uitmuntend keizer. Hij herstelde de orde in het rijk, was spaarzaam en
moedigde kunsten en wetenschappen aan. Zijn zoon #Titus#, (79-81) die,
voor hij keizer werd, een losbandig leven had geleid, regeerde zoo
voortreffelijk, dat zijne tijdgenooten hem noemden: #de liefde en wellust
van het menschelijk geslacht#. En hij verdiende dien titel. Hij noemde
elken dag verloren, waarop hij geene gelegenheid had gehad, op
keizerlijke wijze milddadig te zijn. Toen men hem eens onder 't oog
bracht, dat hij te goedhartig was en daardoor ook onwaardigen
beweldadigde, zeide hij: "Van een' vorst mag niemand met een treurig
gezicht weggaan." Jammer, dat zijne regeering zoo kort duurde en nog
gekenmerkt werd door groote rampen. Behalve dat hongersnood en pest
verschillende deelen van het rijk teisterden, werden in het jaar 79 door
de uitbarsting van den Vesuvius drie steden: #Herculaneum#, #Pompeji# en
#Stabiae# onder asch en lava bedolven. Sedert menschenheugenis had de
vulkaan niet gebraakt, en daardoor was men zorgeloos geworden.
Oofttuinen, wijngaarden en villa's overdekten de vruchtbare hellingen
des bergs, en aan den voet blonken de drie steden uit door weelde,
rijkdom en welvaart. Daar verheft zich op den 24 Aug. eene wolk van
ongewone grootte uit den Vesuvius, en weldra valt eene ontzaglijke massa
asch en steenen neder. Aardbeving op aardbeving doet de hechtste en
stevigste gebouwen instorten. Steeds heviger wordt de aschregen; voeten
hoog bedekt de asch den omtrek, en weldra neemt een stroom van gloeiende
lava zijn' weg over de prachtige velden. Toen de zon den volgenden dag
het tooneel der verwoesting bescheen, waren de drie bloeiende steden van
de aarde verdwenen. Een beroemd natuurkundige, #Plinius de oude#, die zich
te dicht bij het tooneel der verwoesting waagde, werd het slachtoffer
van zijne zucht naar kennis. In latere eeuwen is het gelukt Herculaneum
en Pompeji weder op te delven; de eerste stad sinds 1713, de tweede
sedert 1748. De huizen en meubels zijn goed bewaard gebleven, dank zij
de dikke laag asch, die de verbranding door de gloeiende lava
tegenhield. Men kan in deze steden dus aanschouwelijk zien, hoe de
Romeinen te dien tijde leefden, hoe hunne woningen eruitzagen, welke
gereedschappen zij gebruikten, welke spijzen zij nuttigden enz. Daardoor
is men tot de kennis van veel wetenswaardigs gekomen.
Titus stierf in het jaar 81, naar men zegt tengevolge van vergif, hem
toegediend door zijn wreeden broeder #Domitianus#.
29. EENE VERDRUKTE SECTE TOT EER VERHEVEN.
Constantijn de Groote (323-337).
Toen Augustus keizer van 't Romeinsche rijk was, werd in de kleine stad
Bethlehem in Judea Jezus Christus, de stichter van den Christelijken
godsdienst, geboren. Hoewel gering en onaanzienlijk naar de wereld,
heeft hij voor de beschaving, veredeling en verbetering van ons geslacht
meer gedaan dan al de keizers van het machtige Romeinsche rijk te zamen.
Op zijn dertigste jaar trad hij openlijk als leeraar onder zijn volk op.
Doch, wijl hij alle menschen, hetzij ze rijk of arm waren, onverbloemd
de waarheid deed hooren, haalde hij zich den haat van velen op den hals,
die het eindelijk zoo ver wisten te brengen, dat hij gevangengenomen en
gekruisigd werd. Met zijn' dood verdwenen zijne beginselen en zijn geest
niet van de aarde. Tijdens zijn leven had Jezus twaalf leerlingen om
zich verzameld, die later zijn' godsdienst, het Christendom, niet alleen
in Palaestina maar ook in andere landen predikten. Zoo werd het
Christendom weldra ook in Europa, onder de beschaafde Grieken en
Romeinen verkondigd. Vooral armen en verdrukten namen begeerig een'
godsdienst aan, die zich bovenal de aankweeking van algemeene
menschenliefde ten doel stelde. Hevige vervolgingen hadden de Christenen
van sommige Romeinsche keizers door te staan. Ze werden als honden
geslagen, gemarteld en gedood. Duizenden verloren hun leven op den
brandstapel, aan het kruis of op eene andere barbaarsche wijze. Doch het
bloed der martelaren bleek het zaad der kerk te zijn. Hoe meer de
Christenen werden vervolgd en onder hunne vervolging nog liefde voor
hunne vijanden en een onbezweken geloofsmoed aan den dag legden, des te
grooter werd hun aantal. De vervolgingen hadden verder nog dit gunstig
gevolg, dat de Christelijke gemeente bevrijd bleef van dezulken, die
alleen uit eigenbelang zich bij haar aansloten. In de vierde eeuw kwam
er verademing voor de verdrukte Christenen. Ze hadden dit te danken aan
#Constantijn den Grooten#, een man, die als een der bekwaamste keizers van
Rome bekend staat.
Constantijn had, vóór hij aan de regeering kwam, vele mededingers te
overwinnen. Zijn' voorspoed in den oorlog had hij vooral aan de
krachtige hulp der Christenen te danken, die in grooten getale in zijne
legers dienden. Vandaar dat hij zeer gunstig jegens hen gestemd was,
waartoe zeker ook zal hebben bijgedragen, dat zijne moeder Helena eene
Christin was.
Anderen schrijven zijne gunstige gezindheid toe aan een buitengewoon
verschijnsel in de lucht, dat hij zou hebben waargenomen. Toen hij
namelijk met zijn leger tegenover dat van zijn' mededinger #Maxentius#
stond, wendde hij zich in een vurig gebed tot God om bijstand. En ziet!
er gebeurde een wonder. Op klaarlichten dag meende Constantijn boven de
zon het teeken des kruises te zien staan, met dit opschrift: "In dit
teeken zult gij overwinnen." Groot en verschillend was de uitwerking van
dit verschijnsel. De Heidenen vreesden er het ergste van; de Christenen
werden vervuld met vroolijken moed. Daardoor gesterkt trokken ze naar
Rome en veroverden de stad na een bloedig gevecht.
Wat er van dit verhaal ook zij: zeker is het, dat Constantijn na zijne
overwinning zijn leger een nieuwen standaard gaf in den vorm van een
kruis, #labarum# genoemd. De Christenen konden zich sedert dien tijd in
zijne veelvermogende bescherming verheugen. Jegens de Heidenen was hij
verdraagzaam; zij mochten als van ouds hunne goden vereeren.
In het jaar 330 verplaatste hij den zetel der regeering van Rome naar
Byzantium, dat naar hem #Constantinopel# werd genoemd. Deze stad werd door
hem met vele prachtige paleizen en trotsche kerken versierd en begon
weldra zoo te bloeien, dat zij het oude Rome in de schaduw stelde.
Helena, de vrome moeder des Keizers, liet boven de plaats, waar men
vermoedde, dat Jezus begraven was, eene prachtige kerk bouwen, die nog
in wezen is.
Nadat Constantijn het Christendom tot godsdienst van den staat had
verklaard, kwam het Heidendom in minachting; en velen haastten zich een'
godsdienst aan te nemen, waardoor ze den keizer welgevallig werden. De
Christelijke kerk werd daardoor niet beter. De oude reinheid van zeden,
nederigheid en godsvrucht maakten dikwijls plaats voor heidensche
losbandigheid, hoogmoed en praal.
Constantijn, hoewel een beschermer der Christenen, bleef den titel
behouden van opperpriester; ook gaf hij soms blijken van wreedheid en
bijgeloof. Zoo liet hij zijn eigen hoogbegaafden zoon Crispus en zijne
gemalin Fausta om het leven brengen. Eerst, toen hij op 65 jarigen
leeftijd zijn einde voelde naderen, liet hij zich doopen. Den 22 Mei 337
blies hij den laatsten adem uit.
30. EEN WOEST VOLK OP HET WERELDTOONEEL.
Omstreeks het jaar 375 kwam uit de steppen van Noord-Azië een woest
ruitervolk, de #Hunnen#, te voorschijn. Schrik en angst gingen voor hen
uit en geen wonder! Zoo woest en barbaarsch als de Hunnen waren, had men
tot dusverre geen volk gezien. Verbeeldt u een klein slag van menschen,
met baardelooze en leelijke aangezichten, doorploegd met groote
litteekens. Door het onophoudelijk te paard zitten, hadden ze kromme
beenen en waren slecht op den gang. Vuur gebruikten ze niet; vleesch en
andere spijzen aten ze rauw, evenals de dieren des velds. Zonder kennis
van de eenvoudigste werktuigen, zonder vaste woonplaatsen en wetten,
zonder huis of haard trokken ze met hunne wagens van plaats tot plaats.
Evenmin als het redeloos dier, zegt een geschiedschrijver van hen,
kenden ze het onderscheid tusschen goed en kwaad; ze hadden geen'
godsdienst en geen geloof.
Toen nu dit volk, dat zeker door de vrees nog zwarter zal zijn
afgeschilderd dan het werkelijk was, over de Wolga trok, begon eene
belangrijke gebeurtenis, die den grootsten invloed uitoefende op den
toestand van Europa n. l. de groote #volksverhuizing#.
Aan deze zijde der Wolga, in het zuiden van Rusland, woonden toen de
#Alanen# en #Gothen#. Dit laatste volk was weer verdeeld in Oost- en
West-Gothen. De Alanen en Oost-Gothen werden òf door de Hunnen
verdrongen òf vereenigden zich met hen. Zoo bleven de Hunnen eerst tot
het midden der vijfde eeuw in Zuid-Rusland wonen, en men hoorde weinig
van hen.
De West-Gothen, door de Hunnen bedreigd, verkregen van den Romeinschen
keizer #Valens# verlof zich aan den Donau neer te zetten, onder
voorwaarde, dat ze den Keizer in zijne oorlogen zouden bijstaan. Toen ze
later door de Romeinen onmenschelijk werden behandeld, kwamen ze in
opstand en versloegen keizer Valens in 378 in de #vlakte van Adrianopel#.
Plunderend en moordend zwierven de verbitterde West-Gothen nu door het
Balkan-schiereiland, totdat het den grooten keizer #Theodosius# gelukte
vrede met hen te sluiten. Hij verleende hun vaste woonplaatsen in
Thracië, waar zij volgens hunne eigene wetten en gebruiken leefden.
#Theodosius# was de laatste alleenheerscher van het Romeinsche rijk. Bij
zijn dood (395) verdeelde hij het rijk in twee deelen; het westelijk
deel, met Rome tot hoofdstad, kwam onder zijn 11 jarigen zoon #Honorius#
en het oostelijk deel, waarvan Constantinopel de residentie werd, onder
den 17 jarigen #Arcadius#. Van nu af bleef het rijk gescheiden in het
Oost- of Grieksche Keizerrijk en in het West- of Latijnsche Keizerrijk.
De jonge zonen van Theodosius, die alles behalve schrander en flink
waren, kregen ieder een raadsman, aan wien zij de regeering konden
overlaten; Arcadius den Galliër #Rufinus#--en Honorius den Vandaal
#Stilico#.
Weldra braken er oneenigheden uit tusschen de beide rijken of liever
tusschen de beide heerschzuchtige ministers. Rufinus haalde #Alarik#, den
dapperen koning der West-Gothen, over om met zijne krijgers naar Italië
te trekken; dat was een vruchtbaar en rijk gezegend land, en de Keizer
te Rome was machteloos. Alarik liet zich dit geen tweemaal zeggen; hij
trok over de Alpen, doch vond bij Stilico zulk een geduchte ontvangst,
dat hij moest aftrekken. Honorius, bevreesd voor de toenemende macht van
Stilico, vergold hem zijne diensten slecht; hij liet hem in eene kerk te
Ravenna door sluipmoordenaars ombrengen.
Nauwelijks was dit Alarik ter ooren gekomen, of hij besloot van de
gunstige gelegenheid gebruik te maken en weer een' inval te doen in
Italië. Nu was er geen Stilico om hem tegen te houden. De Romeinen
zelven waren zoo ontzenuwd, dat ze hoegenaamd niets tegen den dapperen
Germaan konden uitrichten. De verdediging van hun gebied lieten ze dan
ook aan vreemde legioenen over. Zonder eenigen tegenstand te ontmoeten
drong Alarik Italië binnen en ging op Rome los. Rome was toen nog eene
stad, die een millioen inwoners telde. Waren dezen, evenals in de dagen
van ouds, dapper en vaderlandslievend geweest, dan zou Alarik zich zijne
stoutheid zeker zeer berouwd hebben.
Hij sloot de stad zoo nauw in, dat er spoedig gebrek aan levensmiddelen
ontstond. Vreeselijk werd de toestand in Rome; honger en pest sleepten
duizenden ten grave. Nu werd er een gezantschap tot den Koning gezonden,
dat hem eerst met dreigende woorden trachtte te verschrikken. Toen hij
daarover in een luid gelach uitbarstte, spraken ze een toontje lager en
vroegen wat Alarik eischte, wanneer hij wilde afzien van de plundering.
Hij zeide: "Al het goud en zilver, alle kostbaarheden en alle slaven,
die aanspraak hebben op den naam van barbaar." "En wat wilt ge ons dan
laten?" vroegen de afgezanten ontsteld. "Uw leven," zei Alarik op
trotschen toon.
Om bloedvergieten te voorkomen matigde hij evenwel zijne eischen; hij
verkreeg 5000 pond goud, 30000 pond zilver en buitendien nog vele balen
kostbare kleedingstoffen.
Ten gevolge van de dwaasheid van Honorius, die in geen vergelijk met
Alarik wilde treden, trok hij in 410 nogmaals naar Rome en veroverde en
plunderde het. Met schatten beladen trokken de Gothen naar
Beneden-Italië. Hier werd Alarik ziek en stierf; zijn lijk werd op
plechtige wijze in de bedding van het riviertje de Busento begraven.
#Ataulf#, zijn zwager, verliet het verwoeste land en vestigde zich met
zijne Gothen in zuidelijk Gallië. Hier werd onder #Wallia# het
West-Gothische rijk gesticht, dat Tolosa (Toulouse) tot hoofdstad kreeg.
De West-Gothen breidden hun gebied later ook over Spanje uit, waar zich
sedert 409 de Alanen, Sueven en Vandalen hadden neergezet. De Vandalen,
door de West-Gothen benauwd en geroepen door den Romeinschen stadhouder,
Bonifacius, staken in 429 naar Afrika over, onderwierpen een groot deel
van de noordkust, veroverden Carthago en plunderden van hier uit de
kusten van Italië, Sicilië en Sardinië.
De Britten konden zich, nadat Stilio de Romeinsche legioenen naar Italië
ontboden had, niet tegen de uit het noorden komende Picten en Schotten
staande houden en riepen daarom de hulp in van de in Duitschland wonende
Angelen en Saksen. Dezen onderwierpen in 449 het zuiden van Engeland en
stichtten er zeven kleine koninkrijken.
#VERVOLG.#
Omstreeks het jaar 450 lieten de Hunnen weer van zich hooren.
Verschillende stammen van dit volk, waarbij zich ook vele andere volken
aansloten, waren omstreeks 440 onder het bestuur van #Atilla# of #Etzel#
gekomen, die door zijne tijdgenooten de geesel Gods werd genoemd. Hij
was een merkwaardig man, zoowel naar het lichaam als naar den geest.
Ofschoon klein van gewas, had hij een groot hoofd, diepliggende oogen,
een platten neus, eene breede borst, zeer veel lichaamskracht en een
trotschen gang. Voor zijne vijanden verschrikkelijk, was hij toch vol
goedheid jegens zijne vrienden. Om zich heen zag hij gaarne pracht; doch
hij zelf was zeer eenvoudig. Bij gastmalen werden zijne gasten met
gouden en zilveren gereedschap bediend. Volgens de gebruiken van zijn
volk at hij geen brood, maar gebruikte slechts een weinig vleesch. Na
ieder gerecht ging de beker rond; dan werd er gedronken op Atilla's
welzijn en prezen zangers in heldenzangen zijne daden. Terwijl zijne
gasten vroolijk waren en schertsten, bleef hij zelf ernstig en bedaard.
Alleen als zijn jongste zoon binnentrad, verhelderde zijn gelaat en
liefkoosde hij hem.
Deze machtige vorst, voor wien vele volken beefden en Constantinopel en
Rome sidderden, trok in het jaar 451 met een leger van 700,000 man naar
het Westen. De schrik ging voor hem uit. Duitschland had het hard te
verantwoorden; dorpen en steden gingen in vlammen op; lachende velden
werden veranderd in woestijnen. Na over den Rijn getrokken te zijn, viel
hij in Gallië.
Het West-Romeinsche rijk had toen in #Aëtius# een groot veldheer. Deze
bracht de geheele macht des rijks op de been en verbond zich met vele
Duitsche stammen als de Alanen, West-Gothen, Franken en Bourgondiërs, om
met hen de macht van den Hunnenkoning te breken. In de groote vlakte,
door de ouden de #Catalaunische# velden genoemd, waarin de stad #Chalons#
ligt, kwam het tusschen beide legers tot een treffen.
Voor de slag begon, verzamelde Atilla zijne bevelhebbers om zich en
zeide: "Weest mannen! Grijpt aan, slaat u door des vijands gelederen en
werpt alles ter neer. Veracht de Romeinen, hunne slagorde en schilden;
valt de Alanen en West-Gothen aan; in hen is de kracht des vijands. Ziet
naar mij; wie mij niet volgt, is een kind des doods."
De slag was boven alle beschrijving hevig en bloedig; van weerszijden
werd er met moed en verbittering gestreden; want er zou nu beslist
worden, wie de overwinning zou behalen; de beschaafde wereld of de
barbaarschheid. Reeds hadden de Hunnen het centrum tot wijken gebracht
en de Romeinen vloden; ook de West-Gothen weken en hun Koning werd
gedood, terwijl hij hen aanvuurde tot den strijd. Doch zijn dood deed de
zijnen zoodanig in woede ontvlammen, dat zij zich opnieuw onder bevel
van den zoon des overledenen in het strijdgewoel wierpen en de Hunnen op
de vlucht sloegen. Bij het vallen van den nacht moest Atilla zich in
zijn' wagenburcht terugtrekken. Bij de 200,000 dooden en gewonden
bedekten het slagveld; het bloed vloeide in stroomen, en de gewonden
dronken er van om niet van dorst te versmachten.
Den volgenden dag werd de slag niet hervat. Atilla keerde naar den Rijn
terug, zonder door den vijand achtervolgd te worden. In 't volgende jaar
ondernam hij nog een' rooftocht naar Italië en stierf in 453 onder
geheimzinnige omstandigheden, die nog niet zijn opgehelderd.
Toen de schrik van zijn' naam zijne volken niet meer in bedwang hield,
weigerden ze de gehoorzaamheid aan zijn' opvolger. De Hunnen keerden
terug naar het Oosten, vanwaar zij gekomen waren. Het grootste deel van
't gebied, door Atilla veroverd, viel den Oost-Gothen in handen.
Te midden van de stormen der volksverhuizing viel het West-Romeinsche
rijk in duigen, dat reeds lang van alle macht en aanzien beroofd was en
ten speelbal van de vreemde soldaten had gestrekt. In 476 zette #Odoacer#,
een aanvoerder van Duitsche krijgslieden, #Romulus Augustulus# af als
keizer en noemde zich koning der Germaansche volken in Italië. Met deze
gebeurtenis eindigt gewoonlijk de geschiedenis der oudheid.
Een nieuw volk, de Germanen, liet van nu af zijn gezag in Europa gelden;
de meeste landen, vroeger tot het Romeinsche rijk behoorende, zooals
Spanje, Gallië, Brittanje, België, Nederland enz. werden door
Germaansche volksstammen in bezit genomen. Eerst waren ze wel ruw en
onbeschaafd, maar door den invloed des Christendoms en de meerdere
beschaving, die ze als onwillekeurig van de overwonnelingen overnamen,
werden hunne zeden langzamerhand verzacht en verbeterd.
31. MOHAMMED.
In de geschiedenis der Christelijke kerk is sprake van 5 gemeenten, die
door zendelingen de omgelegen volken tot het Christendom brachten, en
daarom #moedergemeenten# worden genoemd, n.l. #Jeruzalem# in Palaestina,
#Antiochië# in Syrië, #Alexandrië# in Aegypte, #Constantinopel# in het
Grieksche Keizerrijk en #Rome# in Italië.
Door de bekeering der Germaansche volkeren nam de gemeente van Rome zeer
in macht en aanzien toe. Haar bisschop verhief zich weldra boven die van
andere gemeenten en werd later als paus het hoofd der kerk. Terwijl de
Christelijke kerk zich naar het Westen al meer en meer uitbreidde,
geraakte zij in het Oosten, waar de vier eerstgenoemde gemeenten vroeger
grooten invloed hadden, deerlijk in verval. En geen wonder! In plaats
van een leven te leiden vol liefde en zelfverloochening, zooals Christus
het had gewild, streed men daar met de grootste verbittering over
allerlei onbegrijpelijke leerstukken. Het Christendom gaf in het Oosten
enkel aanleiding tot verdeeldheid en twist; dat het bovenal een
godsdienst der liefde is, daaraan werd niet gedacht.
Omstreeks het jaar 600 trad in Arabië een man op, #Mohammed# genoemd, die
de stichter van een nieuwen godsdienst werd, een godsdienst, die het
Christendom in Azië en Afrika bijna van allen invloed en macht beroofde.
Arabië is een schiereiland, dat ongeveer zoo groot is als een derde deel
van Europa. Het grootste deel van den bodem bestaat uit zandwoestijnen
en ontoegankelijke gebergten, hier en daar slechts afgewisseld door
vruchtbare plekken, #oasen# genoemd. De kusten, welke op sommige plaatsen
zeer vruchtbaar zijn, werden bewoond door nijvere handelaars, die door
een grooten handel in wierook, koffie en specerijen aanzienlijke
schatten wonnen. In de woestijnen leefden, evenals in onzen tijd, de
#Bedoeïnen#, rondzwervende herders, die dikwijls van roof leefden en wier
eenige rijkdom in paarden en kameelen bestond. Over 't geheel waren en
zijn de Arabieren een volk met dichterlijke gaven, met een levendig en
diep gevoel. Praatziek zijn ze niet, maar toch kunnen ze hunne meening
op eene welsprekende wijze te kennen geven. Evenals de woestijn zijn ze
ernstig.
In dit land en onder dit volk en wel in de stad Mekka, werd Mohammed in
571 geboren. Zijn vader #Abdallah#, uit den aanzienlijken stam der
Koreischieten, en zijne moeder #Amina# verloor hij reeds zeer vroeg. Na
den dood zijns grootvaders kwam hij bij zijn' oom #Aboe Taleb#, een
ervaren koopman, die hem op zijn reizen meenam. De knaap wies op tot een
schoon en krachtig man, die door zijne edele houding en wegslepende
redenaarsgaven weldra in het oog viel. Door zijne kennis en vlijt
gelukten meestal zijne ondernemingen; door zijne minzaamheid won hij
veler harten. Later kwam hij in dienst van eene rijke koopmansweduwe,
#Chadidscha#, met wie hij in het huwelijk trad. Het geluk lachte hem nu
van alle zijden toe. Hij had eene brave echtgenoote, goede zaken en vele
vrienden. En toch was hij niet tevreden. De oorzaak lag in het volgende.
Wegens zijne zaken had hij dikwijls groote reizen gedaan, en toen veel
opgemerkt van de gewoonten en den godsdienst der menschen. Zijn eigen
volk zag hij neerknielen voor goden, van menschenhanden gemaakt; hij zag
in, dat het nog zeer onbeschaafd en achterlijk was. De Joden waren hem
te trotsch en te onverdraagzaam; de Christenen, die hij had leeren
kennen, droegen alleen den #naam#, maar hadden niets van den #geest# van
Christus. Nu ontwaakte in hem de begeerte om de stichter te worden van
een nieuwen godsdienst, die het beste van de bestaande godsdiensten in
zich zou opnemen.
Voor hij openlijk optrad, zonderde hij zich langen tijd in de
eenzaamheid af, om over godsdienstige zaken na te denken. In het jaar
611 trad hij op onder zijn volk met de leer: "Er is maar één God en
Mohammed is zijn profeet." In den beginne was zijn aanhang niet groot.
Men lachte hem uit en vooral deden dit zijne eigene stadgenooten, de
inwoners van Mekka. Zijne vrouw, zijn neef Ali en zijn schoonvader Aboe
Beker waren zijne eerste volgelingen. Toen de aanhangers van Mohammed in
aantal toenamen, werden zijne vijanden bevreesd en besloten hem te
dooden. Mohammed werd dit gewaar en ontvluchtte de lagen zijner
vijanden. In de stad #Medina# vond bij met zijne aanhangers eene veilige
schuilplaats; de inwoners hoorden naar hem en bouwden de eerste moskee
of tempel. Zijn aanhang nam nu zoo zeer toe, dat hij weldra aan de spits
van een dapper leger naar Mekka optrok. Tegen zijne in geestdrift
ontvlamde scharen was de stad niet bestand; zij gaf zich over en de
inwoners moesten den #Islam# (zoo werd de leer van Mohammed genoemd)
aannemen. Bij deze verovering bleef het niet; na korten tijd was geheel
Arabië in de macht van den profeet. Zijne soldaten, die de verwachting
op een hemel met allerlei zinnelijke genietingen tot de grootste
doodsverachting voerde, waren onwederstaanbaar.
Nadat Mohammed tien jaren lang met het zwaard zijne leer had verbreid,
ondernam hij eene groote bedevaart van Medina naar Mekka, begeleid door
eene schaar van wel 100,000 geloovigen. Niet lang na zijne terugkomst
begon hij te sukkelen, naar men wil, tengevolge van vergift, hem door
eene Jodin toegediend, die de heiligheid van den profeet op de proef
wilde stellen. Toen hij zijn einde voelde naderen, liet hij zich naar de
moskee dragen en vermaande nog voor 't laatst het bedroefde volk. Hij
stierf in 632 en werd te Medina begraven.
De leer van Mohammed is hoogst eenvoudig. Zijne volgelingen hebben aan 5
dingen te gelooven, n.l. aan God (Allah), aan zijne engelen en profeten
(buiten Mohammed behooren tot deze laatsten: Adam, Noach, Abraham, Mozes
en Christus); aan het laatste oordeel en aan de voorbeschikking d. i. het
geloof aan de onveranderlijke, vooruitbepaalde noodwendigheid van alle
menschelijke lotgevallen en daden.
De godsdienstplichten der Moslemin (geloovigen) bestaan volgens den
Koran (d.i. het boek, waarin de leer van Mohammed is opgeteekend) in
dagelijksch wasschen, bidden en vasten op bepaalde tijden en bedevaarten
naar Medina en Mekka. De voornaamste deugden zijn: overgave aan,
vertrouwen op en dankbaarheid jegens God. In den omgang met de menschen
beveelt de Koran: eerlijkheid, dankbaarheid, trouw aan het eensgegeven
woord, weldadigheid; strenge straffen bedreigt hij voor meineed, moord,
woeker, spel en drank. Een ongelukkig voorschrift was, dat de
Mohammedanen hun geloof met het zwaard moesten uitbreiden. "Het zwaard,"
zegt hij, "is de sleutel van den hemel."
Mohammed's opvolgers, #Khalifen# genoemd, veroverden weldra Palaestina,
Syrië, Aegypte, Perzië en Afrika's noordkust. Overal moest het kruis
wijken voor de halve maan. Zoo staken de Arabieren of Mooren, zooals ze
in 't N. van Afrika genoemd werden, geroepen door de twistende
Westgothische vorsten, zelfs naar Spanje over, maar--daarvan in een
nieuw hoofdstuk.
32. SPANJE IN DE MIDDELEEUWEN.