens weer groote scharen van vijanden

over de zee, die hem al meer in het nauw brachten. Ten laatste bleef er

slechts eene enkele provincie in zijne macht. Nu was zijn toestand

hopeloos. Vele zijner getrouwste vrienden verlieten hem en onderwierpen

zich aan de Denen. Alfred verloor den moed niet; als herder verkleed

verborg hij zich voor zijne vijanden in een afgelegen deel des lands.

Volgens de overlevering zat hij eens in de hut van een' koeherder bij

het vuur en hield zich onledig met het vervaardigen van boog en pijlen.

De huismoeder, die niet wist, wie haar gast was, gaf hem bevel op het

brood te passen, dat ze in den oven gedaan had. Doch Alfred peinsde

onophoudelijk op de middelen om zijn land van de Denen te verlossen, en

daardoor dacht hij niet aan het brood, dat begon te verbranden. Toen de

huisvrouw die ondertusschen weer binnen gekomen was, dit merkte, riep ze

toornig uit: "Luie kerel, die ge zijt! Het brood eten, kunt ge, maar om

het te bakken, daartoe zijt ge te dom."

Nadat zijne vijanden hunne nasporingen moe waren geworden, verliet

Alfred deze schuilplaats en begaf zich met eenige getrouwen naar een

burcht, die in een door moerassen en wouden ontoegankelijk oord lag.

Weldra kwamen er vele dappere en vaderlandslievende mannen tot hem,

zoodat hij met een klein legertje den vijand kon aanvallen en buit

bemachtigen. Om met de plannen en strijdkrachten der Denen bekend te

worden, verkleedde hij zich, volgens het volksverhaal, als harpspeler,

ging onverschrokken naar het vijandelijk leger en verrukte de soldaten

door zijn heerlijk gezang en snarenspel. Meteen had hij nu eene schoone

gelegenheid om de legerplaats der vijanden op te nemen. Nadat hij zijne

maatregelen goed genomen had, riep hij bij hoorngeschal de edelen en

vrijen van zijn volk op ten strijde. Jubelend schaarden dezen zich onder

de vanen van den geliefden vorst, dien ze reeds gestorven waanden.

Heftig was de aanval op het Deensche leger; langen tijd stond de kans

twijfelachtig, tot eindelijk Alfred en de zijnen de overwinning

behaalden. De Denen, die in leven waren gebleven, moesten het

Christendom aannemen en kregen verlof zich in Oost-Angelen en

Northumberland te vestigen.

Alfred nam nu gepaste maatregelen om de invallen der Denen niet alleen

af te weren maar ook te voorkomen. Langs de kusten, vooral daar, waar de

vijanden gewoonlijk eene landing beproefden, werden burchten aangelegd.

Hij liet eene vloot bouwen, uit groote vaartuigen bestaande en bemand

met dappere, geharde Saksen en Friezen. Deze vloot moest ten allen tijde

gereed zijn om zee te kiezen en de vloot der Denen van de kusten te

houden.

Niettegenstaande deze maatregelen deden de Denen in 893 weer opnieuw met

groote overmacht een' inval, doch na een hardnekkigen oorlog, die 3

jaren duurde, werden ze verjaagd en waagden zich tijdens het leven van

Alfred niet weder in Engeland.

Zoo was Alfred de redder en verlosser van zijn volk. Maar hij liet het

daarbij niet blijven. Zooveel in zijn vermogen was, trachtte hij zijn

volk op te heffen en te veredelen. Oude, goede wetten werden opnieuw

door hem ingevoerd; veiligheid en orde overal hersteld, zoodat men,

zooals de geschiedschrijvers verhalen, eene beurs op den weg kon laten

liggen, zonder vrees te voelen, dat zij weggenomen zou worden. De

geestelijkheid werd door hem bevoordeeld, mits zij haren plicht deed.

Scholen en kerken verrezen overal onder zijn bestuur; landbouw en

nijverheid werden krachtig door hem aangemoedigd. Om den handel te

bevorderen zond hij schepen uit ter ontdekking van onbekende landen;

wetenschap en kunst, die hij zelf ook gelukkig beoefende, vonden in hem

een milden beschermer. Door eene juiste verdeeling van den tijd was het

hem mogelijk buitengewoon veel te verrichten. Zijne oprechte vroomheid,

rechtvaardigheid en voorkomendheid openden hem aller harten, en 't was

dus niet te verwonderen, dat hij diep betreurd werd door zijn volk, toen

hij den 28 October 901 ten grave daalde.

Niet zooveel goeds kunnen we meedeelen van Willem den Veroveraar, een

vorst, die ruim anderhalve eeuw later leefde dan Alfred.

De opvolgers van Alfred konden over 't geheel niet in zijne schaduw

staan; daardoor ging het met zijn werk als met dat van Karel den

Grooten: veel goeds ging er verloren. De Denen, merkende, dat zijn

sterke arm het zwaard niet meer hanteerde, werden van jaar tot jaar

stoutmoediger. Toen er in 1002 een vreeselijk bloedbad onder hen werd

aangericht, gaf dit hun' koning #Swen# aanleiding om de Engelschen wreeder

dan ooit te tuchtigen. Zijn zoon #Kanut# of #Knoet#, die van 1016-1035

regeerde; maakte zich zelfs meester van het rijk en regeerde wel

gestreng, maar toch ook rechtvaardig. Later (1041) kwam de regeering

onder koning Eduard weder aan de Angelsaksische koningsfamilie, doch

niet lang. Na zijn' dood toch maakte Willem de veroveraar, hertog van

Normandië, aanspraak op den troon van Engeland. Het Engelsche volk

begeerde den Normandiër niet, maar verkoos #Harald#, een aanzienlijk

edelman, tot koning. Willem liet zich dit niet welgevallen; hij trok aan

het hoofd van een machtig, weluitgerust leger in 1066 naar Engeland. In

het zuiden van dit land, nabij de stad #Hastings#, kwam het tot een

treffen. Meer dan eens stond de kans voor Willem zeer hachelijk. Na een

dapperen aanval van de Engelschen weken de Noormannen, en het gerucht

verbreidde zich, dat Willem gedood was. Dadelijk sprong hij voor den

dag, hield de vluchtelingen tegen, rukte zijn' helm af en riep: "Ik leef

en zal overwinnen!" Tegen den avond was hij werkelijk meester van het

slagveld. Harald, zijne beide broeders en de bloem van den Engelschen

adel dekten met hunne lijken het slagveld. Den 26 December van het jaar

1066 liet Willem zich tot koning van Engeland te Londen kronen. Weldra

bleek het, dat hij een streng heer was; zijne Normandische krijgers gaf

hij rijke ambten en bezittingen en verbitterde daardoor de Angel-Saksen.

Ook voerde hij in Engeland het leenstelsel in, doch zorgde dat zijne

leenmannen hem niet boven 't hoofd konden groeien. Op zijn uitdrukkelijk

bevel moesten Fransche taal en zeden in Engeland ingevoerd worden;

daardoor kwam er eene vermenging van de Fransche taal der overheerschers

met de Germaansche taal der overwonnelingen tot stand, en deze gaf den

oorsprong aan de nieuwere Engelsche taal.

35. HENDRIK I EN OTTO I.

In het jaar 911 overleed de laatste nakomeling van Karel den Grooten,

die over Duitschland het bewind voerde. Hij heette #Lodewijk# en droeg den

bijnaam #het kind#.

Gedurende zijne zwakke regeering en die van zijne meeste voorgangers

verkeerde Duitschland in een hoogst ongelukkigen toestand. De leenmannen

namen gaandeweg in macht en aanzien toe. Ze stoorden zich bedroefd

weinig aan hunne zwakke leenheeren en deden, wat ze verkozen. De weinige

vrijen, die tot dusverre hunne onafhankelijkheid hadden weten te

bewaren, werden door den nood gedwongen hunne bezittingen in eigendom af

te staan aan den een of anderen machtigen heer, die hen tegen ruwe

aanvallen kon beschermen. Deze gaf hun dan die bezittingen als een

erfelijk leen terug. Het recht van den sterkste heerschte in dien tijd

onbeperkt. Tot nog grooter ongeluk deden de Noormannen, Slaven en

Hongaren juist toen hunne verwoestende invallen. Nergens vonden zij een

leger, dat hen op hunne plundertochten stuitte; want er was volstrekt

geen eenheid in het rijk. Aan dien ongelukkigen toestand werd een einde

gemaakt door #Hendrik I#, die van 919 tot 936 de teugels van het bewind in

handen had. Vóor hem had #Koenraad van Frankenland# als koning geregeerd,

doch dezen was het niet gelukt, zich door de machtige hertogen te doen

eerbiedigen. Bij zijn' dood beval hij Hendrik, hertog van Saksenland,

zijn grootsten tegenstander, als zijn opvolger aan. Zijne edelmoedige

daad droeg heerlijke vruchten.

Oudheid en Middeleeuwen. Verhalen en schetsen · 第 7 / 10 段