Brutus naar het leger snelde en daar wist te bewerken, dat ook dit den
Koning afvallig werd en naar Rome terugkeerde. 't Koningschap werd
afgeschaft en Rome tot eene republiek verklaard. In de plaats des
konings kwamen nu twee mannen, #consuls# genaamd, die slechts voor één
jaar gekozen werden, aan het hoofd van den staat.
't Volk koos uit dankbaarheid als eerste consuls de beide bevrijders van
de tirannie: #Brutus# en #Collatinus#. 't Was er echter verre af, dat de
verdreven Koning lijdelijk in zijne afzetting berustte. Eerst zocht hij
in Rome ten zijnen gunste eene samenzwering te smeden. Werkelijk lieten
zich eenige aanzienlijke jongelieden, die den glansrijken hofstaat en de
schitterende feesten, door den Koning gegeven, boven de vrijheid
stelden, overhalen om pogingen aan te wenden ter herstelling van het
koningschap. De samenzwering werd echter toevallig door een' slaaf
ontdekt en de schuldigen gevat. Onder dezen behoorden twee zonen van
Brutus en twee neven van Collatinus.
Brutus toonde, dat de vrijheid van zijn vaderland hem boven alles
dierbaar was. Hij zelf sprak, naar luid van het volksverhaal, over zijne
zonen het doodvonnis uit, en nadat dit werkelijk aan hen voltrokken was,
liet hij de natuur recht wedervaren. Hij omhulde zijn gelaat met zijnen
mantel en ging weenend naar zijne woning. Collatinus poogde tevergeefs
zijne neven te redden, maar verloor daardoor 't vertrouwen des volks,
zoodat hij genoodzaakt was Rome te verlaten. Toen deze poging mislukt
was, zocht Tarquinius op eene andere wijze te slagen. Hij zocht en vond
hulp bij #Porsenna#, koning van Clusium (in Etrurië). Deze verscheen
weldra met een machtig leger voor Rome's poorten en bracht de stad in 't
uiterst gevaar. Bijna ongeloofelijke blijken van heldenmoed werden er
tijdens deze belegering door de Romeinen gegeven.
Eeuwige roem verwierf zich in de eerste plaats #Horatius Cocles#. De
Romeinen hadden een' uitval gedaan, maar werden door de Etruskers
verslagen. Nu vloden zij naar de stad terug, op den voet gevolgd door de
zegevierende vijanden. Gelukte het dezen met hen over de Tiberbrug te
komen, dan waren zij in de stad en Rome was verloren. Daar houdt
plotseling een dapper man stand. Hij beveelt zijnen makkers in allerijl
de brug achter hem af te breken, terwijl hij alleen den strijd tegen de
overmacht op zich neemt. Toen hij aan 't kraken der balken verneemt, dat
de overtocht belemmerd is, werpt hij zich in den Tiber en komt, in
weerwil van de pijlen der vijanden, behouden aan den anderen oever. Had
Cocles voor 't oogenblik de stad gered, toch bleef haar toestand altoos
nog hachelijk, te meer daar een hongersnood de ellende kwam
vermeerderen. Daar weet een Romeinsch jongeling, _Mucius_, in de
vijandelijke legerplaats en in 's Konings tent te dringen. Hij heeft
vooraf aan den senaat verzocht den Koning te mogen dooden. Niet wetende,
wie van de beide aanwezige personen de Koning is, doodt hij den
geheimschrijver. Natuurlijk wordt hij gegrepen en door den Koning met de
verschrikkelijkste straffen bedreigd. Doch Mucius roept uit: "Zie, hoe
weinig _hij_ om zijn leven geeft, wien groote roem voor oogen staat." En
zijne rechterhand in 't vuur houdende, dat op een in de nabijheid staand
altaar brandde, liet hij haar zonder een teeken van smart te toonen,
verbranden. Ontzet over zulk eene onverschrokkenheid liet de Koning den
jongeling van 't altaar wegsleuren en schonk hem de vrijheid. Nu
verklaarde Mucius, die vervolgens den eerenaam Scaevola (linkerhand)
kreeg, dat nog 300 jongelingen gezworen hadden den Koning te dooden. Hij
was de eerste en had zich vergist, een ander na hem zou gelukkiger zijn.
Deze verklaring vervulde den Koning met schrik en ontzetting, zoodat hij
zich geneigd toonde tot onderhandeling. Hij liet de zaak van Tarquinius
varen, en, nadat de Romeinen hem oorlogsvergoeding en gijzelaars hadden
verstrekt, toog hij naar zijn land terug.
19. TWISTEN TUSSCHEN PATRICIËRS EN PLEBEJERS.
Patriciërs en plebejers! wat waren dat voor menschen, vraagt ge
voorzeker! #Patriciërs# waren de aanzienlijken, die veelal een groot
grondbezit hadden en geroepen konden worden tot alle ambten en
waardigheden, dus de regeerende stand; de #plebejers# waren het mindere
volk, oorspronkelijk bewoners van de veroverde steden, die weinig of
geen landbezit hadden en tot geen ambt of waardigheid konden gekozen
worden.
De patriciërs maakten van hun recht weldra een schromelijk misbruik.
Niet alleen dat zij bij alle gelegenheden aan de plebejers hunne
overmacht deden gevoelen, maar daar zij, als de rijken, dikwijls de
schuldeischers van de laatsten waren, behandelden zij dezen
allervreeselijkst wreed en hardvochtig. Een schuldeischer mocht zijn
schuldenaar tot slaaf maken, hem verkoopen, ja zelfs dooden. Recht
tegenover den rijke had de arme volstrekt niet, en dus moest hij zich de
gruwelijkste dwingelandij en knevelarij laten welgevallen. Toch poogden
de plebejers meermalen in dien ondragelijken toestand verandering te
brengen. De gelegenheid daartoe bood zich trouwens vaak genoeg aan. Hoe
laag de patriciër ook neerzag op den plebejer, hij kon hem toch niet
missen, voornamelijk niet in de vele oorlogen, die Rome met zijne
naburen te voeren had. Dit wisten de plebejers zeer goed, en daarom
weigerden zij eenvoudig te vechten, wanneer er een oorlog uitbrak. Dan
moesten de patriciërs hen weer met mooie woorden en groote beloften
paaien, om toch de wapens op te vatten.
Even vlug als zij in 't beloven waren, even handig waren zij er ook bij,
om die beloften te verbreken, wanneer het gevaar geweken was. Eindelijk
echter was 't geduld der verdrukte plebejers ten einde. Zij togen in 494
gezamenlijk uit Rome en naar den zoogenaamden #Heiligen Berg# met het
doel, daar eene nieuwe stad te stichten. Nu waren de patriciërs op hunne
beurt in verlegenheid en genoodzaakt iets toe te geven. Zij zonden eenen
afgezant naar het volk, wien het gelukte eene verzoening tot stand te
brengen. Echter niet dan nadat de schuldenlast verminderd, in de
verhouding van schuldeischer en schuldenaar verbetering gebracht en
volksvertegenwoordigers (tribunen) aangesteld waren.
Deze #tribunen#, die uit de plebejers mochten verkozen worden, moesten
waken, dat het volk geen onrecht geschiedde en konden dat doen door
tegen een besluit van den senaat hun #veto# (ik verbied het) te laten
hooren, waardoor het senaatsbesluit niet ten uitvoer gebracht kon
worden.
Met leede oogen zagen de patriciërs zich een deel van hunne vroegere
macht over de verachte plebejers ontrukken. Zij haakten dus naar eene
gelegenheid, waardoor zij den vroegeren toestand weder in 't leven
konden roepen. Die gelegenheid bood zich spoedig aan in een vreeselijken
hongersnood. De senaat had in Rome's korenschuur, Sicilië, koren laten
opkoopen en wilde het nu gelijkelijk onder 't volk verdeelen. Een zeker
trotsch patriciër, #Marcius Coriolanus#, stelde echter voor, het volk
eerst dán koren te verstrekken, wanneer het van zijne verkregene rechten
afstand wilde doen.
Toen de plebejers dit vernamen, werden zij woedend en daagden Coriolanus
voor eene volksrechtbank. Deze echter, het ergste vreezende, verliet
Rome en begaf zich naar Rome's vijanden de #Volscen#.
Aan 't hoofd van een machtig vijandelijk leger verschijnt hij weldra
voor zijne vaderstad. Benarde toestand voorwaar! Van binnen de honger,
van buiten een vijand, hunkerende naar den val van de steeds naar meer
macht strevende stad. Men zendt boden naar Coriolanus, die hem eene
eervolle terugroeping aanbieden. Tevergeefs; de trotsche patriciër wijst
hen terug. De priesters, met alle teekenen van hunne waardigheid
bekleed, zoeken hem tot den aftocht te bewegen, maar moeten eveneens
onverrichter zake terugkeeren.
Maar ziet--daar nadert een stoet vrouwen. Aan 't hoofd er van gaat
Coriolanus' moeder, Veturia, vergezeld van zijne gemalin Volumnia. Hij
wil eerbiedig zijne moeder begroeten, maar trotsch wijst zij hem op hare
beurt terug; zij wil in den verrader van zijn vaderland niet haren zoon
erkennen. Dit is voor Coriolanus te veel. "Moeder!" zoo roept hij, "gij
hebt Rome gered maar uwen zoon verloren."--Hij heft de belegering op,
maar moet volgens sommigen door de verbitterde Volscen zijn omgebracht.
(491 v. Chr.)
Lang duurde de strijd tusschen de plebejers en patriciërs; niet zelden
kwam het tot bloedige botsingen. Toch wisten de plebejers het eene
voorrecht na het andere machtig te worden, totdat omstreeks het jaar 300
v. Chr. de klove tusschen beide standen was aangevuld.
Ondertusschen was Rome wederom den ondergang nabij geweest. De Galliërs,
een woest volk, dat eerst in zuidelijk Frankrijk had gewoond, waren in
't noorden van Italië gevallen en drongen zegevierend naar 't zuiden,
alles plunderende en verbrandende. Door de hoogst onvoorzichtige
handelwijze der Romeinsche gezanten tot woede geprikkeld, togen de
Galliërs onder hunnen dapperen aanvoerder Brennus naar Rome, versloegen
het Romeinsche leger bij de #Allia#, een kleinen bijvloed van den Tiber
(390), veroverden Rome en verwoestten de stad. De inwoners waren voor 't
grootste gedeelte naar 't Capitool gevlucht, waar zij onder aanvoering
van den dapperen #Manlius# den vijand manmoedigen tegenstand boden (ganzen
op 't Capitool). Toch zou ook deze sterkte hebben moeten vallen, ware
niet te rechter tijd de vroeger wegens zijne trotschheid en overmoed
verdrevene #Camillus#, de veroveraar van Veji, die de verstrooide troepen
der Romeinen verzameld had, tot ontzet opgedaagd. De Galliërs werden
verslagen en trokken terug. Rome werd schooner herbouwd.
20. HET HELDENTIJDVAK DER ROMEINSCHE REPUBLIEK.
(342-275 j. v. Chr.)
Het tijdperk van 342-275 j. v. Chr. is de schoonste tijd der republiek.
Het is rijk aan voorbeelden van uitstekenden heldenmoed, van
zelfopofferende vaderlandsliefde en van strenge rechtvaardigheid. Tevens
geeft het ons eene groote mate van eenvoud en reinheid van zeden te
aanschouwen, zooveel te meer opmerkelijk in een land als Italië, waar
weelde en losbandigheid maar al te veel gehuldigd werden. Daardoor bleef
de republiek niet alleen behouden te midden der groote gevaren, die haar
bedreigden, maar trad zij grooter en machtiger dan ooit uit den
worstelstrijd te voorschijn. De meeste volken van Italië, naijverig op
den snellen bloei van Romulus' stichting, keerden hunne wapens tegen
Rome. Hoewel de strijd niet altijd gunstig voor de Romeinen afliep,
(Caudinische passen 321) bleek toch de onbezweken moed en de
zelfopofferende vaderlandsliefde der Romeinen den vijanden te sterk te
zijn.
Liever dan u de aanleiding tot de eindelooze oorlogen mede te deelen,
willen wij liever wijzen op enkele der vele heldenfiguren, waaraan dit
tijdperk zoo overrijk is. Daar zien wij hoog ten ros en in schitterende
wapenrusting #Marcus Curtius# zich in den afgrond werpen, om zoo den toorn
der goden te stillen. Hier offert de strenge consul #Titus Manlius# zijnen
dapperen zoon op, omdat hij tegen het legerbevel met een hem uitdagenden
vijand gevochten heeft. Elders weer wijdt consul #Decius Mus# zich ter
dood, omdat de auguren de zege des legers afhankelijk van den val des
aanvoerders hebben gesteld. In den heeten strijd bij Sentinum (295)
offert de #jongere Decius Mus# zich eveneens voor 't heil des vaderlands
op. Ook tooneelen als die van David en Goliath geeft ons dit tijdperk te
aanschouwen. Hoe! wil die tengere jongeling (#Titus Manlius#) zich meten
met dien Gallischen reus? Hij durft het wagen en weldra zien wij hem,
versierd met den zwaren ketting zijns vijands (vandaar zijn bijnaam
Torquatus) door het jubelend leger tot dictator verheven.
In 280 kwamen de Romeinen voor 't eerst in oorlog met een buitenlandsch
vorst n.l. met #Pyrrhus#, koning van Epirus.
Begeerig naar avonturen, voldeed hij gaarne aan de uitnoodiging der
Tarentijnen om hen tegen de Romeinen bij te staan. Met een uitmuntend
leger, voorzien van olifanten, die aan den krijg gewoon waren, landde
hij in Beneden-Italië en was weldra in twee veldslagen overwinnaar (280
en 279 v. Chr.) Toch kon de scherpzinnige Pyrrhus bij den eersten slag
niet nalaten uit te roepen: "Met zulke soldaten was de wereld mijn;" en
bij den tweeden: "Nog eene overwinning als deze en ik ben verloren."
Mochten de Romeinen ook een enkelen keer den moed laten zinken, de
blinde #Appius Claudius# wist weder veerkracht in de harten der
verslagenen te brengen en aan den gezant, dien Pyrrhus gezonden had, gaf
de senaat het trotsche antwoord: "Over een' vrede kan slechts gehandeld
worden, nadat Pyrrhus Italië verlaten heeft." De stand van zaken
veranderde, toen #Fabricius# en #Curius Dentatus# aan 't hoofd des legers
kwamen. Pyrrhus tracht den eerste om te koopen, maar Fabricius, hoewel
zelf arm, wijst met verontwaardiging de glansrijke aanbiedingen van de
hand; eene poging, door hem aangewend om den Romein door middel van een
kolossalen olifant schrik aan te jagen, mislukte eveneens.
De tweede was zoo eenvoudig in zijne levenswijze, dat, toen de gezanten
van den senaat hem voor de eerste maal zijne benoeming als consul
brachten, ze hem bezig vonden met het koken van een gerecht rapen. Het
geluk begon Pyrrhus den rug toe te keeren. In den geduchten slag bij
#Beneventum# (275) werd zijn leger totaal verslagen, terwijl de meeste
zijner olifanten, vroeger de schrik der Romeinen, in 's vijands handen
vielen.
Hij was genoodzaakt als overwonneling naar zijn land terug te keeren.
Zoo waren de Romeinen langzamerhand meester geworden van geheel Italië;
alle staten moesten òf als bondgenooten òf als onderworpen provinciën
hunne oppermacht erkennen.
21. EEN MAN VAN ZIJN WOORD (REGULUS).
Omstreeks het jaar 888 stichtte Dido, zuster van den Phoenicischen
koning Pygmalion, op de noordkust van Afrika eene kolonie, die den naam
kreeg van Karthago. Deze kolonie werd weldra door handel en zeevaart
rijk en machtig; zij strekte haar gebied niet alleen uit over een groot
gedeelte van Afrika's noordkust, maar ook over Sardinië, Corsica en meer
dan de helft van Sicilië. 't Kon wel niet anders, of twee volken als de
Romeinen en de Karthagers, die beide naar de wereldheerschappij
streefden, moesten in botsing met elkander komen. Er was slechts eene
aanleiding noodig, en die liet niet op zich wachten. De Mamertijnen,
ontslagen huurtroepen van Agathocles, tiran van Syracuse, maakten door
roof en plundering het geheele eiland Sicilië onveilig en bemachtigden
zelfs de stad Messana, die zij, na haar uitgemoord te hebben, als
wijkplaats bij hunne strooptochten bezigden. Aan dezen stand van zaken
poogden de Syracusanen een eind te maken. Hun koning Hiero viel de
Mamertijnen met een leger aan en bracht hun zulk eene gevoelige
nederlaag toe, dat ze naar hulp moesten uitzien. Een gedeelte hunner
zocht ondersteuning bij de Romeinen; de overigen bij de Karthagers.
Het schoone en rijke Sicilië was eene te begeerige prooi voor Rome, dan
dat het de bede der roofzuchtige Mamertijnen zoude afwijzen, hoewel het
er vast op konde rekenen, dat de strijd met het machtige Karthago dan
niet kon uitblijven. Weldra stak in een donkeren stormachtigen nacht een
Romeinsch landingsleger op vlotten over de straat van Messina en
veroverde verschillende versterkte plaatsen. Door een verbond met
Syracuse zocht Rome de Karthagers geheel van Sicilië te verdrijven.
Dezen echter wreekten zich door met hunne machtige vloten de kusten van
Italië te bestoken en aan den handel van Rome's bondgenooten een geducht
nadeel toe te brengen. De Romeinen zagen zeer goed in, dat zij in 't
bezit van eene vloot moesten zijn, als ze met kracht tegen de Karthagers
wilden optreden.
Met ontzaggelijk veel moeite en groote inspanning bouwden ze nu naar het
voorbeeld van een gestrand Karthaagsch oorlogschip eene vloot. Ieder
schip had aan weerszijden enterbruggen, waardoor het met een vijandelijk
schip verbonden kon worden, en zoo veranderde het zeegevecht eenigszins
in een landgevecht. Met deze vloot bevocht de consul #Duilius# de eerste
overwinning op de Karthagers bij Mylae, eene kleine plaats in het n. o.
van Sicilië (260). Nu werden de Romeinen overmoedig. Eene vloot van 330
schepen met een groot leger aan boord, zeilde onder bevel van den
dapperen consul #Regulus# naar Afrika. De Karthagers werden herhaalde
malen verslagen, en reeds stonden de zegevierende Romeinen voor
Karthago's poorten, toen er Grieksche hulptroepen landden onder
aanvoering van den bekwamen Spartaan #Xantippus#.
Nu werden de overwinnaars op hunne beurt overwonnelingen; het grootste
gedeelte van 't schoone leger sneuvelde, de rest viel met den dapperen
aanvoerder in handen der vijanden. In weerwil van de overwinning
wenschten de Karthagers niets liever dan een eervollen vrede. Om dien te
verkrijgen zonden zij, volgens het verhaal, den gevangen consul als
afgezant naar Rome, na hem vooraf te hebben doen zweren naar Karthago
terug te keeren, ingeval hij den vrede niet tot stand bracht. Regulus
komt te Rome, kwijt zich van zijne opdracht, maar raadt tevens den
senaat aan den oorlog met kracht vol te houden, daar de Karthagers
uitgeput zijn. Noch de welmeenende raad van den senaat, noch de
dringende beden zijner vrienden zijn in staat, hem ontrouw aan zijns
eens gegeven woord te smaken. Hij keerde naar Karthago terug, waar een
vreeselijke dood hem wachtte. Nu is 't u zeker ook duidelijk, waarom men
Antonius Hambroek wel den Nederlandschen Regulus noemt.
Het einde van dezen oorlog, den eersten der zoogenaamde #Punische#
oorlogen, (264-241) was, dat de Karthagers het korenrijke Sicilië
ontruimen en eene groote som voor oorlogskosten aan de Romeinen moesten
betalen.
22. HET ROMEINSCHE RIJK IN GEVAAR. (HANNIBAL).
Karthago zocht zich in Spanje schadeloos te stellen voor 't verlies van
Sicilië. #Hamilcar Barcas# en #Hasdrubal#, veldheeren der Karthagers,
veroverden er aanzienlijke streken lands. De verovering der stad
#Saguntum#, die zich onder Rome's bescherming gesteld had, gaf aanleiding
tot den #tweeden Punischen# oorlog (218-201), een' oorlog, waarin Rome op
den rand van zijnen ondergang werd gebracht. De man, die dat bewerkte,
was #Hannibal#. Opgevoed in haat tegen Rome, gloeiende van
vaderlandsliefde, bedeeld met buitengewone geestesgaven, was hij de
rechte man voor 't groote doel, dat hij beoogde. Dat doel was niet
minder, dan uit Spanje een leger over de Pyrenaeën en de Alpen te voeren
en zoo in Italië te vallen ten einde den Romeinen in hun eigen land de
wet voor te schrijven. Stout plan voorwaar!
Toen hij na de ongehoordste ontberingen en gevaren eindelijk in
Opper-Italië's vlakten verscheen, was zijn leger tot op de helft
geslonken; al zijne olifanten waren omgekomen. Toch is hij sterk genoeg
om den Romeinschen legers bij de #Ticinus#, bij de #Trebia# (twee
bijvloeden van de Po) en bij het meer #Trasimene# (in het tegenwoordige
Toscane) eene volkomen nederlaag toe te brengen (218 en 217). Zonder de
krijgskunst van den dictator #Fabius# (cunctator=draler), toen op
verre na niet genoeg door de Romeinen gewaardeerd, ware Rome
hoogstwaarschijnlijk verloren geweest. Toen later #Aemilius Paulus# en
#Terentius Varro# de wijze taktiek van Fabius lieten varen, en Hannibal
bij #Cannae# slag leverden, was eene geduchte nederlaag het gevolg van
hunne onbesuisdheid. 50000 Romeinsche lijken bedekten het slagveld
(216). Cannae was echter de keerkring van Hannibals geluk. In 't
weelderige Capua, waar hij met zijn leger den winter doorbracht, werden
zijne krachtige krijgers ontzenuwd; kleingeestige naijver in zijne
vaderstad liet het hem aan de noodige hulp ontbreken, terwijl Rome eene
kracht en vastberadenheid ontwikkelde, geëvenredigd aan het gevaar,
waarin het verkeerde. Verschillende Italiaansche volken verbraken het
bondgenootschap met Hannibal, totdat ten laatste slechts enkele
versterkte plaatsen in Beneden-Italië in zijne macht waren.
Daar steekt de koene #Scipio#, die reeds in Spanje blijken van grooten
moed en zeldzame bekwaamheid had gegeven, met een leger naar Afrika over
en bedreigt Karthago. Hannibal snelt zijne vaderstad te hulp.
Tevergeefs: de slag bij #Zama# (202) was ten nadeele van de Karthagers, en
onder de schandelijkste voorwaarden moesten zij den vrede afbidden.
Overal vervolgd door de Romeinen, die hem haatten en tegelijk vreesden,
bracht Hannibal zich door vergif om 't leven (183).
Eene stad, die door handel en nijverheid zijn bestaan vindt, herstelt
zich langzamerhand van de verliezen, die het geleden heeft. Zoo ook
Karthago. Dit konden de Romeinen niet dulden. "Karthago moet verwoest
worden", zoo besloot Cato zijne meeste redevoeringen in den Senaat. Eene
aanleiding daartoe was spoedig gevonden. Een naburig koning (Masinissa
van Numidië) maakte voortdurend strooptochten op Karthaagsch
grondgebied. De Karthagers, geen oorlog mogende voeren zonder verlof der
Romeinen, verzochten dezen om hulp, doch tevergeefs. Ten einde raad,
grepen zij eindelijk zelven de wapens op en verjoegen de indringers.
Schoone gelegenheid voor de Romeinen om een leger naar Karthago te
zenden, ten einde de stad voor 't verbreken van de vredesvoorwaarden te
straffen! De Romeinen eischen gijzelaars; men geeft ze hun; vervolgens
hunne wapens; ook deze worden overgeleverd. Toen zij echter van de
bedrukte inwoners vorderen hunne stad te verlaten, en minstens vijf
mijlen van de zee zich eene nieuwe stad te bouwen, zegevierde de
onderdrukte vaderlandsliefde over de honende vorderingen en bedreigingen
der Romeinen. Nu geeft Karthago ons een tooneel te aanschouwen, waarbij
het gevoelige hart van smart moet ineenkrimpen. Meer dan twee jaren werd
er gestreden, aan den eenen kant met den moed der vertwijfeling, aan den
anderen met grenzenlooze verbittering. Ieder huis moest veroverd worden;
voet voor voet verdedigden de Karthagers den dierbaren grond, tot
eindelijk met de sterke burcht hun laatste toevluchtsoord was gevallen.
De koningin der Middellandsche zee ging in vlammen op. De aanvoerder der
Romeinen, #Scipio Afrikanus de jongere#, kon bij 't zien van 't
afgrijselijk tooneel zijne tranen niet bedwingen. 't Getuigt meer voor
hem dan menige zege, op 't slagveld behaald. Van de 700,000 inwoners
bleven slechts 50000 over, om den triomftocht van Scipio meer luister
bij te zetten. Zoo eindigde de _derde_ of _laatste Punische_ oorlog.
(149-146).--In 't zelfde jaar, waarin Karthago viel, werd ook #Corinthe#
door den consul #Mummius# ingenomen, en daarmede was geheel Griekenland in
Rome's macht. Omstreeks het jaar 130 konden de Romeinen zich beroemen,
dat hunne heerschappij zich reeds uitstrekte over drie werelddeelen.
23. TWEE VRIENDEN DES VOLKS (DE GRACCHEN).
Hoe glansrijk de toestand van Rome uiterlijk ook scheen, inwendig liet
hij veel te wenschen over. 't Verschil tusschen patriciërs en plebejers
was veel vereffend, maar dat tusschen rijken en armen was langzamerhand
geweldig groot geworden. De groote schatten, die naar Rome uit de
overwonnen gewesten vloeiden, waren slechts voor de voornamen; het volk
moest leven van 't geen de rijken het verkozen toe te werpen. 't Volk
was slechts een werktuig in de hand der aanzienlijken; de staatsambten
werden niet meer bezet door de waardigsten, maar door diegenen, welke er
het meest voor betaalden. Aan dien toestand zocht een edel broederpaar
een einde te maken, n.l. #Tiberius# en #Cajus Gracchus.# Zij waren zonen
van #Sempronius Tiberius Gracchus# en #Cornelia#, eene dochter van Scipio,
den overwinnaar van Hannibal, eene der edelste vrouwen, die Rome weet
aan te wijzen. Na den dood haars mans wijdde zij zich geheel aan de
opvoeding harer twaalf kinderen, waarvan zij echter slechts drie mocht
behouden t. w. het bovengemelde broederpaar en Sempronia, die de gade
werd van Scipio den jongeren.