Deze kinderen voedde zij met de grootste zorgvuldigheid op en ontzag

geene moeite of kosten, om ze tot zulke edele en brave menschen te

vormen als eens hun grootvader Scipio geweest was. Eene voorname vrouw

toonde haar eens hare kostbaarheden. Cornelia wees op hare beide zonen

en zeide vol moedertrots: "Dit zijn mijne eenigste en grootste

schatten." De kinderen stelden de verwachting hunner edele moeder niet

te leur. De woorden, die Cornelia zich eens in 't bijzijn van hare zonen

ontvallen liet: "Zullen de Romeinen mij steeds de schoonmoeder van

Scipio en niet ook de moeder der Gracchen noemen?" maakten op hen zulk

een diepen indruk, dat zij al hunne krachten inspanden, om eene waardige

plaats onder Rome's beroemde mannen in te nemen. Tiberius, de oudste,

koos, toen hij tot de waardigheid van volkstribuun geroepen werd, de

zijde des volks tegen den adel.

Hij stelde daarom de vernieuwde invoering eener oude akkerwet voor,

waarbij niemand meer dan 500 morgen staatslanderijen mocht bezitten. 't

Spreekt van zelve, dat de aanzienlijken woedend waren op den stouten

tribuun. Toen daarom de tijd van zijn tribunaat was afgeloopen, zochten

zij met geweld zijne herkiezing tegen te gaan. In een straatgevecht vond

Tiberius Gracchus met 300 zijner aanhangers den dood (133 J. v. C.) De

patriciërs zorgden er nu voor, dat de wet van de akkerverdeeling niet

tot uitvoering kwam.

Elf jaren later vatte Cajus de taak op, die zijn broeder niet had kunnen

volbrengen. Hartstochtelijk en onstuimig kwam hij op voor de rechten van

't verdrukte volk; maar zijne pogingen stuitten af op den onwil van den

senaat en de zelfzucht der aanzienlijken. In een geducht oproer viel ook

hij met 3000 zijner medeburgers (121 J. v. C.) als een offer van zijnen

ijver voor 't welzijn des volks. Ofschoon aan 't stoffelijk overschot

der beide broeders geene eerlijke begrafenis werd gegund, maar hunne

lijken in den Tiber werden geworpen, erkende het volk toch eenige jaren

later, wat het in Cornelia's wakkere zonen verloren had. Standbeelden

verrezen tot hunne nagedachtenis, en de plaatsen, waar zij gevallen

waren, werden als heilig verklaard. Cornelia's wensch werd vervuld, want

toen zij in hoogen ouderdom stierf, werd voor haar een koperen

gedenkteeken opgericht met het eenvoudige, maar veel beteekenende

opschrift: "Cornelia, de moeder der Gracchen."

24. DE EERSTE BURGEROORLOG (MARIUS EN SULLA).

Onzedelijkheid en bandeloosheid namen in Rome hand over hand toe. De

vroegere eerlijkheid, matigheid en vaderlandsliefde zocht men er

tevergeefs. Voor geld kon men alles gedaan krijgen. Dat ondervond

#Jugurtha#, koning van Numidië, een volslagen booswicht. Door misdaden was

hij op den troon gekomen, door misdaden hield hij zich erop staande. Hoe

onbeschaamd hij echter ook zijne euveldaden pleegde, langen tijd wist

hij de senatoren den mond door goud te stoppen, zoodat hij, zelf

daarover verbaasd, uitriep: "O Rome, gij zoudt u zelf verkoopen, als

maar iemand genoeg voor u bood." Eindelijk was de maat zijner misdaden

vol: hij werd gevangen genomen en stierf te Rome den hongerdood (106).

Twee mannen hadden zich in den oorlog tegen Jugurtha bijzonder

onderscheiden, n.l. #Marius# en #Sulla#. De eerste was een ruw, woest

mensch van geringe afkomst, maar die door dapperheid en de gunst des

volks tot groote macht en aanzien was geklommen. De tweede, jong en van

edele afkomst, was de man, op wien de aanzienlijken hunne oogen

gevestigd hielden. Feller dan ooit toch stonden de aanzienlijken en

geringen tegenover elkander. Voor Marius kwam intusschen spoedig de

gelegenheid, dat hij zich voor Rome verdienstelijk kon maken. Ruwe,

krijgszuchtige Germaansche volken, bekend onder den naam van Cimbren en

Teutonen, waren aan den Donau verschenen (113), hadden het eene

Romeinsche leger vóór, het andere ná, verslagen en rukten nu naar Italië

en Gallië op.

In dit dreigend gevaar werd Marius vijf jaren achtereen tot consul

verkozen. Hij stelde dit groote vertrouwen niet te leur, maar

vernietigde eerst de Teutonen bij _Aix_, in 't Z. van Gallië (102) en

snelde vervolgens Catulus tegen de Cimbren te hulp, die dan ook bij

#Vercellae#, in 't N.w. van Italië, geheel verslagen werden (101). Meer

dan 100,000 Cimbren zouden in dezen slag zijn omgekomen. Marius was nu

de afgod des volks geworden. Een ander gevaar dreigde ondertusschen in

't Oosten. Daar was een tweede Alexander opgestaan in den persoon van

Mithridates, koning van Pontus, een land, ten Z. van de Zwarte zee

gelegen. Hij veroverde weldra geheel Klein-Azië, en ten einde zijn' haat

tegen Rome duidelijk aan den dag te leggen, liet hij op éénen dag in

verschillende steden van Klein-Azië 80000 Romeinsche burgers ombrengen.

Tegen dezen moordenaar zou een leger worden afgezonden en de

aristocraten wisten Sulla, die zich in den oorlog tegen de Italiaansche

bondgenooten had onderscheiden, tot opperbevelhebber te doen verkiezen.

Dit was zeer tegen den zin van de partij van Marius. Zij bewerkte een'

opstand te Rome; Sulla's voornaamste aanhangers begaven zich tot hem in

het leger, en 't viel hem niet moeilijk zijne soldaten, die zeer aan hem

gehecht waren, te bewegen, naar Rome op te trekken. Marius' partij moest

nu 't onderspit delven; hij zelf zwierf als vluchteling rond en bereikte

eindelijk Karthago's puinhoopen, waar hij over de wisseling der fortuin

kon nadenken.

't Uur der wrake zou echter spoedig voor hem slaan. Cinna, die bij

Sulla's vertrek naar 't Oosten tot consul was aangesteld, riep Marius in

het jaar 87 terug en deed daardoor den #eersten burgeroorlog# ontvlammen.

Vreeselijk was de slachting, die onder de aanhangers van Sulla werd

aangericht; vijf dagen en vijf nachten werd er onophoudelijk gemoord;

Rome's straten stroomden van bloed. Toch zou Rome nog vreeselijker

dingen aanschouwen. Sulla had gelukkig tegen Mithridates gestreden

(88-84), en toen hij vernam, wat er te Rome gebeurd was, haastte hij

zich, vrede te sluiten en zijn leger naar Rome te voeren. Een leger van

200,000 soldaten onder den jongen Marius (Marius zelf was in 86

gestorven) zoude zijn' intocht in Rome beletten, maar tevergeefs. Het

bleek tegen Sulla's in den krijg geoefende legioenen niet bestand te

zijn. We willen u besparen, lezers, de beschrijving van een bloedbad,

zooals de geschiedenis bezwaarlijk een tweede kan aanwijzen. Om er een

klein denkbeeld van te geven, melden wij alleen, dat 15 gewezen consuls,

90 senatoren, 2600 ridders en meer dan 100,000 burgers op bevel van

Sulla ter dood werden gebracht (83). Nu was de rust hersteld, want ieder

sidderde en beefde voor den man, die het leven zijner medeburgers zoo

weinig telde. Twee jaren lang heerschte Sulla onder den titel van

dictator met onbeperkte macht; toen legde hij plotseling zijn ambt

neder, (79) trok zich op een landgoed terug en stierf daar het volgende

jaar.

25. DE TWEEDE BURGEROORLOG (CAESAR).

Sulla's geluk spoorde andere eerzuchtige mannen tot navolging aan. Daar

was vooreerst #Pompejus#, de gunsteling der grooten en een vriend van

Sulla, die zich door vele gelukkige veldtochten den naam van "den

roemruchtigen" had verworven. Hij had in Spanje de aanhangers van Marius

onder Sertorius overwonnen, (72) gedeeltelijk den gevaarlijken

slavenopstand onder Spartacus gedempt, (71) de Middellandsche zee van

zeeroovers gezuiverd, (67) den ouden vijand van Rome, Mithridates, voor

goed onschadelijk gemaakt, (64) Rome's heerschappij in Klein-Azië, Syrië

en Palaestina bevestigd en onmetelijke schatten naar Rome gebracht. Een

ander legerhoofd van Sulla, #Crassus#, oefende door zijn fabelachtigen

rijkdom eenen grooten invloed uit, daar duizenden burgers hem als hunnen

schuldeischer moesten ontzien. Grooter dan beiden was #Julius Caesar#.

Rijk door de natuur begaafd, vereenigde hij in zich de schitterende

hoedanigheden van eenen Alcibiades met de bezadigdheid en het kalme

overleg van eenen Pericles. Hoezeer eer- en heerschzucht zijn hart

vervulden, blijkt daaruit, dat hij betuigde "liever de eerste in een

vergeten dorp dan de tweede in Rome te willen zijn." Toen hij het

standbeeld, ter eere van Alexander den Grooten opgericht, beschouwde,

riep hij uit: "Toen gij zoo oud waart als ik, hadt gij reeds de wereld

veroverd en ik, ik heb nog niets gedaan!" Pompejus en Caesar zagen

weldra in, dat zij zonder elkanders hulp niets vermochten en daarom

verbonden zij zich met Crassus tot het #eerste driemanschap# (Triumviraat)

(60).

Verstand en dapperheid, (Caesar) geluk en roem (Pompejus) en rijkdom

(Crassus) hadden elkander de hand gereikt om de wereldheerschappij te

deelen. Caesar werd tot proconsul benoemd van Gallië, dat hij nog eerst

moest veroveren, maar waardoor hij ook gelegenheid had, roem en eer te

behalen en een aan hem verknocht leger te vormen. Pompejus kreeg Spanje

en Crassus Syrië als de beste plaats om zijn nooit verzadigden gouddorst

te voldoen.

Behalve deze mannen stonden in Rome hoog in achting de strenge #Cato#, een

man, republikein in zijn hart en eerlijk als goud en #Cicero#, de

Romeinsche Demosthenes. Behalve door zijne welsprekendheid en

geleerdheid had deze laatste zich verdienstelijk gemaakt door de

ontdekking der schandelijke samenzwering van Catalina (63). De

driemannen wisten echter deze beide bekwame mannen behendig op zijde te

schuiven. Terwijl Pompejus te Rome in behaaglijke rust leefde en zijne

provinciën door legaten liet besturen, terwijl Crassus in 't Oosten

schatten op schatten stapelde en weldra in een' strijd tegen de Parthen

sneuvelde, (50) veroverde Caesar in 8 veldtochten (58-50) Gallië en

bedwong de Belgen en verschillende andere Germaansche volken.

Voor twee zulke eerzuchtige mannen als Pompejus en Caesar was 't groote

Romeinsche rijk nog te klein. 't Duurde niet lang, of 't verbond werd

verbroken en Rome weder het tooneel van den burgerkrijg.

Toen Caesar na de verovering van Gallië zijn leger niet ontslaan wilde,

werd hij door den senaat tot vijand des vaderlands verklaard en Pompejus

met het opperbevel tegen hem belast. (49) Maar Caesar voorkwam hem.

Voordat Pompejus, die vroeger gesnoefd had, dat hij slechts op den grond

zou behoeven te stampen om legioenen te zien verrijzen, nog met zijne

toerustingen gereed was, was Caesar in Italië gevallen en had Rome

zonder slag of stoot ingenomen. Pompejus en zijne aanhangers waren

haastig gevlucht. Vervolgens stak de overwinnaar naar Spanje over,

versloeg daar het leger van Pompejus en ging toen zijnen tegenstander

zelven in Griekenland achtervolgen. Bij #Pharsalus#, eene stad in het

landschap Thessalië, viel een geduchte slag voor, die geheel ten nadeele

van Pompejus afliep. (47) Hij vluchtte naar Aegypte, maar werd aldaar

bij zijne landing op last des Konings verraderlijk vermoord. Caesar had

zijn doel bereikt; hij was nu de eerste man in Rome.

De senaat haastte zich hem voor zijn leven te benoemen tot dictator en

imperator. Met de republiek was 't gedaan. (Cato's dood 46). Toch was

Caesar's regering in zekeren zin voor Rome zeer heilzaam, want nadat

zijne eerzucht bevredigd was, gaf hij vele goede wetten en versierde

Rome met prachtige gebouwen. Ook ging hij zich niet op zijne

tegenstanders wreken, zooals Marius en Sulla gedaan hadden. Caesar zocht

de liefde van 't volk te winnen en misschien zou hem dit gelukt zijn,

had niet zijne heerschzucht de woede gaande gemaakt van vele

republikeinsche senatoren. Dezen smeedden weldra eene samenzwering, aan

welker hoofd #Brutus# en #Cassius# stonden.

Op den 15 Maart van 't jaar 44 vielen in den senaat verscheidene

samengezworenen met dolken op hem aan. Daar het hem niet aan moed

ontbrak, trok ook hij zijnen degen; maar toen hij onder zijne

moordenaars zijn aangenomen zoon Brutus zag, omhulde hij zijn gelaat met

zijnen mantel onder den smartelijken uitroep: "Ook gij, mijn zoon

Brutus!" en zonk doodelijk getroffen neer aan den voet van 't standbeeld

van Pompejus, met wonden overdekt.

26. AUGUSTUS.

Caesars dood was weer 't sein tot nieuwe burgeroorlogen. Eerst scheen

het, dat #Marcus Antonius# het grootste voordeel van den val des machtigen

mans zoude trekken, maar deze kreeg in eenen achterneef van Caesar,

#Octavianus# genoemd, spoedig een geduchten mededinger. Marcus Antonius

was een zedeloos brasser, volstrekt niet bemind bij 't volk, maar wel

bij de soldaten der lijfwacht, wier aanvoerder hij was. Eerst meende

men, dat de sluwe Octavianus vijandelijk tegen Antonius zou optreden,

maar weldra kwam zijn eigenlijk plan aan 't licht. Hij verbond zich met

zijn' tegenstander en met een zekeren #Lepidus#, een weinig beteekenend

mensch, tot een #tweede driemanschap#, dat nu opnieuw de

wereldheerschappij deelde (43). Weder was Rome het tooneel van de

gruwelijkste vervolgingen.

Onder de vele slachtoffers van 't geweld behoorde ook de redenaar

#Cicero#, die door zijne redevoeringen de woede van Antonius had gaande

gemaakt. Ondertusschen zwelgde deze laatste in Oostersche weelde aan 't

hof der Aegyptische koningin Cleopatra. Daardoor verbeurde hij de

achting van ieder' weldenkende en laadde den haat op zich van

Octavianus, wiens zuster Octavia hij gehuwd, maar schandelijk

verwaarloosd had. Hij werd daarom tot vijand van den staat verklaard.

Octavianus werd afgezonden om hem te bevechten, en deze versloeg hem

geheel in den slag bij het voorgebergte #Actium#, aan de Jonische zee. (31

v. Chr.) Een zelfmoord maakte een einde aan zijn roemloos leven. Ook

Cleopatra, die tevergeefs getracht had, den overwinnaar gunstig voor

zich te stemmen, doodde zich zelve. Nu was er niemand meer, die

Octavianus de heerschappij kon betwisten, want Lepidus was reeds lang op

zijde geschoven. Octavianus ontving den titel van imperator

(opperbevelhebber van vloot en leger). 't Volk noemde hem echter

#Augustus#, d. w. z. de geheiligde, en onder dien naam is hij 't meest

bekend.

Zoo was Augustus beheerscher van een rijk, dat zich over 3 werelddeelen

uitstrekte, van den Atlantischen Oceaan tot den Euphraat, van den Rijn

en den Donau tot de woestijnen van Arabië en Afrika. In dit groote rijk

leefden ongeveer 120 millioenen menschen en vond men 6000 aanzienlijke

steden, waarvan Alexandrië, Antiochië en Rome de grootste waren. Vooral

Rome was de stad der steden. Zij telde eene bevolking van meer dan 1-1/2

millioen inwoners. Prachtige gebouwen, waaronder 400 tempels, groote

schouwburgen en sierlijke paleizen, verhieven zich overal. Op ruime

markten, goed ingerichte badplaatsen, trotsche triomfbogen, eerzuilen en

waterleidingen kon Rome met recht zich verheffen.

De republiek, hoewel in schijn door Augustus in stand gehouden, had

inderdaad opgehouden te bestaan en plaats gemaakt voor de monarchie.

Hoewel er op de wijze, waarop Augustus tot de hoogste waardigheden in

den staat was gekomen, veel te laken viel, was zijne regeering toch zeer

gelukkig voor Rome. 't Land had behoefte aan rust, aan veiligheid, aan

eene krachtige hand, aan een' man, wiens wil wet was. Voor zelfregeering

was het volk reeds lang niet meer geschikt; daarvoor was het te zeer

bedorven en ontzenuwd. 't Was slechts het werktuig in de hand van den

een of anderen eerzuchtige. Diepe vrede heerschte dan ook in 't geheele

rijk en de gevolgen daarvan, welvaart en voorspoed, lieten zich spoedig

zien. Augustus was er op bedacht betere middelen van verkeer als: wegen,

kanalen, waterleidingen enz. aan te leggen, de rechtspleging te

verbeteren en de veiligheid der burgers te verzekeren. Het tijdperk van

Augustus wordt met recht het gouden tijdperk van kunsten en

wetenschappen genoemd. Zij vonden in hem een milden beschermer en

vereerder. Vooral stond hem hierin zijn vriend #Maecenas# getrouw

terzijde, zoodat men tegenwoordig nog zegt van iemand, die kunsten en

wetenschappen liefheeft en bevordert: "'t Is een maecenas."

27. EEN DAPPER GERMAAN (HERMAN).

Hoogstwaarschijnlijk zal binnen kort de 1200 voet hooge Grotenburg, een

top van het Teutoburgerwoud, met een waarlijk reusachtig standbeeld

versierd worden. Het is het Hermansgedenkteeken, eene schepping van den

vaderlandslievenden #Jozeph Ernst von Bandel# uit Anspach in Beieren. Op

een koepelvormigen onderbouw van 95 voet zal het 90 voet hooge, uit

koper gegotene standbeeld van #Herman#, den bevrijder van Duitschland,

opgericht worden "in het midden der landstreken, waar hij zijne

heldendaden verrichtte, ver heen ziende in 't vrije vaderland en van

verre gezien als een wegwijzer ter plaatse van onzen roem." (von

Bandel). 't Is dus wel een belangrijke zaak, wel een gewichtig persoon,

waaraan wij te denken hebben.

Laat ons zien. De wereldbedwingende Romeinen hadden hunne heerschappij

ook in Duitschland uitgebreid en zoowel door kracht van wapenen als door

list, verraad en omkooping een groot gedeelte er van onderworpen. Een

voor vrijheid en vaderland dweepend jongeling, Herman, vorst der

Cherusken, die in Rome in alle kunsten en wetenschappen der Romeinen was

onderwezen, vatte het stoute plan op, den vrijen Duitschen bodem van de

overweldigers te bevrijden. Voorzichtigheid en beleid aan dapperheid

parende, wist hij langen tijd vriendschap met de Romeinen te veinzen,

terwijl hij in 't geheim zijn grootsch ontwerp voorbereidde. Eindelijk

is hij gereed. Vele dappere Duitsche scharen zijn bereid, alles voor de

vrijheid ten offer te brengen. #Varus#, de gehate Romeinsche stadhouder

van de landen aan beide zijden des Rijns, trekt op 't bericht, dat een

Duitsche stam is opgestaan, naar de Wezer.

Als geoefend veldheer valt Herman niet terstond de vijanden aan, maar

verzwakt hen door onophoudelijke, kleine aanvallen en lokt ze zoodoende

in het dichte Teutoburgerwoud. 't Is een vreeselijk weer. De regen valt

bij stroomen neder; de storm huilt akelig door de takken der boomen. De

uitgeputte Romeinen kunnen zich ternauwernood staande houden op den

doorweekten, glibberigen en drassigen bodem. Daar verheft zich boven het

geloei van den storm het krijgsgehuil der Duitschers; een hagelbui van

pijlen en steenen valt neer op de verschrikte Romeinen en dunt

vreeselijk hunne gelederen.

Schrik en ontzetting maken zich van hen meester. Nergens vertoont zich

eenige uitkomst, nergens redding. Verschrikkelijk is de slachting, die

onder de Romeinen wordt aangericht. Varus, ten einde raad en zijne

nederlaag niet willende overleven, stort zich in zijn zwaard. Een gevolg

van dezen roemrijken slag was, dat de Romeinen uit Duitschland verdreven

werden. (9 j. n. Chr.) Wel poogden eenige jaren later #Tiberius# en

#Germanicus# de nederlaag van Varus te wreken, de laatste zelfs met goed

gevolg; maar de Romeinen zagen toch in, dat een volk, 't welk bij

eendracht zulk eene kracht kon ontwikkelen, niet geschikt was een

slavenjuk te torschen en bepaalden zich in 't vervolg tot verdediging

der grenzen door 't stichten van versterkte kasteelen aan den Rijn en

den Donau, die later den oorsprong aan verscheidene steden hebben

gegeven.

28. DRIE ROMEINSCHE KEIZERS.

De keizers uit het geslacht van Augustus: #Tiberius#, #Caligula#,

#Claudius# en #Nero# waren óf wreede en ontaarde óf onbeduidende

menschen. Het Romeinsche volk vertrapte in hunne dagen, tengevolge ook

al van hun slecht voorbeeld, alle wetten van zedelijkheid en deugd met

voeten. De vroeger zoo trotsche senaat werd slechts een lijdelijk

werktuig in de handen der keizers; de eigenlijke macht berustte bij de

soldaten en wel vooral bij de lijfwacht des keizers: de #praetorianen#.

Zij waren de meesters van Rome en beschikten naar welgevallen over den

troon. Hij, die 't meest bij hen in gunst stond, of liever nog, hij, die

hun 't meeste geld bood, werd met het purper bekleed. Zelfs

vreemdelingen, wanneer ze over veel geld te beschikken hadden, werden

ten troon verheven.

De laatste keizer (Caesar) uit het geslacht van Augustus was de wreede

#Nero# (54-68 n. C). Zijn naam wordt nog gebruikt, om een wreedaard aan te

duiden. Nog geen 17 jaren oud volgde hij zijnen stiefvader Claudius in

de regeering op. Hij was een jongeling van een voortreffelijken aanleg,

maar ontving, helaas! eene slechte opvoeding. Toen de beroemde #Seneca#

zijn leermeester werd, was het kwaad reeds te diep in hem geworteld;

vandaar, dat wel de smaak voor wetenschap en kunst bij hem ontwikkeld,

maar de neiging tot zedelooze vermaken niet in hem werd uitgeroeid. In

den beginne, toen hij zich door Seneca liet leiden, toonde Nero zich

zachtmoedig en weldadig en scheen zijne regeering eene weldaad voor het

volk. Spoedig evenwel werd hij door lage, vleiende hovelingen geheel

bedorven; en de man, die vroeger had gewenscht niet te kunnen schrijven

om daardoor bevrijd te zijn van het onderteekenen der doodvonnissen,

liet nu het bloed van duizenden zijner onderdanen stroomen. In

waanzinnige woede liet hij zelfs zijne eigene moeder, zijne gemalin,

zijn' stiefbroeder en zijn' leermeester Seneca om het leven brengen. In

het jaar 64 n. C. brak in Rome een vreeselijke brand uit, die een groot

gedeelte der hoofdstad in de asch legde. Nero liet de stad schooner dan

ooit herbouwen, doch het volk was op hem verbitterd en beschuldigde hem,

dat hij den brand had veroorzaakt. Om deze verdenking van zich af te

schuiven, wierp hij de schuld op de gehate Christenen, die hij van nu

aan vreeselijk liet vervolgen en martelen. Het volk werd eindelijk den

dwingeland moede. De stadhouder van Spanje, #Galba#, werd door de soldaten

tot keizer uitgeroepen en Nero doodde zich zelven, eerst 32 jaren oud.

De levensgeschiedenis van Nero toont ons, hoe een oorspronkelijk goed

mensch door eene slechte opvoeding en een verkeerd gezelschap kan worden

bedorven!

Op Galba volgde reeds in 't volgende jaar #Otho#, die maar 3 maanden

keizer bleef en opgevolgd werd door #Vitellius#, een man, slecht van hart

en onbekwaam als regent. Nu riepen de troepen in het Oosten hun'

veldheer #Vespasianus# tot keizer uit. Deze lag juist met zijn leger voor

de stad Jeruzalem. De Joden, het geterg der Romeinsche stadhouders

moede, waren onder Nero in opstand gekomen. Na een driejarigen strijd

waren zij door Vespasianus beperkt tot hunne hoofdstad en deze

verdedigden zij met wanhopige woede. Vespasianus begaf zich nu naar

Italië en stelde zijn zoon Titus aan tot opperbevelhebber. In de lente

van het jaar 70 n. C. besloot deze Jeruzalem door storm te veroveren. De

verdeeldheid, die er onder de belegerden heerschte, de honger en het

gebrek, die tot eene onbeschrijflijke hoogte waren geklommen, kwamen de

Romeinen te hulp. Titus bood eerst nog vergiffenis aan, wanneer de Joden

hunne stad wilden overgeven, maar ze wezen die verachtelijk van de hand.

De ééne muur en de ééne toren na den anderen werden nu veroverd. Toen nu

ook de burcht Sion en de tempel in des vijands macht waren gevallen, kon

er van geen verzet meer sprake zijn. De stad Jeruzalem werd geslecht, de

bewoners òf gedood òf tot slaven gemaakt. De prachtige tempel, dien

Titus wilde sparen, werd door de roekeloosheid van een Romeinsch soldaat

eene prooi der vlammen. (70 n. C.) In hetzelfde jaar werd een ander

klein volk, de Batavieren, die onder Claudius Civilis zich tegen Rome

hadden verzet, weer onderworpen.

Oudheid en Middeleeuwen. Verhalen en schetsen · 第 5 / 10 段