Trafalgar, een veldslag geleverd, die 7 dagen duurde, tusschen de uit
Afrika overgestoken Arabieren onder #Tarik# en de West-Gothen onder hunnen
koning #Roderik#. Gewichtig waren de gevolgen van dezen slag. Roderik werd
geheel verslagen en het Spaansche schiereiland, behalve de bergachtige
streken van Gallicië, Asturië en Biscaye, viel in de handen der
Arabieren of Mooren. In de pas genoemde streken trokken de West-Gothen
zich terug, wachtende op den geschikten tijd om het hun ontroofde weer
te heroveren.
De Arabieren, blakende van ijver voor hun Mohammedaansch geloof, waren
met Spanje alleen niet tevreden; zij poogden zich ook meester te maken
van Frankrijk, maar werden in 732 tusschen #Tours# en #Poitiers# door den
hofmeester #Karel Martell# volkomen geslagen.
De Arabische vorsten in Spanje waren tot het jaar 755 geheel afhankelijk
van de #khalifen#, die als opvolgers van Mohammed het groote Arabische
rijk bestuurden; na dien tijd vestigden zij er een onafhankelijk rijk.
#Cordova#, aan den Guadalquivir, werd daarvan de hoofdstad. Deze stad werd
door de Mooren tot een der prachtigste steden van Europa gemaakt.
Volgens een verhaal, dat zeker niet van overdrijving is vrij te pleiten,
was zij 5 uren lang en 3 uren breed, telde 600 moskeën en bezat
prachtige wit marmeren paleizen, omgeven van de sierlijkste tuinen. De
#Alcazar# of Koningsburcht, op een heuvel gelegen, muntte boven alle
gebouwen uit in schoonheid.
Terwijl de overige volken van Europa meest allen nog zeer onbeschaafd en
ruw waren, begon het in Spanje reeds geheel anders uit te zien.
Onder de Moorsche vorsten had men voortreffelijke regenten, die den
bloei des lands en de welvaart der bewoners door goede maatregelen
bevorderden. Kunstenaars en geleerden werden aangemoedigd en
ondersteund. Vooral bloeiden de dicht- en bouwkunst, de geneeskunde,
sterrekunde en wiskunde.
De Christenen hadden over 't geheel in Spanje niets te klagen; zij
mochten ongehinderd en in 't openbaar hun' godsdienst uitoefenen en
gingen niet gebukt onder zware belastingen. Wel werden zij soms hevig
vervolgd, maar hadden er dan ook dikwijls zelven aanleiding toe gegeven.
Den hoogsten trap van bloei bereikte het khalifaat van Cordova onder #Abd
Errahman# III, die van 912-961 regeerde. In zijn' tijd was de roem, die
van de Arabische scholen en geleerden uitging, zoo groot, dat zelfs
Christenen het niet beneden zich rekenden om in Spanje wijsheid op te
doen. Zoo verhaalt men van een' Franschman #Gerbert#, die later als
Sylvester II den pauselijken zetel beklom, dat hij in Spanje ter schole
ging. In het volle gevoel zijner macht verwisselde #Abd Errahman# den
titel van #emir# met dien van #khalif# en #opperhoofd der geloovigen#.
Niet lang na hem begon de macht der Mooren af te nemen. De West-Gothen
drongen uit hunne gebergten steeds voorwaarts en ontrukten hun het eene
stuk lands na het andere, waarvan kleine vorstendommen werden gemaakt.
Toen nu in 1031 het khalifaat van Cordova zich oploste in verscheidene
kleine Moorsche koninkrijken en de vroegere eensgezindheid geweken was,
nam de macht der Christenen gestadig toe. Van weerszijden werd er met
verbittering gestreden; men beschouwde het als een Godwelgevallig werk
elkander elken duim breed gronds te betwisten. In deze oorlogen maakte
een zekere #Rodrigo Diaz#, bijgenaamd de Cid (heer) zich door zijne
heldendaden beroemd.
In het jaar 1236 moest Cordova bukken voor de macht van den koning van
Castilië. De Mooren hielden zich evenwel nog twee en een halve eeuw
staande in #Granada#, eene stad, die, evenals Cordova, kon bogen op de
prachtigste gebouwen. Nog heden ten dage staren de reizigers vol
bewondering op de ruïnen van het eens zoo schoone en groote paleis, de
#Alhambra#.
Langzamerhand hadden de Christenen in Spanje drie koninkrijken gesticht
n.l. #Castilië#, #Arragon# en #Portugal#. In het laatst der 15de eeuw huwde
koning #Ferdinand# van #Arragon# met koningin #Isabella van Castilië# en
daarmee was de grondslag gelegd voor Spanje's toekomstige macht. De
Mooren ondervonden die in het jaar 1492, toen hun laatste bolwerk,
Granada, zich aan het vereenigde leger van Ferdinand en Isabella moest
overgeven. Bij de overgave werd den Mooren volkomene vrijheid van
godsdienst toegestaan. De Christenen kwamen hunne beloften slecht na.
Eerst trachtte men de Mooren door overreding, en toen dit niet baatte,
door geweld tot het Christendom te bekeeren. Velen hunner verlieten
liever het land, waar ze waren geboren en staken naar Afrika over;
anderen gingen in schijn tot de Christelijke kerk over en werden
Morisco's genoemd.
Onder Philips II kwamen de Morisco's in opstand, omdat deze hun wilde
dwingen afstand te doen van hunne eigenaardige taal, zeden en gewoonten;
zij werden evenwel door Philips halfbroeder, #Don Jan van Oostenrijk#,
weder tot onderwerping gebracht.
Om de schijn-christenen onder de Mooren op te sporen werd de #inquisitie#
of de rechtbank van geloofsonderzoek ingesteld. Toen evenwel het eene
noch het andere baatte, gaf Philips III in 1609 bevel, dat de nog
aanwezige afstammelingen der Mooren het land moesten ruimen.
Achthonderd duizend Mooren verlieten toen hun vaderland en staken naar
Afrika over, waar velen zich als zeeroovers op hunne onderdrukkers
trachtten te wreken. Spanje kreeg daardoor een grooten knak; bloeiende
steden en dorpen werden ontvolkt; lachende streken, door gemis aan
werklieden, veranderd in woestijnen. Ook den Joden trof een dergelijk
lot. Dezen vonden in andere landen, vooral in Nederland, (Portugeesche
Joden) eene veilige schuilplaats.
33. KAREL DE GROOTE.
(768-814).
Tijdens de volksverhuizing maakten de Franken zich meester van Gallië.
Van het eerste stamhuis, het #Merovingische#, dat over hen regeerde, is
alleen #Clovis# merkwaardig. Deze vorst, die van 481-511 op den troon zat,
vernietigde het laatste overblijfsel van de Romeinsche macht in Gallië,
overwon de Allemannen aan den Rijn, drong de West-Gothen over de
Pyrenaeën en liet zich met vele zijner onderdanen doopen.
Grooter dan Clovis was #Karel de Groote#, naar wien het tweede stamhuis,
het #Karolingische#, zijn' naam ontving. Hij was een zoon van #Pepijn den
Korten#, die eerst hofmeester bij den laatsten Merovingischen koning was,
maar later door de Frankische grooten tot koning verkozen en door den
Paus gezalfd werd. Pepijn liet twee zonen #Karloman# en #Karel# na, die
volgens de gewoonte der Franken ieder een deel van het rijk ontvingen.
Na zes jaren stierf Karloman en Karel werd alleenheerscher.
Naar lichaam en geest was Karel waardig aan het hoofd eener dappere
natie te staan. Hij was breed en krachtig van lichaamsbouw, zeven voet
groot en had eene edele, eerbiedwekkende houding. In alle
lichaamsoefeningen, zooals rijden, jagen, en zwemmen was hij volleerd;
in kracht durfde niemand zijner onderdanen zich met hem meten. Zijne
oogen waren helder en doordringend; zijn stem was duidelijk en
aangenaam; zijne kleeding eenvoudig en krijgshaftig; hij versmaadde
allen vreemden tooi en opschik.
Meer nog dan door zijn uiterlijk voorkomen, beheerschte hij de menschen
door de kracht zijns geestes. Begaafd met een vasten wil, een
doordringend verstand en een juist oordeel, zoowel over groote als
kleine zaken, bezat hij tevens een hart, dat blaakte voor het geluk en
de beschaving zijner onderdanen. Tegenspoed kon hem niet ontmoedigen,
voorspoed hem niet hoogmoedig maken.
Het doel van zijn werken en streven was: #de vereeniging van alle
Germaansche stammen onder één bestuur#. De Christelijke godsdienst zou de
band zijn, die allen omslingerde. Dit doel heeft hij door allerlei
middelen trachten te bereiken, al kostte het ook stroomen bloeds. Het
grootste deel zijns levens bracht Karel in oorlogen door. Reeds dadelijk
bij het aanvaarden zijner regeering moest hij oorlog voeren tegen de
#Saksen#, een der machtigste Germaansche stammen, die aan de oostelijke
grenzen van zijn rijk woonden. Deze Saksen, heldhaftig van aard en
gehecht aan hun alouden godsdienst, deden soms invallen op het
Frankische gebied. Karel trok tegen hen op, drong diep in hun land door
en dwong hen den Christelijken godsdienst aan te nemen. Maar op dit
dappere volk viel weinig staat te maken. Zoodra waren de Frankische
legers niet uit hun land vertrokken, of zij stonden weder op, verdreven
en doodden de zendelingen, haalden de Christentempels omver en richtten
hunne heidensche altaren weder op. Vooral onder hunne dappere
aanvoerders #Wittekind# en #Alboïn# streden ze dikwijls met goed gevolg.
Eerst nadat Karel in 782 te #Verden# aan de Wezer 4500 Saksen op één dag
had laten onthoofden en 10000 met vrouwen en kinderen naar een ander
deel van zijn gebied had verbannen, was de tegenstand gebroken. Op het
voorbeeld van Wittekind legden ze eindelijk de wapens neder en lieten
zich doopen (785).
Ook in Italië en Spanje voerde Karel oorlogen. In 't eerstgenoemde land
onderwierp hij Desiderius, koning der Longobarden, die den paus telkens
het leven lastig maakte. Een deel van Desiderius gebied schonk hij aan
dezen kerkvorst, die daardoor zeer in macht en aanzien toenam. In
Spanje, kreeg Karel ter belooning voor de hulp, aan een Arabischen
khalif bewezen, het land, tusschen den Ebro en de Pyrenaeën gelegen
(Spaansche mark).
Toen hij in den kerstnacht van het jaar 800 te Rome in de St.
Pieterskerk bad, zette paus Leo III hem onder de toejuiching van het
verzamelde volk de keizerskroon op het hoofd, onder het uitspreken van
deze woorden: "Leven en overwinning aan keizer Karel, den doorluchtige,
den van God gekroonde, den groote, den vredestichter, den Romeinschen
keizer."
Tengevolge van zijne overwinningen verkreeg Karel een rijk, dat zich
uitstrekte van den Oder tot den Ebro en van de Noordzee tot de
Middellandsche zee.
Met meer recht dan wegens zijne overwinningen mag Karel den bijnaam van
den grooten dragen, door hetgeen hij deed ter beschaving en verlichting
van zijne onderdanen. Hij zorgde voor de invoering van goede wetten,
waardoor zoowel de arme als de rijke ongestoord bezitter van zijn
eigendom werd. Mannen, zendgraven genoemd, bezochten op zijn bevel alle
deelen van zijn gebied om te onderzoeken of de rechters hun plicht
deden. Met al zijne macht bevorderde hij den bloei van den handel en den
landbouw. Daartoe liet hij goede wegen aanleggen, kanalen graven en
bruggen over rivieren slaan. Onder zijn rechtvaardig en streng bestuur
verdwenen de roovers, die voorheen de wegen onveilig hadden gemaakt. De
handwerken moedigde hij aan; zelf droeg hij nooit andere kleeding, dan
die in zijne staten was vervaardigd. Kunsten en wetenschappen vonden in
hem een ijverig beschermer; op gevorderden leeftijd leerde hij nog
schrijven en gaf zoo een goed voorbeeld aan zijne edelen, die de
wetenschappen verachtten. Groote geleerden als #Alcuinus#, #Eginhard# en
#Angilbert# lokte hij aan zijn hof, onderhield zich gaarne met hen en
stelde het hoogste belang in hunne gesprekken en hun onderwijs.
Kerken en kloosters verrezen op vele plaatsen op zijn bevel; hij
verplichtte de geestelijken om scholen op te richten ter onderwijzing
der jeugd. Zorgvuldig liet hij de oude gedichten der Duitschers
opschrijven en verzamelen. We zouden te uitvoerig worden, wanneer we al
de groote verdiensten van Karel wilden opnoemen. Het aangevoerde is
voldoende om te bewijzen, dat hij niet alleen een #groot krijgsman#, maar
ook een #uitstekend regent# was. Als mensch was Karel voorzeker niet vrij
van gebreken, maar, gerekend naar den tijd, waarin hij leefde, waren
deze betrekkelijk zeer klein.
De groote man bereikte den ouderdom van 71 jaar. Na eene 46 jarige
regeering stierf hij te Aken, waar hij evenals te Nijmegen (Valkhof),
Regensburg en Frankfort gaarne zijn verblijf hield. (814) Zijn zoon en
opvolger #Lodewijk de Vrome# evenaarde hem wel in ijver voor den
Christelijken godsdienst, maar miste geheel en al de groote talenten van
zijn' vader. In 817 verdeelde hij reeds het rijk onder zijne drie zonen:
Lodewijk, Pepijn en Lotharius. Toen hij later ten gunste van een vierden
zoon Karel, de Kale bijgenaamd, een nieuwe verdeeling wou invoeren,
stonden zijne oudste zonen tegen hem op en berokkenden hem veel
verdriet. Later gingen ze ook onderling oorlogvoeren en brachten het
rijk daardoor deerlijk in verwarring, totdat het #verdrag van Verdun#
(843) daaraan een einde maakte. Daar Pepijn in 840 was gestorven,
verdeelden de overgeblevene zonen het rijk aldus: #Lotharius# kreeg de
keizerlijke waardigheid en Middel-Frankrijk of #Lotharingen# (het land
tusschen den Rijn, de Rhône, de Maas en de Schelde), #Lodewijk# kreeg
Oost-Frankrijk of Duitschland en #Karel de Kale# West-Frankrijk of
Frankrijk. Het deel van Lotharius kwam later bijna geheel aan
Duitschland.
34. TWEE ENGELSCHE KONINGEN.
In dezelfde eeuw, waarin Karel de Groote stierf, zag #Alfred de Groote#
het levenslicht. Evenals aan Karel heeft men hem en wel met volle recht
den bijnaam van den grooten gegeven. Wat Karel deed voor de Franken,
heeft Alfred in niet mindere mate gedaan voor de Engelschen.
Vroeger hebben we vermeld, dat de Angelen en Saksen zich meester maakten
van Engeland en er 7 kleine koninkrijken stichtten, die omstreeks 827
door koning #Egbert van Wessex# tot één rijk werden vereenigd. Die
vereeniging was een geluk voor Engeland. Omstreeks dien tijd toch
begonnen de Noormannen of Denen, zooals ze in Engeland genoemd werden,
hunne verwoestende invallen in het rijk. Evenals in andere landen werd
ook hier de weg, dien de Noormannen gevolgd hadden, aangewezen door
verbrande dorpen en steden, verwoeste velden en uitgeplunderde inwoners.
Nu is het licht te begrijpen, dat één machtig koning beter de Noormannen
kon weerstaan, dan 7 onbeduidende vorsten. Toch hadden sommige koningen
het zwaar te verantwoorden, ja zelfs was Engeland wel eens geheel in de
macht der Denen.
Alfred werd geboren in het jaar 849. Op vijfjarigen leeftijd nam zijn
vader #Ethelwulf# hem mede naar Rome en liet hem daar, zeer tegen den zin
zijner oudere zonen, door den Paus tot koning zalven. Na den dood zijner
4 broeders, onder wier bestuur Engeland verschrikkelijk van de Denen had
te lijden, beklom Alfred den troon (871-901). Met blijdschap werd hij
door zijne onderdanen als koning gehuldigd, want men had groote
verwachtingen van hem, niet alleen omdat hij dapper en onverschrokken,
maar ook edel en wijs was. In de eerste jaren van zijn bestuur brachten
de Denen hem vele nederlagen toe. Wel behaalde hij eene enkele maal de
overwinning, maar dan kwamen er telkens weer groote scharen van vijanden
over de zee, die hem al meer in het nauw brachten. Ten laatste bleef er
slechts eene enkele provincie in zijne macht. Nu was zijn toestand
hopeloos. Vele zijner getrouwste vrienden verlieten hem en onderwierpen
zich aan de Denen. Alfred verloor den moed niet; als herder verkleed
verborg hij zich voor zijne vijanden in een afgelegen deel des lands.
Volgens de overlevering zat hij eens in de hut van een' koeherder bij
het vuur en hield zich onledig met het vervaardigen van boog en pijlen.
De huismoeder, die niet wist, wie haar gast was, gaf hem bevel op het
brood te passen, dat ze in den oven gedaan had. Doch Alfred peinsde
onophoudelijk op de middelen om zijn land van de Denen te verlossen, en
daardoor dacht hij niet aan het brood, dat begon te verbranden. Toen de
huisvrouw die ondertusschen weer binnen gekomen was, dit merkte, riep ze
toornig uit: "Luie kerel, die ge zijt! Het brood eten, kunt ge, maar om
het te bakken, daartoe zijt ge te dom."
Nadat zijne vijanden hunne nasporingen moe waren geworden, verliet
Alfred deze schuilplaats en begaf zich met eenige getrouwen naar een
burcht, die in een door moerassen en wouden ontoegankelijk oord lag.
Weldra kwamen er vele dappere en vaderlandslievende mannen tot hem,
zoodat hij met een klein legertje den vijand kon aanvallen en buit
bemachtigen. Om met de plannen en strijdkrachten der Denen bekend te
worden, verkleedde hij zich, volgens het volksverhaal, als harpspeler,
ging onverschrokken naar het vijandelijk leger en verrukte de soldaten
door zijn heerlijk gezang en snarenspel. Meteen had hij nu eene schoone
gelegenheid om de legerplaats der vijanden op te nemen. Nadat hij zijne
maatregelen goed genomen had, riep hij bij hoorngeschal de edelen en
vrijen van zijn volk op ten strijde. Jubelend schaarden dezen zich onder
de vanen van den geliefden vorst, dien ze reeds gestorven waanden.
Heftig was de aanval op het Deensche leger; langen tijd stond de kans
twijfelachtig, tot eindelijk Alfred en de zijnen de overwinning
behaalden. De Denen, die in leven waren gebleven, moesten het
Christendom aannemen en kregen verlof zich in Oost-Angelen en
Northumberland te vestigen.
Alfred nam nu gepaste maatregelen om de invallen der Denen niet alleen
af te weren maar ook te voorkomen. Langs de kusten, vooral daar, waar de
vijanden gewoonlijk eene landing beproefden, werden burchten aangelegd.
Hij liet eene vloot bouwen, uit groote vaartuigen bestaande en bemand
met dappere, geharde Saksen en Friezen. Deze vloot moest ten allen tijde
gereed zijn om zee te kiezen en de vloot der Denen van de kusten te
houden.
Niettegenstaande deze maatregelen deden de Denen in 893 weer opnieuw met
groote overmacht een' inval, doch na een hardnekkigen oorlog, die 3
jaren duurde, werden ze verjaagd en waagden zich tijdens het leven van
Alfred niet weder in Engeland.
Zoo was Alfred de redder en verlosser van zijn volk. Maar hij liet het
daarbij niet blijven. Zooveel in zijn vermogen was, trachtte hij zijn
volk op te heffen en te veredelen. Oude, goede wetten werden opnieuw
door hem ingevoerd; veiligheid en orde overal hersteld, zoodat men,
zooals de geschiedschrijvers verhalen, eene beurs op den weg kon laten
liggen, zonder vrees te voelen, dat zij weggenomen zou worden. De
geestelijkheid werd door hem bevoordeeld, mits zij haren plicht deed.
Scholen en kerken verrezen overal onder zijn bestuur; landbouw en
nijverheid werden krachtig door hem aangemoedigd. Om den handel te
bevorderen zond hij schepen uit ter ontdekking van onbekende landen;
wetenschap en kunst, die hij zelf ook gelukkig beoefende, vonden in hem
een milden beschermer. Door eene juiste verdeeling van den tijd was het
hem mogelijk buitengewoon veel te verrichten. Zijne oprechte vroomheid,
rechtvaardigheid en voorkomendheid openden hem aller harten, en 't was
dus niet te verwonderen, dat hij diep betreurd werd door zijn volk, toen
hij den 28 October 901 ten grave daalde.
Niet zooveel goeds kunnen we meedeelen van Willem den Veroveraar, een
vorst, die ruim anderhalve eeuw later leefde dan Alfred.
De opvolgers van Alfred konden over 't geheel niet in zijne schaduw
staan; daardoor ging het met zijn werk als met dat van Karel den
Grooten: veel goeds ging er verloren. De Denen, merkende, dat zijn
sterke arm het zwaard niet meer hanteerde, werden van jaar tot jaar
stoutmoediger. Toen er in 1002 een vreeselijk bloedbad onder hen werd
aangericht, gaf dit hun' koning #Swen# aanleiding om de Engelschen wreeder
dan ooit te tuchtigen. Zijn zoon #Kanut# of #Knoet#, die van 1016-1035
regeerde; maakte zich zelfs meester van het rijk en regeerde wel
gestreng, maar toch ook rechtvaardig. Later (1041) kwam de regeering
onder koning Eduard weder aan de Angelsaksische koningsfamilie, doch
niet lang. Na zijn' dood toch maakte Willem de veroveraar, hertog van
Normandië, aanspraak op den troon van Engeland. Het Engelsche volk
begeerde den Normandiër niet, maar verkoos #Harald#, een aanzienlijk
edelman, tot koning. Willem liet zich dit niet welgevallen; hij trok aan
het hoofd van een machtig, weluitgerust leger in 1066 naar Engeland. In
het zuiden van dit land, nabij de stad #Hastings#, kwam het tot een
treffen. Meer dan eens stond de kans voor Willem zeer hachelijk. Na een
dapperen aanval van de Engelschen weken de Noormannen, en het gerucht
verbreidde zich, dat Willem gedood was. Dadelijk sprong hij voor den
dag, hield de vluchtelingen tegen, rukte zijn' helm af en riep: "Ik leef
en zal overwinnen!" Tegen den avond was hij werkelijk meester van het
slagveld. Harald, zijne beide broeders en de bloem van den Engelschen
adel dekten met hunne lijken het slagveld. Den 26 December van het jaar
1066 liet Willem zich tot koning van Engeland te Londen kronen. Weldra
bleek het, dat hij een streng heer was; zijne Normandische krijgers gaf
hij rijke ambten en bezittingen en verbitterde daardoor de Angel-Saksen.
Ook voerde hij in Engeland het leenstelsel in, doch zorgde dat zijne
leenmannen hem niet boven 't hoofd konden groeien. Op zijn uitdrukkelijk
bevel moesten Fransche taal en zeden in Engeland ingevoerd worden;
daardoor kwam er eene vermenging van de Fransche taal der overheerschers
met de Germaansche taal der overwonnelingen tot stand, en deze gaf den
oorsprong aan de nieuwere Engelsche taal.
35. HENDRIK I EN OTTO I.
In het jaar 911 overleed de laatste nakomeling van Karel den Grooten,
die over Duitschland het bewind voerde. Hij heette #Lodewijk# en droeg den
bijnaam #het kind#.
Gedurende zijne zwakke regeering en die van zijne meeste voorgangers
verkeerde Duitschland in een hoogst ongelukkigen toestand. De leenmannen
namen gaandeweg in macht en aanzien toe. Ze stoorden zich bedroefd
weinig aan hunne zwakke leenheeren en deden, wat ze verkozen. De weinige
vrijen, die tot dusverre hunne onafhankelijkheid hadden weten te
bewaren, werden door den nood gedwongen hunne bezittingen in eigendom af
te staan aan den een of anderen machtigen heer, die hen tegen ruwe
aanvallen kon beschermen. Deze gaf hun dan die bezittingen als een
erfelijk leen terug. Het recht van den sterkste heerschte in dien tijd
onbeperkt. Tot nog grooter ongeluk deden de Noormannen, Slaven en
Hongaren juist toen hunne verwoestende invallen. Nergens vonden zij een
leger, dat hen op hunne plundertochten stuitte; want er was volstrekt
geen eenheid in het rijk. Aan dien ongelukkigen toestand werd een einde
gemaakt door #Hendrik I#, die van 919 tot 936 de teugels van het bewind in
handen had. Vóor hem had #Koenraad van Frankenland# als koning geregeerd,
doch dezen was het niet gelukt, zich door de machtige hertogen te doen
eerbiedigen. Bij zijn' dood beval hij Hendrik, hertog van Saksenland,
zijn grootsten tegenstander, als zijn opvolger aan. Zijne edelmoedige
daad droeg heerlijke vruchten.